Chapter 59 of 59 · 4357 words · ~22 min read

LIX.

VERGELDING.

Wederom zijn er veranderingen gekomen over het groote huis in de lange stille straat, eens het tooneel van Florence’s kindsheid en eenzaamheid. Het is nog een groot huis, bestand tegen wind en weder, zonder reten in het dak, zonder gebroken ruiten of vervallene muren; maar het is niettemin eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.

Towlinson en zijn gezelschap willen in het eerst geen geloof slaan aan de loopende geruchten, die zij hooren. De keukenmeid zegt dat ons crediet, Goddank, niet zoo gemakkelijk te schokken is; en Towlinson verwacht nu ook te zullen hooren, dat de Bank van Engeland zal springen, of de juweelen uit de Tower verkocht zullen worden. Maar dan komen de Gazette en Perch; en Perch brengt jufvrouw Perch mede, om er in de keuken over te praten en een genoeglijken avond te slijten.

Zoodra er geen twijfel meer aan is, wordt het Towlinson’s grootste bekommering, dat het een bankroet van belang zal zijn—dat het om niet minder dan honderd duizend pond zal te doen zijn. Perch denkt dat honderd duizend pond nog lang niet genoeg zal zijn om het tekort te dekken. De vrouwen, met jufvrouw Perch en de keukenmeid aan het hoofd, herhalen dikwijls “honderd duizend pond,” met zeker eerbiedig genoegen, alsof het uitspreken van die woorden met het betasten van het geld gelijkstond; en de werkmeid, die een oogje op Towlinson heeft, wenscht dat zij maar het honderdste gedeelte van die som had, om aan den man harer keus te schenken. Towlinson, nog aan zijne oude grieven gedachtig, is van oordeel dat een buitenlander kwalijk zou weten wat met zooveel geld te doen, of hij moest het aan zijne bakkebaarden te koste leggen, welke bittere schimpschoot de werkmeid met tranen in de oogen doet heengaan.

Maar niet om lang weg te blijven, want de keukenmeid, die den naam heeft van zeer goedhartig te zijn, zegt dat zij, wat zij ook doen, elkander nu moeten bijstaan, Towlinson, want dat het niet te zeggen is hoe gauw zij verdeeld zullen raken. Zij hebben in dat huis (zegt de keukenmeid) eene begrafenis, eene bruiloft en een wegloopen beleefd, en laat het niet gezegd worden, dat zij op zulk een tijd als dezen niet eensgezind konden blijven. Jufvrouw Perch wordt door deze roerende toespraak diep getroffen, en merkt openlijk aan dat de keukenmeid een engel is. Towlinson antwoordt de keukenmeid, ver mag het van hem zijn om die eensgezindheid, waarnaar hij ook verlangt, in den weg te staan. Hij gaat de werkmeid opzoeken, en met die jonge juffer aan den arm terugkomende, onderricht hij de keuken, dat hij met buitenlanders den gek steekt, en dat hij en Anne nu besloten hebben om elkander maar te nemen, en zich in Oxford Market in de groentenering en wat daarbij behoort te vestigen, waarvoor hij de gunst en recommandatie verzoekt. Dit bericht wordt met toejuiching ontvangen; en jufvrouw Perch, in de toekomst vooruitziende, fluistert de keukenmeid plechtig het woord “meisjes” in het oor.

Ongeluk in de familie zonder smullen in het onderhuis is eene onmogelijkheid. De keukenmeid maakt dus wat warms klaar voor het avondmaal, waarbij Towlinson een kreeftenslaadje bezorgt. Zelfs mevrouw Pipchin, door het gebeurde ontroerd, schelt en laat verzoeken dat het overgeblevene stukje koek voor haar gewarmd zal worden, en als het haar gebracht wordt er een glas geheeten sherry bij gedaan zal worden, dewijl zij gevoelt dat zij van haar streek is.

Er wordt weinig over mijnheer Dombey gesproken, zeer weinig. Voornamelijk poogt men te raden, hoelang hij wel zou geweten hebben dat dit gebeuren zou. De schrandere keukenmeid zegt: “O, al heel lang. Daar moogt ge wel op zweren.” En wanneer men Perch er naar vraagt, bevestigt hij hare meening. Iemand verwondert zich wat hij nu doen zal, en of hij nu naar eene betrekking zal zoeken. Towlinson denkt van neen, en geeft een wenk van een van die fatsoenlijke armhuizen. “Waar hij een tuintje kan hebben,” zegt de keukenmeid beklaaglijk, “en in den zomer zijne erwtjes kan planten, niet waar?”—“Juist,” antwoordt Towlinson, “en broeder van het een of ander worden.”—“Wij zijn allemaal broeders,” merkte jufvrouw Perch aan, daartoe ophoudende met drinken.—“Behalve de zusters,” zegt haar man.—“Hoe zijn de machtigen gevallen,” merkte de keukenmeid aan.—“Hoogmoed gaat voor den val; dat is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven,” laat de werkmeid hierop volgen.

Het is verwonderlijk hoe deugdzaam zij zich gevoelen, bij het maken dezer bespiegelingen, en van welk eene christelijke eensgezindheid zij zich bewust zijn, om de algemeene ramp met gelatenheid te dragen. Slechts eenmaal wordt deze loffelijke gemoedsgesteldheid verstoord: en dit geschiedt door eene jonge keukenmeid van lager rang, die, nadat zij lang met een open mond heeft zitten luisteren, onverwacht de volgende woorden uitstoot: “Als het loon eens niet betaald wierd!” Het gezelschap blijft een oogenblik sprakeloos; maar de keukenmeid, zich het eerst herstellende, keert zich naar de onvoorzichtige spreekster en verzoekt te mogen weten, hoe zij de familie, wier brood zij eet, durft beleedigen met zoo iets te zeggen, en of zij denkt dat iemand, die nog een aasje eerlijkheid heeft, arme dienstboden hun loon zou onthouden? “Want als dat uw godsdienst is, Mary Daws,” zegt de keukenmeid met warmte, “dan weet ik niet waar gij eens naar toe denkt te gaan.”

Towlinson weet het ook niet; niemand weet het; en de jonge keukenmeid, die het zelve niet recht schijnt te weten, en algemeen wordt uitgejouwd, wordt doodelijk beschaamd en verlegen.

Na eenige dagen beginnen er vreemde lieden in huis te komen, en elkander in de eetzaal te bestellen, alsof zij daar woonden. Vooral is er een heer, met een Mozaïsch Arabischen gelaatsvorm, en een zeer zwaren horlogeketting, die in hun salon loopt te fluiten, en terwijl hij naar een ander heer wacht, die altijd pen en inkt in zijn zak heeft, Towlinson (wien hij vrijpostig jongetje noemt) vraagt, of hij ook toevallig weet hoeveel dat behangsel, rood met goud, nieuw gekost heeft. De bezoekers van de eetzaal worden met elken dag talrijker, en ieder heer schijnt een inktkoker in zijn zak te hebben, en dien ook te gebruiken. Eindelijk zegt men dat er verkooping zal plaats hebben; en dan komen er nog meer lieden met pen en inkt in den zak, die een detachement van lieden met petten kommandeeren, en de tapijten laten opnemen en de meubelen overhoop laten halen en duizenden merken van hunne schoenzolen in het voorhuis en op de trap afdrukken.

De dienstbodenraad beneden blijft al dien tijd zitting houden, en daar men niets anders te doen heeft, verricht men wonderen van eetkunst. Eindelijk worden allen eens in mevrouw Pipchin’s kamer geroepen en door deze dame op vinnigen toon aldus aangesproken:

“Uw meester is in ongelegenheden. Dat zult ge wel weten, denk ik?”

Towlinson, als spreker, erkent eene algemeene kennis van dit feit.

“En gij zijt allen al op den uitkijk voor u zelven, daar durf ik voor instaan,” zegt mevrouw Pipchin, dreigend haar hoofd schuddende.

Eene schelle stem uit de achterhoede roept: “Niet meer dan gij.”—“Denkt gij zoo, onbeschaamde prij?” zegt de gramstorige dame, met een vurig oog over de andere hoofden heenkijkende.—“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?”—“Dat gij heen kunt gaan zoo gauw als ge maar wilt,” zegt mevrouw Pipchin. “Hoe eer hoe beter, en ik hoop dat ik nooit weer uw gezicht zal zien.”

Daarmede haalt zij een linnen zakje uit, en telt de keukenmeid haar loon voor tot op dien dag en nog eene maand bovendien, maar houdt het geld vast, tot eene quitantie daarvoor behoorlijk is geteekend, tot aan den laatsten ophaal toe; waarna zij het met zichtbaren weerzin loslaat. Deze ceremonie herhaalt mevrouw Pipchin met ieder lid van het huishouden, totdat allen betaald zijn.

“Nu kunnen zij, die willen, zich dadelijk voortmaken,” zegt mevrouw Pipchin, “en zij, die willen, kunnen nog eene week of zoo hier blijven, om te helpen. Behalve,” zegt de gramstorige dame, “die slet van eene keukenmeid, die dadelijk heen zal.”—“Dat zal zij zekerlijk,” antwoordt de keukenmeid. “Ik wensch u goedendag, mevrouw Pipchin, en wensch van harte dat ik u een compliment kon maken over de vriendelijkheid van uw gezicht.”—“Maak dat gij wegkomt,” zegt mevrouw Pipchin, met haar voet stampende.

De keukenmeid gaat heen met eene vriendelijke deftigheid, die mevrouw Pipchin nog meer kwaad maakt, en weldra voegen de anderen zich beneden bij haar.

Dan zegt Towlinson dat hij vooreerst wilde voorstellen eene kleine versnapering te gebruiken, en dat hij onder het gebruik daarvan eene opmerking wilde maken, die hij denkt dat in de positie, waarin zij zich bevinden, wel zal te pas komen. Terwijl men de versnapering met smaak gebruikt, deelt Towlinson zijne opmerking mede, die daarop neerkomt, dat de keukenmeid heengaat, en dat, als wij ons zelven niet trouw zijn, niemand ons meer trouw zal zijn. Dat zij in dit huis lang te zamen hebben gewoond, en hun best hebben gedaan om gezellig te zijn. (Daarop zegt de keukenmeid met aandoening: “Luister! Luister!” en jufvrouw Perch, die wederom daar en tot aan de keel toe vol is, stort tranen). En dat hij meent, dat men tegenwoordig moet begrijpen: “Een weg, allemaal weg!” De werkmeid wordt door deze edelmoedige ontboezeming zeer geroerd, en geeft ze met warmte haar bijval. De keukenmeid zegt te gevoelen dat het zoo behoort, en hoopt maar dat het niet als een compliment voor haar, maar uit gevoel van plicht wordt gedaan. Towlinson antwoordt—uit gevoel van plicht; en dat, nu hij genoodzaakt is voor zijn gevoelen uit te komen, hij openlijk wil zeggen, dat hij het niet voor heel fatsoenlijk houdt in een huis te blijven waar verkoopingen en zulke dingen aan de hand zijn. De werkmeid is daarvan overtuigd en verhaalt tot bevestiging, dat een vreemd man met eene pet haar dien morgen op de trap heeft willen kussen. Dit doet Towlinson van zijn stoel opspringen om den booswicht te gaan opzoeken en hem een pak slaag te geven; maar de dames houden hem vast, en smeeken hem om te bedaren, en te bedenken dat het gemakkelijker en wijzer is, het tooneel van zulke onwelvoeglijkheden terstond te verlaten. Jufvrouw Perch, de zaak in een nieuw licht plaatsende, toont aan, dat zelfs de kieschheid voor mijnheer Dombey, die zich in zijne kamers opsluit, een overhaasten aftocht voorschrijft. “Want wat,” zegt de goede vrouw, “zou hij moeten gevoelen, als hij een van de arme dienstboden ontmoette, die hij eens bedrieglijk heeft doen denken dat hij onmetelijk rijk was.” De keukenmeid wordt door deze zedekundige bespiegelingen zoodanig getroffen, dat jufvrouw Perch er nog verscheidene vrome bedenkingen bijvoegt. Het wordt iedereen duidelijk dat zij allen moeten vertrekken. Koffers worden gepakt, vigilantes gehaald en met schemeravond is er niemand van den troep meer over.

Het huis staat nog, groot en tegen weer en wind bestand, in de lange, stille straat; maar is toch eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.

De mannen met petten blijven de meubelen overhoophalen; en de heeren met pen en inkt maken inventarissen daarvan, en zitten op stukken huisraad, nooit gemaakt om op te zitten, en eten brood en kaas uit de herberg van andere stukken huisraad, nooit gemaakt om van te eten, en schijnen er vermaak in te scheppen om de kostbaarste voorwerpen tot het vreemdste gebruik te bezigen. Er hebben ook chaotische combinatiën van dingen plaats. In de eetzaal ziet men matrassen en bedden; het glas en porselein raakt naar de oranjerie; het groot tafelservies wordt op de lange divan in het groote salon op stapeltjes gezet; en de traproedjes, aan bossen gebonden, staan op marmeren schoorsteenmantels te pronk. Eindelijk wordt een haardkleedje met een gedrukt biljet daarop van het balkon uitgehangen, en dergelijke sieraden prijken aan beide zijden van de straatdeur.

Dan staat er den geheelen dag lang een trein van bemodderde sjeezen en wagentjes in de straat; en troepen smerige heerschappen, joden en christenen, loopen het geheele huis door, tikken met hunne knokkels tegen de spiegels, slaan wanluidende accoorden op de piano’s aan, vegen met natte vingers over de schilderijen, ademen op de lemmeten der beste tafelmessen, beuken de kussens van stoelen en sofa’s met hunne vuile vuisten, betasten de bedden, schuiven al de laden uit en in, laten zilveren lepels en vorken balanceeren, bekijken zelfs de draden van het linnengoed, en vinden alles ver beneden hunne verwachting. Het geheele huis heeft geene geheime plaats meer. Vreemde snoeshanen gluren even nieuwsgierig tusschen het keukengereedschap als in de kleerkas op zolder. Grove kerels, met kaal gesleten hoeden, kijken uit de vensters der slaapkamers en maken grappen met vrienden op straat. Stille narekenaars gaan met catalogussen in de kleedkamers, en maken daar met stompjes potlood aanteekeningen op den kant. Twee uitdragers klimmen zelfs een zolderluik uit en genieten op het dak een panoramisch overzicht van de andere huizen. Dat zwermen en gonzen, op- en neerloopen en begluren, duurt dagen lang. Dombey’s inboedel is publiek te zien.

Dan wordt er in het beste salon eene verschansing van tafels gemaakt, en op de groote mahoniehouten eettafel met gedraaide pooten wordt de lessenaar van den vendumeester gezet, en de troepen van smerige heerschappen, joden en christenen, de vreemde snoeshanen en de grove kerels met kaal gesleten hoeden, verzamelen zich daaromheen, en zetten zich op alles in hun bereik, de schoorsteenmantels ingesloten, en gaan aan het bieden. Heet, stofferig en gonzend zijn de kamers den geheelen dag, en hoog boven de hitte, het stof en het gegons, is de vendumeester aanhoudend met hoofd en schouders, stem en hamer aan het werk. De mannen met petten worden rood en ongeduldig van het dragen met nommers, en nog worden er nommers aangedragen en weggedragen. Somtijds worden er grappen gemaakt en ontstaat er een algemeen geschater. Dit duurt den geheelen dag en nog drie volgende dagen. Dombey’s inboedel wordt publiek verkocht.

Dan komen de bemodderde sjeezen en wagentjes terug, te gelijk met een trein van vrachtwagens en karren en een heirleger van sjouwerlieden. Den geheelen dag zijn de mannen met petten aan het werk met schroevendraaiers en nijptangen, of waggelen zij op de trap bij dozijnen te gelijk onder zware vrachten, of tillen zij de geheele rotsen van mahoniehout, rozenhout of spiegelglas in sjeezen, wagentjes, vrachtwagens en karren. Allerlei soorten van voertuigen worden gebezigd, van mestwagens af tot kruiwagens toe. Het ledikantje van den armen Paul wordt op een ezelkarretje weggevoerd. Bijna eene week lang wordt Dombey’s inboedel weggehaald.

Eindelijk is alles weg. Men heeft niets in huis gelaten dan verstrooide bladen van catalogussen, hoopjes hooi en stroo, en eene batterij van tinnen kannen achter de voordeur. De mannen met petten verzamelen hun gereedschap in zakken, nemen die op schouder en stappen heen. Een van de heeren met pen en inkt gaat, als eene laatste oplettendheid, het geheele huis nog eens door, zet biljetten voor de vensters, waarbij wordt aangekondigd dat het te huur is, en sluit de luiken. Ten laatste volgt hij de mannen met petten. Niemand van de indringers blijft er. Het huis is eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.

Mevrouw Pipchin’s apartement, benevens die geslotene kamers beneden, waar de gordijnen altijd dichtgeschoven blijven, zijn bij de algemeene verwoesting gespaard. Mevrouw Pipchin is onder het gewoel stug en steenig in hare kamer blijven zitten, of is onder de verkooping eens even komen kijken, om te zien wat het goed opbracht, of om op zekeren leuningstoel te bieden. Mevrouw Pipchin heeft het hoogste bod op dien leuningstoel gedaan, en zit op haar eigendom, wanneer mevrouw Chick haar komt opzoeken.

“Hoe gaat het met mijn broeder, mevrouw Pipchin?” zegt mevrouw Chick.—“Daar weet ik niet meer van dan de drommel,” zegt mevrouw Pipchin. “Hij bewijst mij nooit de eer om met mij te spreken. Hij laat zijn eten en drinken in de kamer naast zijne kamer zetten; en wat hij gebruikt komt hij daar gebruiken als er niemand is. Het kan niet helpen of ge mij al vraagt. Ik weet er niet meer van dan de man in het zuiden, die zijn mond brandde bij het eten van koude pap.”

Dit zegt de stekelige mevrouw Pipchin met eene heftige beweging.

“Maar mijn goede hemel!” roept mevrouw Chick zeer zoetsappig uit. “Hoelang moet dat dan duren! Als mijn broeder zich geene inspanning wil vergen, mevrouw Pipchin, wat zal er dan van hem worden? Ik heb waarlijk gedacht, dat hij genoeg gezien had, wat er van komt als men zich geene inspanning wil vergen, om zich voor zulk eene noodlottige dwaling te laten waarschuwen.”—“Wel heere mijn tijd!” zegt mevrouw Pipchin, haar neus wrijvende. “Mij dunkt, er wordt machtig veel gedoente over gemaakt. Het is zulk een vreemd geval niet. Er zijn wel meer menschen, die tegenspoed hebben gehad, en hun boel hebben moeten verkoopen. Dat heb ik ook moeten doen.”—“Mijn broeder,” vervolgt mevrouw Chick diepzinnig, “is zulk een singulier man. Hij is de singulierste man dien ik ooit gezien heb. Zou men gelooven, dat, toen hij de tijding kreeg van het huwelijk en de emigratie van dat onnatuurlijke kind—het is nu een troost voor mij, te bedenken dat ik altijd gezegd heb, dat dat meisje iets buitengewoons over zich had; maar niemand let op mij—zou iemand gelooven, zeg ik, dat hij zich toen naar mij omkeerde en zeide, dat hij gemeend had aan mij te zien, dat zij bij mij in huis was gekomen? Wel mijn hemeltje! En zou iemand gelooven, dat, toen ik alleen maar tegen hem zeide: “Paul, ik mag heel onnoozel wezen, en dat geloof ik ook zelf wel, maar ik kan niet begrijpen hoe uwe zaken in dien staat zijn geraakt,” hij toen tegen mij uitviel, en verzocht dat ik niet meer bij hem zou komen eer hij naar mij vroeg? Wel, groote goedheid!”—“Ja,” zegt mevrouw Pipchin. “Het is jammer dat hij niet wat meer met mijnen te doen heeft gehad. Zij zouden zijn humeur wel hebben klein gekregen.”—“En waar moet het op uitloopen?” hervat mevrouw Chick, zonder op de aanmerkingen van mevrouw Pipchin te letten. “Dat zou ik wel willen weten. Wat denkt mijn broeder te doen? Hij moet toch iets doen. Het baat niet of hij al in zijne kamers zit opgesloten. De zaken zullen niet naar hem toe komen. Neen, hij moet er zelf naar toe gaan. Waarom gaat hij dan niet? Hij weet wel waar hij naar toe moest gaan, zou ik denken; daar hij al zijn leven zaken heeft gedaan. Waarom gaat hij dan niet daarheen?”

Nadat mevrouw Chick deze hechte keten van redeneeringen had gesmeed, zweeg zij eene poos, om die zelve te bewonderen.

“Buitendien,” vervolgde zij toen, op denzelfden redeneertrant, “wie heeft ooit van zulk eene stijfhoofdigheid gehoord, als dat hij door al die akeligheden heen hier opgesloten blijft? Het is alsof hij nergens anders had kunnen heengaan. Hij had immers bij ons aan huis kunnen komen. Hij weet toch dat hij daar thuis is, zou ik denken? Mijnheer Chick heeft hem dat tot vervelens toe gezegd, en ik heb hem met mijn eigen mond gezegd: “Beste Paul, gij verbeeldt u toch zeker niet, omdat uwe zaken in dien staat zijn geraakt, dat ge daarom minder thuis zijt bij zulke nauwe betrekkingen als wij? Gij verbeeldt u toch niet, dat wij naar de rest van de wereld gelijken?” Maar neen, hier blijft hij door dat alles heen, en hier zit hij nu nog. Wel, mijn hemel! als het huis eens verhuurd werd—wat zou hij dan doen? Dan kon hij toch niet hier blijven. Als hij dat probeerde, zou hem eene actie worden aangedaan en dat alles, en dan moest hij toch heengaan. Waarom gaat hij dan niet dadelijk, in plaats van op het laatst? En dat brengt mij weder op hetgeen ik daar zoo even gezegd heb, en doet mij natuurlijk vragen, wat er het eind van moet zijn?”—“Ik weet wel wat er het eind van zal zijn, voor zooveel mij aangaat,” antwoordt mevrouw Pipchin, “en dat is mij genoeg. Ik ga nu oppakken in een snap.”—“In een wat, mevrouw Pipchin?” vraagt mevrouw Chick.—“In een snap,” antwoordt mevrouw Pipchin scherp.—“Wel zoo! Ik kan u waarlijk niet laken, mevrouw Pipchin,” zegt mevrouw Chick met rondborstigheid.—“Het zou mij zoo tamelijk hetzelfde zijn, al kondt ge dat,” antwoordt de stekelige mevrouw Pipchin. “In allen gevalle, ik ga heen. Ik kan hier niet blijven. Ik zou binnen de week dood zijn. Ik heb gisteren mijn eigen varkenskarbonaadje moeten braden, en daar ben ik niet aan gewoon. Mijn gestel zou er onder bezwijken. Buitendien, ik had, eer ik hier kwam, eene goede klandizie te Brighton—het kleine goed van Pankey alleen bracht mij tachtig pond ’s jaars op—en die kan ik niet weggooien. Ik heb aan mijne nicht geschreven, en zij verwacht mij nu thuis.”—“Hebt gij met mijn broeder gesproken?” vraagt mevrouw Chick.—“Wel ja, het is heel gemakkelijk hem te spreken te krijgen,” antwoordt mevrouw Pipchin. “Ik heb hem gisteren toegeroepen, dat ik hier tot niets meer diende, en dat het beter zou zijn als hij mij om jufvrouw Richards liet zenden. Hij bromde zoo iets dat ja meende, en toen heb ik om haar gezonden. Brommen, nog al! Als hij mijnheer Pipchin geweest was, zou hij nog reden gehad hebben om te brommen. Ba! Ik kan het niet uitstaan.”

Hier rijst de voordeelige dame, die zooveel standvastigheid en deugd uit de mijnen van Peru heeft opgepompt, van haar gekussend eigendom op, om mevrouw Chick de deur uit te laten. Mevrouw Chick, tot het laatste toe het singuliere karakter van haar broeder beklagende, gaat stil weder heen, zeer ingenomen met hare eigene schranderheid en helderheid van hoofd.

In den schemeravond komt Toodle, die geen dienst heeft, met Polly en een koffer, en laat ze, met een klinkenden kus, in het ledige voorhuis, waarvan de stilte een sterken indruk op zijn gemoed maakt.

“Ik zal u eens wat zeggen, Polly, mijn lief,” zegt Toodle. “Nu ik machinist ben en het zoo goed in de wereld heb, zou ik u niet hier laten komen, om u te verkniezen, als het niet om vroegere gunsten was. Maar vroegere gunsten, Polly, moet men nooit vergeten. Buitendien, voor iemand, die in tegenspoed is, is uw gezicht eene hartsterking. Laat ik het dus nog een zoen geven, lief! Gij wenscht niet beter dan wel te doen, dat weet ik; en ik denk dat dit wel gedaan en een plicht is. Goeden nacht, Polly.”

Nu komt mevrouw Pipchin aan, geheel in het zwart; zij heeft haar goed opgepakt, en haar stoel (voorheen een lievelingsstoel van Dombey en voor een prijsje door haar gekocht) dicht bij de deur gereed staan, en wacht maar op een goederenwagon, dien zij gehuurd heeft om haar en haar eigendom naar Brighton te brengen.

Weldra komt deze. Nadat de garderobe is opgeladen, wordt de stoel in een geschikt hoekje geplaatst en met hooi vastgestopt, daar mevrouw Pipchin voornemens is op reis in dien stoel te blijven zitten. Daarna wordt zij zelve in het rijtuig geholpen en zet zij zich met een strak gezicht op haar zetel. Hare grijze oogen hebben een slangachtigen glans, als verheugde zij zich in het vooruitzicht op haar geboterden toast, op hare karbonaadjes, op het kwellen en sarren van kleine kinderen, op het afsnauwen van de arme Berry en de andere vermaken van haar menschenvreetsterskasteel. Zij lacht bijna terwijl de wagen voortrijdt en zij hare zwarte bombazijnen rokken gladstrijkt.

Het huis is zulk eene ruïne, dat de ratten gevlucht zijn en er geen enkele meer van over is.

Maar Polly, schoon alleen in het verlatene huis—want in de geslotene kamers, waar de vroegere meester zijn hoofd verbergt, vindt zij geene gezelligheid—is niet lang alleen. Het is avond, en zij zit in de huishoudsterskamer te werken, en poogt te vergeten welk een eenzaam huis het is, en wat er in is omgegaan, toen aan de voordeur wordt geklopt, en het geluid door de ledige ruimte galmt. Nadat zij de deur heeft geopend, komt zij door het galmende voorhuis terug, vergezeld door eene vrouwelijke gedaante met een dichtsluitend zwart hoedje. Het is jufvrouw Tox, en jufvrouw Tox heeft roode oogen.

“O Polly,” zeide jufvrouw Tox, “toen ik daar straks bij u aan huis kwam om de kinderen nog een lesje te geven, kreeg ik de boodschap die gij voor mij gelaten hadt; en zoodra ik wat tot mij zelve kwam ben ik u nagekomen. Is hier niemand behalve gij?”—“Geene levende ziel,” antwoordt Polly.—“Hebt gij hem gezien?” fluistert jufvrouw Tox.—“O heere neen,” antwoordt Polly. “Hij heeft zich in geene dagen laten zien. Zij zeggen mij, dat hij nooit buiten zijne kamer komt.”—“Zegt men ook dat hij ziek is?” vraagt jufvrouw Tox.—“Neen, jufvrouw, niet dat ik weet,” antwoordt Polly. “Maar zijne ziel is ziek. In dat opzicht moet het heel slecht met hem gesteld zijn!”

Het medelijden van jufvrouw Tox is zoo groot dat zij nauwelijks kan spreken. Zij is geen kuikentje meer, maar zij is toch van ouderdom niet taai geworden. Haar hart is nog teer, haar medelijden en hare hulde zijn van echte soort. Onder het medaillon met het vischachtige oog draagt jufvrouw Tox betere eigenschappen dan menigeen met eene minder belachelijke buitenzijde, eigenschappen, die de fraaiste uitwendige hoedanigheden vele jaren kunnen overleven.

Het duurt lang eer jufvrouw Tox heengaat, en eer Polly, terwijl hare kaars op de holle trap staat, haar de straat af nakijkt, om nog zoolang gezelschap aan haar te hebben, en ongezind is, om het akelige huis weder binnen te gaan, en de ledigheid daarvan met de zware grendels te laten weergalmen, en naar bed te sluipen. Dat alles doet Polly evenwel; en des morgens zet zij in eene van die kamers de dingen, die men haar gezegd heeft gereed te maken, en gaat dan heen, en komt er niet weder binnen voor den volgenden morgen op hetzelfde uur. Er hangen daar schellen, maar er wordt nooit aan getrokken; en hoewel zij somtijds een voetstap kan hooren heen en weer gaan, komt die nooit naar buiten.

Jufvrouw Tox komt dien dag vroeg terug. Het begint nu hare bezigheid te worden, kleine lekkernijen gereed te maken—of wat voor haar lekkernijen zijn—om den volgenden morgen in die kamer te zetten. Deze bezigheid geeft haar zooveel genoegen, dat zij ze van dien tijd af geregeld aanhoudt, en dagelijks iets in haar mandje medebrengt om in die kamer te zetten. Evenzoo brengt zij, in papier gewikkeld, een stukje koud vleesch, eene schapentong