Part 1
AUGUSTA DE WIT
DE DRIE VROUWEN IN HET HEILIGE WOUD
MEULENHOFFs KLEINE BOEKEN VAN GROOTE SCHRIJVERS
DAMRAK AMSTERDAM
DE DRIE VROUWEN IN HET HEILIGE WOUD
Dat het landvolk van de streek omtrent Sangean het bosch op de steile heuvels heilig houdt, en het ook een woonplaats gelooft van nimfen en goede geesten, dat is om den wille van den vromen vorst die, voor onheugelijke tijden, als een kluizenaar hier leefde, en wiens graf, zoo zegt de overlevering, de bemoste terp is aan den zoom van het woud, gelegen tusschen een blank-bloeiend kambodja-boschje dat er zijn zuivere en geurige kelken over strooit, en een loutere bron. Dit verhalen van hem de verzen die de dalang van Sangean velen luisteraars half-zingend voorzegt des avonds bij het flikkerende olie-lichtje—de kinders op de slaapmat in den donkeren hoek doen hun best om wakker te blijven, zoo mooi is het wat daar verhaald wordt—dat hij een mild vorst was over de vele volkeren die zijn legers overwonnen hadden, van jongs aan een wel-willer en wel-doener aan zoovelen als tot zijn aangezicht naderden. Maar toen hij de middaghoogte bereikt had van zijn aan de zon gelijk leven, verzaakte hij rijkdom, macht en roem en koos het leven van een kluizenaar, om der volkomenheid wil. Want wèl begreep hij, die man van alleredelst verstand, dat de waarheid omtrent de ziel en de wereld en waarachtige deugd niet bereikbaar zijn voor den mensch die over andere menschen een heerscher is en die nooit als arbeid-genoot en vreugd-genoot en leed-genoot van hart tot hart gezamenlijk met hen, die God als zijn genooten toch schiep, aan het altijd-schooner wordende gebouw der wereld kan bouwen.
Toen hij, dus, zijn zoon zijn laatste raadgevingen gegeven had, en zijn zoons pasgeboren zoon, dien de vrouwen hem brachten, zegenend terug had gelegd aan de borst der bleek-glimlachende moeder, zegde hij tot zijn getrouwe vazallen, zijn zegevierende veldheeren en zijn raadslieden lang-beproefd „Vaartwel!” en ging heen uit het prachtige paleis, door vrouw noch dienaar gevolgd; want in de uiterste schaduw der poort had hij de weenenden die zijn voeten omhelsden en den zoom van zijn armelijk kleed tegen hun voorhoofd drukten met een onverbiddelijke zachtheid van zich gewezen. Een weinig rijst en zout aan een dorpspoort gevraagd, en water in een halve kalappanoot-schaal uit de beek geschept, dat was hem leeftocht genoeg op de reis naar het heuvelwoud van Sangean waar een droom hem de plek tusschen een kambodja-boschje en een loutere bron had getoond als zijn woonstee.
Van takken en gevlochten gebladerte bouwde hij hier een kluis. Zijn voedsel was de vrucht van het woud, zijn drank het water van de bron, zijn leven het nadenken over den mensch en de wereld. De vele ervaringen van zijn leven overpeinsde hij, de leeringen der wijzen, de gezangen der dichters, en woorden van spelende kinderen gehoord, en van vrouwen die onbeluisterd zich waanden. En wat bij dagen en bij nachten hij waarnam in het woud, het ontbotten en pralen en welken van het gebladerte, het opengaan in den morgendauw van bloesems en het rijpen der vrucht en wonderbaar vergaan tot nieuw bestaan, en het leven van de vele dieren, de sterke en de schuchtere, op den grond, en in de takken de vroolijke vogels, ook dat overdacht hij wèl; en hij gaf acht, om de wet te doorgronden van hun bewegingen, op de machten die de aarde en alle levens op haar regeerend omvangen, den hemel en de zon, de maan, de sterren, de wolken, den regen en den wind. Als de spoel die een behendige weefster heen en weder werpt door de gespannen draden van haar raam,—draden waren het, wade wordt het,—zoo schoot zijn gedachte heen en weer door herinnerde dingen en geziene,—dingen waren het, wijsheid werd het.
Winde-tijding ging van hem door het geheele land: „De groote koning woont als een kluizenaar in het woud van Sangean!” Toen kwamen de velen tot hem die het niet gewaagd hadden in de dagen van zijn macht en heerlijkheid. Om wijsheid baden zij hem, om wetenschap aangaande het goede, en de ware wijze van leven. En hij gaf aan een ieder naar zijn behoef en de mate van zijn begrip. Zoo verdonkerd van gedachte, zoo wond van haat, zoo moede door velerlei dwaling kwam geen, of hij keerde terug licht-gaande, met een glans in de oogen, en handen verlangend om te streelen en om weg te schenken; als het water van de bron zoo klaar en mild voelde hij in zich zijn hart. En zoo kwamen bedroefd en gingen blijde vele maanden, vele jaren lang vele honderden en vele duizenden menschen, totdat op een ochtend voor zonsopgang eerstkomenden niet den kluizenaar vonden, maar enkel zijn bleek, als een afgevallen bloesemblad doorschijnend dun geworden lichaam.
Het geheele volk groef zijn graf en bouwde zijn grafheuvel, elk voor zich de vrome eer begeerend, elk aan elken ander haar gunnend, om een eenigen en allerlaatsten dienst te doen aan hem die met zijn wijsheid en zachte deugd allen had gediend. Hem vierend herdachten en herhaalden zij zijn woorden, en het vele verheugelijke dat daaruit was voort gekomen aan vrede des harten ook in leed, en aan zoete gerustheid van broederlijk samenleven in arbeid en in vreugde, zóó, dat vijanden het kwaad vergaten dat zij elkander aan wilden doen, en machtigen den geringe dien zij verdrukt hadden recht beloofden, en door onvergetelijk gemis bedroefden een nieuwe kracht in hun hart voelden opstaan en niet langer eenzaam waren.
Toen scheen het hun dat niet te eenenmale heengegaan de wèlbeminde was. Een afglans van zijn wezen omscheen de plek zijner woon en lange rust, zijn zegen won wie verlangende kwam, voortaan als vroeger, en zijn graf werd een bedevaartsoord als zoo vele jaren zijn kluis het was geweest.
Dat is het tot op dezen dag. Verlangenden komen ieder met zijn eigen verlangst, om groote en blijvende dingen de een, om geringe de ander. De herdersjongen die een zangduif opfokt voor den wedstrijd—heimelijk, want zijn vader fronst het voorhoofd als hij den kleine ziet staan met het hoofd op zij, luisterend naar het geroekoe uit een kooi en al zijn gedachte gedacht omtrent duiven, terwijl onbehoed de buffel dwaalt en het nieuw-ontsproten veld afgraast—de herdersjongen bergt zijn duifje in den kambodja bij het graf, opdat door de deugd der heilige plek haar stem den echten hoogen klank krijge die wint in den wedstrijd. De koopman die de gevaarlijke reis over zee wil wagen legt zijn offerande op het graf. Vrouwen komen er bidden om een kind. En vele zijn de verhalen en ervaringen van geluk, ten deel gevallen aan hen die de nagedachtenis van den milden koning aanriepen om ontferming.
Daarom twijfelde Mboq-Inten uit Djalang Tiga geenszins of loutere waarheid voorspelde haar de droom, waarin zij haar dochter Inten, die bij de geboorte van haar kind gestorven was, levend en glimlachend en als een bruid met bloemen getooid, gezeten zag aan het graf in het Heilige Woud. En dit zeiden alle menschen in Soembertinggi omtrent de arme Samirah, haar die in haar gelukkigen tijd zóózeer had geleken op Inten—het Juweel als met recht haar naam haar noemde—dat zelfs goede kennissen over en weer het eene meisje met den naam van het andere groetten, als Samirah een bedevaart had mogen doen naar het graf, wat zij immers zoo zeer begeerde, dan zeker! ware zij wel moeder geworden, en de schande der kinderloosheid en het harteleed daarover hadden niet haar arme verstand gekrenkt.
De jonge vrouw van den Resident van Sangean, die Elizabeth met het lichte gelaat dat zoo zusterlijk neigen kon naar donkere aangezichten, hoorde gaarne naar de vele verhalen omtrent het wonderwerkende graf van den Vorst die om broederschaps wil een arme werd. Maar toen een vrouw, wier kindje daar van zware ziekte was genezen, haar van het verlangen en het verdriet der arme Samirah verhaald had, en van Mboq-Inten’s standvastige hoop, zag zij op met een nieuwen glans in haar oogen. En dikwijls, na dien dag, vond haar man haar alléén en stil, in gedachten diep verzonken.
Toen de doekoen, die met het kind ook het leven uit Inten’s afgemarteld lichaam gedreven had, Mboq-Inten het borelingske in den schoot legde, zag zij haar kleinkind niet aan. Zij wendde de oogen niet af van dat gebroken gelaat, die lijdelijke gestalte eindelijk stil van weenen en wringen. De vrouwen die de doode inwikkelden in de witte grafwade moesten van haar verkilde hand de hand der moeder losmaken. Zij zat wezenloos toen de vader van den jonggeborene de bloedverwanten en de buren bijeenriep ter beraadslaging over den naam. En zag zelfs niet op toen een jonge vriendin van Inten, zelve pas moeder geworden, den kleinen Kaïran aan de borst legde en medenam om tegelijk met haar eigen kind hem op te voeden.
Maar toen kwam de droom. Als een bruid bekranst, en het langs schouders en schoot lang afhangende haar, zoo rijk doorvlochten met bloemen dat zij wel gekleed in bloemen scheen, zat Inten aan het graf, en zijzelve met den kleinen Kaïran aan de hand ging haastig op haar toe en riep: „O mijn kind, zijt ge dan eindelijk wedergekomen!”
Van dien vreugdekreet ontwaakte Mboq-Inten. Zij ijlde naar Kaïran’s pleegmoeder. De vriendelijke jonge vrouw had hem aan de borst; hij dronk gretig. Naijverig zag zij het aan. Had zij het toch zelve gekund, had toch met haar eigen leven zij Intens kind mogen voeden! Met een hartstochtelijke teederheid streelde zij het zachte lijfje. „O hoe zal ik voor hem zorgen! Hoe zal ik hem voeden en troetelen dat hij groot en schoon worde! Dat je je over hem verheugen kunt bij het weerzien, mijn juweel!”
Zij kon den dag haast niet afwachten om hem terug te halen in het eigen huis. Met rijst en pisang dooreengekneed tot zoet voedzame hapjes zat zij hem op haar schoot te voeren. Den geheelen dag droeg zij het kleintje met zich mede, in haar zorgvuldig geschikte sjerp als in een hangend wiegje gevleid. Hij sliep naast haar op de met een nieuwe mat bespreide baleh-baleh. Het eerste waarnaar zij zag bij het wakker worden in het vroege licht, was dat kleine ronde donzig zwarte hoofd; de oogen lagen dicht, met de wimpers op de wangen als twee fijngestreepte schaduwstreekjes. Het mondje stond even open, de witte tandjes kwamen te zien. Mboq-Inten richtte zich op den elleboog op om lang hem te bekijken. Zij verzaadde haar oogen aan hem. En telkens dacht zij dan weer aan den tijd toen zij zoo gekeken had naar Inten.
Paq-Inten had het graf gekenteekend met twee sierlijk gebeeldhouwde en gestoken palen aan hoofd- en voeteneinde, dat de moeder het vinden zou als zij op de herinneringsdagen met het offer-voedsel kwam, dat de zielen verkwikt in het land der schaduwen. Maar Mboq-Inten ging enkel op de herinneringsdagen die de Adat heeft gesteld naar de begraafplaats; en na een wijle bleef zij geheel en al weg daarvan. Telkens echter ging zij met bloemenoffers naar het Heilige Woud; en terwijl zij den melatih-krans neerlegde op de grafterp en uit volle hand rozeblaadjes strooide over het mos, fluisterde zij, met tranen in de oogen: „Blijf nu niet al te lang weg, mijn hartekind! Kom toch spoedig ach! spoedig! terug bij je lieve moeder!”
Kaïran was nog veel te klein om haar te verstaan; maar toch gaf zij hem soms bloemen in de handjes en zeide, terwijl zij hem die liet neerleggen op het graf, dat dit was opdat zijn moeder te eer terug zou komen; en dan bracht ze hem mee wat hij maar bedenken en begeeren kon.
Paq-Kaïran bekommerde zich niet veel om zijn kind. En nooit sprak hij over Inten. Hij ging het huis van zijn schoonouders, het afgeschoten vertrekje daarin waar hij met Inten gewoond had, in en uit of alles daarbinnen nog was zooals het een jaar lang was geweest. Mboq-Inten dacht, omdat hij, evenals zij, wachtte op Intens terugkomst, al wilde hij ook niet spreken daarover noch hooren, en al werd zijn gezicht norsch als zij tegen den kleinen Kaïran zei: „Als moeder terug komt!” Maar op een morgen ging hij uit als naar den passar van Sangean, om te wedden bij de hanengevechten, en kwam niet terug, toen het avond werd, noch den volgenden dag. Ook toen het tijd werd om de sawahs te ploegen kwam hij niet terug. En Paq-Inten bracht met zuchten en hoofdschudden goed dat hij niet kon missen, naar het pandhuis om een helper te huren in zijn schoonzoons plaats. Eenige weken daarna kwam een man uit het dorp, die met het pelgrimsschip de reis van Sumatra had gemaakt, vertellen hoe hij Paq-Kaïran in Medan had gezien. Hij verdiende goed geld op een tabak-onderneming; en daar was hij getrouwd met een Bataksche vrouw.
Mboq-Inten riep schande over hem. De oude man zuchtte enkel en zei dat het toch al te erg was. Hoe moest het nu worden met het werk op den akker, en dat terwijl het dagloon zoo hoog werd en zijn leden al stijver? Hij tobde nog toen Mboq-Inten zich den man die haar dochter had verlaten al lang uit de gedachte had gezet. Genoeg veel betere mannen waren er in Java; Inten zou het maar voor het kiezen hebben als zij terugkwam!
Maar de schade moest geboet, waarover Paq-Inten zoo kreunde en klaagde. Niet in een berooid huis mocht Inten wederkeeren!
En de moeder vatte het fijne werk weer op dat zij een jaar of wat geleden aan haar dochters helderder oogen en leniger vingers had overgelaten, maar dat zij vroeger zelve zoo voortreffelijk wèl had gedaan, het batikken van sarongs en hoofddoeken en sjerpen. De Chinees in de stad,—hoe scherp bekeek hij het werk altijd door zijn grooten hoornen bril—gaf voor het hare meer dan voor dat van één der andere vrouwen.
Zij vreesde wel het zoo mooi niet meer te kunnen nu; maar met de gedachte aan Inten in het hart deed zij haar best.
Haar batikraam stond onder het afdak, daar, waar het langst de schaduw bleef. Zij hurkte neer voor de afhangende baan wit katoen, en met gespannen aandacht begon zij te teekenen. De fijne straal gesmolten was die uit de tuit van het, als een eikel zoo kleine, batikdopje liep, maakte rankend gebladerte en bloemen en allerlei wonderlijke op kapellenwieken fladderende vogels op het weefsel. Blauw, bruin, geel en rood stonden de verf kuipen te kleuren in de schaduw van het citroen-boschje. Hoe dikwijls had zij, van kind af, altijd naar hetzelfde voorschrift, die kleuren bereid, hoe dikwijls met het wasstraaltje, zwartig geworden van het vele gebruiken en afschrappen en weder smelten, die teekening gemaakt, die zij juist zóó al onder haar moeders batikdopje had zien groeien, en waarvan zij wist dat ook haar moeders moeder juist zóó haar had geteekend! Wel duizend jaar oud, had zij vaak gehoord, was het patroon. Een prinses had het verzonnen, geheel alleen zittende tusschen de bloemen en vogels en kleine dieren van het Heilige Woud, waar liever dan in haar vaders kraton zij wilde leven. De nimfen die haar woon hebben in het woud waren haar gezellinnen daar. Om voedsel noch om het behoef voor haar arbeid behoefde zij verlegen te zijn; want de boschduiven brachten haar overvloed van zoete bessen en noten uit de hooge boomen, de grijze apen wisten wanneer zij dorst had en droegen haar „het koele bronnetje dat in de lucht zweeft” aan, de rijpe kalappa-vrucht wier kern geurig water is; en de kleine bijen die niet gonzen noch steken, bouwden hun nest in den boom die haar beschaduwde, zoodat zij haar hand maar behoefde uit te strekken naar de was, terwijl aan alle struiken de prachtigste bloemen open gingen die zij plukte om er verf uit te bereiden. De kleine schalk van het woud, het dwerghertje, dat slimmer en vroolijker is dan alle andere dieren, kwam zijn dartele sprongen voor haar maken, en vertelde haar de kluchtigste verhalen.
Wie van dat alles wist hervond het in de schoone batik-teekening, hoewel er veel van verloren was gegaan onder de vingers van onachtzame werksters die hun gedachten bij andere dingen hadden, zoodat de ware gedaante van wat de Prinses in het woud had verzonnen, niet meer te voorschijn kwam op hun doek, maar enkel een schim daarvan, zoo ongestadig en verwrongen als schaduwen tegen den wand wanneer het sputterende olielichtje brandt. Mboq-Inten had ook nooit zuiverder teekening gezien, noch zelve gemaakt al was haar werk, dat met lust en liefde zij deed, beter dan dat van de andere vrouwen. Maar terwijl zij het nu, om den wille van Inten hervatte, haar hart vol van dat droomgezicht van Inten in het Heilige Woud, begon het verschrompelde en geknakte zich op te richten, het slappe kreeg houding, het logge won een schoonen zwier. Lieflijkheid van een effen gemoed en lieflijkheid van het woud bloeiden te voorschijn onder de druppeling van haar batik-dopje. Zelve zag zij verwonderd er naar hoe zeer de bloemen die zij met de gelige was op het witte katoen vormde, toch geleken op de prachtig bonte bloemen tusschen het fijne groene boschgewas, en hoe de teekening op de wieken van haar kapellen werkelijk het sieraad toonde dat zoo lokkend verschijnt en verdwijnt in de fladdering van vlinders, door de tintel-schaduw en de plotse zonneplekken van het woud. Uit ringelende kringen en slangelijntjes glansden de rimpellichtjes op van de bron. Zij moest denken aan de verhalen van nimfen en helden en stoute avonturen in het woud, toen de draak dien zij met een lang kronkellijf en uitgeslagen klauwen had geteekend, zijn gevaarlijke oogen kreeg en haar aankeek. De vogel die zoo statig op wijdgespreide wieken zeilde was de boodschapper van een God.
Toen na de dompeling in de laatste verw en het wegnemen van de was die al de andere kleuren had bedekt, de teekening in haar volkomenheid te voorschijn blonk, stond zij zelve verrast en opgetogen. En de vrouwen van het dorp die kwamen kijken riepen het uit van verwondering. Een regentsvrouw, ja, een prinses in den kraton van Djokja zou met zulk een sarong wèl getooid zijn!
De Chinees in de stad veegde zijn brilleglazen af aan zijn grauw-zijden badjoe, om het batikwerk te beter te bezien, toen Mboq-Inten het voor hem uitspreidde. En in zijn verlangen om het te bezitten noemde hij zoo haastig een hoogen prijs dat hij dadelijk weer zijn woord terug moest nemen. Maar Mboq-Inten, vroeger zoo bevreesd voor hem, trok den sarong onder zijn handen weg en ging er den winkel mede uit, en hij liep haar na tot op den passar toe met het blinkende geld in zijn hand. Wel tevreden ging Mboq-Inten naar huis. Zij voelde met trots hoe zwaar de kleine Kaïran, in slaap gevallen in die hangende wieg van den slendang, woog op haar heup. Haast zou hij groot genoeg zijn om den langen weg te loopen! Zij kon hem geven wat zijn mondje lustte, wat zijn hartje begeerde, genoeg zou er voor hem wezen van alles. O! hoe zou Inten lachen als zij hem zoo groot zag en zoo schoon! Een nog rijker offer dan anders bracht zij dien dag op het graf in het Heilige Woud. Zou het nog lang duren, och nog lang?
Maar zij wischte de tranen af die haar brandend in de oogen drongen. Zij kon wel wachten, wel geduldig wachten. Zoo wacht de landman die zijn rijst heeft uitgezaaid. Hij denkt niet aan zijn ledige schuur; hij denkt aan zijn veld, dat vol zal zijn.
Maar anders wachtte zij, die in haar gelukkige meisjesdagen het evenbeeld van Inten was geweest, en lachend en liefelijk als zij; anders wachtte op heil uit het Heilige Woud de arme Samirah: in vergeefsch verlangen machteloos, in smaad.
Tegelijk hadden Inten’s ouders en Samirah’s ouders de bruiloft voor hun dochter bereid, in den goeden tijd van het jaar, den blijden tijd den rijken tijd, den rijstoogst. De Rijst houdt bruiloft: de twee schoonste hoogst-gegroeide aren in het veld die met bloemen-windsels te zaam gehouden en met een blader-baldakijntje overschaduwd te prijk hebben gestaan, worden door een eere-geleide omgeven, in optocht naar de afgezonderde ruimte in de rijst-schuur gevoerd. En die het feest te zamen vierden, de jonge mannen en jonge meisjes beloven elkander de eigen bruiloft. Ouders overleggen, bemiddelaars gaan heen en weer, de sierlijke geschenken worden in ceremonie aangeboden en aanvaard. Dan laten de gamelanspelers de lachende bruilofts-muziek opklinken uit het brons, dan brengen buren en vrienden hun gaven voor het feestmaal, met bloemen bekranst zitten naast elkander op de eere-plaats in het huis die vroeger alleen stonden in verlangen van elkander ver. En als wederom de Rijst haar bruiloft houdt dan verschijnen tusschen de schuchtere meisjes trotsche moeders op het oogstveld; een arenschoof droegen bij het vorige feest zij in den arm, een kind dragen zij nu.
Zoo hadden Inten en Samirah hun bruiloft gevierd, in hetzelfde jaar op denzelfden dag; van elkaar en elkanders wedervaren niet wetend, waren zij als tweelingszusters naar het lot zooals zij als tweelingszusters waren naar gelaat en gestalte.
Doch toen de volgende rijstoogst kwam toen klaagden Intens’ vriendinnen om haar. En de plaats van Samirah bleef ledig in de rij der jonge vrouwen die naar het rijpe veld gingen; schamel, met ledige armen stond zij alléén in haar huis.
Weder een oogstfeest kwam. Zij wilde niet naar het veld, zoo arm als zij daar gekomen zou zijn, de ééne kinderlooze tusschen de vele moeders. Geen verwijt had haar man haar nog gemaakt, al sprak zijn moeder vaak bittere woorden. Maar als zij zag, op weg naar den passar of in het veld, hoe hij het hoofd omwendde naar een vrouw die welig met een kleintje in de draagsjerp ging, dan voelde zij haar hart krimpen, dat het haar pijn deed in de borst; en in den nacht werd haar slaapmat nat van tranen.
Een goedhartige buurvrouw had haar een bedevaart naar het graf van den Koning-Kluizenaar aangeraden. En o! hoe zeer verlangde zij daarnaar! Vanzelf, als zij de dorpspoort uit op den landweg kwam, gingen haar oogen naar de verte, waar donker het heuvelwoud stond tegen de lucht. Maar haar mans moeder, de oude Mboq-Noerdin bewaarde het geld van het gezin en Samirah dorst zelfs van het zelf-verdiende niet vragen voor de reis met den vuurwagen naar Sangean: al te wel wist zij dat het haar smadelijk geweigerd zou worden.
Mboq-Noerdin haatte haar met een hoe langer zoo bitterder haat; als zij dacht omdat Samirah haar geen kleinkind baarde; maar in waarheid, omdat Samirah ongelukkig was en zich schaamde. Zooals de kippen op het erf met scherpe snavels hakten naar een zieke kip, tot de wond waarmee zij in een hoek zat weggedoken open en bloedig lag, sterk-levende wezens die het zwakke, weinig-levende uit den weg ruimden, zoo hakte zij met haar verachtenden blik en schampere woorden naar Samirah’s onvruchtbaarheid. Die altijd neergeslagen oogen, zoo dikwijls rood geschreid, die bedeesde houding tergden haar tot een giftige drift. Zij kon het niet naast zich verdragen, zij had het wel weg willen hebben uit de wereld, dat zwakke, schamele, gebrekkige, zij moest er naar steken met haar oogen en met haar stem, met woorden die waren als de angel van een schorpioen. En om het kwaad dat zij, hatend, haar aan deed moest zij nog meer haar haten. Zij liet Noerdin geen rust met haar dringen en dwingen dat hij Samirah verstooten zou,—een vrouw die Toewan Allah verwierp, die hij geteekend had met de schande der onvruchtbaarheid!