Chapter 1 of 6 · 3986 words · ~20 min read

Part 1

NATUUR EN LEVEN

DOOR J. R. KLOOSTERMAN

GEBROEDERS HOITSEMA — GRONINGEN 1922.

INHOUD

De Almacht, Bijbel en Heelal Met zich zelve Dur en Mineur Gebed Verlangen Lente’s Ontwaken Lente’s Komst ’t Madeliefje Lente Voorjaar April Lenteavond In Mei Avond in Mei Meimaands Schoon Zomernamiddag Regen Naar Buiten Mijn Wandeling De Wolken God in ’t Onweer Bij Winter De Sterrenhemel Naar Boven O had ik ook een Lied! Later Friesland Frieslands Roem Het Land der Friezen Oostergo Friesland en West-Friesland Nederland De Schermer De Zaanstreek Van Huis De Bergen Bergidylle Mijn Geluk Buitenleven Landleven Landelijk Geluk Landman’s Geluk Land en Stad

DE ALMACHT, BIJBEL EN HEELAL

Er is een Boek, een tweede Bijbel Een heerlijk Boek, die groote Band, In onverslijtb’ren stof gebonden. De Auteur schreef er met meesterhand, Zijn Naam in groote letters neder, Bij ’t openslaan op ’t eerste blad, Toen Hij „’t zij licht,” wat was, en zijn zou, Als Scheppingswoord gesproken had.

Op ’t tweede blad schreef Hij, de Maker, In gouden letters als met vuur, Hun licht naar allen kant uitstralend „Dit is de Bijbel der Natuur.” „Dit is Mijn werk, ’t werk Mijner handen, De tempel Mijner heiligheid, Plaats der aanbidding en der eere, De afstraling Mijner Majesteit.”

„Ben Ik het niet, Die vuur en water, En aarde en lucht, tot aanzijn bracht? Die bergen rijzen deed naar boven, Door ’t woord slechts van Mijne Oppermacht? Die ’t vuur in der vulkanen boezem, Diep in der aarde nacht ontstak? En op zijn tijd Mijn macht deed hooren, Als Lava uit haar binnenst brak?”

„Ben ik het niet, Die in de wolken, Het bliksemvuur ontvlammen doet? Die Isrel met Mijn vuurzuil lichtte, Die Sinaï ontstak in gloed? Ik niet, Die Sodom’s vruchtb’re vlakte, Door ’t zengend vuur van Mijne hand, Tot „Doode Zee’, deed nederzinken, Zij, de eens zoo rijke lustwarand?

„Ben ik het niet, Die sterren zaaide, Langs ’t ongemeten hemelveld? Saturnus en Uranus manen, Tot wachters hen, heb aangesteld? Ik ben ’t, Die Sirius van verre, U merken deed uit ’s Hemels diep; En Die des Melkwegs lichte banen, Kometen bij Planeten schiep?”

„Die op Mijn wenken, vlammen, tint’len: Uit Mij de Bron van alle licht, Ontstoken, aan Mijn wenk gehoorzaam, Mij lovend voor Mijn aangezicht, Die ’t groot Heelal met hunne luister, Vervullen, enkel tot Mijne eer; Verkondigend de macht, de grootschheid Der schepping en der scheps’len Heer!”

Gij zijt het Heer, Die waat’ren scheidde, Van waat’ren op den Scheppingsdag. Gij op wiens wenk, voor ’t nakroost Isrels, De Roode Zee begaanbaar lag. Gij, opdat niet ten tweeden male, Geen Zondvloed wijdde ’t al ten dood, Door de elementen, vuur en water, Met de aard ’t verbond voor altijd sloot,

In ’t schoone, en alom zichtbaar teeken: Het teeken van den regenboog, Opdat vertrouwend naar den Hoogen, De blik zich dankbaar richten moog, Wanneer des hemels breede sluizen, Zich oop’nen, dagen achtereen, Tot onverwacht de boog der wolken, Zich vormt, langs ’t blauwzwart Oosten heen.

Het is Uw werk der wolken zegen, Die in den zoelen Meischen nacht, Van zwaar bedekten zuiderhemel Natuur weer tot verjongen bracht: Opdat de Palmen juichend wuiven, Daar waar de Zon in ’t Zenith staat; Opdat aan Groenlands barre stranden, Het Lepelblad ontwikkelen gaat.

Gij laat de Zon slechts trager schijnen, Met korter tijd en minder gloed: En ziet de vruchtb’re droppels stollen, De hagel- en de sneeuwstorm woedt. Gij wenkt Heer en allengskens worden De velden wit. Met winterpracht Heeft heel Natuur nu omgewisseld, De rijkdom van haar bonte dracht.

Gij effent met één wenk de waat’ren, Hoe hoog zij golfden: zij zijn stil, Gij roept Uw dienaar op: het Oosten, ’t Hoort in één nacht naar Uwen wil, Ze vast hen allen tot kristallen; Wijl boven ’t laatste wolkje vlucht: De vloed werd als tot marm’ren vloeren, Tot schoon azuur de wilde lucht.

Gij legdet Heer de voorraadschuren, Van waat’ren op de bergen aan; Gij hebt ze als gletschers daar gezolderd, Waaruit het beekje zich breekt baan, Dat dra met huppelende sprongen, Op eenmaal zich zijn kracht bewust, Langs afgronds huivringwekkends springen, In ’t lieflijk Alpenmeertje rust.

Daarna zijn drift der jeugd gebreideld Te hebben en zijn overmoed, Thans weêrgeboren treedt te voorschijn, En als een kalme breede vloed, Nu de onafzienb’re vlakten drenkend, Van ’t dorstig drooge vasteland; En volk en land zijn zegen deelend,— Heer! zeewaarts Gij ’t leidt aan Uw hand.

Gij Heer! waart het Die met Uw adem Het al vervuldet door Uw macht, Uw beeld op aard, den mensch bezieldet, Gij, Die, toen ’t lieflijk koeltje zacht, Door schaduwrijke Palmen ruischte, Voorbij gingt in dat heilig uur, Uw tegenwoordigheid deed merken, Aan Uw profeet, God der Natuur!

Gij zijt het, Die de lentewolkjes, Met goud omboord, langs Ethers blauw, Doet spelevaren voor het Zuiden, Ook Gij, Die straks den hemel grauw, Van ond’ren teekent, boven vreeselijk, Met vuur en zwavel afgezet, De bliksemende donders heendrijft, Naar Uw geduchte stormwindswet.

Den adem gaaft den mensch, Gij Heere! Het is ook U, Die het eens zijt, Die hem wêer neemt, wanneer ’t Uw wil is: Want „_Heer_” ook zijt Gij van zijn tijd! O prees hij U al zijne dagen! Bleeft Gij zijn toeverlaat, zijn staf: Met hem zijn sterfelijk omhulsel, Zinkt niet zijn _beter ik_ in ’t graf!

Hij, voor een hooger doel geschapen, Wiens geest iets onbestemds gevoelt, Hij, door iets Goddelijks gewezen Dat op iets hoogers, beters, doelt,— Hij, in verhouding groot bij ’t diertje, Dat pas één uur, het aanzijn heeft,— Wat is hij groot met tachtig jaren, Die hij, de mensch, op aarde leeft!

Wat is hij groot, der scheps’len koning! Zijn wil is machtwoord; hij spreekt ’t eerst; En de bezielde schepping luistert, Zijn geest is kracht, die de aard’ beheerscht, Hij duikt bij bergenhoogte onder, Tot op den grond van de Oceaan, Daar treft hem weer de ontzagb’re grootheid, Het Wonder, Heer van Uw bestaan.

De stof maakt tot zijn doel hij dienstbaar, En hij stijgt mijlen boven d’ aard, Waar hij al weer op nieuwe wond’ren Met vreugde en met verrukking staart! En moog’ de stof hem grenzen stellen: Hij is niet naar de stof meer mensch; Zijn geest ontplooit hem Eng’lenwieken, Het stof’lijke biedt hem geen grens.

Hij tracht naar ’t hoog’re, het Volmaakte, Omsluierd blijft de heerlijkheid, Nog wel voor hem aan gindsche zijde, Toch zijn zijn vleug’len uitgebreid, Om met den eersten wenk naar boven, Den eersten wiekslag hem vergund, Naar _’t eeuwig Licht_, nu voor zijne oogen Den laatsten aardschen nevel dunt.

MET ZICH ZELVE

In ’t rieten hutje, een kleine stulp, Met nauwelijks manshooge wanden, Een nestje in groen, een slakjes schulp, Geknutseld door mijne eigen handen; Een plekje waar ik ’t liefste ben. Waar ik mij zelf het beste ken; Mijn stil ontwijk in rustige uren. Waar tusschen mijne rieten muren, Ik mij een Kluiz’naars leven droom, Ver van bedrijf en van hanteering, ’t Rumoer van ambacht, drokke nering, Geen snijdend fluiten van den stoom, Geen wielgekras van kar of wagen; Geen twistgetier uit slop of kroeg; Om meer, om nimmer nog genoeg, Geen haast en geen onzinnig jagen— Maar in het hart een vrome beê, Om zacht geluk en stille vreê, Tevredenheid door heel het leven, Word’ van de Algoede mij gegeven, Bij kalmte en vreugde en levenslust— Als beeld van eenvoud en van rust, Waarvan het kleine stulpje spreekt, Welks dak grijs door ’t geboomte breekt!

DUR EN MINEUR

Natuur spreekt in haar eigen taal, Van Leeuwerikje en zonnestraal, Van groenend woud en Nachtegaal, Van elzentak en weduwaal. Van Zephiertoon en bloemenpraal, Van heidepracht, zachtrood en vaal, Met bijgegons, bij ’t Nectarmaal. Van, ’t zij het zonlicht rijze of daal Door ’t wolkengoud of ’t dof van staal, Waar ’t juicht in Fuga of Koraal, Of dondert door des luchtruims zaal, Zoo weegt steeds in der menschen schaal, Hun lot bij vreugd meê, smart of kwaal.

Die weerklank trilt diep door ’t gemoed, Of ’t harte juicht, of ’t binnen bloedt Het vrede is, of de hartstocht woedt, De liefde en vriendschap ’t leed verzoet, Of wrevel door het binnenst wroet, Voorzichtigheid voor struiklen hoedt, Hetzij of voor- en tegenspoed, Bij ’s levens eb, bij ’s levens vloed De welvaart brenge geld en goed; Of eer en lof, den sterv’ling groet, Voor eigen schuld hij lijde of boet, Hij merkt: Mineur of Durtoon doet, Zijn hart meeklinken voor zijn voet.

GEBED

O! dat nog dikwijls mijne Vader, De reine lenteweelde mij, Die heerlijkheid beschoren zij! O! dat nog dikwijls hart en ader, Zich in de lentepracht verblij!

Dat ik het schoon der bosschenzanger, Der lieve Nachtegaal Bij ’t goud van zachten avondstraal, Weer in verrukking moog’ ontvangen, Die eenig schoone zangerstaal.

O! dat nog vaak de grootsche luister, Der sterrenhemel voor mij gloei’! De volle maan mijn zinnen boei’! En door het sombre sparrenduister, Voor mij nog lang het beekje vloei!

Dat ik nog lang uit Uwe werken, O! Vader U, te kennen poog’; Dat ik nog lang, omlaag, omhoog, U, in Uw wond’ren moog bemerken, En U daarin aanbidden moog’!

VERLANGEN

Wanneer in groene dreven, De koeltjes zachtkens zweven, De takjes wieg’lend beven,— En als de zangerskoren, Dan hunnen zang doen hooren, En hart en zin bekoren: Dan zal ik naderen, In luwte van de bladeren, En toon bij toon vergaderen.

De bloesem, half ontloken, In blad’rengroen gedoken, Heeft wierookgeur ontstoken: En door dien geur bevangen, Is ’t of der zangren zangen. Een schoon’re toon erlangen: Met U wil ik dan fluisteren, Me aan uwe stilte kluisteren, Natuur en met u luisteren.

Zing dan o nachtegalen, Bij ’s maanlichts zachte stralen, Als lentekleuren malen; Ik zal bij u vertoeven, In smart en bij bedroeven, En uw gezang behoeven.— Naar U is het verlangen; Tot dat aan uwe zangen, Geheel het hart blijft hangen.

LENTE’S ONTWAKEN

De wilgenkatjes gelen, Nu weer de windjes spelen, Van waar de zonnestralen, Op ’t groen der weiden pralen; Waarin de lamm’ren dart’len.— In ’t kreekje wat een spart’len, Van baarsje en zilv’ren voren! Terwijl uit jeugdig koren, De leeuwerikjes stijgen. En madeliefjes rijgen, Als blanke parelsnoeren, Door s’ weid’lands groene vloeren, Aan gouden boterbloemen, (Te veel om op te noemen,) Zich, bont de velden kleurend, Hun kopjes opwaarts beurend!

Dit is ’t verjongde leven; Dit is het stille streven, Naar ’t zich ontwikk’len, groeien, En naar het hoogste: bloeien! Opdat in volle schoonheid, Het al zich straks ten toon spreidt.

LENTE’S KOMST

De Leeuwerikjes hoorden, De wond’re zoete woorden, Toen ’t zonnetje op een voorjaarsdag Heel de aard nog onder ’t sneeuwkleed zag, De schoone slaapster nog in stille winterruste Haar lieve namen gevend, wakker kuste.—

Want hij de forsche Bruidegom,[1] Lei zijn verwarmende armen om Zijn witte Bruid zij de Aarde.— En onder ’t stille mingekoos, Was het, alsof na eene poos, Zulks gloed en leven baarde,

[1] Om de Zon als Bruidegom voor te stellen wordt zij hier als mannelijk gedacht. J. R. K.

De sneeuwwâ ging onmerkbaar los; Getooverd lag een zachte blos, Van vreugde en van verlangen, Op Bruidjes poez’le wangen, En op ’t welluidend mingeluid, Kijkt Madeliefje en Sneeuwklokje uit,

In bruiloftspronk en luister, Tersluiks door ’s sneeuwboeis kluister, Wijl ieder zich door ’t witte dak, Nieuwsgierig baan, naar boven brak,—

Een vinkje bruin bestippeld, Kwam haastig aangetrippeld, Om niet te laat, waar ’t tijd geweest, Te zijn op ’t groote huw’lijksfeest.—

Het was een stille luwe nacht, Een domm’lig windje ging Des horizons geheelen kring— Alsof ze iets zocht, onmerkbaar zacht— Geheel in ’t rond: Totdat het vond, Wat het milde Zuiden, Hem wilde beduiden. En kwam hem tegemoet. Met ’s Golfstrooms groet: Dat hij zonder dralen, Lente heeft in te halen.

Onder donkre Palmen weg en Tamarinden; Haalt de Sirocco op zijn zengende winden,— Van Afrika’s onbekende binnenlanden Uit Atlas valleien, van Algerie’s stranden En Eiber en Zwaluw van de Piramiden; Komt op de lange reize zijn hulpe aanbieden.— Langs en door Sahara, die luchtkaravanen, Naar ’t Noorden heêntrekkend op lijnrechte banen,— Beneden ’t Pendant, het woestijnschip, zwaar zwoegend En ’t brandende zand der woestijn, dus beploegend;— Steeds voorwaarts, nooit zijwaarts, nooit rugwaarts, nooit wijkend, Met haast op de Oasen, om voedsel neerstrijkend, In duizende tallen. En haastig en spoedig, Steeds voorwaarts, steeds voorwaarts en nog altijd moedig, Van Afrika’s oevers, Europa’s Zuidkusten, De zee overtrekkend zulks zonder te rusten, Gerangschikt in breede, in ontelbare vluchten Gedragen op Föhns warme, vochtige luchten, Wijl Matterhorn’s gletschers in ’t avondrood gloeien, Weten van rusten niet meer, noch van vermoeien.— Zij zien onderweg,— Aan doornen en heg, Aan struikjes en boomen, Reeds loovertjes komen; Maar vinden nog nergens, Een plekje, waar elders, Zij wel zouden blijven; Want iets doet hen drijven, Iets hoopvols, steeds smachtend. En nog maar steeds wachtend. Wanneer ’t zal verschijnen;— En vlakten verdwijnen, Wijl bergen en wouden. Gezelschap hen houden: Steeds voorwaarts! de kleenen, Zien reeds om zich henen: Zwaluwen, kwikstaarten, Vertragend hun vaarten,— Of dan toch er nergens, Een plek hier, of elders, Tot rusten hen noodt: De reis is zoo groot! En de Eibers ontwaren, ’t En roepen die scharen, Nu zij ’t laten slippen, En laten hen wippen, Straks op hunnen staart. Met gonzende vaart, Gaan samen zij ijlen Naar ’t Noorden. Bij wijlen, Is ’t kleingoed aan ’t babblen, Wijl luchtgolfjes kabblen Zich mengt in ’t gesnetter Van ’t vleug’len geschetter, Der vogelen Grooten; En die hun genooten Soms vriend’lijk toeknikken, Als zij oogenblikken Eens luisteren gaan: En duid’lijk verstaan,— Als in vuur zij goed raken,— „Waar dan ’t nestje te maken? Zal ’t nestje er nog zijn? Aan ’t oude kozijn! Op de uitbouw aan ’t muurtje, Van de oude Lui’s schuurtje, Zoo ’t Zwaluwpaar passend, Weer de Oudjes verrassend!” „Of de Oudjes nog even, Gezond zijn? in leven?” ’t Schiet de Eibers te binnen, Of zij op de tinnen, Des bouwvals of toren, Hun nest als te voren, Of op ’t oude rad Waar ’t jarenlang in den olmboom reeds zat Weer zullen aanschouwen? Of dat zij opnieuw moeten bouwen!

Bij dageraads glimmen, Rijst ver aan de kimmen Het oude bekende, De reis is ten ende.

„Zijt mij gegroet vrienden en vriendinnen Driemaal welkom! Treed mijn gaarde binnen! Mijnen hof, mijn veld, mijn bosch! Huppel door mijn twijgen, trippel op het mos! Maak Hofzanger nu in mijnen wingerd. Die zich nog steeds om mijn huis heenslingert, Weer uw nestje, en Eiber zie! nog het uwe op mijne schuur, Zooals gij mijn ouden vriend, het zaagt in ’t laatste uur Toen gij met uw maagschap, ’t nog eens kwaamt omringen. Zwevende door ’t luchtruim in maatlooze kringen! Duifje, bouw straks in de groene pennen. Mijner hooge donkre dennen, Gij Houtekster, wier nest ik nu kwam, Tusschen jonge twijgjes eerst te zien, op den afgeknotten wilgenstam, Zie, mijn schuwen vogel, zijt gij ook gezind Eens te zoeken of gij zoo iets ook niet weder vindt! Prachtige Lijster in het zwart! O, ik heb voor u zoo hart, Die zoo dikwijls mij bij lenteavondstond, Van al de eerstelingen Zangers, mij uw liedren zond. Schelvink, maak weêr in mijn pereboom,— Met uw wijfje, zonder schroom. Bij het overblijvend restje, Van verleden jaar, opnieuw van mos, uw nestje;— Hang uw wollig huis, o gouden weduwaal, Op, in ’t elzenhout en gij mijn Dierbre Nachtegaal! U naar eigen welgevallen, ’t Schoonste, ’t stilste, ’t groenste, ’t dichtste plekje, nog van allen,— Maar evenwel, toch allen, gij vogeltjes, klein en groot, Worden zonder uitzondering ten mijnent genood! Treed allen met blijden zin, Mijn dreven, mijn velden, mijn bosschen vrij in! Huppel en bouw van ’s morgens vroeg, Voor allen is nooddruft en ruimte genoeg.—

Stem thans gij Bruidskoor der Lente, Onder knoppen en bloesem der loovertente— Waar ge eerlang zult wonen,—” In die feestzaal uw toonen!—”

Op een zoelen morgen druppelt, Vruchtbaar ’t van de wolken af, Ied’re knop als aangeraakt door eenen tooverstaf. Wordt tot bruidskleed; en gekoppeld,— Met festoen, Van groen,— Staan daar beuk en berk en eiken,— Hun elkander de armen reiken: ’t Al trekt thans het feestkleed aan, Is gereed ten feest te gaan.

Men verwacht thans nog den Bruigom-Koning, Uit zijn hooge wolkenwoning, Ziet hij toeft nog slechts, Of naar links en rechts, Alle verre bruiloftsgasten, Klaar zijn voor het Lentefeest, Want zoolang de droppels plaschten, Waar’ het jammer om al ’t schoon geweest.

Ziet een blik van boven. Om weêr uit te dooven, Vliegt eensklaps in ’t rond; Die een rustplaats vond, Waar sneeuwklokjes bloeien, Maar daar komt hij weder, Als van boven neder; ’t Al begint te gloeien, In den eigen stond; Toovert licht en gloed. En het zangkoor doet, Als in ’t groen verloren, ’t Eerste welkom hooren; Totdat straks het koor, Duizendstemmig, door, Al de groene zalen, ’t Jublend doet herhalen.

Voor U, Zon! hooge Bruidegom! Zingt alles in ’t rondom! Voor U, Bruidje! bloeiende Aarde, Is ’t dat zich klank met liedren paarde; En juicht het luide, „Wellekom”, Alom. Maar voor den eersten bruiloftsnacht, Heeft Nachtegaal U ’t schoonst nog toegedacht.—

Wil Kers thans en Peer uwen luister ontplooien. Kom Ribus en Pyhrus met bloesem u tooien; Prijk reuzenbloemtuil, Kastanje! Zaai bont en geel, blauw en oranje, Lente door ’t groenende veld: Zephiers vertelt, Aan slapende Vlinderkens, dat ons ’t vogelenlied de Lente vermeldt; Waai uit hooge halmen van zegenend graan! Wanneer ik de Linde ook in bloei straks zie staan, Wanneer zij zal geuren,— Dan open uw deuren, Van voorraad alom, Van zegen, reeds dan Moeder Aarde in ’t rondom!

Vervul lief’lijke Lente! Met dubbele rente, Meer dan werd verwacht, Worde uit uw volheidshoren Meer nog dan ooit te voren, Ons weer op nieuw gebracht. En stemme zoo ’t gemoed, Dat den mensch danken doet!

’T MADELIEFJE

O Madeliefje, teer en klein, Zoo nederig, als smet’loos rein, Gij liefje van de Made![2] Als Beeld der Onschuld daar geplant, Gestikt door ’s Hoogen Scheppers hand, Op ’s weidlands groene wade.

Wat is ’t, daar ’t oog graag op u rust? Is ’t, dat ge u zelven ’t onbewust, Zoo ned’rig, zoo bescheiden Ons treft? zeg! is het dan niet dit: Dat sterrenreine rood bij wit. Lief kind der groene weiden?

Er prijken duizenden in kleur, Er aad’men duizenden hun geur, Vervolgens om u henen, Al prijken, geuren zij om ’t zeerst! Gij lieve kleine, waart het eerst, Als lenteboô verschenen.

Zoo stort gij hoop in menig hart, Dat diep bezwaard door leed en smart, U groenen ziet ten leven, Ten trots van ’t gure jaargetij; Gij heft uw kelkjes vrij en blij, Van smart en zorg ontheven.

En daarom zijt ge ons lief en waard; Ons wordt, als ’t oog zoo op u staart, In ’t hart ons wel te moede. De Schepper kleedde u met die pracht, Waarin gij zoo onschuldig lacht, En houdt u in Zijn hoede.

[2] Maadland (grasland)

LENTE

Lente! o! albezielend machtwoord! Op welks toonen alle boezems Van genot en vreugde juichen! Die de wolken rozekleurig Schildert, en het vriend’lijk kluisje, In een krans van loof verbergt.

Ik aanschouw met stille blijdschap, Het herleven, het ontluiken, Het ontwikkelen tot bloeien; Ik sla met geroerde zinnen, Rondom mij, ’t ontwaken gade, Van het wonderrijk, Natuur!

VOORJAAR

Geen sneeuwjacht meer, geen hagel meer; Geene ijsbloem op de ruiten; Een zonnetje ondertusschen weer, Dat somtijds lokt naar buiten.

Reeds and’re luchten; niet meer grauw, De wolken die er zweven, En tusschen hen, het azuurblauw— Beneên het jonge leven.

Reeds zomerwolkjes nu en dan, Van zachte milde vormen; En ’t zoele windje, in stede van, De ruwe winterstormen.

Het winterkoninkje is niet meer; Daar buiten de een’ge zanger; Zoo menig lied weerklinkt er weer, En zwijgt van vreugd niet langer!

En was de groene weide toen, Met doodskleur overtogen: Nu straalt ons ’t eerste teed’re groen, Met nieuwe glans in de oogen.

’t Sneeuwklokje luidt het voorjaar in, En siert zoo lief de zode, En meldt zoo zacht, zoo stil’, ’t begin, Van ’t leven uit den doode.

De Sleutelbloemen merken ’t eerst, Het uur van ’t blij ontwaken! En reppen zich als om het zeerst, En preêken ’t op de daken.

En schuchter steekt een bloem haar knop, In ’t veld uit blad’rensprietje, Wat boven ’t groene moskleed op, Bij ’s Leeuw’riks eerste liedje.

O Madeliefje, rein en schoon, Gij spant van alle bloemen, Van alle schoonen toch de kroon, Waarop het veld mag roemen!

En crocus, hyacint en tulp, En hoe zij heeten mogen, Versieren tuin, paleis en stulp, Met kleuren overtogen.

Zelfs ’t struikje dat geen bloemenpracht, Heeft om zijn schoon te ontplooien, Heeft met zijn blad’rendos getracht, Om zich op ’t schoonst te tooien.

En ’t kleine lieve vinkenpaar Zag ’t aan met welbehagen, En zong daar luid en vierde daar, Zijn gulden bruiloftsdagen.

Een vlinder dartelt door den hof, Op iedre bloem neêrstrijkend. Het bijtje gaart zijn honigstof, Zijn zoeten schat verrijkend!

Er gaat een suizen door Natuur: Een lied wel zonder woorden— Maar dat zich oplost in dit uur, Tot wondervolle akkoorden.

En nu de mensch! verwonderd staat, Hij daarbij opgetogen, De heerlijkheid des Makers gaat, Voorbij als aan zijn oogen.

’t Afschijnsel Zijner heerlijkheid, Straalt hem uit alles tegen, En hij gevoelt die Majesteit, Die grootheid allerwegen.

Het leidt hem opwaarts naar omhoog Den Schepper luid te loven. Al ziet Hem hier niet ’s menschen oog, Eens namaals toch daarboven.

Wanneer in eeuwig jonge kracht, Die nimmer zal verouden, Een eeuw’ge Lente prijkt vol pracht, Die immer stand zal houden.

APRIL

Wat is dat aan het glas, Wie tikt daar aan de ruiten? Een zangertje uit den hof Roept luid: „kom toch eens buiten!”

„Neen kind, ik blijf in huis; ’k Wil mij niet buiten wagen; ’t Is nog zoo kort geleên, Dat ’k zag de sneeuwjacht jagen.”

Al weer dat „tik! tak! tik!.... Weer dat herhaalde kloppen, Ziet gij dan niet dat groen, Die reeds gezwollen knoppen?”

„Ziet hoe het zonlicht lacht, De wolken spelevaren. En vogeltjes wat mos Tot zachte nestjes garen”!

Ziet gij niet hoe in ’t groen, Al dart’le lamm’ren springen? Hoort gij niet in de vert’, Een koor van zangers zingen?

De lijster in het woud, Den leeuw’rik ginder boven, De duif in ’t dennenhout, Het vinkje in beemd en hoven?

Den kievit bont van wiek, Steeds jub’lend ’t veld langs zwierend, En menig zanger nog, Daar tusschen tierelierend!

Komt gij nog niet? waarom? Zie ’t zon’tje lacht u tegen. Met tooverzoete lach! Dan, waarom nog gezwegen?

’t Is alles nu toch schoon! Kan ’t schooner zijn op aarde? Heeft al die nieuwe pracht Voor u zoo luttel waarde?

O! open ’t hart er voor, Leen gunstig thans uw ooren, Naar ’t zachte, „tik, tak” want: De Lente is herboren.

Ik kom; want alles groent; ’k Hoor waarlijk rondom juichen! Om met de jonge Lent’ Mijn vreugde te betuigen!

LENTEAVOND

O, hoe heerlijk, o, hoe schoon! Neen, geen woorden kunnen ’t malen, ’t Schoon der avondzonnestralen, ’t Heerlijke van kleur en toon.

O, hoe prachtig is de gloed Van dat schitt’ren, van dat glanzen, Van de hooge wolkentransen Die de zon zoo blinken doet!

Liefelijker kan het niet, Waar van achter wolken stralen, Op de kleine ruiten dalen, Van een hutje, in het verschiet.

Dat de vensters van zijn licht, Helder in het Westen gloeien; ’t Blijft den blik maar immer boeien, Die zich ginder henen richt.

Verder gloeit het zacht en teer Op de kruin van populieren, Die zacht in het windje zwieren, Rijzend, dalend, heen en weer.

’t Schuitje dobbert op de plas, Door zijn golfjes zacht gewiegeld Waarin ’t lentewolkje spiegelt, Alsof ’t louter zilver was.

Groepen biezen, spichtig riet, Fluisteren in ’t windje; wuiven Neigen hunne blonde kuiven, Als het koeltje langs hen schiet.

In en boven ’t blauwe nat, Dartelt baars en zilv’ren voren, En de rietmusch doet zich hooren, Die in bies en struiken zat.

Hoor wat ginder daar toch was! Langgerekte toonen dragen, Windes koeltjes roerdomps klagen, Uit den ruigen waterplas.

En hoor daar, de kwartel slaat; Hoor uit gindsche dennengroepen, Luid verstaanbaar koekkoeks roepen, Wijl de kudde vroolijk blaadt.