Part 5
„O, ezel die ik ben! Tiendubbel kameel! En ik heb zelf dezen schurk, dezen bedrieger een handje geholpen!”
Mr. Dickson, wien dit onaangename voorval in zijn huis uiterst pijnlijk was, wilde den opgewonden man tot kalmte brengen.
Deze sloeg echter met handen en voeten om zich heen en schreeuwde:
„Ezel, die ik ben! Ezel, die ik ben!—Zulk een aartsgauwdief, zoo’n schurk, zoo’n ellendeling! Eerst heeft hij mij den handschoen ontstolen, zoodat ik 8000 francs schade heb en nu gaat hij er nog vandoor met mijn ring en horloge! O, zoo’n schurk, zoo’n gauwdief!”
Door het geschreeuw waren de andere gasten naderbij gekomen—het trappenhuis vulde zich met de genoodigden van Mr. Dickson.
Als een loopend vuurtje verspreidde zich onder hen het bericht van den grooten diefstal.
Kreten als: „Zulk een dief! Hoe, die charmante graaf! Raffles!—De spitsboef!—Waar is de schurk?—” klonken verward dooreen.
Eenige dames waren flauw gevallen, wat de algemeene verwarring nog grooter maakte.
„Een dokter!”—„Water!”—„Eau de cologne!”—„De Dief!”—„Hulp!”—„Ik sterf!”—„Politie!”— —
Te midden van dit oorverdoovend lawaai klonken drie forsche slagen op de deur, die toegang gaf tot de villa.
Als geëlectriseerd luisterden allen.
Dat waren de drie slagen, welke de terugkomst van den toovenaar zouden aankondigen. Zou dan toch alles een nieuwe grap zijn geweest?—
Vol blijde verrassing keken de gasten elkaar aan en uit damesmonden klonk het:
„Daar is hij weer terug, de beminnelijke graaf! Gelukkig! Ik wist het wel!—Dat kon onmogelijk een spitsboef zijn!”
De bedienden haastten zich om de deur te openen en binnen kwam,—wel is waar niet de vurig verwachte graaf Armani—maar wel de bekende politie-inspecteur Baxter.... Hij was vergezeld door den gemoedelijken detective Marholm en een aantal agenten.
Een algemeene kreet van verbazing weerklonk, toen de beambte beleefd groette en sprak:
„Mr. Dickson, gij hebt mij laten roepen naar aanleiding van den bij u gepleegden diefstal. Hier ben ik om nadere bijzonderheden vast te stellen.”
Dickson was stom van verbazing.
„Zou ik u hebben laten roepen?” stamelde hij eindelijk. „Ik ben de laatste uren mijn huis niet uit geweest en heb een dergelijk bevel ook niet gegeven.”
Inspecteur Baxter’s voorhoofd vertoonde diepe rimpels. Op ernstigen toon antwoordde hij:
„Voor ongeveer tien minuten geleden hebt gij persoonlijk het bureau van politie telefonisch opgeroepen en medegedeeld, dat bij u een groote diefstal was gepleegd. De dief bevond zich nog in uw huis, er moesten dus onmiddellijk beambten worden gezonden.”
„Ik? Maar geen haar op mijn hoofd heeft daaraan gedacht!”
„Maar Mr. Dickson, gij hebt immers nadrukkelijk verlangd, dat ik, inspecteur Baxter, persoonlijk zou meekomen.”
Geheel van streek antwoordde de rentenier:
„Ik heb u werkelijk niet laten roepen, inspecteur, maar— — —”
Baxter liet hem niet uitspreken en vroeg op barschen toon, zich tot de gasten richtend:
„Is hier iemand bestolen?”
„Zeker, ik!”—„Ik ook!”—„Wij allen!”—„Mijn armband!”—„Mijn ring is weg!”—„Mijn horloge heeft de schurk!”—„Ik ben ook bestolen!”—klonk het van alle kanten.
Inspecteur Baxter nam Dickson van top tot teen op en sprak:
„Eerst maakt gij melding van den diefstal en nu wilt gij ontkennen?—Wie zoo doet, handelt zeer verdacht,” voegde hij er met nadruk aan toe.
„Neem mij niet kwalijk...” wilde de huisheer zich verdedigen.
„Gij moet uw mond houden, totdat ik u iets vraag!” snauwde Baxter.
Hierop wendde hij zich tot twee beambten en beval:
„Brengt dien man daar in die leege kamer en bewaakt hem!”
Dickson voelde zich ten diepste gekrenkt en was woedend. Hij verzette zich wanhopig met handen en voeten, maar het hielp hem niets.
Twee pootige politie-agenten grepen den mageren rentenier beet en duwden hem in de leege kamer, waarvan zij de deur achter zich sloten.
Toen de politie zoo opeens op het tapijt verscheen, greep met Levison een merkwaardige verandering plaats.
Hij scheen zich niet op zijn gemak te voelen. Met schuwe blikken keek hij om zich heen en trachtte ongemerkt een schuilhoek te vinden. Hij had zijn zakdoek te voorschijn gehaald en bedekte daarmee, terwijl hij schijnbaar zijn neus snoot, zijn gelaat. Intusschen trachtte hij, zonder opgemerkt te worden, de trap op te sluipen om in een anderen vleugel van het huis te verdwijnen.
Nadat men Dickson had weggebracht, vloog de blik van Baxter langs het gezelschap.
„Niemand mag het huis verlaten! Alle uitgangen moeten worden bezet!”
De beambten volgden dit bevel op en inspecteur Baxter klom met Marholm en eenige agenten de breede trappen op.
Boven gekomen, liet hij een tafel voor zich neerzetten en nam plaats om het verhoor te beginnen.
Allen drongen naderbij en iedereen deed moeite om het eerst aan het woord te komen.
Luide kreten klonken door elkaar, zoodat de inspecteur nauwelijks aan het woord kon komen. Met kracht sloeg hij met de vuist op tafel en luidkeels riep hij:
„De een na den ander! Alleen hij mag antwoorden, wien ik iets vraag!”
Toen eindelijk het eigenlijke verhoor kon beginnen, was het eerste, wat in zijn ooren klonk, de naam Raffles.
Als door een venijnig beest gestoken, sprong Baxter op. Een donkere blos bedekte zijn gelaat en woedend riep hij uit:
„Wat? Alweer die aarts-schurk?”
Men overhandigde hem het briefje, dat men in de Indische vaas had gevonden.
Bij het lezen daarvan was Baxters gelaat van woede verwrongen, terwijl Marholm een glimlach niet kon onderdrukken.
In den inspecteur was onmiddellijk de vurige wensch opgekomen om den reeds zoolang gezochten vijand tot elken prijs in handen te krijgen. Hij staakte het verdere verhoor en snelde bijna zinneloos van opgewondenheid naar de vertrekken in den anderen vleugel van het gebouw, want hij was ervan overtuigd, dat Raffles zich nog in huis bevond.
Na eenige oogenblikken reeds kwam een bediende naar hem toe.
„Heeft iemand het huis verlaten?” beet hij dezen toe.
„Een heer ging zooeven de achterdeur bij de keuken uit.”
Zonder een nadere verklaring af te wachten, snelde Baxter voorwaarts.
Haastig had hij de achterdeur der villa bereikt en, buiten komend, zag hij, hoe een man zoo snel mogelijk trachtte te ontkomen.
Baxter ijlde, zoo snel hij kon, den vluchteling na.
Toen deze bemerkte, dat hij achtervolgd werd, spande hij zijn krachten in tot het uiterste.
Het werd een dolle jacht.
Toen de vluchteling een hoek omsloeg, kwam er juist een leeg rijtuig aan. Hij sprong er in en voorwaarts ging het, in vluggen draf.
Een kreet van woede kwam van Baxter’s lippen, toen hij den vluchteling zag wegrijden. Hij keek om, of er ook voor hem niet een rijtuig verscheen, maar daar het reeds laat was, was de straat eenzaam en verlaten.
Baxter wist niet, wat hij zou doen. Een geheelen tijd trachtte hij het rijtuig te volgen, maar hij zag wel in, dat hij dit onmogelijk vol kon houden.
Eindelijk kwam bij de volgende straat een leeg rijtuig van den anderen kant aanrollen.
Baxter sprong er in en beval den koetsier, het rijtuig, dat in de verte zichtbaar was, zoo snel mogelijk te volgen.
Het rijtuig, waarin de inspecteur zat, had uitstekende paarden en weldra werd de afstand tusschen den vluchteling en diens vervolger kleiner.
Baxter stond in ademlooze spanning rechtop in het rijtuig.
Hij had zijn revolver te voorschijn gehaald en vuurde nu in de lucht om de aandacht te trekken van den koetsier, die den vluchteling reed.
Deze keerde zich dan ook om en Baxter schreeuwde met alle kracht van zijn longen:
„Stilstaan! In naam der wet!”
De dolle vaart wekte de aandacht der voorbijgangers op, vooral, daar men nu in drukkere straten was gekomen.
Toen het eerste rijtuig stil bleef staan, had zich dadelijk een groote menschenmassa gevormd, die met elk oogenblik nog grooter werd, daar het schot tot op verren afstand was gehoord.
Men meende een gevaarlijk misdadiger voor zich te hebben. Het volk, als altijd strijdlustig gezind, had den man, die in het rijtuig zat, onder luid hoerageroep gegrepen en naar buiten getrokken.
Vuistslagen vielen als hagelsteenen neer op den glimmenden cylinder van den vluchteling, zoodat deze hem reeds tot over de ooren was gezakt, toen inspecteur Baxter aankwam.
Deze baande zich een weg door de menigte.
Uit het inwendige van den hoed klonken doffe kreten.
„Wacht, jou schurk, nu heb ik je eindelijk!” riep Baxter en trok den hoed van het hoofd, dat hij nog niet gezien had.
Toen kwam het van angst verwrongen gelaat van den kleinen Levison te voorschijn.
Zooals deze reeds aan den valschen graaf Armani had verteld, wenschte hij volstrekt niet met de politie in aanraking te komen. Toen deze nu zoo onverwacht in de villa van Dickson was verschenen, hield Levison het voor raadzaam om zich zoo spoedig mogelijk uit de voeten te maken en door zijn overgrooten angst was hij nu in de val geloopen.
Baxter, voor wien Levison geen onbekende was, keek zijn gevangene verbaasd aan.
In de verwarring van het oogenblik stamelde hij:
„Maar gij zijt Raffles toch niet?”
„Ach neen, inspecteur, ik ben Levison,” antwoordde een klagende stem.
„Voor den duivel, mijnheer, wat doet gij hier?”
„Ik was op weg naar huis!”
De inspecteur had zijn zelfbeheersching teruggekregen en vroeg op strengen toon:
„Gij komt immers uit de villa van Mr. Dickson?”
Levison antwoordde bevestigend.
„Ik heb immers verboden, dat zich iemand van daar mag verwijderen. Mijn bevelen moeten nauwkeurig worden opgevolgd! Ge gaat oogenblikkelijk mee terug!”
„Met genoegen, heer inspecteur,” verzekerde de kleine man met een zucht en stapte in het rijtuig van den inspecteur.
In zijn verwarring had hij echter vergeten, zijn koetsier te betalen. Deze drong zich nu door de menschenmassa en eischte op energischen toon zijn geld. Met bedroefd hart moest de gevangene, die op dezen ongelukkigen tocht reeds zijn mooien cylinder had verloren en wiens elegante smoking danig gehavend was, nu ook nog betalen.
Onder het gejoel en de scheldwoorden der omstanders reed hierop het rijtuig naar Dickson’s villa terug.
Daar heerschte groote verwarring.
De aanwezigen waren zeer ongeduldig geworden en tot het uiterste verbolgen over het optreden van inspecteur Baxter, die was weggegaan en hen allen als gevangenen had achtergelaten.
Toen de beambten van politie Mr. Dickson op zulk een brutale manier in de leege kamer hadden opgesloten, was zijn echtgenoote in onmacht gevallen. Men hield zich met haar bezig, en wilde om een dokter zenden, maar ook dit werd niet toegestaan door de politie-agenten, die zich strikt aan de bevelen van hun chef hielden en niemand veroorloofden om het huis te verlaten.
Zoodoende was voor allen de toestand zeer pijnlijk en men herademde letterlijk, toen eindelijk de inspecteur, vergezeld door Levison, terugkwam.
Het verschijnen van den vluchteling was een nieuwe verrassing, want niemand had opgemerkt, dat Levison er van door was gegaan en niemand kon begrijpen hoe de kleine man in zulk een beklagenswaardigen toestand was gekomen.
Op de vragen, die men hem van alle kanten deed, antwoordde hij slechts met een verlegen schouderophalen en men vernam alleen, dat hij had getracht, zoo snel mogelijk naar huis te komen, omdat hij genoeg had gehad van het lawaai.
Na een paar uur was eindelijk het uitvoerige verhoor der aanwezigen afgeloopen en had Baxter zijn proces-verbaal gesloten.
Door de mededeeling der gasten had hij zich overtuigd, dat op Mr. Dickson geen spoor van verdenking kon vallen en hij zag zich gedwongen den zoo onrechtvaardig behandelden gastheer weer vrij te laten.
Hij was echter zoo verontwaardigd over het feit, dat Raffles hem ook dezen keer weer was ontkomen, dat hij geen enkel woord van verontschuldiging kon vinden.
Met de woorden:
„U zult er wel meer van hooren!” verliet hij de villa van den rentenier, terwijl de gasten met zeer gemengde gewaarwordingen achterbleven.
TIENDE HOOFDSTUK.
VERGELDING.
Alle plaatsen in het Penley-theater waren uitverkocht. De mooie Anna Fleuron trad heden voor den eersten keer weer op, nadat haar nummer gisteren, ten gevolge van den aanslag, welke op haar leven was gedaan, van het programma verwijderd was geworden.
Iedereen was nieuwsgierig om de interessante diva te zien, die bijna vermoord was geworden door een versmaden minnaar uit een der voornaamste Londensche families.
Dit alles was men te weten gekomen uit de berichten in de couranten, welke Fleuron, als machtige reclame, den journalisten zelf in de pen had gegeven.
Nadere bijzonderheden wist het groote publiek echter niet.
Zoo was het niet bekend, dat zij door haar hebzucht den jongen Lord niet alleen had geruïneerd, maar hem zelfs had gedreven tot een poging tot moord en zelfmoord.
Al werd ook hier en daar veel over dergelijke dingen gemompeld, toch wist men niets met zekerheid en in elk geval werd de belangstelling voor de schoone zangeres er niet minder door.
Anna Fleuron werd bij haar optreden overladen met bloemen.
De meest bevoorrechten onder de bezoekers verdrongen zich voor de kleedkamer der zangeres en elkeen trachtte door uitnoodigingen tot schitterende soupers de verlokkende sirene voor eenige uren aan zich te binden.
Alle pogingen waren echter heden te vergeefsch.
De diva bedankte voor de uitnoodigingen, want zij had graaf Armani beloofd, den avond met hem door te brengen.
Het was vreemd: deze vrouw, die, als het er op aankwam, ongevoelig bleef voor alle hulde, die men haar bracht, scheen door Armani betooverd te zijn en een oprechte, innige genegenheid voor hem te gevoelen.
Met groote handigheid wist zij het gedaan te krijgen, dat zij, zonder door haar vele vereerders te worden opgemerkt, de kleedkamer en den schouwburg kon verlaten.
Terwijl nog een groote menigte voor den hoofduitgang wachtte om de diva opnieuw een stormachtige hulde te brengen, had deze reeds lang het gebouw door een kleine zijdeur verlaten.
Er was afgesproken, dat graaf Armani haar in de donkere straat, waarop de zijdeur uitkwam, met zijn rijtuig zou wachten.
In een donkeren mantel gehuld, snelde zij de straat over, begaf zich naar het rijtuig en stapte in.
Graaf Armani ontving de schoone met een vurigen handkus, terwijl hij er haar voor bedankte, dat zij alle verdere uitnoodigingen had afgeslagen.
In snelle vaart ging het door de straten van Londen en weldra waren zij in een voornaam restaurant in de City aangekomen, waar zij zich naar een gereserveerde chambre séparée begaven.
Met den goeden smaak van een fijnproever had Raffles een souper besteld en weldra werden de champagnekelken tegen elkaar gestooten.
De diva keek Raffles met een betooverenden blik aan, toen zij sprak:
„Welnu, graaf, heb ik niet een pluimpje verdiend, omdat ik gehoor heb gegeven aan uw wensch en mij heb getooid met alle diamanten en edelgesteenten, die ik bezit?”
„Ik ben verrukt, dat verzeker ik u. Het komt u misschien als een zonderlinge gril voor, maar ik dweep zoozeer met deze kostbare steenen, dat de meest bekoorlijke vrouw mij, getooid met die kostbaarheden, nog veel verleidelijker schijnt.”
„En dat wil ik gaarne,” antwoordde Anna Fleuron met een verleidelijk lachje, terwijl zij zich met een kokette beweging naar Raffles toeboog.
Van dit oogenblik maakte de groote onbekende gebruik om een wit poeder in het glas der zangeres te schudden.
Daarop vulde hij de champagneglazen opnieuw en dronk op de gezondheid der jonge schoone.
De diva had haar glas in een enkelen teug geledigd.
Plotseling leunde zij een weinig in haar stoel achterover en sprak met een glimlachje:
„Ik weet niet, wat mij mankeert, maar ik word op eens zoo moe.”
Met den mooi gevormden, blanken, met gouden slangen versierden arm streek zij zich langs de oogen, maar de arm viel slap neer en Anna Fleuron was ingeslapen.
Raffles had met voldoening de snelle uitwerking van het slaappoeder, dat hij in het glas had geschud, opgemerkt.
Glimlachend boog hij zich over de beeldschoone zangeres en sprak op halfluiden toon:
„Slaap maar, mijn dierbare! Over een uur ongeveer zal je weer wakker worden. Het is een onschuldig poedertje en het zal je slechts zoolang in een rustigen slaap houden, totdat ik mijn plan ten uitvoer heb kunnen brengen.”
Hij begon nu de diva van haar kostbare sieraden te ontlasten.
Een waarlijk vorstelijk vermogen werd door al deze juweelen vertegenwoordigd.
Onder de vele kostbaarheden, welke Raffles van zijn slachtoffer roofde, ontdekte hij ook den ring en het hartje, welke Levison haar ten geschenke had gegeven en die, zooals deze aan den graaf Armani had verteld, beide valsch waren.
Terwijl Lord Lister de andere kostbaarheden in zijn zakken borg, legde hij deze beide voorwerpen op tafel.
Daarop schreef hij het volgende briefje:
„Mijn dierbare vriendin!
Reeds voordat ik het genoegen had u persoonlijk te kennen, wist ik, dat gij even schoon als harteloos zijt.
Ik ben te weten gekomen, dat gij een jongen man, die u oprecht beminde en die zich ter wille van u bijna geheel heeft geruïneerd, koud en zonder mededoogen hebt verstooten.
Voor dezen jongen man gevoel ik veel vriendschap en daarom wil ik hem uit de netten van een hartelooze kokette bevrijden.
Bijna alle kostbaarheden, die gij draagt, en die u den naam „Diamantenkoningin” hebben bezorgd, komen voort uit het vermogen van dien verblinden jongen man.
Wanneer ik nu zoo vrij ben, u die sieraden weer af te nemen, dan behoudt gij nog genoeg, want er blijven u nog over: de kostbare inrichting, uw toiletten, uw rijtuigen en paarden. Dit alles kan en wil ik u niet afnemen.
De kostbaarheden echter zullen nog heden hun rechtmatigen eigenaar ter hand worden gesteld, opdat hij in het bezit is van de noodige middelen om naar het buitenland te gaan, want gij hebt u zelfs niet ontzien, den naam van dien jongen man, die het zoo trouw en oprecht met u meende, openlijk door het slijk te halen.
Als sieraad voor uw schoonheid, die, ik moet het u eerlijk bekennen, in het geheel geen juweelen noodig heeft, om tot haar volle recht te komen, blijven u nog over de geschenken van uw vriend Levison, die even echt zijn als zijn liefde voor u.
In uw eigen belang verzoek ik u nog, mijn beschermeling voortaan in geen enkel opzicht lastig te vallen, daar ik anders de noodige middelen zou vinden om hem te wreken.
Met besten dank voor de uren, die ik in uw bekoorlijk en aangenaam gezelschap heb mogen doorbrengen, ben ik uw
GRAAF ARMANI = JOHN C. RAFFLES”
Toen Raffles dezen brief gereed had, legde hij hem op tafel. Den ring en het hart, de geschenken van Levison, legde hij ter rechter- en linkerzijde van den brief.
Daarop legde hij de zangeres, die nog steeds rustig sliep, op een divan neer.
Een oogenblik rustte zijn blik op de beeldschoone jonge vrouw, langs wier blanke schouders zwarte krullen neervielen, daarop verliet hij met een zegevierenden glimlach de kamer.....
Snel plaats nemend in een rijtuig, liet hij zich naar het station brengen. Daar ontmoette hij zijn vriend Charly, die reeds op hem wachtte.
Op het postkantoor van het station schreef Raffles een paar woorden aan Lord Clowdon, pakte de juweelen in en zond alles als aangeteekend pakket aan het adres van den jongen Lord.
Daarop namen de beide vrienden plaatskaarten en verlieten met den volgenden trein de hoofdstad.
Zoo had John Raffles weer eens als voorzienigheid gespeeld.
Clowdon ging naar het buitenland en geraakte door gelukkige ondernemingen tot welstand.