Chapter 3 of 3 · 3522 words · ~18 min read

III.

’t Is ongeveer vier uur op den middag, den 17den Augustus, en de jongste meisjes op Mårbacka, Selma en Gerda, zijn bezig om zich voor ’t feest te kleeden, als ’t kamermeisje op de zolderkamer binnen komt, waar ze zijn,—want hun eigen kamer hebben ze natuurlijk afgestaan aan de familieleden, die op Mårbacka logeeren.

„Selma en Gerda! Jelui moeten beneden komen om te ontvangen,” roept ze. „Niemand is nog klaar en de eerste rijtuigen komen al de laan afrijden.”

Nu krijgen de kleine meisjes ’t druk; maar tegelijk voelen ze een trilling van geluk. Stel je voor, nu begint het! Stel je voor, nu begint de 17de Augustus!

Ze knoopen hun jurken dicht, steken de broche op den halsdoek en haasten zich naar beneden. Geen van de volwassenen is nog te zien. Niet eens hun oudste zuster kan hen bij ’t ontvangen helpen, omdat ze bezig is met de laatste repetitie van het tooneelstuk voor den avond.

De gasten zitten al op de waranda. ’t Is mijnheer Nilsson van Visteberg, met zijn vrouw en drie, vier kinderen. Zij komen altijd te vroeg op feesten, maar nooit hebben ze zoo’n haast als op den 17den Augustus. En daar verwonderen de kleine meisjes zich heelemaal niet over. Alle menschen moesten immers verlangen naar Mårbacka te komen op zulk een dag.

’t Duurt misschien wat lang voor de gasten en voor hun kleine gastvrouwen, vóór het volgend rijtuig komt en de huisgenooten zich vertoonen. Maar vandaag is het de 17de, vandaag let men op zulke kleinigheden niet.

Zij, die daarna aankomen, wonen ver weg. ’t Zijn dominee Alfred Unger van Wester Ämtervik en zijn familie. Zij komen in een rijtuig met twee paarden en hebben meer dan twee mijl gereden. ’t Rijtuig is vol vrouwen en kinderen; maar dominee Unger zit zelf op den bok, want hij is een echte paardenliefhebber.

Luitenant Lagerlöf is eindelijk klaar en komt juist naar buiten op de veranda, als dominee Unger de plaats oprijdt.

„Maar lieve hemel, Alfred,” roept hij hem toe. „Wat heb je met je paarden uitgevoerd? Zij lijken op elkaar als twee eieren.”

„Houd je stil, en verraad geen geheimen op je verjaardag,” roept dominee Unger terug.

Zie, de zaak is deze: dat hij twee mooie rijpaarden heeft, die precies op elkaar zouden lijken, als niet de een een bles op ’t voorhoofd had. Maar de dominee heeft bedacht een paar stukken wit leer in ’t hoofdtuig te zetten, waar de riemen elkaar kruisen over ’t voorhoofd van de paarden, zoodat niemand vermoeden kan, dat de paarden niet precies gelijk zijn.

Men zou dat heelemaal niet vermoed hebben, maar dominee Unger was zóó trotsch op zijn bedenksel, dat hij het links en rechts verteld had, en zoo had de luitenant het gehoord.

Maar trouwens—van de pastorie in Wester Ämtervik komt niet alleen één rijtuig. Nu verschijnt ook een hooiwagen vol jonge menschen. Dat zijn familieleden uit Karlstad, die toevallig juist op tijd kwamen om meê te gaan naar Mårbacka.

Het eene rijtuig na het andere rolt de plaats binnen. Daar komen ze van Gårdsjö,—dat zijn de liefste gasten. Zij rijden voor met een heele rij wagens. Ten deele zijn dat de huisgenooten, ten deele Oriel en Georgine Afzelius en Kristofer Wallroth en zijn jonge zuster Julia, die daar logeeren.

In een van de wagens van Gårdsjö liggen een paar groote, wonderlijke witte pakken, die naar het tooneel gebracht moeten worden. Selma en Gerda worden vreeselijk nieuwsgierig. Zij vragen de meisjes Wallroth wat dat beteekent; maar die hebben beloofd te zwijgen en mogen niets zeggen. Maar zooveel kan er uit hen worden gekregen, dat Oom Oriel iets onbeschrijfelijk prettigs heeft bedacht.

Later komt de oude ingenieur Ivan Warberg uit Angersby in een tandem, vol mooie meisjes.

Dan stijgt een gejubel op van de waranda. Zoo’n verstokte oude jongenheer als Ivan Warberg! Wat bezielt hem?

Ze weten allemaal best, dat die jonge meisjes de dochters van zijn zuster zijn, die zomers bij hem logeeren, maar ze kunnen niet laten Ivan verlegen te maken.

De kleine meisjes Lagerlöf zeggen tegen elkaar, dat het vreemd is, dat Mevrouw Hedda niet komt. Ze woont nu niet meer in Ämtervik, maar ze hadden toch gehoopt, dat ze zou komen en iets prettigs bedenken. ’t Is alsof ’t geen echte 17de Augustus is, als zij er niet bij is.

Nu komen ook de naaste buren; dominee Milén en zijn jongens zijn naar een andere gemeente verhuisd. Vandaag komen de lange mooie dominee Lindgren met zijn kleine gezellige vrouw van de pastorie aanwandelen. Van de andere buurhoeve „Där Ner” in Mårbacka komen Vader Olov en Moeder Kerstin.

Zij zijn zeker niet de eenige boeren, die den luitenant willen feliciteeren. De oude Jon Larsson in Zuider Ås, die de rijkste van de gemeente is, komt met zijn dochter. Het lid van den Rijksdag van Bävik is er met zijn vrouw en de kerkvoogd uit Västmyr met de zijne.

Omdat niemand is uitgenoodigd, is het heel spannend voor de meisjes naast den luitenant op de veranda te staan en te zien wie er komt. Een, die ze met groote onrust verwachten, is Jan Asker. Als hij maar niet op een of andere manier gekwetst is, zoodat hij niet komt.

Ze probeeren te tellen hoeveel er komen, maar dat lukt niet. De menschen stroomen van alle kanten toe. Zouden er niet al wel honderd gasten zijn? Dat hopen ze vurig; ze vinden dat het zoo prachtig klinkt, als men zegt, dat er honderd menschen bijeen waren op Mårbacka den 17den Augustus.

Maar die ontvangst is immers maar de inleiding voor dat wat moet komen. En zoo is ’t ook met het koffiedrinken op het grasveld. De kinderen verlangen maar, dat het voorbij is.

Eindelijk zal het dan beginnen. Het kopersextet stelt zich op voor de trap van de waranda met zijn blinkende instrumenten. De heeren bieden de dames hun arm, een marsch weerklinkt, en met muziek voorop trekken alle paren door den tuin naar het kleine park.

Allen verzamelen zich om een tafel, waar een menigte gevulde glazen staan met bisschop en punch, want wijn komt niet voor op Mårbacka, en de glazen worden aan de dichtstbijzijnden uitgereikt. En nu is het toch wel voor iedereen duidelijk, dat het oogenblik gekomen is voor de verjaarstoespraak en het drinken op de gezondheid van Luitenant Lagerlöf.

De ingenieur Erik Noreen en ’t lid van den Rijksdag Nils Andersson van Bävik en de heer Nilsson van Visteberg staan daar alle drie met hun speech kant en klaar. Ze zien elkaar aan, ze aarzelen en weten niet wat ze moeten doen. Niemand wil zich naar voren dringen en zijn mededinger het woord ontnemen.

„Nu, komt er niets?” zegt de luitenant. Zulke plechtige toespraken vallen niet in zijn smaak, zoodat hij er naar verlangt met dat gedeelte van het programma klaar te komen.

Daar klinkt een heldere stem in klankvol Stockholmsch dialect vlak achter hem, en als hij zich omkeert, komt een mooie zigeunersvrouw uit het kreupelhout en vraagt of ze hem mag waarzeggen. Ze neemt zijn linkerhand tusschen de hare en begint de lijnen daarvan uit te leggen.

Luitenant Lagerlöf is den vorigen winter ernstig ziek geweest, en om weer op kracht te komen, heeft hij weer een reis naar Strömstad gemaakt. En alle avonturen en heldendaden van die laatste reis leest nu de zigeunersvrouw uit zijn hand, en wat meer zegt, ze vertelt ze in vloeiende dichtregelen.

Dat is vermakelijk, maar ook een beetje ondeugend en plagerig, zoodat de menschen lachen, en de luitenant is verrukt.

„Jij ben toch weer eenig, Hedda,” zegt hij. Maar als Mevrouw Hedda op zijn gezondheid heeft gedronken en zelf het hoera roepen heeft geleid en het sextet een fanfare heeft ten beste gegeven, zendt ze de drie sprekers van Ooster Ämtervik een scherpen blik.

„Excuseer u mij, dat ik u vóór was en u stoorde. Nu is de beurt aan de inwoners van de gemeente.”

„De inwoners zijn al heelemaal verslagen, Mevrouw Hedberg,” antwoordt de ingenieur Noreen.

Op datzelfde oogenblik hoort men de klarinet van den ouden Jan Asker in den tuin uit de verte. En een glanzen van blinkende helmen en harnassen schemert door de boomen.

En nu blijkt het, dat Jan Asker en de koster Melanoz onderweg drie van de onsterfelijke asen zijn tegengekomen: Freja, Odin en Thor, die op weg waren naar Mårbacka, maar verdwaald zijn. Zij hebben hen terecht geholpen, en nu ze goed en wel zijn, waar ze wezen moesten, laten zij de stralende goden zelf spreken.

Neen—niet „spreken”. De drie goden zingen op de bekende melodie van „Kom, schoone Mei”, een lied van alles, wat er in den tijd van Luitenant Lagerlöf op Mårbacka gebouwd en ontstaan is. Ieder woord is waarheid, en men ziet verscheidene van de gasten de tranen in de oogen krijgen. De luitenant zelf is bewogen door het gedicht van zijn ouden vriend.

„Melanoz houdt zich kranig vandaag,” zegt hij. „Nu geloof ik zelfs, Hedda, dat de inwoners het winnen.”

Hiermeê is het feest uitnemend en plechtig ingeleid. De gasten verspreiden zich in den tuin, bekijken de bessenstruiken en de boomen, ja, enkelen willen probeeren of de heerlijke appels op Mårbacka al beginnen te rijpen.

Maar na een poosje klinkt een nieuwe fanfare. Weer bieden de heeren de dames hun arm en nu worden ze uit den tuin het huis binnen en de moeilijke zoldertrap opgeleid.

Op den zolder zijn plaatsen voor toeschouwers in orde gebracht vóór een klein tooneel, van witte draperieën gemaakt. Dat heele tooneel is het werk van Mevrouw Lagerlöf en zoo mooi als men zich maar voorstellen kan.

Een oogenblik wachten! En ’t gordijn gaat op voor een allegorische voorstelling, die Oriel Afzelius op dienzelfden morgen heeft geschreven en die getiteld is: „De monnik en de danseres.”

De handeling speelt op Luitenant Lagerlöfs eersten geboortedag, den 17den Augustus 1819. Bij de wieg van den pasgeborene staan niet de gewone feeën, maar twee symbolische personen: een monnik en een danseres. En de danseres wil van het knaapje een vroolijken, levenslustigen kavalier maken; de monnik daarentegen verlangt, dat hij een man van ernst en onthouding zal worden. Na een levendige woordenwisseling worden ze het er toch over eens, dat ieder de helft van den levensweg van ’t kleine Mårbackakindje besturen zal. Dat zou dus een poos leven als een jong officier, en daarna, in de tweede helft van zijn levensloop tot rust komen en onthouding en goede werken beoefenen op Mårbacka als zijn klooster.

Dat is heerlijk, heerlijk! Oriel Afzelius als monnik en Kristofer Wallroth als danseres in sluiers en gaas gekleed, zingen op de wijs van aria’s en duetten uit de meest bekende opera’s; ze gesticuleeren en parlementeeren met het plechtigste pathos en eindigen hun twistgesprek met een uitgelaten dansje.

Als ’t gordijn valt, houdt het applaus maar niet op. De toehoorders klappen, stampen, roepen en wuiven. Mevrouw Lagerlöf zit in angst, dat de zoldervloer dien storm niet zal kunnen verdragen; maar de luitenant roept met luider stem:

„Ach, ach Melanoz, nu winnen de menschen buiten de gemeente het weer!”

De jongeren op Mårbacka hebben een tooneelstukje ingestudeerd, en daarvoor is het tooneel in orde gemaakt. Maar nu ze zullen beginnen zijn ze moedeloos. Ze hebben immers niets te vertoonen, dat ook maar te vergelijken is met de allegorie van oom Oriel.

Anna Lagerlöf is nu veertien jaar en ze zal nu voor ’t eerst optreden in een echte rol. ’t Stuk heet: „Een sigaar”, en zij moet spelen voor de jonge Mevrouw.

Maar ’t wordt heelemaal geen nederlaag, en daarvan komt de eer toe aan kleine Anna. Waar in de wereld haalt dat kleine meisje haar moed en talent vandaan! Ze speelt zoo allerliefst en zoo zeker, dat de toeschouwers zich onophoudelijk er over verbazen. „Dat meisje wordt hartveroverend,” zeggen ze. „Neen maar! dat wichtje is immers heel mooi!” hoort men van een anderen kant. „En wat speelt ze goed!”

Ze wordt geapplaudisseerd en teruggeroepen zonder eind.

„Ziet u wel, luitenant,” roept de koster Melanoz tusschen al ’t lawaai door, „dat de inwoners het tòch winnen!”

Eindelijk komen allen toch goed en wel van de zoldertrap af en nu begint het dansen en praten, het toddy drinken en vertellen, waar men tot nu toe geen tijd voor heeft gehad.

’t Souper wordt tegen middernacht rondgediend en daarna komt het aansteken van de gekleurde lampions. Dat mag niet ontbreken, dat komt ieder jaar terug.

Dien nacht heeft men voor de variatie de illuminatie naar ’t veld vóór ’t huis verlegd.

Ach, wat is het mooi, nu Juffrouw Lovisa’s bloemengroepen in ’t bontgekleurde licht staan, nu de treuresch als een lantaren straalt van licht, nu ’t is, alsof de donkere struiken vol vuurbloemen hangen.

Nu komen alle menschen naar buiten om de illuminatie te zien. Ze blijven staan als verblind. Waar is al die schoonheid vandaan gekomen? ’t Is immers als een tooverland.

’t Kwartet begint dadelijk te zingen. De toonen komen de stemming verhoogen.

Dan gebeurt er iets merkwaardigs. ’t Is alsof een zachte, zoele wind komt aansuizen. Ja eigenlijk weet niemand wat het is, maar al die menschen, die nu bijna tien uur bij elkaar zijn geweest, samen hebben gepraat, gedanst en gespeeld, tooneelstukken hebben gezien, zang en toespraken hebben gehoord—nu zijn ze als ’t ware voldoende voorbereid. Als ze de schoonheid van den nacht en den zang ondergaan, worden ze door een zachte verrukking en liefelijke bekoring meêgesleept. Wat is het leven mooi, wat zijn de oogenblikken kostbaar, wat is iedere ademhaling een genot!

Alles wat de zangers zingen, ieder woord, iedere toon vindt weêrklank. En meer dan dat, die gevoelens zijn gemeenschappelijk: allen voelen zich vereenigd in één groot geluk.

Mevrouw Hedda krijgt een inval. Zij gaat op de bovenste trede van de verandatrap staan en begint het Wermelandslied te zingen.

Allen zingen meê. Op die manier vinden ze een uiting voor hun gevoel. Ach Wermeland, schoon, heerlijk land!

’t Is alsof de struiken en ’t kreupelhout meezingen, alsof de kabouters bij deze melodie een contra-dans uitvoeren onder de groote ahornen.

De menschen drukken elkaar de hand met tranen in de oogen. Niemand verwondert zich daarover. ’t Is zoo’n onuitsprekelijk geluk te leven, dat men zijn tranen niet bedwingen kan.

Als de zang ophoudt, treedt de ingenieur Noreen naar voren naar de plaats, waar Mevrouw Hedda zooeven stond. Ook hij wil de stemming van dit oogenblik vertolken.

„Dít is de 17de Augustus,” zegt hij. „Niet het lied, niet het tooneelspel, niet de dans, niet de menschenmassa, maar dit, wat we nu voelen, dat stille, plechtige geluk, dat nu in ieder hart is gedrongen, die liefde en wederliefde, die door den nacht over ons stroomt, dit is ’t waarnaar we verlangden, toen we hierheen kwamen.

„Dit is het, waarvoor we ’t volgend jaar terug zullen komen. Beste Erik Gustaaf, hoe komt het, dat we naar jou toe moeten komen om ons met ons lot verzoend, trotsch op ons land, blij met ons zelf en met allen om ons heen te voelen? Je bent geen groot mensch. Je hebt geen merkwaardige dingen gedaan. Maar je hebt die groote welwillendheid, die met open armen staat. Wij weten, dat je, als je kon, ons allen en de heele wereld zou willen omvatten in één omhelzing.

„Daarom is ’t, dat het je ieder jaar is gelukt ons een paar uur zaligheid, een paar uur paradijsgevoel te geven, iets van wat we in onze taal hier in Ooster Ämtervik „den 17den Augustus” noemen.”

SLOTWOORD.

’t Was de 17de Augustus 1919.

Ik had een krans laten maken, zóó mooi als die maar op Mårbacka kon worden, en met dien vóór me in ’t rijtuig reed ik naar de kerk. Ik was zelf in feestkleeren, ’t rijtuig was pas geschilderd en vernist en de paarden hadden hun beste tuig op.

’t Was de mooiste dag, dien een mensch zich voorstellen kan. Zonneschijn lag over de aarde, warmte was in de lucht, en enkele mooie, witte wolken dreven langs den hemel. ’t Was Zondag en ik zag menschen in feestkleeren zich voorbereiden voor den kerkgang. Geen koeien, of schapen, of kippen, liepen het rijtuig in den weg, toen we door Åsby reden, zooals ze in de week plachten te doen.

Er stond een oogst op ’t veld, alsof de goede, oude tijd weer teruggekomen was. Alle hooischuren, die ik voorbij reed, waren zóó vol, dat deuren en vensters niet gesloten konden worden. Alle rogge-akkers waren met dichte rijen schooven bedekt, alle appelboomen, die voor de huizen in Ås groeiden, hingen vol roode halfrijpe appels en alle pas bezaaide velden waren vol pas opgekomen gewas, dat juist groen begon te worden.

Ik zat er over te denken, dat Luitenant Lagerlöf, die vandaag zijn honderdjarigen verjaardag had, dit alles graag zou hebben gezien. Dit was welstand, dit was niet als in 1918 en 1917, en 1915, 1914 en 1911—die vreeselijke jaren, toen alles verdroogde. Hierover zou hij zich hebben verheugd, hij zou in zich zelf hebben geknikt en verzekerd, dat er ten minste in Wermeland nergens alles zóó groeien kon als in zijn gemeente.

Heel dien rit naar de kerk waren mijn gedachten bij hem. Dezen weg door Ås had hij zoo ontelbare malen afgelegd, en ik kon me voorstellen met hoeveel belangstelling hij alle veranderingen zou hebben opgemerkt. Elk huis, dat geschilderd, elk venster, dat er bij gekomen, elk dak dat van pannen voorzien was, zou hij hebben aangewezen en besproken. Over de hut: „Där Fram” in Ås zou hij zich hebben verheugd, omdat die volkomen was gebleven als ze was. Maar als hij had gezien, dat het oude woonhuis van Jan Larsson, in zijn tijd het voornaamste, was afgebroken, zou hij dat hebben gevoeld als een groot gemis.

Hij was nooit een tegenstander geweest van veranderingen en verbeteringen, zelfs al was er veel van ’t oude, dat hij niet had willen aantasten. Zeker zou hij hebben gezegd, dat we stumpers waren, die nog heden ten dage even scheeve en overhangende hekken hadden als in zijn tijd. En dat de greppels aan den weg nog altijd waren dichtgegroeid en de huisjes oud en vol gevaarlijke gaten, en dat de mesthoopen nog altijd aan den kant van den weg lagen, zou hem niet hebben verblijd.

Toen ik aan den kruisweg kwam, waar de straat ophield, en de groote landweg begon, zou het prettig zijn geweest hem het badhotel te laten zien, dat daar tusschen de heuvels lag, en hem te vertellen, dat Åsbron elken zomer door honderden gasten werd bezocht. Het zou hem hebben verblijd, dat de gedachte, die hij had gehad, dat het een groote badinrichting kon worden, niet zoo verkeerd was geweest.

Ik zou hem graag bij mij in den wagen hebben gehad toen ik over de brug in Ämt reed? ’t Zou aardig zijn geweest hem te laten zien hoe de rivier eindelijk was uitgediept en recht tusschen haar oevers lag. Nu kon zij niet meer buiten haar oevers treden bij iedere regenbui en den bodem van het dal tot een meer maken, heel van Mårbacka tot aan de brug toe.

Toen ik voorbij de school in Östanby reed, was het me, alsof ik hem bij ’t hek van de schoolplaats zag staan, gelukkig en opgewekt, zooals altijd, wanneer hij veel kinderen om zich heen had, en handenvol kopermunten onder de kleintjes uitstrooide.

Ontelbare malen had ik hem hooren zeggen, dat het volksonderwijs een ongeluk was en ons ten val zou brengen; maar toch reisde hij naar de school van Östanby op iederen examendag en bleef daar uren lang, terwijl zijn goede vriend Melanoz de kinderen de catechismus en geschiedenis overhoorde, en liet zien hoe goed ze konden rekenen en schrijven. En ik geloof niet, dat er iemand in de schoolkamer was, die zoo blij was met alle goede antwoorden en alle mooie getuigschriften en prijzen.—Ik herinner me hoe dikwijls ik me daar vroeger over heb verwonderd. Nu begrijp ik wel, dat—zoodra het kinderen gold, hij zijn principes over boord gooide.

Ik herinnerde me zoo goed hoe het was als we vroeger het plein voor de kerk opreden, als de menschen voor het rijtuig opzij sprongen met vroolijke groeten en Luitenant Lagerlöf daar glimlachend zat en onophoudelijk de hand aan den rand van den hoed bracht. Terwijl ik nu over datzelfde plein reed, vond ik het er heel leeg en eenzaam. Ik zat alleen in den wagen en onder allen, die naar de kerk kwamen, was ik alleen met mijn herinnering, dat het de honderdste verjaardag van mijn vader was.

Ik stapte uit het rijtuig en ging naar het graf achter op het kerkhof met den krans om dien daar neer te leggen. En mijn treurend hart schreide er om, dat zij daar allen lagen, die allen, die ik liefhad: Vader en Moeder, Grootmoeder en Tante en de oude huishoudster—die allen, die ik meê ter ruste had gebracht.

Ik verlangde naar hen, ik wou, dat ze weerkwamen op Mårbacka en het bevolkten, zij, die het met hun arbeid hadden opgebouwd.

Maar stil, zwijgend en onbereikbaar sliepen zij daar beneden. Zij schenen mij niet te hooren.

Misschien deden ze dat toch wel. Misschien werden die herinneringen, die mij de laatste jaren omzweefden, wel door hen gezonden. Ik weet het niet, maar ik geloof het zoo heel graag.