Part 1
PUCK
DOOR MARIE OVINK-SOER SCHRIJFSTER VAN „DE CANNEHEUVELTJES” MET BANDTEEKENING EN PLATEN VAN JOHANNA COSTER
TWEEDE DRUK
GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN
I EEN SLECHT BEGREPEN KIND.
Jootje van Vorden, bijgenaamd Puck, stond voor ’t raam in de huiskamer, en trok allerlei figuurtjes op de zwaar beslagen ruiten. Dit deed ze misschien wel om een beetje kalmer te worden, want de jonge juffrouw was hevig verontwaardigd. Zoo even had Bet „de meid”, haar de keuken uitgejaagd, verbeeld je!
Omdat de sinaasappels nog zoo zuur waren, hadden Lientien en zij verzonnen de partjes in suiker te leggen. Maar de suiker moest eerst gesmolten worden, anders drong ’t zoet niet door. Dus waren beide meisjes naar de keuken gegaan, en hadden een leelijken morsboel gemaakt, toen Bet, juist op ’t ongelukkigste oogenblik, dat ze kiezen kon, binnen kwam.
„Neen maar, wat voeren jullie uit?” riep ze boos.
„Had je dat niet eerst kunnen vragen, Lientien? En jij moest je schamen, Puck, de vuile rommel, die je gemaakt hebt, met mijn schoonen bordendoek op te soppen.” En tegelijk wilde Bet Puck den doek afgrijpen. Maar Puck hield stevig vast. Bet’s blauwe en Puck’s zwarte oogen keken elkaar woedend aan,
„Wil je wel dadelijk loslaten, kwaie meid, pas op, of je krijgt er een om je ooren,” waarschuwde Bet. Puck trok nog harder, en liet toen op eens los, zoodat Bet zeker zou gevallen zijn, als ze zich niet net bijtijds aan de tafel had kunnen vastgrijpen.
„En nou is ’t genoeg,” riep ze rood van drift. „Denk je soms, Puck, dat....”
„Hoor eens Bet,” viel Puck haar heel kalm in de rede, „ik vind, dat je nou wel eens: „jongejuffrouw” kon zeggen in plaats van „Puck”, ’t komt niet te pas van een m....” Verder kwam ze niet. Bet pakte haar bij den arm, en schudde de rest van haar woorden weg.
„Heb ’k van mijn leven. Moet je nog wat?.... Vort, mijn keuken uit, en heb ’t hart niet, dat je hier weer komt knoeien.”
Met een dreun sloeg de keukendeur achter Puckie dicht. Lientien was al van te voren weggeslopen met de in den haast aangebrande suikerstroop. Ze legde er voorzichtig de sinaasappelpartjes in, doch Puck trok er haar neus voor op. Ze was dan al verschrikkelijk kwaad. Vroeger, op Soerabaia, had niemand der bedienden haar ooit bij den naam durven noemen, en nou ze tien was geworden, wilde ze ’t ook niet langer verdragen van de dienstboden hier.
„Wat kan ’t je eigenlijk toch schelen, Puckie, of ze je in de keuken bij je naam noemen,” vroeg Lientien. „We zijn toch maar kinderen,” voegde ze er eenvoudig bij. „Grace en Ellen hebben je zeker opgestookt, om zoo groote-menscherig te doen, hé Puck?” Doch Puck duwde Lientien weg, en wilde in ’t geheel niet kijken naar de rose schijfjes in het zwart bruine sap. Ze teekende ’t eene sterretje vóór, ’t andere ná op de beslagen ruiten.
Waldi kwam van de wandeling thuis, maar zijn onstuimig vriendelijke begroeting werd door Puck met een koel „weg vervelend beest,” beantwoord. Lientien wilde ’t bij Waldi goed maken, doch dat behoefde niet eens: Waldi nam ’t nooit kwalijk, wanneer de menschen onvriendelijk tegen hem waren. Dat begreep hij niet, of hij nam de zaak even wijsgeerig kalm op als Socrates, de kater.
Nel kwam binnen, even later Frits, die Puck aan haar krullen trok, omdat ze hem niet behoorlijk goeden dag zeide.
„Wat scheelt er aan Puckie Muckie?” vroeg hij. „Heb je weer kuurtjes, kruidje-roer-mij-niet?”
Puck haalde nijdig haar schouders op en gaf geen antwoord.
„Plaag haar toch niet, Frits,” verzocht Nel.
„Toe, Puckekind, help me eens gauw. ’k Moet de sla nog aanmaken. Wil jij vast de eieren pellen?”
Jootje keerde zich half om, doch toen Frits haar vaderlijk goedkeurend toeknikte: „Toe maar Puckie,” werd ze wéér woedend, en vloog de kamer uit.
„Och hemel! wat een lastig humeur heeft Puck tegenwoordig toch,” zuchtte Nel. „De Haagsche lucht bekomt haar bepaald slecht.”
„Nee,” verkondigde Lientien wijs, „’t komt door haar vriendinnen op school. Die kinderen stoken haar van alles op.”
„Jou ook, Lienepien?” vroeg Frits.
„Ze noemen mij een „zuigelingkind”, en ze hebben altijd geheimen voor me met hun drieën.... ’k Wou, dat ’k Annie en Wimpie hier had, die houden ook van poppen en zoo.... Daar trekken Ellen en Grace haar neus voor op.”
„Maar in Den Haag is ’t toch heel wat leuker wonen dan in Utrecht,” meende Frits. „Die heerlijke duinen en Scheveningen en de Boschjes en ’t Bosch.... Zou jij terug willen, Nel?”
„Ik vind ’t overal prettig, waar we allemaal samen zijn, vent. ’t Spijt me genoeg, dat Lous en de jongens zoo ver weg zitten.”
Op ’t allerlaatste nippertje kwam Puck pas aan tafel, haar booze bui scheen nog niets gezakt. Maar van slechte humeurtjes werd aan tafel nooit notitie genomen. Mama keek Puckie wel even onderzoekend aan, doch vroeg niets. Iedereen praatte gewoon en prettig zooals altijd op ’t gezellig etensuur, wanneer al de familieleden bijeen waren.
Doch ná tafel nam mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje apart.
Eerst had mama gemeend en gehoopt, dat zij ’t zich verbeeldde (of, dat dit een voorbijgaand verschijnsel zou zijn), toen Puck zoo in haar nadeel veranderde sinds de familie in Den Haag woonde. Doch, daar Jootje’s humeur eer erger dan beter werd, moest ze dit vermoeden opgeven. Met ’t meisje, dat nu sinds drie jaar hun huisgenootje was, had mevrouw Canneheuvel in ’t begin veel last gehad. ’t Kleine, verwende ding snoepte, jokte en was verbazend koppig. Snoepen deed Jootje nu zelden of nooit meer, en ook in andere opzichten was ze wel in haar voordeel veranderd.
Wat ’t kind echter de laatste maanden was gaan bezielen, dat begreep niemand.
Altijd achtte zij zich verongelijkt, en riep dan: „Niemand begrijpt mij ook” (net of ze een raadseltje was, zei Lientien). Vaak liep ze uren aaneen te mokken, en wist eigenlijk zelf niet waarom. Over ieder plagerijtje werd ze boos, en had eens twee dagen lang niet tegen Frits willen spreken, omdat hij haar de „reuzin” had genoemd toen ze klaagde, dat iedereen haar als een klein kind behandelde.
Mama sloeg Puckie opmerkzaam gade, en deed telkens weer haar best ’t meisje van haar ongelijk te overtuigen; dit gelukte haar echter steeds moeilijker.
Ook nu weer kon tante Puck niet aan ’t verstand brengen, dat ’t al heel bespottelijk en grievend tegenover Kee en Bet zou zijn, wanneer haar gelast werd om de kleintjes op eens „jongejuffrouw” te noemen.
„Maar kindje,” sprak tante, „de meisjes in de keuken noemen Frits nog altijd bij zijn naam, en die is bijna zestien. Bet vergeet zelfs meestal „Juffrouw” tegen Nel te zeggen.
„Nou, ik vind, dat het niet te pas komt,” hield Puck vol, „Ellen en Grace zeggen ’t ook.”
„Frits en Nel maken daar nooit een aanmerking over, omdat we Bet en Kee al zoo lang hebben, en ze ons zoo trouw en eerlijk dienen.”
„Ellen en Grace hebben hier in huis niets te vertellen, Puckie... Kom, vrouwtje, zet je mooie-weer mutsje toch weer op. Zoo gauw je achttien bent mag je „juffrouw” zijn. Tot zoolang blijf je onze „Puckie” binnen en in de keuken.”
„Mijn paatje”... begon Puck, snikkend. Tante zag ’t kleine meisje heel ernstig aan.
„Kijk me eens in de oogen Puck... geloof je, dat je vadertje zou meenen, dat je hier niet goed bezorgd was, en geen prettig tehuis hebt?... Heusch, Puck, als je niet tevreê en vroolijk bent, is dat alleen je eigen schuld. Strijd toch tegen dat verkeerde gevoel in je hart. Wees niet hoogmoedig, en heb niet zoo’n groot idee van je zelf. Je bent net als Lientien, nog maar een kind. En wanneer je eenvoudig en voorkomend bent, houdt iedereen van je, en voel je je zelf ook gelukkig... Geef mij nu maar een zoen, en beloof me je best te willen doen.”
Puck gaf tante wèl een zoen, doch voldaan was ze niet. Bij zich zelf dacht ze: „Wat kan ’t tante nou toch eigenlijk schelen, of Bet en Kee mij jongejuffrouw noemen, als ik ’t zoo graag heb. En nou kan ik Ellen en Grace ook niet vertellen, dat ze ’t moeten doen voortaan, en ik heb nogal zoo gebluft, dat tante ’t dadelijk goed zou vinden.”
Toen ze in bed was, en Lientien al lang sliep, lag Puck nog een heele poos over haar moeilijkheden na te denken.
’t Was of ze tegenwoordig veel meer naar Indië terug verlangde dan vroeger. Ze zag haar lief geboorteland in de schoonste kleuren; alles was er heerlijk en veel beter dan in dat nare Holland, waar ’t bijna aldoor regende. Ralima zou ’t wel uit haar hoofd hebben gelaten om haar af te snauwen als die nare Bet deed... Tante was wel lief en de anderen ook, behalve Frits, die aap van een jongen, met al zijn verbeelding... Maar waarom lieten groote menschen kinderen bijna nooit hun zin doen? Ach, waarom was haar paatje er niet meer? Van hem mocht ze alles. Hier moest je altijd gehoorzamen, en, wat je prettig vond, mocht juist niet. Grace en Ellen van Bergen deden thuis net wat ze wilden. Ze hadden geen vader meer, en haar moeder gaf de meisjes in alles toe. Wanneer ze een enkelen keer wat verbood, en Ellen en Grace deden ’t toch, dan kregen ze nooit straf, maar mevrouw begon te schreien. „En,” zei Grace, „zoo’n regenbuitje dreef van zelf voorbij...”
Als zij dat toch ook maar durfde, iets te doen wat eigenlijk niet mocht, maar dan zou tante vast niet huilen en roepen van: „hoe kan je toch zoo ongehoorzaam zijn?”
Ze zou flink straf krijgen, van oom ook... Die Lientien was toch zoo’n flauw kind; ze kreeg al een kleur van schrik bij de gedachte, dat ze iets uitvoerde wat mampie niet goed zou vinden. Grace vond ’t ook zoo flauw, dat dat kind nog zoo graag met poppen speelde. „Poppen zijn maar dooie dingen,” zei ze.
Grace was al dertien en Ellen twaalf, maar zij wilden toch vriendin met haar zijn.
Daarmee voelde Puckie zich erg vereerd; ook, doch dit had ze voor geen geld willen bekennen, omdat ze erg rijk waren. Mevrouw Van Bergen had een auto en, als je er op een partijtje was, kreeg je allerlei moois mee naar huis. Dat vond tante overdreven, en ’t gebeurde bij de familie Canneheuvel dan ook nooit.
II POFFERTJES.
Zooals uit ’t vorige hoofdstuk blijkt, zou hij, die de familie Canneheuvel nog in Utrecht wilde zoeken, verkeerd uitkomen. Om verschillende redenen hadden de Heer en Mevrouw Canneheuvel besloten naar Den Haag te verhuizen, kort ná het huwelijk van hun oudsten zoon, Dolf, met Nel’s vriendin Loes (die omstreeks dienzelfden tijd naar Indië waren vertrokken). Jan, de tweede zoon, die de Haagsche Handelsschool bezocht, behoefde dan niet langer spoorstudent te zijn. Voor tante Sjarlotje, die steeds erger aan rheumatiek begon te sukkelen, en voor Nel, die nog al eens last van malaria had, was ’t veel beter op duingrond te wonen. Toen vader en mama een geschikt huis hadden gevonden, in Duinoord, werd het plan dan ook ten uitvoer gebracht. De geheele familie was al gauw erg ingenomen met de verandering van woonplaats. De heer en mevrouw Canneheuvel vonden er verscheidene oude vrienden uit Indië terug; de kinderen genoten oneindig meer van het heerlijk buiten wandelen en onderzoekingstochten ondernemen nu duinen, bosch en zee zoo dicht bij huis te vinden waren. Van Dolf en Lous kwamen voortdurend de beste berichten uit Semarang (waar Dolf zich als dokter had gevestigd) en Jan maakte zich gereed hun weldra de groeten van de geheele familie te gaan overbrengen. Op ’t oogenblik was hij nog in ’t buitenland, om vreemde talen te leeren, zooals vader en hij indertijd hadden afgesproken. Jan verbeeldde zich, dat hij al aardig wat van de wereld had gezien. Hij vond het reizen bizonder naar zijn smaak, en zou wel graag ontdekkingsreiziger zijn geworden, als het maken van ontdekkingsreizen niet zulk een onzeker en gevaarlijk bestaan had opgeleverd. Nel, nu de oudste thuis van de kinderen Canneheuvel, was kort geleden één en twintig jaar geworden, en een allerliefst jong meisje, kinderlijk in uiterlijk en manieren en nog geheel de oude, hartelijke Nel van vroeger. Van hare studieplannen was tot dusver niet veel gekomen. Eigenlijk vond zij ’t veel prettiger in het huishouden bezig te zijn, en Nel was op weg, om, onder mama’s leiding, een flinke huishoudster te worden.
Frits, de jongste van de jongens Canneheuvel, ging steeds met mooie cijfers over op de H. B. S., en hoopte ’t volgend jaar eindexamen te kunnen doen. Hij beloofde een slanke, flinke jonge man te worden, maar in zijn lange armen en beenen was hij nog niet geheel gegroeid. Frits kwam altijd tijd te kort, want hij had ’t heel druk op school, en studeerde bovendien meer dan ooit viool, nu hij les kreeg van een uitstekenden meester, en lid was geworden van een muziekclub.
Ja, dat de Canneheuveltjes groot werden, dat kon je ook best merken aan Lientien, het Benjaminnetje in het gezin. Doch, al was Lientien al negen jaar, ze werd nog wat graag als schootkindje behandeld, en voor een vertrouwelijk praatje klom ze altijd bij vader op schoot. Papoes zei dan, dat zoo’n groote meid zich wat schamen moest, haar voeten reikten immers tot den grond als ze op vaders knie zat? Maar wie kon lieve, aanhalige Lientien ooit iets weigeren? Ze keek altijd even snoezig uit haar groote blauwe oogen en, met haar zijïg goudblond haar en teer, fijn figuurtje, leek ze net een sprookjes-prinsesje, zei Frits, als Lientien ’t niet hooren kon, want hij vond ’t in het geheel niet goed kleine meisjes ijdel te maken. Aan Puck viel in dit opzicht niet veel te bederven. Die keek voortdurend in den spiegel, en deed dan erg aanstellerig, met haar hoofd op zij, om haar krullen goed in ’t oog te krijgen.
Op een keer had Frits in Puck’s kamertje een grooten badhanddoek voor den toiletspiegel gehangen, en al de kleine spiegeltjes, die hij vinden kon, met lapjes bedekt. Frits’ goede bedoeling werd geheel miskend, want Puck had groote en kleine lappen verwoed weggesmeten, en Frits gevraagd wat hij zich wel verbeeldde? Hoe durfde hij op haar kamertje en aan haar goed komen? Als hij ’t weer deed, ging ze net zoo lang op zijn viool krassen tot al de snaren kapot waren. Dat hield Frits zich voor gezegd, en zekerheidshalve hield hij voortaan zijn viool achter slot in de kast, en den sleutel goed weggestopt. Met die Puck moest je op alles verdacht zijn.—Nee, Puckie werd er lang niet liever op, en Frits geloofde, net als Lientien, dat ’t allemaal van die vriendinnen kwam. Want dat waren me je echte nuffen, met een hoop verbeelding! om van te gieren. Laatst, toen hij Puck en die kinderen was tegengekomen, had hij hen met zijn hand „bonjour” toegewuifd. En verbeeld je! Puck was er woedend over uitgevaren naderhand, en had hem verweten: „Je hebt geen manieren, Frits Canneheuvel; Ellen en Grace vonden ’t vreeselijk onbeleefd, dat je je pet niet afnam, toen je groette. Dat doen de andere jongens allemaal, maar jij weet niet hoe het hoort.” „O, neem mij niet kwalijk, mejuffrouw,” had Frits toen gespot, „een volgende maal zal ’t niet meer gebeuren.” En, om haar te plagen, zwaaide Frits voortaan zijn pet bijna tegen den grond, als hij de meisjes tegenkwam, maar keek haar daarbij zoo ondeugend spottend aan, dat ze best begrepen, hoe Frits haar voor den mal hield.
Als Lientien alles had willen vertellen wat zij alzoo merkte en hoorde van Puck, Grace en Ellen, zou mevrouw Canneheuvel al lang een stokje hebben gestoken voor die innige vriendschap tusschen Puck en haar vriendinnen. Maar de Canneheuveltjes hielden niet van klikken, en bovendien begreep onschuldige Lientien lang niet alles, en liet zich door Puck veel wijsmaken.
Alleen aan tante Sjarlotje vertelde Lientien nog wel eens een en ander over Ellen en Grace als die bizonder onuitstaanbaar waren geweest. Doch tante suste steeds: „dat moet je je maar niet aantrekken, Lientien,” of: „ze hebben dat zeker zoo niet bedoeld.”—Tante Sjarlotje was altijd voor den vrede. Ze naderde nu zoo zachtjes aan de zeventig en, hoe kalmer ’t om haar heen was, hoe liever of ze ’t had. Handen en voeten wilden niet best meer mee, gezwollen en stijf als zij waren door de rheumatiek, en tante bleef dan ook meest altijd boven, in haar mooie, ruime zitkamer, die mama erg gezellig en geheel naar Sjarlotjes smaak, had ingericht. Zelfs ’s zomers werd daar op koude dagen gestookt, en ’t moest al verbazend heet zijn, als tante haar warme stoof of handkruikje wilde missen. Bij ’t opstaan en naar bed gaan werd zij stéeds geholpen, meestal door mevrouw Canneheuvel. Kee (het tweede meisje), die veel van tante Sjarlotje hield, kwam uit zich zelf telkens eens kijken, of ’t de oude dame aan niets ontbrak. „Was de waterstoof nog wel warm genoeg, tochtte ’t niet bij ’t raam, zou ze den stoel van de Juffrouw wat meer in ’t zonnetje schuiven?” Dan bleef ze nog even wat babbelen, want tante hield dol van een praatje, en haar hoofd was nog even helder als twintig jaar geleden. Ze vond ’t heerlijk als de kinderen uit school kwamen om haar hun schoolnieuws te vertellen. Wanneer Nel een heelen middag bij haar kwam zitten naaien was ’t bepaald een feestdag voor tante, en Frits maakte tijd, om voor tante Sjarlotje viool te spelen, want een verrukter, dankbaarder toehoorster bestond er op heel de wereld niet. Dikwijls kwam papa zijn zuster wat voorlezen, maar voorlezen was voor tante bepaald een slaapmiddeltje. Daar dutte ze zoo heerlijkjes bij in, dat ’t een genot was om te zien. Zelf lezen deed ze nog graag: ouderwetsche boeken uit haar jeugd, die in keurige, kleurige bandjes in het boekenkastje stonden. Die las en herlas ze. En als Nel dan met een nieuw uitgekomen boek aankwam, dat ze prachtig vond, en tante wou laten meegenieten, weerde Sjarlotje zachtjes àf. „Dankje lieverd, maar ik lees liever „Het Heideprinsesje” nog eens over. Dat is toch zulk een prachtig verhaal, dat ik ’t nooit genoeg kan lezen.”
Van al de huisgenooten was Lientien ’t meest en ’t liefst bij tante. Die twee waren kinderen samen. Lientien maakte bij Sjarlotje haar schoolwerk, en naaide, onder tantes toezicht, de kleeren voor haar poppen, en intusschen had ze altijd wat te babbelen en te vertellen, waarin tante verbazend veel belang stelde. Lientien werd ’t ook nooit moe te luisteren naar de bekende verhalen uit tante’s jeugd.
„Komt mijn Lienepien daar weer?” riep tante vroolijk, als ’t kleintje haar hoofdje om de kamerdeur stak. En Lientien: „Nou moet je toch hooren tante Sjarlotje...” En Lientien stortte haar overvol hart uit, want niemand in huis luisterde zoo geduldig en vond alles wat Lientien vertelde zóó gewichtig als tante Sjarlotje.
„U is eigenlijk net zoo goed een vriendin van mij als Annie en Wimpie, hè Sjarlottepotje?” kon Lientien zoo hartelijk zeggen, terwijl ze, net als vroeger, met haar hoofdje op zij, tante vleiend aankeek.
Tante vergat, dat zij bijna zeventig en Lientien nog geen tien was, en knikte blij: „Natuurlijk, Lienepien, wat dacht je anders?” En ’t oude en ’t jonge kind pakten elkaar eens terdege.
Op een Woensdagmiddag kwam Lientien tante vertellen, dat de jurk voor Francine moest blijven liggen, want ze ging met Frits en Puck naar „stad”.
Frits zou voor mamp verschillende soorten postzegels gaan koopen aan ’t groote postkantoor, en de kleine meisjes gingen mee, want Waldi was ook van de partij, en die mocht niet naar binnen in ’t postkantoor. Dus zou Lientien hem zoolang aan de lijn houden. Daarna zou de verrassing komen (voor Puck), want Frits had Lientien in ’t geheim beloofd, dat ze poffertjes zouden gaan eten in de Prinsestraat. En met ’t oog daarop had Lientien, om twaalf uur, verdacht weinig eetlust voorgewend.
Even half drie stapte ’t drietal er al op uit. Gelukkig, dat Lientien en Puckie met haar beiden waren, want ’t bleek een heele toer Waldi vast te houden, toen Frits ’t postkantoor binnen ging.
Waldi had namelijk een van zijn dolle buien, en wou Frits met geweld volgen. Als een razende trok hij aan de lijn, en slaakte de snijdenste gilletjes. Vier kleine stevige handen waren bijna niet genoeg om den stouterd terug te houden. Als iemand ’t kantoor binnen ging, wou en zou Waldi hem achterna om baasje Frits te zoeken. Lientien zag rood van inspanning, Puckie schold op Waldi, en schopte naar hem; raken kon zij den vluggerd niet... Waar bleef Frits toch! „’t Duurde zeker zoo lang,” dacht Lientien, „omdat hij zoo veel verschillende soorten van postzegels hebben moest.”
Er kwam een hoopje menschen om de meisjes heen staan, en een oude juffrouw onderzocht met strenge stem, of dat hondje haar wel toehoorde. Zijn eigen vrouwtjes moest dat stomme beest toch beter kennen.
Puck vroeg, of ’t soms een gewoonte van de juffrouw was om zich met eens anders zaken te bemoeien, maar Lientien legde het geval uit met een zacht, verzoenend stemmetje, waarop de juffrouw verklaarde, dat zij een lieverdje was, en vroeg, of ze ook helpen zou. Doch daar kwam Frits gelukkig aan.
Kalmpjes liet hij Puck’s stroom van verwijten over zich heen gaan, en kalmeerde Waldi’s uitbundige liefdesverklaringen, terwijl hij hem van de lijn los maakte.
„Komt nou maar kinderen,” „vaderde” hij wijs, „nog even voor pa sigaren bestellen, en dan... de verrassing.”
Lientien, zielsvergenoegd, haakte bij Frits in, en pakte aan den anderen kant Puck beet. „Weet je wat de verrassing is, Puck?” vroeg ze... „Frits wil ons op poffertjes trakteeren. We mogen ieder twee bordjes, dol hé?”
„Dol!” kwam de echo van Puck. „Mag Waldi los mee?”
„Als er geen andere honden binnen zijn,” besliste Frits, „en hij krijgt ook een poffer, maar zonder boter en suiker.”
„Die lik ik er wel àf,” beloofde Lientien.
’t Was leeg in het poffertjes salonnetje, toen Frits er met de meisjes binnen kwam.
Hij deed heel deftig, en bestelde groote-heerachtig, maar in zijn hart verheugde hij zich niet minder op ’t festijn dan Lientien en Puck, want hij was ook dol op poffertjes.
Al gauw zat ’t drietal voor de smakelijk toebereide bordjes. Waldi wachtte vrij geduldig zijn beurt àf, hij zat op een stoel naast Frits, die hem zekerheidshalve aan de lijn had gehouden. En dat was maar goed ook, want met een vaart sprong Waldi op eens van den stoel, en wilde luid jankend op een grooten patrijshond af, die (gevolgd door een dame en twee meisjes) het salonnetje binnenstoof.
„O hemel! daar heb je „Avanti” en daar komen Ellen en Grace met hun mama,” riep Puck. Ze kreeg een kleur van pleizier, terwijl Avanti tegen haar opsprong.
„Dop dan toch, Frits,” riep ze driftig.
Frits had echter maar moeite Waldi in bedwang te houden. Hij groette onhandig, zoodat zijn pet op den grond viel.
Puck was intusschen opgevlogen, en begroette haar vriendinnen hartelijk, al deed ze ’t wel wat druk en lacherig. Nu, dat was in orde, doch ’t geen nu volgde in ’t geheel niet.
In plaats van bij Frits, Lientien, Waldi en haar, half leeg gegeten bordje terug te komen, schoof Puck naast haar vriendinnen aan een tafeltje verderop, en keek niet meer om naar de anderen. Mevrouw bestelde ook voor haar, en daar bleef me dat kind warempel bij die „vreemden” zitten. Lientien keek eerst verbaasd, maar toen echt boos naar trouwelooze Puck. Doch Frits, rood van ergernis, stond eensklaps op, en ging vastberaden naar ’t andere tafeltje toe.
Hij vond Puck’s gedrag verbazend onaardig en onbeleefd; daar hij bovendien een hekel had aan haar omgang met die malle nuffen van Van Bergen, nam hij de zaak dubbel hoog op.
„Neem mij niet kwalijk mevrouw,” zei hij, een beetje haperend (want hij verbeeldde zich dat de nesten spottend naar hem keken), „ik kom Puck even halen, ze heeft haar poffertjes nog niet eens op, en ze is met ons uit.”