Chapter 1 of 5 · 3994 words · ~20 min read

Part 1

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 37 DE DIAMANTENKONINGIN.

DE DIAMANTENKONINGIN

EERSTE HOOFDSTUK.

HET HEILIGDOM VAN ST. RIRE.

Ten noordoosten van Rouaan ligt aan den voet van een heuvel het stadje Marome, dat wegens zijn prachtige ligging dikwijls het doel van uitstapjes is, welke vanuit de hoofdstad van het departement aan de beneden-Seine worden gemaakt.

De avondschemering was over het landschap neergedaald, toen twee heeren het tusschen Rouaan en Marome liggende dorpje St. Rire passeerden.

Zij volgden een smal voetpad, vanwaar men een prachtig uitzicht op de omgeving had.

Op een hoogte ligt de kleine dorpskapel, welke schilderachtig afstak bij de reusachtige omtrekken van de rotsen.

Dat Godshuis verborg een schat, om wier bezit de bewoners van St. Rire algemeen benijd werden en waarop zij zeer trotsch waren.

Het was een ijzeren handschoen, waarvan verteld werd, dat de Jonkvrouw van Orleans hem had gedragen op haar roemrijken tocht tegen Talbot.

Dit heiligdom, blijkbaar afkomstig van een ouderwetsche wapenrusting, was zwaar verguld en werd in een stevige kast naast het altaar bewaard.

De kast was uit het een of andere eenvoudige materiaal gemaakt en de deur bestond uit gewoon spiegelglas.

Hoewel er vele vreemdelingen en bedevaartgangers kwamen om het reliquie te bewonderen, had het dorpje slechts weinig voordeel van deze bezoeken, omdat de meesten er de voorkeur aan gaven, in het naburige Rouaan te overnachten.

Alleen bij bijzonder plechtige gelegenheden werd de handschoen uit zijn bewaarplaats genomen en door den dienstdoenden geestelijke aan de verzamelde belangstellenden vertoond.

Dit heiligdom had in den laatsten tijd aan waarde gewonnen, want sinds de Jonkvrouw van Orleans heilig was verklaard, geloofde men aan de wonderdadige werking ervan.

Men had naast de kerk, die een beetje buiten het dorp lag, een klein huisje gebouwd, waarin een van de oudste dorpsbewoners, die als bewaker van den schat was aangesteld, met zijn familie woonde.

Deze man, iemand van ongeveer vijftigjarigen leeftijd, zat in zijn eenvoudig woonvertrek aan een wankelende tafel.

Hij leunde het hoofd in de hand en scheen in gedachten verzonken te zijn.

Tegenover hem, op een eenvoudigen, withouten stoel, bevond zich een andere man, die ongeveer even oud kon zijn.

Terwijl de bewoner van het kleine huisje in een afgedragen, donkere jas was gekleed, zag de ander er opvallend elegant uit.

Een lichtgrijs, zeer modern costuum omsloot de eenigszins corpulente gestalte.

Over het zwart fluweelen vest, met roodzijden bloemen bestikt, hing een dubbele zware ketting, waaraan verscheidene sieraden prijkten, die een rustplaats vonden op het ronde buikje.

Aan den wijsvinger van de rechterhand prijkte een groote zegelring, terwijl twee ringen met vrij groote diamanten den vinger daarnaast versierden.

De schedel van het kleine heertje was kaal en blank als een biljardbal. Een sterk gebogen, groote neus gaf het gelaat, dat omgeven was door een kortgeknipt ringbaardje, een onmiskenbaar Oostersch type, wat nog versterkt werd door de dikke lippen.

De listige, kleine oogen keken over het gouden lorgnet heen, dat op den grooten neus stond en waren met scherpen blik op zijn overbuur gevestigd, toen hij sprak:

„Nu, vriend, laat ons zaken doen! Er zal u niets kwaads overkomen! Denk eens: Het is een ronde som en wie kan u iets bewijzen? Niemand!”

De aangesprokene wist blijkbaar niet, wat hij zou doen, want hij krabde zich verlegen op het hoofd en zweeg.

De tegenover hem zittende heer haalde nu zwijgend zijn beurs te voorschijn en begon een aantal goudstukken op tafel uit te tellen, elk der muntstukken langzaam op tafel latende vallen.

Hij zag wel, dat de ander telkens opschrikte bij den klank van het goud en met begeerige blikken ernaar keek.

Nu leunde hij in den stoel achterover, wees met de rechterhand naar de rij goudstukken, terwijl hij de linker in den oksel van zijn vest stak, en zei:

„Ziet gij, louter echte, waardevolle munten. Wie zou u nog meer zooveel geld ineens uitbetalen? Wees verstandig, neem het en geef mij den handschoen”.

De oude bewaker wist niet, wat hij doen zou.

De vonkelende goudstukken, die op de tafel lagen, lokten hem aan.

Hij zou ze zoo graag bezitten, maar aan den anderen kant vreesde hij voor de gevolgen, als het uit zou komen, hoe slecht hij zich van zijn taak als bewaker had gekweten.

Met een onvasten blik keek hij naar den kleinen heer en sprak met aarzelende stem:

„Ja, maar als nu eens...”

„Och kom, als, als... Ik heb u immers gezegd, dat ik voor u zal zorgen? Mijn lastgever zal u tot kamerheer benoemen, als hij verneemt, hoe goed gij mij bij de zaak hebt geholpen.

„Ik verzeker u, dat hij een fijn mensch is.

„Wat hebt gij als kamerheer te doen? Niets! Gij zult een leven hebben als God in Frankrijk”.

Met een onderdrukten zucht streek de oude man de goudstukken op, ging naar een kast en sloot daar den schat weg, waarvoor hij zijn eerlijkheid ten offer zou brengen.

Daarop nam hij een grooten sleutelbos van den wand en sprak:

„Kom mee! Maar zacht, voorzichtig!”

Toen de bewaker het geld opstreek, vloog een zegevierend glimlachje over het gefaat van den ander. Drie goudstukken, die hij nog in zijn hand had gehouden voor het geval, dat de man niet zou toebijten, liet hij ongemerkt weer in den zak glijden.

Hij stond op, zette zijn hoed op en volgde den bewaker.

Voorzichtig naar buiten kijkend, overtuigde deze zich er eerst van, of niemand in de nabijheid was.

De duisternis was ingevallen.

Stil en vredig was het in het dorpje geworden. De boeren waren teruggekeerd van de velden en de rook, die opsteeg uit de schoorsteenen, toonde aan, dat de hongerige magen weldra gevuld zouden worden met de avondsoep.

Met haastige schreden ging de oude man den weg langs naar de kapel, van tijd tot tijd omziende, of niet een der boeren, die zich had verlaat, zijn vreemde handeling zou opmerken. Maar nergens was een levend wezen te ontdekken.

De heer volgde vlak achter hem, hij had de handen in de broekzakken gestoken en glimlachte vergenoegd.

Op het oogenblik, waarop het tweetal de deur der kleine kapel binnengingen, kwamen de beide heeren, die zich op den terugweg naar Rouaan bevonden, den hoek om bij het huisje van den bewaker.

„Kijk eens, Charly”, sprak de grootste der beide wandelaars, „wat zouden die twee op dezen tijd in de kapel willen doen? Dat komt mij verdacht voor. Kom, wij zullen eens luisteren”.

Snel liepen zij voorwaarts en bevonden zich binnen een paar seconden onder de ramen van het kerkje.

Hij, die door zijn vriend als „Charly” was aangesproken, nam een plankje, dat in het gras lag, en legde het dwars over eenige steenen, die op elkaar gestapeld lagen.

Op die manier ontstond een gemakkelijke staanplaats en de beide vrienden konden, door de gekleurde vensters kijkend, in de kerk zien.

Juist toen zij hun observatiepost hadden ingenomen, werd in de kerk een licht ontstoken, zoodat zij alles wat daar werd afgespeeld, nauwkeurig konden volgen.

Zij zagen den ouden bewaker, die de brandende lantaarn op het altaar had neergezet, een sleutelbos te voorschijn halen en de kast naast het altaar openen. Hieruit nam hij den ijzeren handschoen.

De andere persoon greep er snel naar en wikkelde het kleinood in een doek, dien hij had meegebracht.

Nadat hij het pakje zorgvuldig had dichtgebonden, verborg hij het onder zijn jas, die hij daarop dichtknoopte.

De bewaker wilde het kastje weder sluiten, maar de vreemdeling hield hem tegen met de woorden:

„Gij schijnt niet goed snik te zijn, mijn waarde. Wanneer gij de kast afsluit en de handschoen is weg, zal iedereen vragen: „Wie had den sleutel?” En gij wordt onmiddellijk verdacht. Draai den sleutel om en sla het glas stuk, dan zal iedereen denken, dat er ingebroken is”.

De bewaker knikte zwijgend, nam zijn lantaarn op en blies die uit. Daarop hoorden de beide vrienden, die stonden te luisteren, een doffen slag en het gerinkel van glasscherven.

De grootste van het tweetal fluisterde:

„Kom, Charly. Wij zullen ons rustig houden en den verderen loop der zaak afwachten”.

Zij slopen nu naar den hoek der kapel, zoodat zij den ingang in het oog konden houden.

Niet lang behoefden zij hier te wachten, want de deur werd geopend en de beide dieven traden naar buiten.

De bewaker sprak, terwijl hij de deur sloot:

„Het is mij zoo angstig te moede. Als mijn vrouw niet reeds langen tijd ziek was en als ik mij op een andere manier wist te helpen, had ik dat vervloekte geld niet aangenomen”.

De ander haalde de schouders op en antwoordde:

„Wat wilt gij? Gij hebt het geld; ik heb de handschoen. De zaak is dus in orde. Adieu!”

Zonder op de hand te letten, die de bewaker hem toestak, haastte hij zich den straatweg langs naar Rouaan.

„Heb je opgemerkt, Charly, hoe slecht die kerel het Fransch sprak?”

„Zeker, Edward, ik wed, dat hij een Engelschman is”.

„Ja, mijn beste jongen, hij is een landgenoot van ons”.

Zoodra de beide vrienden hadden gezien, dat de bewaker weer in zijn huisje was verdwenen, verlieten zij hun schuilhoek en begaven zich ook op weg naar Rouaan, want zij hadden dien middag een groote wandeling gemaakt en verlangden ernaar, spoedig in hun hotel te komen om van een welverdiende rust te genieten.

Intusschen was de maan opgegaan en liet haar zacht licht schijnen over de velden, die een heerlijken geur uitademden. De beide vrienden genoten met volle teugen van de verrukkelijke avondwandeling.

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN VLUCHT.

Toen de beide heeren het „Hotel du Roi” te Rouaan betraden, waarin zij hun intrek hadden genomen, hoorden zij den man, dien zij reeds in de kapel te St. Rire hadden gezien, druk spreken met den hotelhouder.

Het scheen echter, dat deze de meening van zijn gast niet deelde, want hij sprak op beleefden, maar beslisten toon:

„Ik kan u stellig verzekeren, monsieur, dat gij zelfs met de snelste paarden de aansluiting niet kunt halen”.

Lord Lister sprak tot zijn vriend:

„Het schijnt, dat de kerel haast heeft om het gestolene in veiligheid te brengen. Maar wat gaat het ons aan.”

„Weet je, Edward, ik heb eigenlijk medelijden met den bewaker. Je hebt immers zijn laatste woorden gehoord. Het kwam mij voor, alsof hij niet voor zijn pleizier de misdaad bedreef. Misschien heeft deze schurk misbruik gemaakt van zijn treurige omstandigheden.”

„Dat kon wel eens waar zijn, Charly. Wij zullen in die geschiedenis dus een oogje in het zeil houden”.

De beide Londenaars gingen zich verfrisschen en begaven zich naar de eetzaal van het hotel om te soupeeren.

Toen zij den corridor doorgingen, zagen zij den reliquieëndief in een rijtuig stappen. De koetsier gaf den paarden een flinken zweepslag en in snellen draf ratelde het voertuig over het hobbelige plaveisel.

In de eetzaal namen zij plaats aan een klein tafeltje, deden een keus uit de welvoorziene spijskaart en bestelden een flesch wijn.

Op dit oogenblik ging de hotelier hun tafeltje voorbij.

Lord Lister riep hem en vroeg:

„Wanneer gaat morgen de eerste trein naar Dieppe?”

„Om 11 uur 26, monsieur”, antwoordde de hotelier en vervolgde:

„Het was van dien heer ook veel verstandiger geweest, als hij den nacht nog in mijn hotel had doorgebracht en dien trein van 11 uur had genomen. Hij haalt het toch niet meer!”

„Hij haalt het niet meer? Wat bedoelt gij daarmee?” vroeg Lord Lister.

„Een Engelschman, Mr. Levison, heeft drie dagen bij mij gelogeerd. Hedenmorgen informeerde hij ernaar, om hoe laat men des morgens het best naar Dieppe kon komen. Ik noemde hem denzelfden trein, dien ik u zooeven opgaf en hij scheen dat goed te vinden.

„Na ongeveer 20 minuten geleden komt hij plotseling geheel buiten adem terug van een wandeling en vertelt mij, dat hij een telegram heeft ontvangen en onmiddellijk moet afreizen.

„Dit kan echter onmogelijk waar zijn, want waar zou hij het telegram hebben ontvangen? Op straat? Onderweg? Hier is in elk geval niets voor hem bezorgd, hij heeft dus blijkbaar een uitvlucht gezocht. Ik liet echter niets merken en vertelde hem, dat vanavond geen enkele trein meer in die richting ging.

„Hij was hierdoor erg teleurgesteld en verlangde een rijtuig, want hij wilde probeeren langs den rechten weg over Cleres den laatsten trein, die reeds 10 minuten geleden was vertrokken, nog te bereiken.

„Ik maakte hem duidelijk, dat dit een absolute onmogelijkheid was, maar hij wilde mij niet gelooven. Nu, het laat mij verder onverschillig!”

„Misschien had die heer er reden voor om zoo overhaast te willen vertrekken?”

„Welke reden kon hij daarvoor hebben? In mijn hotel is hij uitstekend onderdak. Kamers en bedden zijn goed, het eten en drinken is voortreffelijk...”

De Lord brak den woordenstroom van den hotelier af door lachend te zeggen:

„Ik ben ervan overtuigd, dat hier alles uitmuntend is, maar die heer zou toch zeer goed een particuliere reden kunnen hebben, die het hem wenschelijk maakte om zoo spoedig mogelijk hier vandaan te komen.”

De hotelhouder scheen dit niet te willen inzien.

Hij schudde het hoofd.

Toen de vreemdelingen gesoupeerd hadden, sprak de Lord, terwijl hij op zijn gemak in een fauteuil achterover leunde en een sigaret opstak:

„Het schijnt bijna, alsof die nobele heer hetzelfde reisplan heeft als wij. Ook wij gaan naar Dieppe en van daar per boot naar Brighton. Ik durf wedden, dat Mr. Levison dezelfde reis wil maken.”

Charly antwoordde niet, maar sprak na een poosje op ernstigen toon:

„Zou het niet de moeite waard zijn, kennis te maken met dien gauwdief, Edward?”

„Eigenlijk wilde ik mij niet met de zaak bemoeien. Nu echter schijnt ze jou bijzonder te interesseeren. Begin je smaak voor dergelijke avonturen te krijgen?” vroeg Lord Lister lachend.

„Och Edward, ik moet voortdurend aan den ouden bewaker denken. Hij zag er zoo terneer geslagen en ongelukkig uit.”

Gedurende dit korte gesprek had het gelaat van den Lord een peinzende uitdrukking aangenomen. Men kon zien, dat hij over iets nadacht. Hij scheen een plan te hebben opgevat en sprak met vastberaden stem:

„Goed! Wij zullen morgen in alle vroegte je beschermeling opzoeken en naar zijn omstandigheden informeeren. Is het de moeite waard om iets voor den man te doen, dan zullen wij hem goeden raad geven en verder zien.”

„Maar Edward”, sprak Charly op aarzelenden toon, „dan hebben wij het spoor van Mr. Levison verloren.”

„Maak je daar niet bezorgd over, mijn beste! Nu in den nacht kunnen wij toch niets doen. Ik vertrouw, als altijd, op mijn goed gesternte; wij zullen den eerbiedwaardigen Mr. Levison wel vinden. Maar laten wij nu gaan slapen.”

Zij gaven het bevel, om half acht gewekt te worden en gelastten om al hun bagage te bezorgen aan den trein, die om ongeveer 11 uur naar Dieppe vertrok.

Daarop begaven zij zich naar hun kamers.

DERDE HOOFDSTUK.

DE REDDER NADERT.

Den volgenden morgen belde Lord Lister om den kellner om warm water te bestellen, maar niemand verscheen.

Geërgerd opende hij de deur en riep op luiden toon:

„Jan! Jan!”

Eindelijk kwam de kellner aangesneld; hij zag er bleek en ontdaan uit.

„Waarom komt gij niet, als ik bel? Wat gebeurt daar beneden?” vroeg Lord Lister op scherpen toon.

De kellner werd verlegen. Hij scheen onder den indruk te zijn van een gewichtige gebeurtenis en stamelde:

„Ach, monsieur, wat een ongeluk! Wat een ongeluk!”

„Nu, wat is er dan? Is je meisje je ontrouw geworden?”

Jan schudde het hoofd en sprak diepbedroefd de handen wringend:

„O, monsieur, een ongeluk voor de geheele streek.

„Wij krijgen onze melk reeds langen tijd uit St. Rire. Anders is de leverancier altijd zeer stipt; heden echter kwam hij niet, zoodat wij al onaangenaamheden hadden met de gasten, welke met de vroegtreinen moesten vertrekken. Nu is de melkleverancier zooeven gekomen en—o, denk eens, welk een ongeluk—”

„Mijn beste Jan, je bent wel een beetje breedsprakig. Wat is er dan wel voor vreeselijks gebeurd? Is zijn melk zuur geworden of hebben alle katten van Rouaan zich op den ongelukkige geworpen om te ontbijten?”

„Neen, genadige heer. Maar in St. Rire is een diefstal gepleegd. De wonderdadige handschoen is vannacht uit de kapel gestolen. Toen de vroegmis gelezen zou worden, heeft men het ontdekt.”

„Zoo, zoo, dat is heel onaangenaam. Maar daardoor zal noch St. Rire, noch Rouaan te gronde gaan.”

„O, monsieur, zeg dat toch niet. Het is een groot verlies voor de geheele streek. Alle vreemdelingen, die naar St. Rire kwamen om het reliquie te zien en die daar niet konden overnachten, kwamen altijd naar Rouaan, zoodat wij goede zaken maakten.

„Dat alles zal nu ophouden!”

„Zoo? Dat is erg jammer en ik hoop, dat er spoedig een andere handschoen gevonden zal worden, opdat gij geen schade in uw zaak ondervindt”, sprak de Lord op sarcastischen toon. „Maar breng mij nu zoo snel mogelijk het water.”

De kellner vloog de kamer uit om het bevel uit te voeren en Lord Lister sprak vroolijk tot zijn vriend:

„Men zou het bijna niet kunnen gelooven, welke groote gevolgen kleine oorzaken toch kunnen hebben. Mr. Levison laat een ouden handschoen stelen en daarom moeten de beklagenswaardige inwoners van Rouaan urenlang op hun melk wachten!”

Toen beiden hun toilet hadden voltooid, gingen zij naar beneden om in de eetzaal te ontbijten.

In het restauratielokaal heerschte groote opgewondenheid. De hotelier haastte zich om zijn gasten nog voordat deze hadden plaats genomen, alle bijzonderheden betreffende den diefstal te vertellen, zooals hij deze van den melkboer had vernomen.

Zoodoende vormde de diefstal van den wonderdadigen handschoen van St. Rire het algemeene onderwerp der gesprekken, zoolang John Raffles en Charly Brand zich in de eetzaal bevonden.

Lord Lister herinnerde er nogeens aan, dat de bagage aan den trein van elf uur moest zijn; daarop begaven zij zich op weg om den bewaker op te zoeken.

Het was een prachtige ochtend. De zon scheen heerlijk en in de best mogelijke stemming wandelden zij naar het dorpje toe.

Toen zij het huisje, waarin de ontrouwe wachter woonde, hadden bereikt, klopte Raffles aan.

Er volgde echter geen antwoord, zoodat de Groote Onbekende de deur trachtte te openen.

Deze was gesloten.

Eerst toen Lord Lister voor den tweeden keer had geklopt, vroeg een hoog kinderstemmetje, wie er was.

Op het antwoord, dat iemand den bewaker dringend wenschte te spreken, werd de deur geopend.

Een klein meisje van ongeveer acht jaar stond tegenover hen. Het kind zag er bleek en mager uit.

Het armzalige lichaampje was gekleed in een schamel katoenen jurkje en tranen rolden onophoudelijk langs de magere wangetjes.

„Waarom huil je, mijn kind?” vroeg John Raffles, zijn hand op het hoofd der kleine leggend.

Snikkend antwoordde de kleine:

„Ach, mijn lieve heer, mijn moedertje is zoo erg ziek. Mijn broer is al dood en zooeven hebben slechte mannen vader ook weggehaald.”

Geroerd door het verdriet van het kind streelde Raffles de wang van het kleine meisje, terwijl hij en Charly het lage kamertje binnentraden.

„Wees maar gerust, kindje! Je vader zal wel gauw terugkomen.”

Terwijl hij in de kamer rondkeek, vroeg hij verder:

„Waar is je moeder, mijn kind?”

De kleine veegde met haar schort de tranen af en wees naar een deur.

Lord Lister ging er door. Voor zijn blikken vertoonde zich een kale, halfdonkere ruimte.

In een oud, wormstekig ledikant lag een vrouw onder een paar oude dekens. De magere handen waren gevouwen over de borst, het hoofd was naar achteren gezonken.

Een vale bleekheid bedekte de vermagerde wangen en alleen de trillende oogleden en de hijgende adem bewezen, dat er nog leven in het lichaam was.

Een diep medelijden vertoonde zich op de trekken der vreemdelingen, toen zij zich weer zachtjes naar de voorkamer begaven.

Lord Lister boog zich over het kind neer en sprak, terwijl hij haar een goudstuk in de hand drukte:

„Koop je moeder hier wat voor, opdat zij spoedig weer beter wordt.”

Op dit oogenblik werd de deur geopend en de ontrouwe wachter wankelde de kamer binnen.

Zijn gelaat was verwrongen door angst en verdriet. Hij had de oogen neergeslagen en viel zwaar op een stoel neer, die dichtbij de deur stond.

Toen het kind haar vader zag snelde het met een jubelkreet naar hem toe en vloog hem om den hals.

„Kijk, vadertje, kijk! Dit heeft die goede mijnheer mij voor moedertje gegeven!”

De heldere kinderstem wekte den peinzenden man uit zijn droevige gedachten. Hij keek op en zag eerst nu de beide vreemdelingen, die zich bij zijn binnenkomen in een hoek hadden teruggetrokken.

Hij schrikte hevig en zijn gelaat werd vaalbleek. Sidderend stond hij op en met angstig bevende stem vroeg hij:

„Wat wenschen de heeren?”

Lord Lister ging naar den man toe, legde hem de hand op den schouder en sprak op ernstigen toon:

„Wij hebben gezien, dat gij in groote zorgen verkeert. Dit alleen kan uw handelwijze begrijpelijk maken, al is die ook niet te billijken.”

Toen de man hoorde, dat de vreemdeling op de hoogte was van zijn misdaad, welke hij zoo angstvallig geheim trachtte te houden, zonk hij op een stoel neer en verborg het gelaat in beide handen.

Met toonlooze stem klonk het:

„Weet gij het?”

„Alles!” antwoordde Lord Lister. „Wij waren gisteren getuige van den diefstal.”

„Mijn arme vrouw! Mijn kind!” snikte de bewaker. „Als ik een anderen uitweg had gezien, was ik niet voor de verzoeking bezweken!”

„Laat dat nu maar rusten”, sprak Raffles op gestrengen, maar niet onvriendelijken toon. „Ter wille van uw familie echter wil ik u redden. Luister!”

De ongelukkige keek den vreemden heer aan en een glimp van hoop kwam op zijn gelaat.

„Heeft men u reeds verhoord?” vroeg Lord Lister.

De man knikte zwijgend.

„Hebt gij de waarheid bekend?”

„Neen, nog niet”, klonk het op benepen toon van de lippen van den bewaker. „Maar ik zal teruggaan en alles vertellen, want ik kan het niet voor mijn geweten verantwoorden”.

„Als ik u zal redden, moet gij dat niet doen. Gij moet alle schuld ontkennen. Ik geef u mijn woord, dat binnen eenige dagen het kleinood weer op zijn plaats zal zijn. Ik zal voor u wel een bewijs van onschuld verzinnen.

„Maar ik red u alleen dan, als gij mij plechtig belooft, nimmer meer iets dergelijks te zullen doen”.

„Ik zweer het u”, sprak de oude man en legde zijn hand in die van Lord Lister, terwijl groote tranen langs zijn wangen rolden.

„Gij weet nu, wat u te doen staat. Voor al het andere zal ik zorgen”.

De bewaker scheen een zwaren innerlijken strijd te voeren. Met angstig vragenden blik keek hij naar zijn bezoeker en eindelijk klonk het van zijn lippen:

„Ja, maar het geld, dat ik heb gekregen, moet ik toch teruggeven. Aan wien zal ik het zenden?”

„Hoeveel was het?” vroeg de groote onbekende.

„Tachtig francs!” luidde het angstige antwoord.

Lord Lister sprak op zachten toon tot Charly:

„Het is bijna niet te gelooven! Deze schurk heeft den armen man, dien hij tot een misdaad bracht, zoo’n klein bedrag gegeven, en ik zou durven wedden, dat zijn lastgever hem minstens 8000 voor deze reliquie moet betalen”.

Zich tot den ouden man wendend, sprak hij:

„Behoud het geld gerust. Die schurk en bloedzuiger heeft het toch niet op eerlijke wijze gekregen. Hij kan het wel missen, en u zal het wel te pas komen”.

Terwijl hij den ongelukkige nogmaals de hand reikte, nam hij afscheid.

Daarop spoedden de beide vrienden zich naar het station om per ochtendtrein de reis naar Dieppe te ondernemen.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE HANDIGHEID VAN ZAKKENROLLERS.

De Engelsche stoomboot „Winchester” lag gereed om de terugreis naar Brighton te aanvaarden.

De sneltrein van Rouaan was aan het station aangekomen, en de beide vrienden begaven zich naar de aanlegplaats van de boot. Juist wilde Lord Lister passagebewijzen nemen voor zichzelf en zijn vriend, toen deze laatste uitriep:

„Kijk eens, Edward, onze vriend is er reeds!”

Zijn scherp oog had den gauwdief ontdekt, die over het dek van het schip wandelde.

De bagage der beide vrienden werd aan boord gebracht en korten tijd daarna weerklonk het sein tot de afvaart.

De machine zuchtte en kraakte, de boot begon te dreunen en fier stoomde de „Winchester” in de richting der Engelsche kust.