Part 2
Zoodra hij de stalen deur geopend had, welke de ijzeren trap van de werkplaats scheidde, ontdeed hij zich van zijn jas, en schoot een linnen werkkiel aan.
Hij begaf zich vervolgens naar zijn werkbank, waar het model van een eigenaardige machine stond.
Hij bekeek het een oogenblik, met de vuisten in de zijde gesteund, en mompelde:
„Het model heeft gisteren voortreffelijk gewerkt, nu is het slechts de vraag, of het toestel op ware grootte dit ook zal doen!”
Hij trok een vel papier naar zich toe, met teekeningen bedekt, en begon deze ijverig te bestudeeren.
Nu en dan veranderde hij nog iets aan de teekeningen, en wierp van tijd tot tijd een blik op het sierlijke model, waarvan het koper glansde in het licht van de sterke electrische lampen, welke deze ondergrondsche werkplaats moesten verlichten.
Er was nog geen half uur verloopen, toen de stalen deur weder openging, en Charly binnentrad.
Hij had het Latijnsche manuscript in de hand, en op zijn jong gelaat lag een uitdrukking van verwondering.
„Wel,” zoo begroette Raffles hem, terwijl hij op een der gemakkelijke stoelen plaats nam, die hier en daar waren neder gezet, „wat zeg je wel van mijn ontdekking?”
„Als manuscript is dit ding hoogst merkwaardig,” antwoordde Charly. „Een andere waarde is er natuurlijk niet aan te hechten!”
„Hoe zoo?” vroeg Raffles langs zijn neus weg.
„Hoezoo!” herhaalde Charly verbaasd. „Wel, wat hier beschreven staat is toch immers reine onmogelijkheid!”
„Zoo iets zeide mijn vriend Lee ook!” kwam Raffles bedaard.
„Nu, dan ben ik het volkomen met Lee eens!” riep Charly uit. „Ik geloof geen syllabe van dien schat, en nog veel minder van die vóórwereldlijke monsters, welke die Romeinsche krijger daar in Afrika zou hebben gezien! Als dat werkelijk zoo was, zou hij er denkelijk niet veel van hebben na verteld!”
„Je acht dus al de vóórwereldlijke dieren wel zeer gevaarlijk? Laat ik je dan zeggen, dat er vele bij waren, die volkomen onschadelijk waren, daar zij tot het geslacht der herbivoren of planteneters behoorden hoe groot zij ook waren!”
„Maar er waren ook carnivoren of vleesch etende dieren onder, Edward! En die bereikten soms een lengte van tachtig voet!”
„Daarvan spreekt Otavius Numilus niet, die het eerst het handschrift samenstelde, waarmede ik niet zou willen zeggen, dat hij ze niet kon hebben gezien!”
Charly liet zich op zijn beurt in een stoel vallen en keek Raffles strak aan.
„Dat kun je toch niet meenen?” vroeg hij eindelijk. „Dergelijke dieren zijn er toch reeds sedert eeuwen niet meer!”
„In Europa zeker niet, evenmin als in Amerika, en alle andere, tot in de uiterste hoeken, doorvorschte werelddeelen!” antwoordde Raffles bedaard. „Maar Afrika is nog lang niet geheel doorvorscht! Wij mogen gerust zeggen, dat wij van dat geheimzinnige land niet meer dan een derde deel goed kennen, en dan vergis ik mij zeker in het voordeel der ontdekkingsreizigers!”
„Dat geef ik toe, maar van daar tot de meening, dat er in die nog niet door den voet van Europeanen betreden gedeelten, dergelijke monsters nog geen tweeduizend jaar geleden te vinden waren, is nog een heele stap!”
„Tweeduizend jaar geleden, en thans, Charly!” kwam Raffles steeds even bedaard.
„Wat wil je zeggen?” riep Charly verward. „Je zoudt toch niet durven volhouden, dat er ook nu nog dergelijke monsters in het duisterste gedeelte van Afrika te vinden zijn?”
„Ik zou het althans niet gaarne ontkennen!”
„Maar Edward!” riep Charly ten hoogste verbaasd uit, „neem mij niet kwalijk, maar dat is immers waanzin!”
„Waarom? Hebben wij ons daarvan dan kunnen overtuigen?”
„Dat zeker niet, maar mij dunkt toch, dat het onmogelijk is, dat wij van het bestaan van die dieren niets zouden hebben gehoord!”
„Wij vernamen evenmin iets van de menschelijke bewoners uit de streken!” hernam Raffles kalm.
„Dus er zouden duizenden jaren zijn voorbij gegaan zonder dat wij iets uit dat gedeelte van Afrika zouden hebben vernomen, terwijl die Romein, Otavius Numilus, die dieren niettemin zou hebben gezien?”
„Dat komt mij volstrekt niet onmogelijk voor, Charly! De Romeinen zijn niet altijd in Afrika gebleven, en toen zij er verdreven werden, zal tevens de herinnering aan wat die Romein daar zag, verzwakt zijn. Het is trouwens zeer wel mogelijk, dat de tijdgenooten van Numilus er evenmin aan geloofden als jij op dit oogenblik.”
„Dat kun je mij niet kwalijk nemen Edward, ik zal er ook nooit aan gelooven, tenzij ik mij met eigen oogen zou kunnen overtuigen, dat die Romein niet gelogen of gefantaseerd heeft!”
„Aan dat verlangen kan voldaan worden, Charly, want wij vertrekken over vijf dagen naar die plek!”
Charly gaf een luiden schreeuw van verbazing, en staarde Raffles geruimen tijd zwijgend aan.
Toen barstte hij uit:
„Je praat toch zeker niet in ernst?”
„In vollen ernst! Ik wil mij persoonlijk gaan overtuigen of die soldaat van Julius Ceasar zich niet heeft vergist!”
„Maar hij heeft zich natuurlijk vergist!” riep Charly bijna wanhopig uit. „De legers van Julius Ceasar, die in het jaar 48 voor Christus de troepen van zijn voormaligen bondgenoot Pompejus bij Pharsalus versloegen en twee jaren later nogmaals bij Thapsus, zijn nimmer ver genoeg in het binnenland van Afrika doorgedrongen om de bronnen van het Niassameer te hebben kunnen bereiken.”
„Natuurlijk niet de geheele legermacht, maar misschien wel kleine groepjes, die zich hadden afgescheiden, en die alle gevaren hebben getrotseerd, gedreven door hun zucht naar avonturen.”
„En die lieden zouden weder ongedeerd zijn teruggekeerd?” riep Charly ongeloovig uit.
„Misschien zijn er twee of drie honderd gegaan, en is Numilus de eenige geweest, die er het levend afbracht,” ging Raffles onverstoorbaar voort.
„Maar die literaire soldaat moet een Charlatan geweest zijn, Edward, een voorlooper van Baron van Münchhausen, een gek!”
„Dat is mogelijk, maar het is niet volkomen zeker, en daarom zullen wij er een onderzoek naar instellen!”
„Je bent dus vastbesloten?”
„Ja Charly!”
Weder heerschte er stilzwijgen in de werkplaats, slechts verbroken door het gonzen van den kleinen electromotor.
Toen hernam Charly op ernstigen toon:
„Ik ken je nu lang genoeg, om te weten, dat je een eenmaal opgevat plan nooit meer prijs geeft, je wilt een avontuur ondernemen, dat je het leven kan kosten, want nog nimmer is een ontdekkingsreiziger teruggekeerd uit de binnenlanden van Afrika, tenminste niet uit de streken welke wij willen bezoeken! Livingstone heeft Angola en Mozambique bezocht, Spake en Grand hebben van Zanzibar uit Egypte bereikt, over het Victoriameer, Stanley heeft de Kongo doorvorscht, en talrijke Duitsche, Engelsche, en Fransche ontdekkingsreizigers hebben nog pas een jaar of tien geleden verschillende gebieden van Afrika onderzocht, maar niemand drong nog door tot de geheimzinnige streken, welke je wilt bezoeken!”
„Je vergist je, Charly, Otavius Numilus is er geweest,” hernam Raffles, terwijl hij Charly met een strakken blik aankeek.
De jonge man maakte een moedeloos gebaar en sprak:
„Ik zie wel dat niets je kan weerhouden! Natuurlijk gaan Henderson en ik met je mede, daarover wordt in het geheel niet gesproken.”
„Daar had ik ook al half en half op gerekend, Charly!” hernam Raffles bedaard. „Drie vastberaden, moedige mannen kunnen heel wat doorstaan, en wij hebben een vervoermiddel tot onze beschikking, waardoor het ons mogelijk zal zijn, door te dringen tot plaatsen waar nog geen enkele blanke den voet heeft gezet. Van Zanzibar uit, kunnen wij bijvoorbeeld het noordelijkste punt van het Niassameer binnen iets meer dan een uur tijds bereiken. Je zult zelf wel begrijpen wat dat zeggen wil. In een uur tijds kunnen wij een afstand afleggen, waarover Stanley maanden heeft gedaan!”
„Dat erken ik, maar van dat punt uit, komen wij in geheel onbekende streken! Het vervoermiddel waarvan je spreekt, je wonderbaarlijke vliegmachine, kan door een of ander ongeval gedwongen zijn om te dalen, en dat beteekent de bijna onvermijdelijke ondergang!”
„Wij zullen met de vliegmachine zoo ver mogelijk reizen, haar dan achterlaten bij een vriendschappelijken stam, en van daar te voet onzen tocht voortzetten! En nu voorloopig genoeg hier over gepraat, Charly! Wij vertrekken over vijf dagen!”
HOOFDSTUK III.
DE TOEBEREIDSELEN.
Laat in den middag van denzelfden dag zat Charly gebogen over een groote kaart van Afrika in de fraaie bibliotheekzaal van het huis aan de Regent Street.
Hij had de kaart op de tafel uitgestrekt, en had het Latijnsche manuscript naast zich liggen.
Hij hield het hoofd in de handen gesteund, en nu en dan stond hij op, en liep peinzend eenige malen het groote vertrek op en neder.
Dan liet hij zich weder op zijn stoel vallen, en zette zijn lectuur voort.
Kan het waar zijn? mompelde hij tenslotte in zich zelf. Kan die soldaat van Julius Ceasars legioenen dat alles inderdaad met eigen oogen gezien hebben? Heeft hij zich die wonderen niet op de mouw laten spelden, en ze grif geloofd? Laat eens zien, Julius Ceasar landde in een noordelijke stad van Afrika, dicht bij de Middellandsche zee gelegen, toen hij den strijd ging aanbinden met Pompejus, die met hem, en met Marcus Crassus het eerste driemanschap had gevormd dat jarenlang de onbeperkte heerschappij uitoefende over het reusachtige Romeinsche rijk. De afstand van de landingsplaats tot het Niassameer bedraagt ongeveer vijfduizend kilometers! Is het denkbaar, dat Numilus en zijn reisgenooten dien ontzaglijken afstand te voet of te paard hebben afgelegd? Daarvan wordt niets vermeld in het manuscript, en het komt mij ook volkomen ongelooflijk voor. Neen, als Numilus daar inderdaad geweest is, en dat moet wel zoo zijn, want hoe moet hij anders den naam van dat toen nog geheel onbekende meer weten, dan moet hij, even als Stanley een paar duizend jaren later deed, bij Zanzibar of bij Dar-es-Salaam voet aan land hebben gezet. Hoe hij daar dan gekomen is, is een raadsel, want de Zuidelijke doorvaart was toen nog niet bekend, maar op een andere wijze is het niet te verklaren hoe die Romein zoover in het zwarte werelddeel zou zijn doorgedrongen!
Charly stond op, liep naar de groote boekenkast, en nam er een voortreffelijk werk over de volkerenkunde der geheele wereld uit.
Hij sloeg het open, las eenige tijd aandachtig, en vervolgde toen aldus zijn alleenspraak:
„Het is zoo als ik dacht, de streek ten Westen van het Niassameer is nog zoo goed als geheel onbekend, tot aan den voet van het Lokings-Gebergte, en wat daar voorbij is, dat weet niemand! Honderden vierkanten mijlen zijn daar nog nimmer door den voet van een blanke betreden! Wat zouden wij er vinden? Zouden daar nog inderdaad rassen bestaan, die den schakel vormen tusschen aap en mensch? Zouden daar nog dwergstammen zijn? En bovenal, zouden daar werkelijk overblijfselen te vinden zijn van die wonderlijke dieren uit het steentijdperk, om van de levende exemplaren maar te zwijgen? Ik kan het bijna niet gelooven, en toch, dit geheele wonderlijke manuscript ademt een geest van waarheidlievendheid. Het is vreemd, zeer vreemd!”
En weer verzonk Charly in de aandachtige bestudeering van kaart en manuscript.
De deur ging open, en Raffles trad binnen.
Op den drempel bleef hij een oogenblik glimlachend staan, en keek naar Charly, die zoodanig verdiept was in zijn lectuur, dat hij Raffles niet had hooren binnenkomen.
Nu trad hij op den jongen man toe en vroeg:
„Begin je wat meer belang te stellen in onze onderneming?”
„Al heb ik er niet aan geloofd, en al doe ik dat nog niet, belang heb ik er altijd ingesteld!”
„Ben je er al in geslaagd, ongeveer de plaats vast te stellen, welke onze man meent?”
„Om je de waarheid te zeggen, is hij tamelijk vaag in zijn aanduidingen,” antwoordde Charly. „Maar dit is zeker, dat hij die dieren gezien heeft dicht bij de bron van een zijrivier van de Loangwo, een van de voornaamste stroomen in die streek, en waarvan tot dusverre nog slechts een klein gedeelte onderzocht is. Naar ik geloof zou je je onderzoek moeten beginnen bij de plaats Maranda, op ongeveer 200 kilometer ten Westen van het Niassameer gelegen. Dat is de laatste plaats, welke op den atlas staat aangegeven, en die als het ware op de grens van het ondoorzocht gebied ligt!”
Raffles had zich op zijn beurt over den atlas gebogen, en bekeek de kaart aandachtig.
Toen wierp hij een blik in het Latijnsche schrift, en zeide:
„De schrijver gewaagt hier van hemelhooge bergen, en van ontzaglijk diepe ravijnen, begroeid met maagdelijke wouden, waarin het bijna onmogelijk was door te dringen. In één van die ravijnen zouden zich die schatten bevonden hebben, waarvan hij spreekt.”
„Ja, en ze zouden daarheen gebracht zijn, op bevel van Ptolemeus van Egypte die aldus de bezittingen van den staat, wat wij de schatkist zouden noemen, in veiligheid had willen brengen toen hij zich bedreigd zag door de Romeinsche indringers.”
„Ik kan mij alleen volstrekt niet voorstellen, Edward, waarom die ontzaglijke rijkdommen daar dan gebleven zijn, en niet aanstonds zijn teruggebracht, toen het gevaar geweken was, en evenmin, waarom men dien schat over zulk een grooten afstand vervoerde!”
„Wat het eerste betreft, mijn jongen, je zult je misschien uit je schooljaren herinneren dat Ptolemeus verslagen werd, en dus geen gelegenheid had, om de schatten van het rijk terug te halen! Wie kan zeggen of hij de plek niet geheim heeft gehouden?”
„Alles goed en wel, maar de kameeldrijvers en de ruiters die den karavaan vormden, moeten haar dan toch geweten hebben!”
„O, wat dat aangaat, in dien tijd schrikten de alleenheerschers en de tyrannen er volstrekt niet voor terug, de medeweters van een kostbaar geheim ter dood te laten brengen, al waren het er een paar duizend! Denk maar eens aan Cleopatra, de Koningin van de Nijl! Zij koos zich haar minnaars menigmaal uit haar negerslaven, maar geen hunner overleefde ooit langer dan een paar minuten het mingenot, dat hij in de armen van zijn meesteres gesmaakt had!”
„Ja, zij was geen prettige vrouw,” zeide Charly lachend.
„Dat niet bepaald, maar zij was een zeer merkwaardige vrouw!” hernam Raffles. „En nu, mijn jongen, zullen wij eens ons reisplan moeten opmaken, want zooals gezegd, ik wil zoo spoedig mogelijk vertrekken.”
„Hoe zullen wij den tocht maken?”
„Het lijkt mij het verstandigst, recht door te vliegen naar Maranda! Aldus verrichten wij eigenlijk niet eens iets bijzonders, want de tocht is reeds gedaan door Fransche en Engelsche vliegers en onder heel wat moeilijker omstandigheden, want zij maakten gebruik van machines, die met de mijne in snelheid niet kunnen wedijveren.”
„Daarentegen volgden zij een andere route, Edward, zij kozen voor hun landingsplaatsen de bekende Centra, waar een groot aantal Europeanen gevestigd waren! Wil je echter in rechte lijn van Londen naar Maranda vliegen, dan zul je voor een groot gedeelte de woestijn moeten oversteken!”
Charly had een wereldkaart op de tafel uitgespreid, en ging nu voort:
„Wij zouden het eerst Tunis moeten aandoen! Dat wil zeggen, wij zouden vliegen van Londen over Parijs, Lyon, Marseille, en vandaar de Middellandsche zee oversteken naar Tunis!”
„De kwestie van een halven dag!” zeide Raffles kalm.
„Van Tunis zou de reis dan gaan over de volgende steden: Misda, Mursuk, Aleshr, Mara, vervolgens over het Muta-Nsige-Meer, langs het Tanganjika-Meer, en tenslotte over het stadje Pambete, aan den Zuidelijken punt van dat meer gelegen, naar Maranda!”
„Is dat een rechte lijn?” vroeg Raffles.
„Kaarsrecht!”
„Hoeveel bedraagt de afstand in vogelvlucht van Tunis naar Maranda?”
Na eenige oogenblikken te hebben gerekend, antwoordde Charly: „In rechte lijn ongeveer 5800 kilometer!”
„Wanneer wij aannemen, dat wij gemiddeld vijfhonderd kilometer per uur kunnen afleggen, zouden wij dus over dien afstand ongeveer elf uren doen, laat ons zeggen twaalf. De afstand van Londen naar Tunis bedraagt ongeveer twee vijfden van den geheelen afstand, dat wil zeggen vijf uur vliegens, tezamen dus zeventien uren, wanneer wij dus hier te middernacht vertrokken zijn, dan kunnen wij om vijf uur in den middag op de plaats van bestemming zijn.”
„Het klinkt als een sprookje!” mompelde Charly halfluid, „in zeventien uren van Londen tot niet eens zoo heel ver van de Kaap!”
„Over weinige jaren zal het iets zeer gewoons zijn, Charly,” hernam Raffles. „De vliegmachines, die met een benzinemotor worden gedreven, halen reeds nu snelheden, die in sommige gevallen tot tweehonderd vijftig kilometer per uur kunnen bedragen, en er is volstrekt geen reden, waarom die snelheid binnen weinige jaren niet zou zijn verdubbeld en niet even groot zal kunnen zijn als die der Duivel der Lucht!”
Raffles dacht een oogenblik na, en vervolgde toen: „Wij zullen echter een groote hoeveelheid levensmiddelen aan boord medenemen, want wij moeten alle gebeurlijkheden voorzien. Ik zou dus zeggen, leeftocht voor een maand ongeveer. Het is beter, veel te veel mede te nemen, dan slechts een ietsje te weinig! En gelukkig is onze vliegmachine er op ingericht, dat zij die vracht gemakkelijk kan dragen! Voorts spreekt het van zelf, dat wij ons duchtig moeten wapenen, om ons te kunnen verdedigen tegen roofdieren, ook die in menschengedaante! Wij zullen eenige duizenden patronen medenemen, voor ieder twee jachtgeweren behalve onze trouwe revolvers, sterke kapmessen, een paar bijlen, en benoodigdheden om een tent te kunnen opslaan. Wij moeten zooveel medenemen als die vliegmachine maar kan dragen, zonder dat haar snelheid er onder lijdt. Zij heeft bij ons laatste avontuur nog al wat te verduren gehad, en wij zullen haar zeer zorgvuldig moeten nazien!”
De beide vrienden spraken nog eenigen tijd voort en beraadslaagden over alles wat zij zouden moeten meevoeren, waarop Charly een lijstje opmaakte.
Toen dit alles gereed was, drukte Raffles op de electrische knop naast de deur, en zeide tot den binnentredenden Groom:
„Vraag eens, of Henderson aanstonds hier komt, Gaston.”
De oude kamerbediende verwijderde zich, en vijf minuten later trad James Henderson, de reusachtige Chauffeur, het vertrek binnen.
„Mylord heeft mij doen roepen?” vroeg hij.
„Ja Henderson! Wij gaan dezer dagen op reis!”
„En Mylord neemt mij mede?”
„Ja Henderson! Wij gaan echter nog al vrij ver!”
„Zooals Mylord verkiest!”
„Wij gaan naar het zuiden van Afrika!”
„Uitstekend, Mylord!”
„Maar naar een plek, Henderson, waar nog geen enkele Europeaan vóór ons den voet heeft gezet!”
„Zoodat wij de eersten zullen zijn, Mylord!”
„Wij gaan ons aan vreeselijke gevaren blootstellen, Henderson. Misschien krijgen wij te strijden met ontzaglijke monsters, waarvan wij ons hier geen voorstelling kunnen vormen. Zij bereiken soms een hoogte van tachtig voet!”
„Kan men er met een geweer op schieten, Mylord?”
„Daarvan ben ik overtuigd, Henderson!”
„Goed, Mylord!”
En dat was alles, wat de brave kerel van de geheele onderneming te zeggen had!
Raffles wendde glimlachend zijn gelaat naar Charly, die een weinig beschaamd voor zich keek.
De trouwe reus had zelfs geen vraag gesteld, en hetgeen Raffles hem mededeelde als de eenvoudigste zaak ter wereld beschouwd, waaraan hij geen enkel woord behoefde te verspillen. Mylord had gezegd dat zij tegen ontzaglijke monsters zouden vechten, dan waren zij er natuurlijk ook, daaraan kon niet getwijfeld worden!
„Nog iets van Uw dienst, Mylord?” ging Henderson voort.
„Niets anders Henderson, dan dat je je reisvaardig houdt, en onze vliegmachine, die op het oogenblik in onze loods van het vliegveld staat, aan een zeer grondig onderzoek onderwerpt.”
„Wij gaan dus met den Duivel der Lucht, Mylord?”
„Ja, Henderson!”
„Mag ik weten Mylord, hoe de plaats heet, waarheen wij ons begeven?”
„Maranda, Henderson,” antwoordde Charly.
„Maranda, ik zal het onthouden! Kan men er geïllustreerde briefkaarten krijgen?”
„Dat zou ik wel denken, Henderson,” antwoordde Charly lachend, „want er wonen wel vijftig Europeanen, naar ik geloof.”
„Dan heb ik niets meer te vragen Mylord! Ik zal voor alles gaan zorgen!”
En Henderson draaide zich op zijn hielen om, en verliet het vertrek.
Voor hem scheen de geheele zaak niets anders te zijn dan een eenvoudig pleizierreisje!
„Een merkwaardige kerel!” bromde Charly halfluid. „Hij ziet zeker het Niassameer voor de serpentine in het Hyde Park aan, en Maranda voor een theehuis aan de Theems!”
„Dat ligt zoo in zijn aard Charly!” zeide Raffles glimlachend.
„Hij scheen ook in het geheel niet verwonderd te zijn over je mededeeling betreffende die voorwereldlijke monsters!” kwam Charly.
„Neen dat leek hij heel gewoon te vinden!” zeide Raffles glimlachend.
„Laten wij een oogenblik veronderstellen, dat daar werkelijk nog overblijfselen van die monsters te vinden zijn.”
„Overblijfselen of levende exemplaren!” viel Raffles hem lakoniek in de rede.
„Levende exemplaren dan!” hernam Charly schouderophalend. „Wat denk je er dan wel te vinden?”
„Wel volgens de beschrijving van Numilus, moet het daar als het ware een staalkaart zijn geweest van bijna alle in het steentijdperk voorkomende soorten! Er moeten in dien tijd vertegenwoordigers geweest zijn van de Ichthyosauriërs, geweldige visschen die ongeveer den vorm hadden van onzen zaagvisch, behalve dat zij tanden hadden met zeer scherpe punten. Het waren dus meer vischhagedissen, en zij bereikten een zeer groote lengte. Overblijfselen van die dieren zijn trouwens ook in Europa ontdekt, met name in het dal van de Donau bij de Zwarte Zee, en ook in ons land, waar in eenige krijtrotsen zeer merkwaardige afdrukken van die vischhagedissen gevonden worden! Waarschijnlijk heeft Numilus ze gezien, varende op het Niassameer.”
„Maar ik meen de landdieren, en de halfslachtigen, Edward!”
„Op dat gebied spreekt onze Romein van den Stegosaurus in het bijzonder, een ontzaglijk dier, dat bij de achterpooten een hoogte kon bereiken van vier en een halven meter, met een zeer dikken en langen staart, aan het eind met een soort dorens bezet, en wiens rug bezet was met een dubbele rij ontzaglijke hoornen platen, naar men vermoedt om hem te beschermen tegen den beet van den vreeselijken Plesiosaurus, zijn ergsten vijand, een waar monster dat half in het water, half op het land leefde, en vier vinnen had, waarmede hij zich met ongelooflijke snelheid in het water kon voortbewegen. Maar nog grooteren vijand had de Stegosaurus in den Diplodocus, eveneens een ontzettend groot monster, dat, als het zich op de achterbeenen oprichtte en steunde op zijn staart als een kangoeroe, gemakkelijk den vreeselijken kop op de grootste dakgoot van een vrij groot huis zou kunnen leggen.”
„En zouden wij dien sinjeur daar ook aantreffen?” vroeg Charly met een schuin oogje naar Raffles.
„Dat is volstrekt niet zoo dwaas!”
„En waren die dieren voor de menschen gevaarlijk?”
„Slechts weinige! Zij waren zeer log en dom, bewogen zich tamelijk moeilijk, leefden hoofdzakelijk van planten, en vielen de menschen alleen aan als zij geprikkeld werden! Maar er waren toch ook monsters onder, verschrikkelijk om aan te zien, en die tot de vleeschetenden behoorden, zooals bijvoorbeeld de Allosaurus, een dier dat de achterpooten had van een ontzaglijk grooten arend, en het lichaam, den kop en den staart van een monsterachtigen kaaiman. Hij moet met de gespierde achterpooten ontzettende sprongen hebben kunnen nemen, en wat er van zijn kleinere vijanden overbleef, kun je begrijpen, als ik je zeg dat hij van het einde van de snuit tot het tipje van den staart menigmaal een lengte van negentig voet bereikte! Als het dier gewoon op de achterpooten zat, in de houding van een kangoeroe, dan was de kop ruim zeven meter boven den grond, dat wil zeggen ter hoogte van de tweede verdieping van een flink huis! De bek was voorzien van zeer scherpe tanden, en eenigszins achterwaarts gericht, als die van de tegenwoordige reptielen, en de voorpooten, die hoofdzakelijk om te grijpen werden gebruikt, bezaten drie klauwen van verbazende sterkte, die zeer gemakkelijk het hoofd van een volwassen mensch konden omvatten.”
Charly had zwijgend toegeluisterd, en hernam nu:
„Je mag zeggen wat je wil, maar het wil er bij mij nog altijd niet in, dat dergelijke dieren tot nog voor betrekkelijk korten tijd zouden hebben kunnen bestaan, zelfs in die onbezochte streken, zonder dat wij er iets van zouden hebben gemerkt en nu spreek ik nog niet eens van de mogelijkheid, dat er op dit oogenblik nog van die monsters zouden leven!”
„Ik erken dat wij daaromtrent niets zekers weten, en daarom juist gaan wij het onderzoeken!” hernam Raffles bedaard.
HOOFDSTUK IV.
DE REIS NEEMT EEN AANVANG.
Er waren vier dagen verloopen sedert dit gesprek in het laboratorium had plaats gehad.
Alles was voor de reis in gereedheid gebracht.