Chapter 1 of 1 · 612 words · ~3 min read

Part 1

KLEUTERBOEKJE

VERSJES VAN ANNA SUTORIUS

TEEKENINGEN VAN B. MIDDERIGH-BOKHORST

UITGAVE VAN G. B. VAN GOOR ZONEN—GOUDA

BROERTJES ONTBIJT

Als Broertje ’s morgens pap krijgt Staat kleine Zus er bij, En zegt met grage oogjes: „Zoo’n fijne lekkernij! Zou Broer wel alles blieven? ’t Is nog zoo’n kleine man, Toe moesje, krijg ik anders Het restje uit de pan!” Dan gaat klein zusje smullen, Ze legt pop op den grond En zegt: „Jij blieft niet, is ’t wel, Jij hebt zoo’n dichten mond.”

PAARDJE SPELEN

Twee vriendjes speelden paardje, Ze liepen in een vaartje, Ze liepen in galop, Van hola, hort nu, hop!

Toen zei het klein koetsiertje: »Doe mij nu een pleiziertje, »’k Geef jou de leidsels aan, »Laat mij in ’t tuig dan gaan.”

»Dat doe ik niet,” zei d’eene. »Dan zal ’k het tuig wel nemen.” Daar trokken ze met een ruk De zweep en leidsels stuk.

Twee ventjes speelden paardje. Eerst ging ’t in een vaartje, Nu staan ze strak en zuur Te brommen bij den muur.

EEN DROOM

Als ’k groot ben, wil ik tuinvrouw zijn; Dan ga ik bloemen zaaien. Dan mag ik altijd op het gras, En kan ik het zelf maaien.

Dan jaag ik alle kinderen weg, Die op ’t grasveld loopen; Dan pluk ik bloemen, groot en klein, ’k Maak ruikertjes bij hoopen.

Zoo stond een eigenwijze zus Eens in ’t plantsoen te droomen; De tuinman keek de bloemen na, Dicht bij de groote boomen.

Hij nam de dorre bladen weg En pootte toen margrieten, En Annie zuchtte: „mocht ik toch ... „Och! mocht ik éven gieten!” ...

STOUT KARELTJE

Klein Kareltje was stout geweest En hij had straf gehad, Omdat hij ’s morgens aan ’t ontbijt Zijn boterham niet at.

Toen zat hij pruilend in zijn stoel En Fox kwam voor hem staan, Die keek, alsof hij zeggen wou: „Wat heeft de baas gedaan?”

OP MOESJES SCHOOT

Als mijn hoofdje gloeit en hamert, Is het overal zoo naar; Maar als ik dicht bij Moes mag zitten, Weet je, dan is ’t niet zoo zwaar.

’k Kan vandaag niets prettig spelen, De soldaatjes zijn zoo dom, Als ik den één heb neergezet, Valt de andere alweer om.

Maatje, ’t is bij u zoo prettig, Zingt u mij een liedje, Moe? Maar vóór Moeder ’t liedje uit heeft Zijn z’n kijkertjes al toe.

TWEE VRINDEN

Klein zusje zit in ’t zonnetje, Zich lekkertjes te warmen, Klein zusje zit in ’t mollig gras, Met beertje in haar armen.

Dat beertje is al heel, heel oud, Het heeft zijn staart verloren, En Doezie brak zijn poot eens stuk, En poes beet in zijn ooren.

Maar toch, hoe vuil ook iedereen, Dien ouwen beer mag vinden, Zus zegt: „wij blijven altijd door Twee hééle dikke vrinden.”

BOOS WIESJE

Wies was een eigenwijs pedantje, Dat eens met broertje aan een handje, Alléén uit wandelen wou gaan, Je snapt wel, dat stond niemand aan.

Papa zei: „Wies, hij kon eens vallen,” Mama zei: „Toe, haal gauw de ballen, En ga dan lief met juffie mee, Dan loop je prettig alle twee.”

Toen zei het kleine Wiesepoesje, „Ik wil niet mee, ik blijf bij moesje,” Maar die zei: „Foei, als jij zoo huilt .... Ik wil geen kindje zien dat pruilt!”

Toen kroop dom zusje in een hoekje, En keek wat in een prentenboekje, En dacht: „Ik ben toch liever zoet, ’k Geloof, ik maak ’t maar gauw weer goed!”

NAAR BED

Als het klokje slaat van acht, Wordt het voor de kindjes nacht, En zij gaan van ’t spelen moe, Allemaal naar bedje toe. Kleine, witte kleuters, Slaperige peuters, Fuut! blaast moeke uit het licht... En de oogjes vallen dicht.