Part 2
In haar angst waagde Samirah eindelijk een daad. Op een dag dat Mboq-Noerdin en Noerdin te zamen naar een ver afgelegen passar waren gegaan, sloop zij naar die medelijdende buurvrouw om eenig geld ter leen voor de reis naar Sangean. En de goede vrouw gaf niet alleen, en voor geringe rente maar, het geld; maar toen Samirah bedroefd zeide dat Mboq-Noerdin al de mooiste vruchten op het erf had medegenomen naar den passar en de andere stuk voor stuk geteld, zoodat zij daarvan geen durfde te nemen, gaf zij haar ook eenige pisangs voor een offer op het graf van den Heilige en zelfs, opdat de rijke gave te eer verhooring mocht uitwerken, een veegje kostelijke zalf op een blad. Samirah deed feestkleedij aan; zij stak een zilveren speld aan haar borst, een oleander bloem in haar haarwrong. Op den dorpsweg glimlachte zij de kinders tegen. Niet lang, niet lang meer! dan droeg zij er ook zoo eentje in den arm! Vrijmoedig voegde zij zich in de lange rij van de vrouwen die den landweg op gingen naar het station.
Maar een inval van argwaan had Mboq-Noerdin doen omkeeren op den pas-begonnen gang naar den passar. Plotseling stond zij voor haar schoondochter. Tot de laatste vrouwen toe in de rij verstonden de scheldnamen waarmee zij haar smaadde, zoo luid krijschte zij haar woede uit. Zij schudden het hoofd; al te erg toch krenkte Mboq-Noerdin haar zoon’s vrouw! En er waren Hollanders op den weg die het hoorden, zag zij het dan niet? Het rijtuig van den Grooten Heer was het, dat daar juist voorbij reed.
Verslagen van schrik en schaamte liet Samirah zich terug brengen naar huis. De oude dreigde; als Noerdin vernam wat zij heimelijk had gewaagd, dan zou hij haar knieën tegen elkaar schuren dat in geen maand de wond heelde; aan den stijl van het huis vastbinden zou hij haar wanneer hij weder een dag op reis ging! Zij zeide geen woord terug, met geen blik zelfs verweerde zij zich. Wel onnoodig was het dat de schoonmoeder haar goede kleeren weg nam en haar niet anders liet dan oud versleten en vervaald goed waarmee geen ordentelijke vrouw zich op den weg had vertoond; wel onnoodig dat zij haar met werk zoozeer overlaadde, dat van ochtendgloren tot avonddonker geen tijd haar bleef zelfs om naar de rivier te gaan, waar de vrouwen baadden. Zij schaamde zich te zeer over die vernedering in het openbaar dan dat zij zich onder menschen had gewaagd. Zelfs voor de vriendelijke buurvrouw verborg zij zich als zij de rijst ging stampen, op het achter-erf: zij had wel gehoord wat Mboq-Noerdin die toeriep over de heg! Als een schaduw sloop zij langs de wanden, in huis. Of zij er was of niet en was, haar man en zijn moeder bemerkten het amper. Noerdin sprak zelden een woord tot haar; zijn moeder nooit eenig dan harde, waarop zij geen antwoord had. Allengs ontwende zij het spreken.
Eén zacht oogenblik maar had zij in den dag, dat was in de vroegte, als zij de tortelduif ging voeren die in haar bamboekooitje hoog aan den katoenboom zat, bij den put. Noerdin en Mboq-Noerdin lagen nog in slaap in het duistere huis. Aan de doffe melatih-struikjes, die in het langs strijken haar enkels kil maakten van dauw, geurden doordringend de witte sterretjes-bloemen. De lucht werd al blanker waarin zij opkeek terwijl zij het touw vierde, en de kooi donker en even schommelend, omlaag gegleden kwam. Kleumig zat de duif, nog bevangen van kilte en donker. Zij nam het diertje tegen haar hals, koesterde het, praatte er tegen met kinderwoordjes. Zij liet het rijstkorrels pikken van haar vinger en uit haar mond. Als zij het met een laatste streeling over de zijzachte vederen weer in de kooi had gezet, bleef zij er nog een poosje naar kijken hoe het in den nieuwen zonneschijn zich verheugde, de donzige borst opzette, de vleugels nebde en den fijnen kleinen kop met de zwarte glinsteroogjes sierlijk her- en derwaarts wendde. Zij hoorde Mboq-Noerdins stem; haastig heesch zij de kooi omhoog, en spoedde zich het huis in, naar de bereiding van het ochtend-maal.
De dorpelingen die tusschen verschijnen en verdwijnen langs de haag van het erf een glimp van haar opvingen, zooals zij daarin haar gore kleedij, met ruig haar en doffe oogen sloop, zwijgend altijd, ook op een vriendschappelijken toeroep en groet, of zij niet hoorde en niet zag, zeiden onder elkander, als zij haar beklaagden, dat haar verstand verduisterd was door het groote leed. En misschien was zij inderdaad gaandeweg anders geworden dan andere menschen. Zij scheen de kwellingen die Mboq-Noerdin haar aandeed en Noerdins minachting die soms ruwheid werd niet meer te gevoelen. Als het gelaat van de steenen beelden in den grooten tempel, den Boroboedhoer, zoo strak en stil werd haar gezicht. Alleen als zij kinderen zag kwam er leven in. Naakte kleinen, op mollige beentjes dribbelend, speelden voorbij den ingang van het erf, deze met een tor aan een touwtje, of met een krekel in de hand geknepen, die zijn hakige pooten uitsloeg naar den halm waarmee hij werd gekrieuweld, gene met een boog van palmblad en nerf waar een fluitend geluid uit kwam als hij zwaaiend hem door de lucht sloeg, zooals hij het zijn grooten broer had zien doen. Samirah kwam zachtjes naderbij. Wat een verdriet toch dat zij niets had om een kleine te lokken, geen vrucht, geen bloem, geen stukje zoetigheid! Haar armen deden pijn van verlangen naar zulk een glad klein lijfje. Met een smeekenden glimlach en uitgestoken handen hurkte zij voor het kindje neer. Het stond stil, en keek haar weifelig aan. Een ongeruste stem riep het; het dribbelde weg en keek niet eens om. Met tranen in de oogen sloop Samirah terug. Daarna was zij nog doffer en willoozer dan anders.
Maar de lijdelijke en stomme gehoorzaamheid begon meer nog dan zijn moeders kijvend aandringen op een scheiding Noerdin te verdrieten. Op een avond, het was in den derden rijstoogst na hun trouwen, toen de mooie Sedoet van den hadji-geldschieter hem van tusschen de schoven op haar vaders akker had toegelachen, kwam hij thuis met een booze blik in de oogen.
Samirah had groven arbeid verricht, zoo laat nog op den dag. Er was stof op haar ruig haar, achteloos hing haar sarong dien zij tot onder de naakte armen had opgeschort. Met neergeslagen oogen kwam zij haar man het avondmaal brengen. Hij stiet haar weg.
„Je aangezicht verveelt mij! ga mijn huis uit!”
Verschrikt zag zij in zijn norsch en dreigend gezicht.
Maar Mboq-Noerdin schoot toe en greep haar bij den arm.
„Hoor je niet wat mijn zoon zegt? Wat talm je nog?”
Zij was bang dat hij misschien zijn toorn zou laten varen, als de scheiding wachten moest op den geestelijke en zijn uitspraak. Zooals Samirah daar stond in haar poovere plunje, moede gewerkt, met leege handen, stiet zij haar ter deur uit.
Zij stond alleen op den verlaten dorpsweg.
Het werd al nacht.
Zij aarzelde niet, zij zag niet om. Als een mensch die wandelt in den slaap zoo gedachteloos-zeker ging zij de poort uit, en den landweg op naar het Heilige Woud.
Vele mijlen lang is de weg van Soembertinggi naar Sangean. Den geheelen nacht door liep zij.
Zij liep zonder te rusten, zij voelde niet dat zij moede werd. Duister was het en eenzaam eerst, zij wist er niet van. Het werd licht en vol menschen later, zij wist er niet van. Van één ding maar wist zij, van het verlangen naar het wonder-werkende graf, waar zij gelukkig zou worden; dat was als een binnenste plek schrijnend leven in haar, alles er omheen gevoelloos, dood.
Het was passar-dag te Sangean. Uit al de dorpen van den omtrek kwam het markt-volk er aan. Langs het voetpad ter weerszij van den breeden weg waar buffelkarren langzaam schokkend voortbewogen en vlugge ruiters draafden, liepen in lange rijen de vrouwen, met vlakke manden vol fruit en zoetigheid op het hoofd, of pakken sarong-goed op de heup; zij hadden een kleintje in de draagsjerp, een kind achter zich aan; met een onophoudelijk kabbelgeluid van stemmen praatten zij over waar en prijzen. De mannen liepen ledig en zorgeloos. Velen droegen een duif in een kooitje dat met een bonten zijden doek overspreid was; er zou een wedstrijd van zangduiven gehouden worden op den passar. Ieder roemde de stem van de zijne; maar zij mompelden over den goudsmid van Sangean, die zijn duif met een gouden ring waarin tooverkrachtige teekens gegrift waren, over de nebbe en de tong streek om haar een schoon geluid te geven; licht zou die het winnen!
Als zij de al langzamer gaande Samirah inhaalden, wendden mannen en vrouwen en kinderen zelfs het hoofd om, verbaasd over die vrouw, die met ledige handen en zoo armelijk en vuil, den weg naar den passar ging, en wier doffe oogen stonden, als zagen zij niets. Zij wezen haar aan elkander.
„Eh! Een krankzinnig mensch!”
En de Resident die met zijn vrouw op den dagelijkschen ochtendrit voorbijkwam in zijn blinkend rijtuig waarvoor de groote Australische paarden draafden,—op het naderende geluid van dien hoefslag stegen de ruiters af, stuurden de karrevoerders het buffelspan naar den kant van den weg, en het volk der voetgangers hurkte neer in het stof,—ook hij zag bevreemd naar die Inlandsche vrouw die midden door de in nederigheid verstilde menigte, alléén haars weegs ging; en hem ook scheen het dat niet anders dan een zieke naar den geest zij kon wezen. Haast geloofde dat zelfs Elizabeth, die, vol deernis, en denkend over een flauwe herinnering, lang nog omzag naar die schamele en met wankele schreden gaande geheel-eenzame.
Samirah zag noch hoorde, noch gevoelde zij het. Zooals langs een steen die in bandjirs-tijd van de groene helling afgesleurd op een zandbank midden in de rivier is blijven liggen, het water heen stroomt, en geen frischheid noch nieuw spruitend groen brengt hem ook maar één van de ontelbare malsche golfjes, maar bar en dor ligt hij in de gloeiende zon, zoo vloeide die volle stroom van menschen met al hun begeerten en krachten en vreugden langs haar heen zonder dat ook maar één aandoening gaande werd in haar.
Het passarvolk haalde haar in, ging voorbij, verdween in de verre tinteling van zon tusschen schaduwen langs de tamarinden-rij van den landweg. De allerlaatsten waren verdwenen toen zij de steilte bereikte die opstijgt naar het graf in het woud.
Uit de diepe schaduw gloorde het haar tegen overblonken van bloemen. Zij zonk er tegen aan.
Het was heel stil in het bosch.
Voor de al hooger rijzende, al heeter brandende zon over de boomtoppen waren al de vogel-keeltjes dichtgegaan, die zoo luid hadden gezongen in het verrukkende rood van den dageraad. Geen wind bewoog het loover. Haast onhoorbaar was het gemurmel van de bron. Een koele reuk steeg er uit, reuk van water over steenen, die lokte de kapellen. Groote zwart-en-gele, die als een spel van schaduw en zonnelicht zijn, en, in menigte, heel kleine, dof en teeder blauwe kwamen aangefladderd en dronken. Andere streken neer op den rijken bloemenoogst opgetast op het graf. Hun kleine lichte schaduwen gleden over Samirah’s in de bloemen nedergezonken hoofd, over haar gesloten oogen.
Lang lag zij zoo.
Maar toen kwam een geluid dat haar doffe zinnen wekte: heel zacht, het kirren van een tortel, dat even te vernemen maar, uit de kambodjakroon kwam boven het graf.
Het was de zangduif van Marjoes uit Sangean, het zoontje van den dalang, die zoo schoon geschiedenissen verhaalde van het Heilige Woud en nimfen en goede geesten.
Voor een ieder verborgen hield de kleine jongen haar daar.
Hij bracht haar heimelijk uitgezocht voer en water uit de heilige bron, ’s ochtends als hij de buffelkudde van het dorp naar de ruige weide achter het woud dreef. Een windsel van stekelig gebladerte en dorentwijgen weerde klimmend roofgedierte van den tak waaraan het kooitje hing, de kambodja-bloesems bedekten het voor aller blik. Zelf kon Marjoes het niet vinden, als hij, tusschen de struiken, nog een wijle bleef luisteren naar het tevreden koeren en roekedekoeen van zijn zangstertje.
Het was het uur nu, waarop hij placht te komen; de tortel riep naar hem.
Het leek Samirah of zij haar eigen duif hoorde. Haar arme hart dat zoo lang zich dicht had gehouden, omdat niets kwam dan wat pijn wou doen, ging open. En terwijl, met een begin van een glimlach, zij luisterde naar het duifje, kwam, stillekens aan, allerlei andere liefelijkheid van het woud op haar toe; zij ademde den fijnen reuk van wateren koele vochtige aarde, van loover in de dampige schaduw, van bloemen pas opengegaan, en waar, met den dauw van den nacht, de eerste geur uit opging; zij keek naar de kapellen die met omhooggeklepte wiekjes zaten te drinken op de natte steenen in de bron, en wegfladderden door zonnestralen en ijle schaduwen, ze keek naar de bloemen die hier, daar, ginder weer, klein en klaar kleurden door den groenen schemer van het woud. Een specht hamerde; zij zocht met de oogen en vond den groenen vogel in het groene gebladerte; als een groen juweel flikkerde zijn driftig tikkende kop. Twee eekhorens die hun spel van vervolgen en vluchten, door de takken van een kenarie-boom hadden gestaakt op haar komst, maar weer begonnen toen zij zoo heel stil haar zagen, wipten en sprongen door het even schuddende loover, waar de rijpe nootjes met een licht geritsel uit afvielen; nu hier dan daar gluurden zij te voorschijn, met hun spitsen rossen kop en glinsterige oogjes. De grijze apen kwamen, waaraan het volk van de streek offers brengt; ook dien ochtend hadden de markt-vrouwen vruchten voor hen neder gelegd, op de open plek voor het graf. Zij lieten de moeders vooraan die hun jong hangend aan zich droegen, de kleine handen vastgewoeld in hun vacht, de smalle kop met de bleeke naakte oortjes vastgezogen aan den tepel. Geduldig wachtte de troep terwijl de voedsters zich voedden.
Als een gedachte niet, enkel als een gevoel, onduidelijk maar diep en sterk, kwam in Samirah de zekerheid op van een geluk waarvan er genoeg was in de wereld, ook voor haar. Het was of het spoedig komen zou. Hier in het woud, aan het graf van den goeden vorst, die zoovelen geluk had geschonken met zijn milde goedheid, hier zou het komen. Zij moest zich versieren er voor, zooals de meisjes in oogsttijd zich versieren voor het komende geluk, met bloemen, zooals een bruid zich versiert voor haar bruigom, met bloemen.
Zij daalde af in de heilige bron en baadde. Toen her en der gaande waar een kleurtje lokte begon zij bloemen te plukken. Met beide armen vol keerde zij terug naar het graf.
Altijd was zij een sierlijke vlechtster van kransen geweest; die zij nu vlocht waren de schoonste van haar leven: van bloemen en bladers en fijn gerank vlocht zij bruids-sieraad, banden om boven-arm en pols, een halssnoer dat driedubbel afhing, met een wijd-open bloem in het midden van iederen slinger waar in den bruids-ketting het flonkerende halve-maantje hangt, een breeden gordel om haar leest. Een rank waaraan purperen kelken twee aan twee praalden boog zij om hare slapen; als een kroon zoo statig stond de prachtige krans. Haar haar was losgegleden uit zijn wrong: zij spreidde het als een sluier om zich heen, en hing het vol met heel kleine bloemen en loovertjes, met melatih-knoppen en afgefladderde rozenbladers van het graf: het geleek wel een kostbare zwart-zijden doek, met pelangi-werk in witte, roode, paarse en groene kringetjes versierd, zooals zij zelve er een gemaakt en trotsch gedragen had in haar gelukkige dagen.
Uit de kambodja takken vielen telkens bloemen om haar neder, edel-witte kelken die lagen te stralen op den grond tusschen de schaduwen der puntige blader-rozetten. Een gleed er in haar schoot, zij ademde den zuiveren reuk diep in; toen plaatste zij de blanke bloem in den wrong van haar sarong, tusschen haar borsten.
De tortel in de kambodja kirde plotseling overluid en blijde, en zweeg stil. Marjoes was gekomen.
Hij kwam zijn zangstertje halen voor den wedstrijd.
Nu zou het blijken of de deugd van het heilige graf en de gunst van de Prinses in het Woud, aan wie zoo vele offers hij had gebracht, niet meer vermochten dan de kunsten van den goudsmid met dien gouden ring van hem, al stonden er nog zoo vele en krachtige tooverteekens in!
Behoedzaam haar beschuttend tegen zwiepende twijgen droeg Marjoes de tortel door het struikgewas rondom de kambodja.
Hij bereikte de open plek voor het graf; en stond roerloos.
Daar, in een kleed van bloemen, en met een bloemen-kroon op het hoofd zat de Prinses in het Woud!
Zooals een blad in de huiverige vroegochtendkoelte beeft en bleek is aan den steel, zoo beefde en was geheel en al bleek van bewogen ontzag het jongske. Niet bewegen, niet adem halen haast durfde hij.
In haar wakenden droom geheel verzonken, had Samirah het lichte geritsel in de struiken niet vernomen.
Maar voor haar neergeslagen oogen verscheen op den zonnigen grond de schaduw—onbewegelijke schaduw van een jongetje, met een kooi in de afhangende hand, en achter het dunne spylen-zwart de bewegende schaduw van een duif die zich nebt.
Zij hief het hoofd op en zag Marjoes aan met haar stille oogen.
Het hartje van het kind stond stil; met een snikkend hijgen naar adem vluchtte hij.
De landweg lag ledig: hij rende naar den passar.
Zijn vader was er, in den kring gezeten van toekijkers en wedders bij de duiven.
Marjoes brak door de menigte heen naar hem toe met een stamelenden uitroep van „de Prinses-in-het-Woud” en „het heilige Graf”.
De duiven vergeten, verdrongen allen zich om hem.
De geheele passar liep te hoop. De menschen lieten hun gebabbel, hun maal, hun loven en bieden, hun kraampje om met eigen ooren uit Marjoes’ mond het wonder te vernemen.
Sommigen haalden de schouders op over zijn verhaal—droomerij van een kwajongen die in het bosch was gaan spelen en in slaap gevallen, in plaats van ordentelijk te passen op de buffels! Maar anderen keken ernstig: wonderen waren meer geschied in het Heilige Woud. En waarom zou aan Marjoes, een deugdzaam jongetje en het kind daarbij van den Dalang die zoo vele schoone liederen van de Prinses-in-het-Woud wist te zingen, de gunst van haar verschijning niet kunnen gebeuren?
Een riep dat hij terstond zekerheid ging halen; en meteen waren er twintig menschen achter hem aan op den weg naar het woud. Toen volgde de geheele passar.
Volk van Sangean, volk van Djalang Tiga, volk van Soembertinggi, mannen, vrouwen en tot de kleinste kinderen toe alles haastte naar het Heilige Woud. De modin liep mede, de tijdregelaar aan de moskee, die toch zoo dikwijls het hoofd had geschud over verhalen van geesten en nimfen in het Heilige Woud. En door zijn dienaar gevolgd die de sirih-doos hem nadroeg ging de assistent Wedånå die een zoon was uit het geslacht van een Regent, mede in den drom. Uit den Kawedanan waarheen een schrijver, uitgezonden om de oorzaak van den oploop op den passer uit te vorschen, de tijding had gebracht, kwam de Wedånå, er aangereden, die zijn paardje de zweep gaf, ontrust als hij was over zoo buitengewone gebeurtenissen in zijn streek, en verlangend om met eigen oogen zich te overtuigen dat geen kwaad daaruit voortkomen kon en niets waarover, wie weet, hem als hoofd der bevolking een verwijt zou kunnen treffen.
Zooals in haar loop een beek zwelt tot een rivier van de velerlei wateren die van links en rechts haar toestroomen, zoo zwol van menschen, die uit huis en veld kwamen toegeloopen, de menigte, tot het als een geheel volk was dat de steilte op steeg naar het Heilige Woud.
Daar ontmoette den drom Mboq-Inten die met Kaïran aan de hand en door Paq-Inten gevolgd op weg naar den passar haar offer ging brengen op het heilige graf.
Verbaasd vroeg zij wat er toch geschiedde?
„Eh, Moeder-van-Inten! Hebt ge het dan niet gehoord? De Prinses-in-het-Woud zit aan het heilige graf. Marjoes het kind van den Dalang heeft haar gezien, als een bruid versierd en bekranst met bloemen.”
Mboq-Inten slaakte een kreet waarvan de menigte stil stond.
„Geen Prinses, geen Prinses, maar mijn dochter Inten! o eindelijk, eindelijk!”
Met Kaïran in de armen ijlde, lichtvoetig als een meisje, de oude vrouw den heuvel op, terwijl zij in een snikkend gejuich aldoor „Inten! Inten!” riep.
De verbaasde menigte liet haar door. Aan de Hoofden, aan den Modin, aan den Wedånå te paard voorbij, drong zij door tot aan het graf.
Het gerucht van die plotselinge honderden had Samirah opgeschrikt uit haar stille vervoering. Ontsteld zag zij in dien drom gezichten. Zij wilde vluchten, maar vond geen kracht tot opstaan. Met beide handen voor de oogen dook zij zoo diep ineen, dat geheel schuil zij ging onder haar aan den purperen krans ontgleden haar dat in een dichte, van bloemen bonte donkerte naar voren viel.
Maar in dat oogenblik van verdwijnen had Mboq-Inten het gelaat herkend dat, drie jaar lang, haar hoop had toegelachen. En zij wierp zich neer naast die ineengedoken gedaante onder de bloemen, en greep haar in beide armen, en kuste haar door bloemen en lokken heen op voorhoofd en oogen en wangen met de teederste kussen.
En „O, Inten!” riep zij telkens weder, „o mijn kind, o mijn harte-juweel, eindelijk, eindelijk dan toch! Ach! waarom toch zijt ge niet dadelijk bij Uw moeder gekomen! Drie jaar lang verlang ik al!”
En zachtjes haar gezicht in beide handen nemende zag zij in de schuw opziende oogen, en begon overnieuw te weenen van geluk.
„In niets zijt ge veranderd, mijn gouden dochtertje. Ach, ik kan mijn oude oogen niet verzadigen aan U! Hoe heb ik er naar verlangd, al die jaren lang, om u weer te voelen, zóó, tegen mij aan. Waarlijk, kind van mijn hart, ik ware niet in het leven gebleven, nadat gij gestorven waart, zelve ook ware ik gestorven van verdriet, zonder dien droom van Uw wederkomst dien Toewan Allah zelf mij zond. Zóó, zóó zag ik U in mijn droom, zooals een bruid bekranst, hier, op deze plek, wachtend op mij en op Uw kind. Zie hem, mijne Inten! aanschouw hem! gij hebt hem niet gezien toen gij hem ter wereld bracht, gij arme, donker waren Uw oogen al. Verheug U nu in hem! is hij niet groot en schoon?”
Zij had Kaïran, die bedremmeld en half angstig naar de vreemde zag, haar op den schoot geplaatst. Uit betraande oogen glimlachend zag zij op de twee.
„Nu! wat zegt Kaïran nu tegen zijn zoete Moeder?”
Samirah’s armen gingen om het kind heen, om het zachte kleine lijfje dat warm voelde tegen haar borst. Zij dacht niet, zij trachtte niet te begrijpen of te gissen, niet eens verwonderen deed zij zich, dat kleine wezen dat zij tegen zich aanhield, dat was haar kind. Haar aan spraak ontwende lippen begonnen te murmelen.
„Zoo zoet!” fluisterde zij, „zoo zoet!”
Kaïran schepte moed. Hij dacht aan al het vele dat hem beloofd was met de terugkomst van moeder. Half schuw nog, half vertrouwelijk al, zag hij van onder zijn wimpers naar haar op.
„Wat heeft Moeder Kaïran meegebracht?”
Een diep lachen welde Samirah naar de keel, er brak een glans uit haar oogen.
„Zeg dat nog eens, och zeg dat toch nog eens, mijn hartje, zeg Moeder tegen me!”
Een weinig verlegen en bedremmeld gehoorzaamde de kleine.
„Moeder!” en toen haastig.
„Heeft Moeder Kaïran een duifje meegebracht?”
Want Mboq-Inten had zooeven op den landweg, waar zij hem niet weg kon krijgen van voorbijgangers met een tortel in een kooitje, gezegd dat Moeder er hem een meebrengen zou als zij kwam.
Zij zei, met een trotschen lach:
„Hij is zoo slim, die kleine! Alles onthoudt hij! Zoo waart gij ook mijn kind, verstandig van klein af. In alles gelijkt hij op U.”
Samirah zag de vrouw aan die zoo vriendelijk haar het kind in den schoot had gezet; dankbaar lachte zij haar toe.