Chapter 2 of 6 · 3962 words · ~20 min read

Part 2

Aan den verren horizon, Praalt in goud, hoog op den toren, (Waaruit wij den klokslag hooren), ’t Haantje in ’t goud der avondzon.

Op den hoogen heuveltop, Achter ’t donkere woud verscholen, Beurt hoog, de oude standaardmolen, Zijnen wiek naar ’t luchtruim op!

Avondpurper hecht zijn bruin, Over de ongerepte heide, Of rust soms eens tusschenbeide, Op der eiken forsche kruin.

Of glijdt toevend over ’t dak Doet het mos en huislook glimmen. Valt op ’t kerkje, aan verre kimmen, Dat nauw boven ’t dorpje uitstak.

En daar rijst voor ’s menschen oog, Eene boog van kleur en glanzen, Tot de hoogste hemeltransen, Stout van de aarde eensklaps omhoog!

’t Schittert, flonkert, hel en zacht, Paarlen smelten en vervloeien In smaragden, flonkren, gloeien, In de schoonste kleurenpracht.

Zwijgend ziet de mensch dit aan. Van verbazing opgetogen. Ziet dat wonderwerk zijne oogen, Eensklaps opgebouwd daar staan!

Ja dat is het grootsche slot, Van die heerlijke tooneelen, Dier natuurschoontafereelen, ’t Al tot lof en eer van God!

IN MEI

O! wat is het schoon daar buiten; O! wat is het schoon in Mei. Alles staat in vollen luister! Bosch en veld en hof en wei!

’t Is een vreugd, een blij genieten; In de polsslag van natuur, Is het de uiting der bezieling, Van een krachtig levensvuur.

Sneller jaagt thans door al de ad’ren, Van de Schepping levenskracht, Die de kiem tot volle ontwikk’ling, Van een heerlijk aanzijn bracht.

En nu pronkt in al de luister, Van een schoonen Meischen dag, Heel Natuur, zoo schoon, dat nimmer, ’s Menschen oog het schooner zag.

Ziet! de Meidoorn is één bloemtuil, En wat zijn de geuren zoet, Die het zoele zuidewindje, Ons bij poozen ruiken doet.

Heel de weide is bont van bloemen, Paarsche veldviooltjes doen, Tusschen schucht’re madeliefjes, Meê, verscholen haast in ’t groen.

En het windeke gaat stoeiend, Tusschen bloem en knoppen door; Streelt hier blaadjes, kust daar kelkjes Van de bloemen op zijn spoor.

Als hun antwoord neigen, fluist’ren, Lispelen zij, allen zacht, Nu van hunne verre zust’ren, Zefier hun een groete bracht.

Tusschen al dat jonge leven Van die Lenteaanminnigheid, Heeft een echtpaar lieve zangers, Zich een aardig thuis bereid.

Gloed straalt van den blauwen Hemel Alles zwijgt: alleen Natuur, Lispelt in zich zelv’ als ’t ware, Van dit god’lijk lenteuur!

Neen, dat is die rust niet storen! Nu van verre in ’t zwijgend woud, Luid de koninklijke zanger. Weder zijnen intocht houdt.

Ja de koninklijke zanger, Koning van de zangersrij Met zijn zangersschat vol toonen, Voert door ’t lied hier heerschappij.

Onder ’t zoet van die akkoorden, Zacht en breed en teer en lang, Is ’t Natuur, den Schepper prijzend, In gewijden avondzang.

AVOND IN MEI

Ja nu is ’t avond. Welk een schepping, Is de aarde thans! Ziet gouden wolkjes, Doorzeilen zacht de hemelzeëen. En ver, ver achter hunne banen, In diepe ruimte prijkt de luister, Het blauw van ’t mateloos gewelf.

Van af de westelijke boorden, Blinkt liefelijk de zachte luister, Van ’t dalend Zonnelicht. Beneden, Ligt de aarde stil, vol stille vreugde, Vol reine weelde. Alle toonen, Zijn opgelost als ’t ware in vreê.

’t Is vrede wat het beekje lispelt, En wat het eikenboschje mijmert. Wat heerlijk in den wildzang jubelt; Wat uit des nachtegalen lied’ren, Zoo treffend schoon door de avondstilte, In liefelijke toonen klinkt.

Hoe treffend wordt het stille landschap Verlicht! Door rozeroode verwen, En ginder praalt de diepe schaduw, Des achtergronds.—Geen aardsch vermogen, Maar Hij, de Groote, Grootste Schilder, Heeft zoo den avondstond gemaald.

O! ’t is als was dit de eerste avond, Die ooit de heerlijke aarde aanschouwde; Die in de volheid van haar schoonheid, Het eerste menschenpaar verrukte; Die als een beeld van heilige onschuld, Hun toen hunne onschuld predikte.

MEIMAAND’S SCHOON

Kent gij iets zoo schoon, als Einde Mei, Het hooge wuivend grasveld waait, Op ’t koeltje der Noord-Oosterbries, Die langs het diepe blauw der lucht, Geen wolkje aan ’t rein des hemels duldt?

Kent gij dat dagen lang „Mooi weer”, Van morgengloor tot avondschijn, Waarin met vreugd de dag begint, Het ’s avonds veelbeteek’nend lacht? Als zei dat; „morgen even schoon”!

Kent gij dat: als het Haantje reeds, Op ’s torens hoogst te blinken staat, Van zulk een morgen, eer de zon, Ter kim nog uitgerezen is? Als eerste groete aan zulk een dag?

Kent gij dat albezielend licht, Dat vuur, ’t welk van den hemel daalt, Dat bloemen toovert door het groen, ’t Welk opzwelt achter uwen voet, Wijl wierook opstijgt er uit de aard?

Kent gij den jubeltoon van ’t veld, Den Leeuw’rik in de blauwe lucht, Dat zingend stipje daar omhoog, Of ’t heerlijk lied in Mol en Dur, Des Matadors van ’t groene woud?

Hebt gij genoten van de pracht, Des boomgaards, die met rood en wit, Te pronken staat in heerlijkheid, Waarvan het zoete ons tegenwaait. En ’t windje een bloemenregen schudt?

Weet gij van ’t kabb’lend beekje ook iets, Met bruine diadeem van riet. Om ’t smett’loos zilverrein gelaat, Welks golven sterven in den schoot, Van waterrozen, wit en geel?

Of was het schooner nog in ’t woud, In ’t eenzaam, groene, stille bosch, Waar ’t ruischte door de dichte kruin, Van spar en den en eik en beuk, In ongekende diepe toon?

Hebt gij die Symphonie verstaan, Verwant met Bach’s, met Haydn’s genie, Wanneer de stemme van het woud, U zijne wonder volle taal, Die toonenschoonheid hooren deed?

Kent gij die landelijke rust, Als de avond hooger kleurt het woud, Het roggeveld in zacht verguld, Dat statig op het windje golft, En Schepers kudde huiswaarts trekt?

Noemt gij dat al niet eenig schoon? En zegt gij Hölty het niet na, „Hoe heerlijk is de schepping Gods!” Wel waard daarin verheugd te zijn, Zoo vaak ons dat gebeuren mag.

Dan zegt men wel met volle recht, Neen schooner kon het toch niet zijn, Al had men het voor ’t wenschen ook. ’t Is of de mensch dan dubbel leeft, En Hem den Gever, dubbel prijst.

ZOMERNAMIDDAG

Aan ’t zwerk niet een wolkje; De zon op het hoogst, Der bijen kloek volkje, Druk met honigoogst; Diepgroen het gebladert, Van eik, beuk en berk. Met goudbrons dooraderd, Hier zwakker, daar sterk. Een droomerig zwijgen, Langs ’t donzige mosch. Tot op naar de twijgen, In ’t hoogste van ’t bosch, Des horizons lijnen, Veranderd in damp, Versmelten, verdwijnen, Bij zwijgende kamp, Van broeiende zoelte, Die ’t luchtruim vervult; En winnende koelte, Die ’t vormen niet duldt, Van wolken, die dreigen, Met onweer in ’t Zuid; Of kimwaarts zich neigen, Alsof ’t niets beduidt. Tot eind’lijk ’t Noord-Oosten, Met afkoelende aêm, Wat ademt komt troosten, Door tochtjes, die saam, De wolken verdrijven Van ’t Oost tot het Noord. Om vieren en vijven, Is ’s horizons boord, Van wolken en dampen, Geheel reeds bevrijd; In ’t Zuid, nog slechts kampen, De massa’s een tijd, Met warmte en met broeien, En koelere lucht, Eer ze eind’lijk vervloeien, Of gaan op de vlucht. Wat avond, als zelden! Hoe rein het azuur. Wat gloed op de velden, Hoe heerlijk Natuur!

REGEN

Heer! Gij zijt goed en groot! De mensch klaagt U zijn nood, Verliest bij droge lucht, Zijn hoop op brood en vrucht. Gij drijft op ’s windes aêm, Eensklaps de wolken saam, Wanneer Gij Heer het wilt, Terwijl Gij ’t Noorden stilt, Dat louter droogte gaf. Gij wenket met Uw staf, Het Zuiden gaf gehoor; Een wolkendrom trad voor, En spande een grijzen boog, Als tent voor ’s menschen oog, Langs heel het hemelrond. En in den eigen stond, Kwam ’t wilde dropp’lenheer, Als hemelzegen neêr; Niet eer dan ’t noodig was, Maar op zijn tijd van pas, Schonkt regen gij aan de aar, Liefd’rijke Alzegenaar!

NAAR BUITEN

Seringen bloeien, ’t Roosje geurt, De Roode Doorn is hoog gekleurd, Weigelia met zachte blos, Maakt zich uit dennendonker los. De Sneeuwbal schittert door dat groen; De Kamperfoelie hangt festoen, Van klimmend loof, met knop hij knop, Door ’s Zomers groene zalen op. De Varen prijkt in ’t groene mos, Van ’t hoog zich welvend eikenbosch. ’t Viooltje bloeit aan ’s greppels rand, De Brem versiert met gouden band Des groenen heuvels hoogsten top, En ’t slingerend paadje naar hem op. Het stroompje langs bebloemde boord, Schuift murmelend steeds dalwaarts voort, Rust bij de waterleeljes uit, Waar ’t molenrad den uitgang stuit, Dat zijne droppels dansen doet, In ’t volle licht der middaggloed. Ginds door het wuivend groene hout, Heft vorst’lijk, machtig zich en stout, Op ’s heuvels hoogste blanke kruin, Met forschen zwaai, half wit, half bruin, De zeils des molens hoog gebouw, De wieken rustloos, steeds getrouw, Gehoorzaamd aan des koeltjes drang, In hunnen rusteloozen gang. Waar is hier thans de Hobbema En schildert hem den Meester na, Vereeuwigd hier met zijn penseel, Dit eeuwig landschapstafereel? Wat ongeëvenaard gezicht, Waar ’t oog zich ook maar henen richt. Ginds ’t statig groenblauw roggeland; Ver in ’t verschiet de fulpen rand. Van ’t onafzienb’re heideveld, Waar ’t klingelen de kudde meldt. Hoe vroolijk kijkt des landhuis ruit, Door ’t hoog geboomt’ van de omtrek uit! Hoe schilderachtig, diep in ’t dal, In ’t bed van groen met dennenwal, En boompartijen in den rug, Die boerderij met held’re brug, Die rookkolom, hoog uit de schouw, Het Eibertsnest op ’t schuurgebouw; Het trotsche hooge Lindenpaar, De Noteboomen, breed en zwaar, Daarnaast de held’re waterplas, In halflicht alsof ’t zilver was. Waar is de Ruysdael, die op ’t doek, Dit alles toovert, die zoo kloek, Zoo diep, zoo forsch, zoo vol, zoo breed, Dit alles weêr te geven weet?

MIJN WANDELING

Ik ben gewandeld door de velden Hoe schoon der boekweit witte pronk! Niet minder schoon, wat zij vertelden: Een vink op eene boomstamstronk. Een kirrend duifje in groene sparren, Wiens nest door ’t oog nauw was te ontwarren, Uit zwartgroen van der boomen pracht, Ik volgde ’t zandspoors mullens langer, Dan ik wel eerst zulks had gedacht, Toen heerlijk schoon een verre zanger, Mij aantrok door zijn toovermacht. Ik toefde bij zijn schoone wijzen, In „Mol en Duur”, zijn een’gen zang, Op ’t mos waar tusschen varens rijzen, Een allerlieft halfuurtje lang. Ik ging vandaar weer zoetjes verder: Liet bosch en struiken achter mij; Ik zag eensklaps heel de omtrek vrij, En bij den heuvelkling een herder Steeds met zijn kudde wand’lend voort. ’k Vroeg met een kort, een enkel woord, Of hij zich niet wat eenzaam voelde, „Neen”, zei hij kort,—’k zei nog „die wolk”.... ’k Wees hem die aan. „Nu ja, daar woelde, Voor uren al een donderlucht....” „Kom, dacht ik: dan wil ’k voor mijn oogen Eens zien, (’k ben er niet voor beducht) Hoe schoon aan ’s hemels zuiderbogen, Het onweer in zijn majesteit Zich aan de kimmen voorbereidt”. ’k Zie nog het goud de wolken zoomen, Waar loodkleur in het diepste blauw, Zacht overgaat in neev’lig grauw, Van massa’s, ’t Zenith nader komen, De Zon verlichtend hel de pracht, Die grootsche zwarte wolkenmacht, ’k Zag onheilspellend ’t luchtruim worden, ’t Ging zich ten fellen strijd aangorden, Wat tegenstelling gindsch en daar; Hoe rein en helder ’t West en Noorden, Het blauwst azuur langs hunne boorden, De middagshoek zoo vreess’lijk zwaar, Waarin de donder werd geboren, Die duid’lijk zich voor ’t eerst liet hooren Die ’t broeiend luchtruim nu door rent Als maakte even hij bekend, „Dat wie van ’t ontzagwekkend schoone Een vriend, bewonderaar is, toone, Zich thans in ’t ruime vrije veld!” ’k Zie nog hoe ’t inkrimpt, dan weer zwelt, Dat woelen in die wolkenbergen. Nog hoe de krachten elkaar tergen, Die zich ontwikk’len in het Zuid, ’t Oog werd niet moe er naar te staren. ’k Hoor ontzagwekkend zwaar en luid, De donders er nog doorheen varen, Wijl ’k zag getakt door ’s bliksems schicht, Van tijd tot tijd, het hel verlicht. ’k Zag er de onzichtb’re krachten stuwen, De wolkenmassa’s tot een kluwen, Tot stapelwolk ineengeward. Van ond’ren ’t vrees’lijkst diepblauwzwart, ’k Zag boven zich de wolken ronden, Met hoogrood goudafzet, verbonden, Door zwavelgeel, door azuurblauw, Zacht overgaand in neev’lig grauw, Ik zie nog hoe het al den steven, Door innerlijke kracht gedreven Ver naar het Oosten henenricht! ’k Had lust in ’t majestueus gezicht, Dier wolkenwereld, voorbij trekkend, Den halven hemel zwaar bedekkend. Toen zette ik me op een reuzensteen, Waar het zoo aardig zat te droomen, Met vrij uitzicht naar ’t Oosten heen, Wijl zachtkens zakkend naar zijn zoomen Het onweer statig grootsch verdween, Toen ’t juist een vast gebergt’ nog scheen. ’k Heb weer de wandelstaf genomen, Die ’k nederlei in ’t woek’rend kruid; Ik zocht er veel vreemdsoortigs uit, Waarvan ik nooit had kunnen droomen, ’k Zag planten schoon als ’k nooit gedacht Had, in de weelderigste pracht. ’k Zag rondom mij een keur van bloemen, Waarvan ’k de naam niet eens kan noemen, In meng’ling, in verscheidenheid, Een tooverpracht om mij verspreid, Waar ik ’t bestaan niet van vermoedde, ’k Genoot zoo veel, tot ik mij spoedde, Naar mijn Penaten eind’lijk wêer. ’k Ging ’t kronk’lend pad eens heuvels neer, Een Haasje kwam op halverwegen, In volle vaart mij ijlings tegen, Een Wezel kruiste mijnen weg, En zag van onder eene heg Mij na, met haar nieuwsgierige oogen, Als vroeg zij; „wat had u bewogen Hier eens te kijken, Wandelaar”? ’k Ontmoette nog een Duivenpaar Wier rappe vleug’len luide sloegen, Die beide met de snelste vlucht, Naar ’t verre nestje henenjoegen Klapwiekend door de stille lucht. En verder had ik geen ontmoeting, In deze prachtige avondstond, Der vinkenslag was mijn begroeting, Toen bij mijn deur ’k mij weer bevond.

DE WOLKEN

O Wonderen der lucht, In rust of wilde vlucht, Geboren er uit damp, Bij vocht- en warmtekamp, Hoe trekt bewond’rend ’t oog Gij naar des Hemels boog, Van de aarde laag beneên, Hoog naar u Wolken heên! ’t Zijt gij als enk’le wolk Van goud, uit ’s azuurs kolk, Steeds wandelt met de zon, Van waar haar loop begon, Geheel de dagreis mee, Door ’s hemels blauwe zee, Tot waar haar gloed verdwijnt, En ’t laatst uw kruin beschijnt, ’t Zij gij onmeet’lijk hoog, Pas merkbaar voor het oog Nauw door den blik gepeild, Als Cirri statig zeilt, Door ’s Golfstrooms kracht geprest, Van ’t vochtig, warm Zuid-West. ’t Zij gij als Stratuswolk, Met Cirri, tot een tolk, Wanneer het graan verdort, Van vrucht’bren regen wordt, Of ook, bij winterdag, Gij soms als met een slag. Eensklaps en over nacht, De aard kleedt in winterpracht, En dagen lang uw grauw, Verbergt ’s uitspansels blauw.

Hoe onbeschrijflijk trotsch. Als vast gebergt’ van rots, Toont ge aan den hemelboord, Bij Winter U in ’t Noord. Als schoonste wolkenvorm, Bergend den hagelstorm, Bij Zomer in het Zuid, Als Cumulus zich sluit, Aan Cumuli, tot zwart, En blauw dooreengeward, Van Nimbus regenvloed, Terwijl een kop’ren gloed, Op scherp begrensden rand, Des koepelvorms ontbrandt. En ’t bliksemt over de aard’ Waar ’s donders sterns langs vaart!

Maar soms, wat lieflijkheid, ’t Is of een kudde weidt, Van schaapjes, groot en kleen, Door ’t veld des hemels heen. Een woll’ge wolkjes troep, Gelijk een lamm’ren groep! En lager van het Noord Is ’t of een gouden poort, Van een azuren vest, Zich opent naar het West. Zwaar, groot als eenmaal, de Ark, Daar gindsche wolk! Een bark, Van goudgloed zeilend zacht, In ’t zog, vol stille pracht: Wat levend kleurenspel, Rondom, van dof en hel!

In gindsche groep, geheel Aaneengesloten, beel ’k Mij in, of zoo misschien, Die wolk eens was te zien, Die rustte op Sinaï, En Hem bedekte, Die, Zijn wet en Zijn bevel, Verkonde aan Israël, Zijn grootheid, majesteit, In Zijne heerlijkheid. Te zien, meen ’k daar een wolk, Die eenmaal Mozes volk, Voorging, als aan de spits, Van ’t leger, het ten gids, Die wand’lend, langzaam trekt, Naar ’t Zuiden heengestrekt. Van allen in ’t rondom, Trekt gindsche wolkkolom, Mij aan, alsof zoo een, Zich breidde om Jezus heen, En hem bedekken ging, Bij Zijn verheerlijking. Die wolk van gouden licht, Die opdaagt voor ’t gezicht, Kon toch naar allen schijn, Het evenbeeld wel zijn, Dier wolk, die ’s menschens Zoon— Toen Hij, tot Zijnen troon Opvoer, daar stond bereid, Om in haar donkerheid, Des werelds Middelaar, Te ontvoeren aan Zijn Schaar.

Wat levend kleurenspel. Rondom van dof en hel, In staâge wisseling! Waar ’t bleekrood overging, Uit lief’lijk teêr en zacht. Tot held’re purperpracht. Op eene wolkpartij, Die statig van ter zij. Haar glans bewond’ren doet. Terwijl de oranjegloed. Cumulus zacht weerkaatst, Van ’t zonlicht, voor het laatst.

GOD IN ’T ONWEER

Dond’rende Englenstem, gij die luide de Almacht, Gij die de grootheid, ja gij die de liefde, Gij die den eenigen Schepper bazuinend, Siddrende scheps’len der aarde verkondigt, Nader! o nader thans, met uwen luister, Met uwe nachtwâ, van vreeselijk donker, Eensklaps verlicht dan, door gloeiende bliksems, Kronklend langs ’t zwart van de woelende wolken, Hemel en aarde met vuur overstroomend! Nader gij windenstoet, nader gij stortbad, Zegen het aardrijk, het dorst naar verkwikking. Onder het schitt’ren der vurige tongen, Onder het daav’ren der hemelsche stemmen, Onder het loeien des gees’lenden stormwinds, Onder het klett’ren van stroomende regen, Onder het bidden en kermen des sterv’lings, Onder het smeeken om ’s Hemels genade, Zegen op ’t leven van ’t aardrijk uitstortend.

BIJ WINTER

Duizend vlokken zweven, Om een kleed te weven, Eer nog de Oostvorst barsch, (Hij is reeds op marsch, Van Sibeerje heên, ’t Vriest daar al tot steen) Ook aan onze velden, Grimmig zich komt melden.

Duizend vlokken zweven, Om een kleed te weven, Dat zeer warm en dicht, En toch ook weêr licht, ’t Al volmaakt zal dekken: Dat geen vorst ’t kan wekken, Dat niets koude lijdt, Heel den wintertijd,

Om de kleumsche leden, Van natuur wordt heden, Vlok bij vlok gelast; Zie hoe ’t immer wast! Waar voor een paar uren, Nog wat groen kwam gluren, Is het reeds gevuld, En in wit gehuld. Zelfs de groene dennen, Dekken hunne pennen, Ook met vlokken toe; Somber zien zij, hoe, ’t Laatste groene sprietje, Van ’t Vergeet mij Nietje Wordt bestopt met wol, En nog wolken vol, Zenden hun gewemel, Neder van den hemel. Dat onkenbaar wordt, Alles binnen kort. Van Kamsjatka’s rotsenwanden Over de IJszee, langs haar stranden, Komt de winterkoning voort, Over Ruslands Toendra’s en Steppen jagend, Door Litthauens wouden, brullend en klagend, Nergens door heuv’len of bergen gestoord; Verder en verder door Polen’s vlakten, Verder door bosschen, wier woudreuzen knakten, Njemen en Weichsel eensklaps overspringend; En zijn „Galop” Elbe en Oder toezingend, Eind’lijk nog tegen den vallenden avond, Over de Duitsche gebergten heendravend, Tot over nacht. Hij, met kracht, Eensklaps de daken, Doet kraken, Zijn winden doet gieren, Raam en scharnieren, Doet ramm’len en kreunen, En de aarde doet dreunen, Wijl de eiken hun takken, Zien splijten en knakken, Daar sparren zich buigen, En eerbied betuigen, Bij wintervorst’s intrede in ’t land: Als deden ze in koren, Het „Welkom,” hem hooren, Van alle kant.

De „Geduchte”, blaast „Victorie,” En als ’t morgent, staat vol Glorie, Hij, tot aller, aller schrik, Daar met onbewolkten blik, Jaagt en woedt nog onbeschaamd, Of het al, of niet betaamt, Om paleizen en om huizen Stapelt echter om de kluizen, Want zij zijn zoo luttel kleen, Hooge muren sneeuw er heen. Om niet al te barsch te lijken, Doet hij diamanten prijken, Op een ieders vensterglas, Onverschillig wiens het was; ’t Hooge venster van de rijken, Zal niet schooner heden lijken, Ziet er toch niet mooier uit, Dan des armen vensterruit.

Doch, ’t is ongewenschte weelde, Die slechts kort wat de oogen streelde, Want het is een koude pracht, Die de winter heden bracht,

Toch is ’t wel bij ’t vlammend vuurtje, In het scheem’rend avonduurtje, Nu, voor zulk een kou bewaard, ’t Knapt en knettert op den haard, Wijl behaaglijk ’t vlamt en flikkert, Op den glasruit ijsbloem blikkert, En dat licht, als gouden ster, Blinkt naar heinde en ver.

’t Blijft stormen daar buiten, En bruischen en fluiten, Door ’t bosch en langs ’t veld, Met vrees’lijk geweld. ’t Blijft stormen, maar binnen, Schijnt men steeds te winnen, Hoe meer juist de wind, Zijn vleug’len ontbindt, In schuldloos genieten. En de uren, zij vlieten, Met haastigen spoed, Wijl ’t buiten zoo woedt.

De kleuters omringen, Grootvader, en dringen, Dat hij hun verhaalt, Hoe ’t komt, dat „Klein Duimpje” verdwaalt, Hoe eertijds Roodkapje, Den wolf werd tot Hapje, Haar Grootmoe incluis, Maar Vader komt thuis, En gaat eens proberen, Hoe ’t ging met het leeren, Wijl de jongste de les, Eens spelt op den schoot van de Bes, Uit vrees voor de spoken Die onafgebroken, Bij muur en kozijn, Eens druk aan den arbeid weer zijn.

En Moeder, die vlijtige vrouw, Haar gewoonte getrouw, Zit druk aan het wieltje te spinnen, Van ’t vlas voor haar voorraad van linnen Tot eind’lijk ten leste, Voor de kleinsten het beste Wordt, dat Moe zegt: „’t Is tijd”, en hen te bedde legt.

Laat ze buiten winter vieren, Om de muren gieren, Oostewind en sneeuw en vorst, Leg zoo dik gij wilt, uw korst, Over ’t meer, Ter neêr, ’t Deert niet meer, Wie kan slapen tot den morgen, Zonder zorgen, Warmpjes toegedekt. Tot het licht des ochtens hem wekt. Moge over u armen! Zich de Vader daar boven erbarmen, Neen! Hij Uwe Vader vergeet U niet in het schamele kleed; En oop’nend de harten, En leen’gend de smarten, Zendt Hij, tot hulp bereid, U Eng’len der barmhartigheid. En daar omhoog, Aan ’s hemels boog, Op azuurgrond, Langs ’t hemelrond, Gloeit diamant Van allen kant, Tintelt en straalt het, Schittert en praalt het, Af naar beneên, Smelt zacht ineen, Met het ongerepte wit, Dat als hermelijn, Als sterrenschijn, Bosch en beemd, om nek en schouders zit.

Onderwijl, Vloert in allerijl, Met brokjes kristal, Miljoenen in tal, De winter de stroomen, Tot spiegelglad ijs; Verzilvert de boomen, Met schitterend grijs, Dat bijna hun takken, Er onder gaan knakken; Beginnen te pronken, Met zilveren vonken, Als ’t zonlicht maar even, Zijn stralen wil geven, Om bosschen en dreven Te tooien met glans! Hoe schoon ook de Lente, Hier tooverend prentte, Was ’t schooner dan thans? Zelfs ’t Oosten ging zwijgen, Nu het van de twijgen, Gaat blinken en fonk’len, Safier en karbonk’len In vlammende dans.

En de wandelaars bewonderen, Van boven tot onderen, ’t Kristallen tooverdak, Nu de eerste zonnestraal, Met pronk en praal Plots’ling door de wolken brak, Staan opgetogen, Nu in ’t schitterendst feeënpaleis voor hunne oogen, De Zon de toorts ter verlichting ontstak.

Ziet knapen zich reppen! Hen dragen en scheppen, Met joelend geschreeuw, De donzige sneeuw, En staap’len en passen: De sneeuwmannen wassen, Tot Goliaths op! En nu in galop. Ter ijsbaan getogen, De draagkracht gewogen, Langs kristallen baan, Schaatsrijden gegaan.

Op plassen en wat’ren, Wat joelen en schaat’ren! Wat zwenken en zwieren! Wat juichen en gieren! De voeten geschaatst! Met vrienden en maats!

Hel blinkend, Schel klinkend, ’t Ter sledevaart gaat, Waar vóór een paar dagen, De scheepjes nog lagen, Te schomm’len op golfslags maat; En als uit die golven, Eensklaps opgedolven, Met wolken tot zeil, En wondere treil, Komt daar aangevlogen, Het ijsschip. Gebogen, De mast bijna stuk, Door ’s Oostewinds druk, En eensklaps verdwenen, Zooals ’t was verschenen.

Laat ze binnen winter vieren, In de feestzaal, hel en licht! Waar die drom zich henen richt, Wil genot en vreugde tieren: Hoe zij zich scharen, Tot paren, Hoe de muziek ruischt! En jubelt en schatert en bruischt! Zie! hoe bij ’t genot des bals, Zij zwieren op de maat der wals! Maar stil onder ’t sneeuwkleed ontspruit reeds het spruitje. En ’k zie aan de zuiderkimmen, Wolkenbanken als lenteboden klimmen: Die sneeuwklokjes brengen en ’s leeuweriks liedje.

DE STERRENHEMEL

De schoone purp’ren wolk verbleekt, Die ’t heerlijke etherblauw verbreekt, Nadat de groote zonnebol, Den Kimmenrand beroerend, vol En dubbel groot, als overdag, De zwijgende aard nog overzag.