Chapter 7 of 10 · 3096 words · ~15 min read

VII.

’t Was ongeveer een week na Kerstmis. Ingrid zat aan het venster in het kleine salon te borduren. De oude barones zat op de sofa te breien, zooals ze nu voortdurend deed.

’t Was doodstil in de kamer.

De jonge Hede was een week thuis geweest. En al dien tijd had Ingrid hem niet ontmoet, hij leefde als een boer, ook in zijn eigen huis, sliep in de knechtskamer en at in de keuken. Hij kwam nooit binnen bij zijn moeder.

Ingrid wist, dat de barones en juffrouw Stava beiden verwachtten, dat ze iets voor Hede doen zou, dat ze tenminste zou probeeren hem thuis te doen blijven. En ze ergerde er zich over, dat het haar onmogelijk was te doen wat zij verlangden. Zij was wanhopend over zich zelf en over de machteloosheid, die over haar gekomen was sinds haar illusies vervlogen waren.

Dien dag was juffrouw Stava juist komen vertellen, dat Hede zijn ransel pakte om heen te gaan. Hij bleef deze keer niet eens zoolang als hij gewoonlijk bij zijn Kerstbezoek deed, zei ze met een verwijtenden blik op Ingrid.

Ingrid begreep zoo goed wat men van haar verwachtte, maar ze kon niet! Ze werkte door zonder iets te zeggen.

Juffrouw Stava ging heen en dezelfde doodsche stilte daalde weer neer over de kamer.

Ingrid vergat geheel, dat ze niet alleen was en een soort verdooving kwam over haar, waarin al haar droeve gedachten zich vormden tot een soort fantasie.

Zij stelde zich voor, dat ze door heel het groote huis rondzwierf. Zij ging door een massa zalen en kamers en zij zag ze vóór zich, met grijze linnen overtrekken over de meubels, en in gaas gehulde schilderijen en lichtkronen, en op de vloeren een dikke laag stof, dat opvloog waar ze ging. Maar eindelijk kwam ze in een kamer, waar ze nooit geweest was. ’t Was een heel klein kamertje, waar de muren en de zolder zwart waren. Maar toen ze goed toekeek zag ze, dat de kamer niet zwart geschilderd was, ook niet met zwart doek behangen, maar dat aan den wand en aan den zolder een menigte vleermuizen zaten, dicht op elkaar gedrongen. De heele kamer was niets anders dan één groot vleermuizennest. Uit het venster was een ruit gebroken, zoodat men begrijpen kon hoe de dieren in zulk een ongeloofelijke massa binnen hadden kunnen komen, dat ze de geheele kamer bekleedden. Zij hingen daar onbeweeglijk in hun winterslaap en geen een verroerde zich toen zij binnenkwam.

Maar zelf werd ze door zulk een ontzetting aangegrepen, dat ze over ’t geheele lichaam begon te beven. ’t Was vreeselijk, die massa dieren daar te zien hangen. Allen hadden de zwarte vleugels als mantels om zich heen geslagen. Allen hadden een lange klauw in den muur vast gezet en hingen daaraan, onbeweeglijk slapende. Zij zag het zoo duidelijk, dat ze er zich over verwonderde of juffrouw Stava wel wist, dat een heele kamer was ingenomen door vleermuizen.

In gedachten ging zij naar juffrouw Stava en vroeg haar, of ze in die kamer geweest was en als die dieren gezien had.

„Ja zeker heb ik ze gezien,” antwoordde juffrouw Stava. „Dat is hun kamer. Weet juffrouw Ingrid niet, dat er geen enkel oud landgoed hier in ’t land is, waar niet een kamer voor de vleermuizen is ingericht?”

„Neen, dat heb ik nooit gehoord,” zei Ingrid.

„Als u zoolang in de wereld geleefd hebt als ik, zult u wel zien, dat ik waarheid spreek,” zei juffrouw Stava.

„Ik kan niet begrijpen, dat men zoo iets dulden kan,” zei Ingrid.

„Wij moeten dat,” zei juffrouw Stava. „Die vleermuizen zijn de vogels van vrouw Zorg en zij heeft ons bevolen ze hier te ontvangen.”

Ingrid zag, dat juffrouw Stava niet verder over de zaak wilde spreken en ze ging weer zitten borduren, maar ze kon niet laten er over te peinzen, wie vrouw Zorg toch wel wezen kon, die zulk een macht hier had, dat ze juffrouw Stava dwingen kon een kamer voor vleermuizen open te houden.

Terwijl ze daarover dacht, zag ze een zwarte koerierslede door zwarte paarden getrokken, oprijden tot voor de veranda.

Ze zag juffrouw Stava buiten komen en diep buigen. Uit de slee kwam een oude dame, die een langen, zwart fluweelen mantel droeg met vele kragen over de schouders. Ze was gebocheld en liep moeilijk. Ze kon nauwelijks de voeten zoover oplichten, dat ze de trap opkomen kon.

„Ingrid,” zei nu de barones, en keek van haar breiwerk op. „Ik meende te hooren, dat vrouw Zorg kwam. ’t Moet haar belletje zijn geweest dat luidde. Heb je opgelet, dat haar paarden nooit groote bellen aan hebben? Enkel een heel klein belletje; maar je hoort ’t wel, je hoort het wel.... Ga nu naar beneden in de vestibule, Ingrid, en heet vrouw Zorg welkom.”

Toen Ingrid beneden in de vestibule kwam stond vrouw Zorg met juffrouw Stava te praten buiten op de veranda. Zij lette niet op haar.

Ingrid zag met verbazing, dat de oude dame iets verborgen hield onder al haar kragen, iets als zwart gekruld gaas. ’t Was zorgvuldig weggestopt. Ingrid moest goed toezien eer ze ontdekte, dat het een paar groote vleermuisvleugels waren, die ze op die manier trachtte te verbergen. ’t Meisje werd nog nieuwsgieriger naar vrouw Zorg dan te voren en probeerde haar gezicht te zien; maar ze stond in den tuin te kijken, dus dat was onmogelijk. Maar zooveel zag Ingrid toch, toen ze de hand naar juffrouw Stava uitstrekte, dat ze één vinger had, die veel langer dan de andere was en dat aan ’t eind daarvan een groote, kromme klauw zat.

„Is alles bij het oude hier op het landgoed?” vroeg ze.

„Ja, Mevrouw,” antwoordde juffrouw Stava.

„Jelui hebt geen bloemen geplant en geen boomen verzet? Je hebt de brug niet gemaakt, of ’t gras uit de laan geschoffeld?”

„Neen, Mevrouw.”

„Dat is zooals ’t behoort,” zei vrouw Zorg.

„Jelui hebt toch niet beproefd de ertsaders te vinden, of ’t bosch om te hakken dat over den akker groeit?”

„Neen, Mevrouw.”

„En de put is niet schoongemaakt.”

„Neen, de put is niet schoongemaakt.”

„Hier is het goed,” antwoordde vrouw Zorg. „Hier heb ik het uitstekend. Over een paar jaar zal ’t hier zoo zijn, dat mijn vogels in het heele huis kunnen wonen. Jelui zijt heel goed voor mijn vogels, juffrouw.”

Juffrouw Stava boog eerbiedig bij dien lof.

„Hoe gaat het hier verder?” vroeg vrouw Zorg. „Hoe heb jelui Kerstfeest gevierd?”

„Op onze gewone manier,” zei juffrouw Stava. „Mevrouw de barones zit stil te breien, dag in, dag uit, denkt alleen aan haar zoon en weet er niets van, dat ’t een feestdag is. Kerstavond is voorbijgegaan als ieder andere dag. Geen geschenken, geen lichtjes!”

„Geen denneboom, geen Kerstmaal?”

„Geen kerkgang ook, Mevrouw; niet eens een licht in ’t venster op Kerstmorgen.”

„Waarom zou Mevrouw de barones ook de geboorte van Gods zoon vieren, nu God haar zoon niet eens wil genezen?” zei vrouw Zorg.

„Ach neen, waarom zou ze!”

„Nu heb jelui hem weer thuis, denk ik. Is hij misschien wat beter?”

„Neen hij is niet beter. Hij is nog even schuw.”

„Doet hij nog steeds als een boer? Komt hij niet in de kamer?”

„Neen, wij kunnen hem niet in de kamer krijgen; hij is bang voor zijn moeder, zooals u weet.”

„Hij eet in de keuken, en slaapt in de knechtskamer?”

„Ja, dat doet hij.”

„En jelui weet niet, hoe je hem beter zult maken.”

„Neen, we weten niets, we kunnen niets.”

Vrouw Zorg zweeg een oogenblik. Toen ze weer sprak, klonk haar stem hard en scherp.

„Dat is nu alles wel heel mooi, juffrouw Stava, maar ik ben toch nog niet heelemaal tevreden hier.”

Op ’t zelfde oogenblik wendde ze zich om en keek Ingrid scherp aan.

Ingrid week verschrikt achteruit. Vrouw Zorg had een klein, rimpelig gezicht, van boven af ineengedrukt, zoodat de onderkaak haast niet zichtbaar was. Ze had tanden als die van een zaag en veel haar op de bovenlip. De wenkbrauwen liepen borstelig ineen. Haar huid was heelemaal bruin.

Ingrid vroeg zich verwonderd af of juffrouw Stava niet zien zou wat zij zag. Vrouw Zorg was geen mensch. Ze was maar een dier.

Vrouw Zorg opende de lippen, toen ze Ingrid zag, zoodat de tanden glinsterden.

„Toen zij daar hier aankwam,” zei ze tot juffrouw Stava, „geloofden jelui, dat ze gezonden was. Je zaagt het aan haar oogen, dat zij gezonden was om hem te redden. Zij had slag met krankzinnigen om te gaan. Nu, hoe is dat gegaan?”

„’t Is in ’t geheel niet gegaan. Ze heeft niets gedaan.”

„Daar heb ik voor gezorgd,” zei vrouw Zorg.

„’t Was mijn verdienste, dat jelui er niet over gesproken hebt, waarom ze hier blijven mocht. Als ze dat geweten had, zou ze zich niet allerlei rooskleurige illusies gemaakt hebben van hem te ontmoeten, dien ze liefhad. Had ze die hoop niet gekoesterd, dan had ze nu die vreeselijke teleurstelling niet gehad. Als die haar niet met machteloosheid geslagen had, zou ze misschien wel wat voor den krankzinnige kunnen doen.

„Maar nu heeft ze niet naar hem omgezien. Ze haat hem, omdat hij niet die is, die hij wezen moest. Dat is mijn werk, juffrouw Stava, mijn werk.”

„Ja, Mevrouw heeft haar werk goed gedaan,” antwoordde juffrouw Stava.

Vrouw Zorg nam haar kanten zakdoek en droogde haar roode oogleden af. Dat scheen een beweging van vergenoegdheid te zijn.

„U heeft geen comedie te spelen, juffrouw,” zei ze toen. „U vindt ’t toch niet prettig, dat ik die kamer daar voor mijn vogels in beslag genomen heb. U vindt het ook niet prettig, dat ik gauw ’t heele huis krijg. Dat weet ik wel. U en uw meesteres hebben mij willen bedriegen. Maar nu is het voorbij.”

„Ja,” zei juffrouw Stava. „U kunt nu gerust zijn. ’t Is heelemaal voorbij. De jonge heer gaat vandaag weg. Hij heeft zijn ransel gepakt en dan gaat hij zeker. Alles wat Mevrouw de barones en ik in den heelen herfst gedroomd hebben is voorbij. Niets is er gedaan. Wij meenden, dat ze hem ten minste zou bewogen hebben om thuis te blijven, maar niettegenstaande alle weldaden, die we haar bewezen hebben, heeft ze niets voor ons gedaan.”

„Ja, ze heeft zich treurig gedragen, dat weet ik,” zei vrouw Zorg. „Maar in alle geval moet ze nu weg. Ik zal daar met Mevrouw de barones over spreken.”

Mevrouw Zorg begon zich de trappen op te sleepen op haar wankelende beenen.

Bij elke treê lichtte ze de vleugels wat op, alsof dat hielp. Ze had zeker veel liever willen vliegen.

Ingrid liep achter haar. Ze werd op een wonderlijke manier door haar aangetrokken en bekoord. Al was ze de schoonste vrouw ter wereld geweest, dan had ze niet meer lust gehad haar te volgen.

Toen Ingrid het kleine salon binnentrad, zat vrouw Zorg naast de barones in de sofa en fluisterde vertrouwelijk met haar, alsof ze lieve, oude vriendinnen waren.

„Je kunt immers wel begrijpen, dat je haar niet bij je moet houden,” zei vrouw Zorg vleiend. „Je kunt immers niet eens een bloem in je tuin verdragen, je kunt dus zeker ook niet hebben, dat er een jong meisje bij je in huis is. Zoo’n jong ding brengt toch altijd wat vreugde en vroolijkheid mee, maar dat past niet meer voor je.”

„Neen, daar zit ik juist aan te denken.”

„Bezorg haar een betrekking als juffrouw van gezelschap ergens anders, maar houd haar niet hier.”

Ze stond op om afscheid te nemen.

„Ja, dat was maar wat ik je zeggen wou,” zei ze. „Hoe gaat het je over ’t geheel?”

„Alsof messen en scharen me door ’t hart gaan,” antwoordde de barones. „Ik leef enkel in hem, zoolang hij thuis is. ’t Is erger dan anders, véél erger deze keer. Ik kan ’t niet lang meer uithouden...”

Ingrid sprong op. Ze hoorde de bel van de barones. Ze had zóó in haar fantasie verdiept gezeten, dat ze verwonderd was, dat de oude dame daar alleen zat en dat er geen zwarte koerierslee voor de deur stond.

De barones had gebeld om juffrouw Stava, maar die kwam niet. Ze verzocht Ingrid naar haar kamer te gaan om haar te roepen. Ingrid ging, maar ’t kleine kamertje met de blauwe gordijnen was leeg. ’t Meisje wilde toen naar de keuken gaan om daar te vragen waar juffrouw Stava was, maar vóór ze nog de deur opende, hoorde ze Hede praten. Ze bleef staan. Ze kon niet verdragen hem te ontmoeten.

Maar toch was ze in tweestrijd. Hij kon ’t toch niet helpen, dat hij niet degeen was, dien ze wachtte. Ze moest probeeren iets voor hem te doen. Ze moest hem bewegen thuis te blijven. Vroeger had ze nooit dien tegenzin tegen hem gevoeld. Hij was immers zoo vreeselijk niet.

Ze bukte en keek door ’t sleutelgat.

Hede zat aan de tafel te eten. En ’t ging hier al juist als overal elders. De dienstmeisjes praatten met hem om zijn wonderlijke verhalen te hooren.

Ze vroegen hem met wie hij nu trouwen zou.

Hede glimlachte, het stond hem wel aan daarnaar gevraagd te worden. „Ze heet Graflelie, zooals je weet,” zei hij.

Neen, ’t dienstmeisje wist niet, dat ze zoo’n mooien naam had.

„Nu, maar waar woont ze dan?”

„Ze heeft geen thuis en geen hoeve,” zei Hede, „ze woont in mijn zak.”

’t Dienstmeisje zei dat ’t een prettig huis moest wezen; en vroeg naar haar ouders.

„Ze heeft geen vader en geen moeder,” zei Hede. „Ze is zoo fijn als een bloempje en is in een tuin gegroeid.”

Tot nu toe sprak hij tamelijk helder, maar toen probeerde hij te beschrijven hoe mooi zijn meisje was en toen raakte hij heelemaal in de war. Hij zei een massa woorden, maar ze waren wonderlijk dooreengehaspeld. Men kon zijn gedachtengang niet meer volgen, maar hem zelf deed dit gepraat blijkbaar groot genoegen. Hij straalde van genot en lachte.

Ingrid haastte zich weg. Ze kon dit niet uithouden. Ze kon niets voor hem doen. Ze was bang voor hem. Ze had een afkeer van hem.

Maar ze was nog niet bij de trap toen ze al weer berouw had. Hier had ze zooveel genoten; maar zij wilde niets teruggeven. Om haar weerzin te overwinnen trachtte ze in gedachte Hede in een heer te veranderen. Hoe zou hij er vroeger wel uitgezien hebben in mooie kleeren met goed gekamd haar. Ze sloot de oogen een poos en dacht na. Neen, dat was onmogelijk. Ze kon hem zich niets anders voorstellen dan hij was.

Op ’t zelfde oogenblik had ze de omtrekken van ’t geliefde gezicht vóór zich. Daar was het, links van haar, wonderlijk duidelijk. Maar deze keer lachte het niet De lippen trilden van smart en een vreeselijk lijden sprak uit de lijnen bij den mond.

Ingrid bleef midden op de trap staan en staarde het aan. Daar was ’t luchtig en licht, niet beter vast te houden dan een zonnestraal, die door een geslepen glas in de lichthoorn valt, maar even zichtbaar, even duidelijk. Ze dacht aan haar fantasie van zooeven, maar dit was heel anders. Dit was werkelijkheid.

Toen ze het gezicht een poos had aangezien, begon het de lippen te bewegen, te spreken, maar ze hoorde geen geluid. Toen beproefde ze te zien wat het zeide, ze probeerde de woorden van de lippen te lezen, zooals dooven doen, en dat gelukte haar.

„Laat me niet heengaan,” zeiden de lippen. „Laat me niet heengaan!”

Wat een angst! Als iemand aan haar voeten gelegen en om zijn leven gesmeekt had, zou ’t haar niet dieper hebben kunnen ontroeren. Ze beefde van ’t hoofd tot de voeten. ’t Was ’t hartverscheurendste wat ze nog ooit gevoeld had. Nooit zou ze geloofd hebben, dat iemand kon smeeken met zulk een griezeligen angst.

En telkens weer smeekten de lippen: „Laat me niet heengaan.” En telkens werd de angst grooter!—

Ingrid begreep er niets van. Ze stond steeds onbeweeglijk, door een onbeschrijflijk medelijden aangegrepen.

Ze voelde dat het voor hem, die zóó smeekte meer dan ’t leven gelden moest. ’t Moest de redding van zijn ziel zijn.

De lippen bewogen zich niet meer. Ze bleven half open staan in slappe, doffe wanhoop.

Toen ze die wezenlooze uitdrukking aannamen, gaf Ingrid een schreeuw en tuimelde een paar treden terug van de trap. Ze herkende het gezicht van den krankzinnige, juist zooals ze het pas gezien had.

„Neen, neen, neen!” riep ze. „Dát kan niet waar zijn. Dat mag, dat kan niet! ’t Is onmogelijk, dat hij het is.”

Op ’t zelfde oogenblik verdween het gezicht. Ze zat misschien wel een heel uur op de koude trap en schreide in radelooze wanhoop. Maar eindelijk kwam de hoop weer boven, een liefelijke, verheffende hoop. Zij waagde weer het hoofd op te heffen.

Alles wat er gebeurd was, wees er op dat zij hem redden zou. Daarom was ze hierheen geleid. Zij zou het groote, groote geluk hebben hem te redden!

In het kleine salon sprak de barones met juffrouw Stava. ’t Klonk zoo aandoenlijk hoe ze haar smeekte, haar zoon over te halen, om nog een paar dagen hier te blijven.

Juffrouw Stava deed haar best hard en stroef te zijn. „Hem dat vragen kunnen we wel,” antwoordde ze, „maar Mevrouw weet wel dat niemand hem bewegen kan langer te blijven dan hij zelf wil.”

„We hebben immers geld genoeg. Hij hoeft immers in ’t geheel niet weg te gaan. Wilt u hem dat niet zeggen, juffrouw?”

Op ’t zelfde oogenblik kwam Ingrid binnen. De deur ging zacht open. Ze gleed met lichten, zwevenden tred door de kamer. Haar oogen schitterden, als zag ze iets heerlijks, heel ver weg.

Toen de barones haar zag, fronsde ze de wenkbrauwen. Er kwam een begeerte over haar om wreed te zijn, om op haar beurt iemand pijn te doen.

„Ingrid,” zei ze, „kom eens hier. Ik moet met je over je toekomst praten.”

’t Meisje had haar guitaar gehaald en was op ’t punt de kamer uit te gaan.

Zij keerde zich naar de oude barones.

„Over mijn toekomst,” zei ze en streek zich over ’t voorhoofd. „Mijn toekomst is immers al bepaald,” ging ze voort met een droevigen lach. En toen ging ze zwijgend de kamer uit.

De oude dame en juffrouw Stava zagen elkaar verwonderd aan. Zij begonnen te overleggen, waarheen ze het meisje zouden zenden.

Maar toen juffrouw Stava in haar kamer kwam zat Ingrid daar op haar guitaar te spelen en liedjes te zingen. En Hede zat vlak over haar te luisteren met een zonnige uitdrukking in heel zijn gezicht.