Chapter 4 of 5 · 3991 words · ~20 min read

Part 4

Uit een der andere vertrekken klonken nu de meesleepende tonen van een sonate van Rubinstein. Een klein orkest van eerste artisten was door Mr. Dickson voor zijn gasten geëngageerd.

Een vroolijke stemming heerschte, alleen de heer des huizes scheen eenigszins zenuwachtig te zijn.

Hij keek ongemerkt op zijn horloge en het volgende oogenblik vol afwachting naar de deur. Alle gasten waren reeds verschenen, alleen graaf Armani en zijn vriend ontbraken nog.

Levison trad nu op Mr. Dickson toe en sprak:

„Nu, hoe vindt gij het, hij schijnt toch niet te komen!”

Ontstemd antwoordde deze:

„Hij heeft het mij toch beslist beloofd. Misschien heeft hij zich een beetje verlaat.”

Mr. Dickson wilde zich juist verwijderen, toen hij op eens door Levison bij de panden van zijn rok werd vastgehouden. Deze fluisterde hem in het oor:

„Hoe is het, hebt gij den handschoen al klaar gelegd?”

„Neen,” antwoordde Dickson, „hij is nog net zoo verpakt als gij hem mij hebt gegeven. Eerst in het bijzijn van het geheele gezelschap zal ik de zegels verbreken.”

Op dit oogenblik trad een bediende binnen en meldde met heldere stem aan:

„Graaf Armani en Mr. Brand.”

Innig verheugd snelde Dickson de binnentreden des te gemoet.

De oogen der aanwezigen waren op de deur gericht, door welke de vreemde Italiaansche graaf zou binnentreden, van wien de gastheer en Levison reeds veel hadden verteld.

De bediende trok de vleugeldeuren open en Raffles, gevolgd door zijn vriend Charly, trad binnen.

In de onberispelijke houding, die den man van de wereld kenmerkt, boog Raffles voor de vrouw des huizes, tot wie Mr. Dickson zijn lang verwachten gast had geleid.

Daarop stelde hij hem voor aan zijn dochter en de overige gasten.

Levison kwam zoo dicht mogelijk bij John Raffles, om allen te laten zien, hoe intiem bevriend hij was met graaf Armani.

De beminnelijkheid van den Italiaanschen graaf werkte betooverend en menige smachtende blik uit schoone vrouwenoogen volgde de elegante gestalte.

Nadat de algemeene voorstelling was geschied, deelde Mr. Dickson aan zijn gasten mede, dat hij nog een bijzondere verrassing had, waartoe hij het gezelschap verzocht om hem naar de bovenverdieping te volgen.

Onder lach en scherts geleid door den heer des huizes, zette men zich in beweging en spoedig was de stroom der gasten over de vertrekken der eerste etage verdeeld.

In het laatste, als museum ingerichte vertrek, stond op een estrade een tafel.

De gastheer had uit een groote ijzeren kast het pakketje genomen, legde dit op tafel en wendde zich vervolgens tot zijn gasten.

In een ietwat humoristisch speechje zette hij uiteen, dat hij door bemiddeling van een zakenvriend in het bezit was gekomen van een zeldzaam voorwerp.

Hij wilde dit voorwerp, over welks bezit hij zich zoozeer verheugde, bij zijn verzameling voegen en het deed hem veel genoegen, dit kleinood eerst te kunnen laten zien aan zijn lieve gasten, die hij speciaal voor dit doel bij zich vereenigd had.

Allen verdrongen zich om de verhoogde tafel. Een jongedame kon zich niet weerhouden haar cavalier eenige grappige woorden toe te fluisteren, waarvoor zij een bestraffenden blik kreeg van drie oudere heeren, bij wie de levendige belangstelling van den kenner en verzamelaar op het gezicht stond te lezen.

Tusschen een groepje dicht bij den heer des huizes stonden Charly, Raffles en Levison, die met trotschen blik de bewegingen van Dickson volgde, toen deze het omhulsel van het pakket begon te verbreken.

Dickson had zich overtuigd, dat de zegels, waarmee het touw was bevestigd, ongeschonden waren en liet nu het buitenste omwindsel vallen.

Als tweede omwindsel, dat het kostbare voorwerp omsloot, vertoonde zich een gedeelte van een oud exemplaar der „Times”.

Levison keek verbaasd op. Hij meende zich toch goed te herinneren, dat hij geen courantenpapier, maar zachte stof als binnen-omhulsel had gebruikt.

Dickson ontging de verwondering van zijn zakenvriend niet, en een beetje ongerust geworden, rolde hij het courantenpapier af.

Op eens nam zijn gelaat een uitdrukking aan van verwondering en verbazing. Hij keek verbluft naar Levison en dan weer naar het voorwerp, dat hij uit het omwindsel te voorschijn haalde.

Het was een bruine, lang niet nieuwe heeren glacé-handschoen— —

Daarover lag een blaadje papier. Met stijgende verbazing las hij de volgende woorden:

„Mijnheer! Daar gij den verwachten handschoen slechts kondt bemachtigen door de afkeurenswaardige daad van een verleider, die van den geldnood van een armen duivel in zijn eigen belang gebruik maakte, ben ik zoo vrij geweest het onrecht, dat gij onbewust hebt gepleegd, weer goed te maken.

Misschien neemt gij als vergoeding een ouden handschoen aan van uw

JOHN C. RAFFLES”.

Levison had verstaan, wat Mr. Dickson met halfluide stem voorlas. Zijn oogen puilden bijna uit de kassen en dikke zweetdroppels stonden op zijn voorhoofd. Hij scheen een onmacht nabij te zijn.

Een jonger persoon, die dicht bij de tafel had gestaan, nam den glacé-handschoen op en zwaaide dien boven zijn hoofd.

Het voorval aan de tafel, dat zich zeer snel had afgespeeld, was aan de aandacht der meeste gasten ontsnapt, daar deze zich ongedwongen door de verschillende vertrekken bewogen.

Dichtbij den gastheer stonden behalve Levison, Raffles en Charly alleen de jonge man, die den handschoen in de hoogte had gezwaaid en met luide stem riep:

„Ziet gij, mijne heeren, dat is de zeldzaamheid, die Mr. Dickson ons wilde laten zien. Het is inderdaad een merkwaardigheid, want de handschoen is zoo oud en versleten, dat hij nauwelijks meer den naam handschoen kan dragen.”

Het grootste deel der gasten dacht niet anders dan dat Mr. Dickson een grap had willen uithalen. En men was het er niet over eens of deze gelukt was of niet. Vooral drie oude heeren, die bekend stonden als handelaren in oudheden, schudden afkeurend het hoofd.

Spoedig echter had de vroolijke stemming weer de overhand. De handschoen ging van hand tot hand en men lachte om de geestigheid van den gastheer.

Dezen was het zeer aangenaam dat de zaak door den inval van den jongen man dezen loop had genomen.

Toen Levison zag wat er gebeurde, wilde hij driftig uitvallen. Dickson echter gebood hem het zwijgen en wist door een korte, humoristische rede tot zijn gasten een schandaal te vermijden. Hij wilde tot elken prijs de zaak in den doofpot stoppen, daar hem uit het geheimzinnige briefje duidelijk was geworden, dat Levison de reliquie niet op rechtmatige wijze in het buitenland had gekregen.

Hij gaf bevel ververschingen rond te dienen. Dit geschiedde en het duurde niet lang of de gasten verspreidden zich weer in de zalen der benedenverdieping, vanwaar de muziek tot hen doordrong.

Levison had zich in zijn wanhoop tot Raffles gewend, die naast hem stond.

„Heer graaf, wat zegt gij ervan? Ik ben een verloren man.”

„Wat is er dan toch, beste Levison,” vroeg Raffles met het onschuldigste gezicht van de wereld, „het is immers een alleraardigste grap. Wanneer dat de kostbare schat was, dien gij op reis zoo zorgvuldig hebt bewaard, dan was die voorzichtigheid wel een beetje overdreven. Een ouden handschoen hadt ge ook wel in Londen kunnen krijgen,” sprak hij met een spottend lachje.

„Maar heer graaf, gij weet immers in het geheel niet waarom het te doen is. Ik heb er 8000 francs voor betaald— —”

„Hoeveel?” vroeg Raffles.

„Achtduizend francs aan goudgeld, zooals Mr. Dickson wel zal willen bevestigen,” verzekerde hij.

„Zeker, jij gauwdief, 80 francs heb je betaald, en 8000 wou je van Dickson hebben,” mompelde Raffles tusschen zijn tanden.

„Verbeeld u nu eens,” vervolgde Levison, „al mijn geld is verloren, want ik moet Mr. Dickson toch die 8000 francs teruggeven.”

„Je verliest er maar 80 francs bij, die straf is veel te gering voor jou,” dacht Raffles.

Een grenzelooze woede had zich van Levison meester gemaakt, bij de gedachte aan zijn verlies.

„Zoo’n spitsboef, zoo’n dief!” siste hij.

Daar Raffles en Dickson alleen met Levison waren achtergebleven, gaf hij nu aan zijn woorden den vrijen loop.

„Wien bedoelt gij toch?” vroeg Raffles met een onnoozel gezicht.

„Natuurlijk, heer graaf, dat kunt gij niet weten, want gij komt uit Italië, en daar zijn zulke schurken niet, die een fatsoenlijk man als mij zoo schandelijk bedriegen!”

„Nu, wat dat betreft, men vindt in Italië genoeg dergelijk gespuis.”

„Dat is het juist. Daar is het „gespuis,” en daarvoor kan men zich in acht nemen, maar hier in Londen is het een gentleman.”

„Onmogelijk,” sprak Raffles verbaasd.

„Wat ik u zeg, een gentleman! Lord Lister moet hij heeten. Hij dringt zich in de familiegezelschappen en besteelt alle gasten.”

„Nu, als men weet, dat het een Lord——hoe was zijn naam?”

„Lister.”

„Juist, dat het een Lord Lister is, dan moet de politie hem toch gauw vinden.”

„Och, de politie,” antwoordde Levison schouderophalend. „Ik verzeker u, die is zoo geslepen, dat ook de politie hem niet krijgt. Overmoedig is hij.”

Nu vertelde Levison alle geschiedenissen van Raffles, die hij kende.

Schijnbaar zeer oplettend luisterde de groote onbekende, en eindelijk sprak hij:

„Maar dat is ontzettend! En denkt gij, dat bij uw zaak Raffles ook weer de hand in ’t spel heeft gehad?”

„Maar, dat is zeker, hij heeft immers weer geschreven.”

„Hoe bedoelt u dat?”

Mr. Dickson overhandigde Raffles nu het blad papier, dat hij bij den handschoen had gevonden, en waarvan Raffles den inhoud maar al te goed kende.

Hij deed, alsof hij het ernstig bestudeerde en sprak:

„Ja, er schijnt geen twijfel mogelijk te zijn. In uw plaats zou ik onmiddellijk de politie waarschuwen.”

„Lieve graaf, dat is zoo moeilijk.” Levison krabde zich verlegen op het hoofd. „Als de politie komt, wil ze alles weten, en— —”

Lord Lister glimlachte veelbeteekenend, toen hij antwoordde:

„En wat mag de politie dan niet weten?”

„Och, ziet ge— —, die menschen zijn veel te nieuwsgierig,” sprak Levison met een ongelukkig gezicht.

„Ziet gij, heer graaf, dat is het ergste bij dien Raffles, hij weet het altijd zoo in te richten, dat men niet zoo tegen hem kan optreden als men dat graag zou willen.”

„Nu, dan zal men hem ook wel moeilijk te pakken kunnen krijgen,” lachte Raffles.

Levison antwoordde, den nadruk leggend op ieder woord:

„Als ik eens tegenover dien schurk stond, dan zou ik wel slimmer zijn dan hij.”

„Dan wensch ik den armen Raffles toe, dat hij nooit in uw gevaarlijke nabijheid komt.”

Bij deze woorden wendde Lord Lister zich lachend tot den gastheer en ging met dezen de trap af, daar de bediende had aangekondigd, dat het souper gereed was.

In zichzelf vloekend en schimpend volgde Levison het tweetal.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE TOOVENAAR AAN HET WERK.

Aan de rechterzijde van den gastheer was den voornaamsten gast—Graaf Armani—een plaats aangewezen.

Het souper verliep schitterend.

De graaf wist door zijn beminnelijkheid, zijne groote gave om boeiend te vertellen en door zijn geestige invallen niet alleen het geheele gezelschap voortdurend aan zijn lippen te doen hangen, maar verwierf ook de grootst mogelijke belangstelling van alle aanwezigen, vooral van de leden van het schoone geslacht.

Door zijn grappige gezegden had hij zelfs de wolken verdreven van Levisons voorhoofd.

Men was aan het dessert begonnen, toen Levison, die schuin tegenover Raffles zat, zich tot dezen overboog en hem vroeg, of hij misschien, om de algemeene vroolijkheid te verhoogen, eenige van zijn tooverstukjes ten beste wilde geven.

Deze woorden waren door de tafelburen gehoord. Dadelijk werd het voorstel met geestdrift begroet en allen verzochten den graaf om een paar kunststukjes te vertoonen.

„Mijn beste dames en heeren, het is werkelijk niets bijzonders, wat ik kan. Het zijn eigenlijk niets dan doodgewone zakkenrollerskunstjes. Gelooft mij, ik beschik over geen bovenaardsche gaven, al is het resultaat ook overbluffend. Maar ten slotte, ik geef er u mijn woord op, is het toch eigenlijk niets anders dan—bedrog!”

Raffles had deze laatste woorden met bijzonderen nadruk uitgesproken en een veelbeteekenend glimlachje vloog over zijn gelaat.

Men haastte zich om hem te verzekeren, dat men niets buitengewoons verwachtte en met alles tevreden zou zijn, wat de gast hun zou vertoonen.

Aan het algemeene, dringende verzoek kon Raffles geen weerstand bieden en hij verzocht een spel kaarten.

Men verdrong zich om hem heen en John Raffles legde met een handigheid en vlugheid, die de algemeene verbazing opwekte, proeven van groote bekwaamheid af.

Nadat men zich een tijdlang met deze kunstjes had vermaakt, ging hij over tot andere, meer of minder bekende tooverstukjes.

Hij liet zich door een der aanwezigen een geldstuk geven en verzocht den eigenaar er een geheim teekentje op te zetten, opdat hij in staat zou zijn, zich ervan te overtuigen, dat het geldstuk hetwelk hij terug zou krijgen, hetzelfde was, dat hij aan graaf Armani had gegeven.

Dit aldus gemerkte geldstuk tooverde hij in een bepaald leeg glas, zonder dit met zijn handen te hebben aangeraakt. Hij liet het glas rondgaan en iedereen kon zich ervan overtuigen, dat het geldstuk met het geheime teekentje er zich werkelijk in bevond.

Daarna zette hij het glas voor zich neer, bedekte het met een servet en mompelde geheimzinnige spreuken.

Toen hij na eenige oogenblikken het servet verwijderde, was het geldstuk verdwenen en tot algemeene verbazing lag het onder het bord van een dame aan het andere einde van de tafel.

Hoe het daar was gekomen bleef voor allen een raadsel, want Raffles had zijn stoel niet verlaten.

Levison, die er trotsch op was, dat zijn verzoek aan den graaf, om de gasten te amuseeren door tooverkunsten, zulk een grooten bijval had gevonden, voelde zich geroepen om zijn avontuur met den zegelring te vertellen.

„Ik verzeker u, dames en heeren, dat hij den ring werkelijk buiten de kamer heeft gegooid. Ik heb het duidelijk gezien en ook gehoord, hoe de ring over den vloer rolde.

„Geen oogenblik heeft hij ons tafeltje verlaten en toch duurde het niet eens lang, of ik vond den ring terug in mijn sigarenkoker.”

Dit verhaal wekte de algemeene bewondering op en men bestormde Raffles van alle zijden om nu een dergelijk kunststuk te vertoonen.

Na lang bidden verklaarde hij zich eindelijk bereid en sprak:

„Goed! Als gij het dan volstrekt wilt, zal ik iets laten verdwijnen. Gij moet zelf maar zeggen, wat het moet zijn.”

Nu werden hem van alle kanten kostbaarheden, zooals ringen, paarlencolliers en dergelijke sieraden overhandigd.

Een bijna onmerkbaar lachje vertoonde zich op Raffles’ gelaat, hij stond op en sprak:

„Zooals ik zie, zijt gij allen op bijzonder welwillende manier bereid om uw eigendommen te mijner beschikking te stellen.

„Om aan al uw wenschen tegelijk te kunnen voldoen, zal ik een kunststuk vertoonen, waaraan elk van u kan deelnemen.

„Maar ik maak er u opmerkzaam op, dat dit voor vanavond mijn laatste tooverkunstje zal zijn.”

Hij nam een groote Indische vaas van een voetstuk en ging met deze de rondte doen om de tafel.

Hij verzocht iedereen, aan sieraden daarin te werpen, wat men wilde en beloofde met grappige woorden, dat hij nu een zoo verrassend kunststuk ten beste zou geven, dat geen der aanwezigen het ooit weer zou vergeten.

Onder lachen en schertsen haastte men zich, sieraden van allerlei soort in de vaas te deponeeren.

Vooral de dames waren er bijzonder op gesteld, den mooien, innemenden Italiaanschen graaf zooveel kostbaarheden als maar mogelijk was toe te vertrouwen.

Toen de graaf bij allen was geweest, ging hij met een buiging naar zijn plaats terug.

Hij zette de vaas met haar kostbaren inhoud op een klein tafeltje, dat dichtbij de deur der eetzaal stond.

Nu verzocht hij het gezelschap, met het gezicht naar de vensters te gaan zitten.

Terwijl de bedienden druk bezig waren, de zitplaatsen naar zijn bevelen te regelen, stond de Groote Onbekende midden in de zaal onder de gaskroon. Men zag hem een zakboekje te voorschijn halen, waaruit hij een blaadje scheurde. Hierop schreef hij eenige woorden en stak toen alles weer in den zak.

In de vroolijkste stemming, onder gelach en allerlei gekheid, had men volgens den wensch van den tooverkunstenaar plaats genomen.

Deze ging nu voor zijn toeschouwers in een vensternis staan en sprak:

„Mijn waarde dames en heeren!

„In de eerste plaats dank ik u nogmaals hartelijk, dat gij allen mij op zoo bijzonder beminnelijke wijze tegemoet komt. Ik herhaal mijn belofte, dat dit kunststuk zoodanig zal zijn, dat gij het nooit in uw leven zult vergeten. Mijn taak is echter niet gemakkelijk en ik heb daarom bij de uitvoering ervan hulp noodig.”

Hij keek den kring rond en wenkte zijn vriend Charly Brand, hem verzoekend, bij de deur der eetzaal te gaan staan.

„Aha! Natuurlijk een goede kennis!” klonk het uit den kring.

Vroolijk sprak Raffles nu:

„Ik heb er u reeds op gewezen, dat het niets bovennatuurlijks is, ten slotte niets anders dan bedrog! Daarom heb ik ook een bekende als helper noodig!—

„Nu moet ik nog verzoeken, de lichten uit te draaien en met groote aandacht naar de vensters te kijken.”

Men haastte zich, aan het verzoek van den tooverkunstenaar te voldoen. De bedienden draaiden het licht uit en het groote vertrek was in volslagen duisternis gehuld.

Toen dit was geschied, hoorde men Raffles nog zeggen:

„Blijft nu, alstublieft, volmaakt rustig. Het duurt een poosje, voordat ik mijn toebereidselen heb gemaakt. Zoodra drie slagen op de deur worden gehoord, moet gij geen oog van de vensters afwenden.”

Het gezelschap zat bijna roerloos bijeen in de groote zaal. Af en toe vernam men alleen een zacht gefluister of onderdrukt lachen.

De minuten verstreken echter, zonder dat de aangekondigde drie slagen op de deur zich deden hooren, welke een eind zouden maken aan het gedwongen stilzwijgen.

Men had reeds ongeveer tien minuten in donker gezeten, toen eenige personen, bij wie achterdocht kwam, luide om den graaf Armani begonnen te roepen.

Deze werden echter tot stilte aangemaand, daar vooral de dames niet wenschten, dat de mooie Italiaansche graaf door de ongeduldigen misschien gestoord zou worden.

Toen opnieuw eenige minuten waren verstreken, wilden de heeren zich echter niet meer laten overreden en daar het roepen om den graaf vruchteloos bleef, verlangde men met nadruk om licht.

De bedienden, die op bevel van graaf Armani in het donkere vertrek waren gebleven, ontstaken, ondanks het protest van eenige dames, op bevel van den gastheer het licht.

Men keek rond naar den graaf, maar deze was nergens te bespeuren.

Een steeds grooter wordende ongerustheid maakte zich meester van de aanwezigen. Men doorzocht de aangrenzende vertrekken, het trappenhuis en kwam ten slotte zelfs beneden in het vertrek van den portier der villa.

Deze deelde mede, dat twee heeren van het gezelschap meer dan een kwartier geleden het huis hadden verlaten. Een van hen had verteld, dat hij plotseling ongesteld was geworden. Hij had de overjassen voor de heeren uit de kleedkamer gehaald en had gezien, dat zij in een auto waren weggereden.

NEGENDE HOOFDSTUK.

DE VALSCHE RAFFLES.

Toen Raffles en Charly ongemerkt de villa van den rentenier hadden verlaten en in een auto hadden plaats genomen, wilde de Groote Onbekende zijn vriend de geroofde kostbaarheden in bewaring geven.

Deze weigerde echter en sprak:

„Ik ben het niet met die maatregelen eens, Edward. Wat hebben die menschen misdaan, dat je hen bijna allen hebt bestolen? Dat was onbillijk van je!”

„Mijn beste Charly, ik weet heel goed, wat ik doe. Die lieden kunnen hun kleinoodiën best missen en zullen, ondanks dit verlies, geen gebrek lijden.

„De waardevolle artikelen, die ik hier heb, zullen mij echter in staat stellen een rampzalige voor het ergste te bewaren en hem uit een groot gevaar te redden.

„Ik weet nog niet, of het mij zal gelukken nog heden den jongen Lord Clowdon tenminste voor een gedeelte te helpen aan het vermogen, dat hij heeft verkwist ter wille van de hebzuchtige Anna Fleuron.

„Hij moet echter weg uit Londen en zoo mogelijk in de eerstvolgende uren; anders zou het best kunnen zijn, dat hij ook nog in hechtenis wordt genomen, daar die vrouw er zich niet voor heeft geschaamd, om de zoogenaamde poging tot moord als reclamemiddel bekend te maken.

„Ik zelf ben op het oogenblik niet in staat, hem het noodige geld te verschaffen en daarom moeten, in geval van nood, deze kostbaarheden helpen.”

„Eigenlijk maak je mij altijd beschaamd, Edward; ik meende je te betrappen op oneerlijke handelingen en moet weer erkennen, dat je je edel doel om de nooddruftigen te helpen, nooit uit het oog verliest.”

Charly drukte zijn vriend innig de hand.

Op dit oogenblik reed de auto langs een postkantoor.

Raffles liet stilhouden en, zonder zijn vriend te vertellen wat hij ging doen, verdween hij snel in het gebouw.

Reeds na eenige minuten verscheen hij weer. Hij lachte vergenoegd en sprak, weer instappend, tot Charly:

„Ik heb onzen geachten gastheer de moeite bespaard om de politie te alarmeeren. In zijn naam heb ik zoo even per telefoon mijn vrienden van Scotland Yard meegedeeld, dat bij Mr. Dickson een groote diefstal heeft plaats gehad.

„In elk geval zal men zeer verbaasd zijn, als daar plotseling de politie komt opdagen. Nu kunnen de gasten hun verklaringen onmiddellijk laten opschrijven, zoodat het proces-verbaal kan worden opgemaakt. Ja, ja, men moet zijn lieven medemenschen het leven altijd zoo aangenaam mogelijk maken.”

Charly moest hartelijk lachen om deze overmoedige daad van zijn vriend.

Raffles was ernstig geworden. Hij keek peinzend uit de raampjes der auto naar buiten en het was zeer duidelijk aan zijn intelligent gelaat te zien, dat hij nieuwe plannen smeedde.

Na een korte pauze sprak hij tot Charly:

„Jij rijdt dus nu zoo snel mogelijk naar het hotel, betaalt onze rekeningen en bezorgt alles aan het station.—

„Ik spoed mij intusschen naar het rendez-vous, dat ik met Fleuron heb en zal eens zien, wat ik in het belang van den jongen Lord Clowdon kan doen.

„Hopelijk zal mijn plan gelukken.

„Je moet mij aan het station wachten. Ik denk over hoogstens een uur daar te zijn en dan zullen wij wel eens zien, waarheen wij ons voorloopig zullen begeven.”

Raffles liet de auto stilhouden, hij deelde den chauffeur het adres mede van het hotel, waar zij woonden en waarheen Charly zou terugkeeren, om alles voor de op handen zijnde reis in gereedheid te brengen.

Toen de gasten, die in de salons van den heer Dickson bijeen waren, vernamen, dat een der beide heeren plotseling ongesteld was geworden, spraken allen hun leedwezen hierover uit.

De bange voorgevoelens, die bij sommige der gasten waren opgekomen, verdwenen weer, want dit was immers de verklaring, waarom de graaf en zijn vriend nog niet waren teruggekeerd.

Alleen kon men niet goed begrijpen, waarom geen der beide heeren iets had medegedeeld van die plotselinge ongesteldheid, of tenminste had getracht, hulp te verkrijgen in de woning van den gastheer. Aan de kostbaarheden dacht men op dat oogenblik niet eens.

De vrouw des huizes, die haar kostbaar collier in de Indische vaas had gelegd, was de eerste, die zoekend naar haar eigendom rondkeek.

Nergens echter was de vaas te ontdekken.

Een der bedienden fluisterde Mr. Dickson toe, dat hij had gezien, hoe de heeren bij het verlaten der kamer de vaas hadden meegenomen.

„Dan zal zij ginds in de voorkamer staan,” sprak Dickson en begaf zich daarheen.

Eenige der gasten volgden hem en—ziedaar, in een der vensternissen stond het gezochte voorwerp.

Levison, die, vervuld met sombere voorgevoelens, met den gastheer was meegegaan, was de eerste, die zich haastte om in de vaas te kijken.

Na eenige oogenblikken richtte hij zijn hoofd weer op; zijn gelaat was doodsbleek geworden en het angstzweet parelde op zijn voorhoofd.

De vaas was leeg— — —

Op den bodem lag slechts een onnoozel zakmes, dat ook door een der gasten voor het tooverkunststuk was afgestaan, als treurig overblijfsel van alle kostbaarheden, die daar zooeven bewaard waren geweest. Daarnaast lag een klein briefje.

Levison haalde het te voorschijn en las:

„Mijne vrienden!

Alle tooverkunstjes eindigen ten slotte in bedrog!— — —

Met vriendelijken dank voor de gastvrije ontvangst en voor de welwillende hulp ben ik gaarne

GRAAF ARMANI = JOHN C. RAFFLES.”

Een kreet van woede ontsnapte aan Levisons dikke lippen. Als krankzinnig danste de kleine man van het eene been op het andere.

Buiten zichzelf van woede sloeg hij zich met de gebalde vuisten tegen het voorhoofd en riep: