Chapter 3 of 5 · 3925 words · ~20 min read

Part 3

Mboq-Inten nam haar hand en streelde die langs haar eigen gezicht.

„Zeg gij nu ook „Moeder,” „lieve Moeder!” Weet-ge wel dat ge nog met geen enkel woordje mij begroet hebt mijn kind?”

Willoos en gelukkig herhaalde Samirah:

„Moeder, lieve Moeder!”

Mboq-Inten wendde zich naar de menigte.

„Weest getuigen gij allen, hoe Inten mij heeft herkend, en hoe zij haar kind heeft herkend! Kom, Paq-Inten, kom! hier is onze dochter!”

De menschen stonden zwijgend.

Zij wisten niet wat te denken. Was dit niet inderdaad Inten? met Inten’s gelaat? met Inten’s gestalte?

Daar was veel volk uit Djalang Tiga, dat Inten van kind af had gekend, en vrouwen die haar hadden zien sterven, en in de lijkwade haar hadden gewikkeld, en mannen die haar naar het graf hadden gedragen. Maar daar zagen zij haar toch, zóó, als het voorspeld was dat zij haar zouden zien, als een bruid met bloemen getooid aan het heilige graf, daar zagen zij haar, levend en met een lach van geluk neerziende op het kind Kaïran en omarmd door Mboq-Inten, als door haar moeder een dochter.

Geen woudnimf als Marjoes waande, en nog vol wilde houden, haast schreiend van teleurstelling, geen hemelinge was dit, maar wel waarlijk uit het graf herrezen, Inten!

Daar waren ook menschen uit Soembertinggi, die den verschrikten uitroep hadden gehoord: „Het is Samirah!” waarmede Mboq-Noerdin, te zamen met haar nieuwe schoondochter in allerijl het woud uit was gevlucht.

Maar in die gelukkige, lachende, die moeder en dochter die liefkoosde en geliefkoosd werd, konden zij de arme Samirah met de roodgeschreide oogen niet hervinden, die zoo schuw wegkromp voor Mboq-Noerdin’s schimpende stem, in die bekranste, in bloemen gekleede niet de arme vervuilde slons die zwoegde op Noerdins erf. En zij ook dachten, dat dit zeker Samirahs evenbeeld uit de gelukkige meisjesjaren was, die Inten, die wel bij Samirah’s naam gegroet werd, zoo zeer had zij op haar geleken. Vele wonderen waren geschied aan het graf van den Koning-Kluizenaar! waarom niet dit, dat Inten wederkeerde uit het graf?

Zoodat, toen Paq-Inten, weifelend en ietwat bang, naar voren trad uit de menigte die hem aanmoedigend vooruit drong, iedereen verwachtte dat hij verklaren zou: „Dit is in waarheid mijn dochter Inten”.

Hij zag het. En hij had al zoo in zichzelven gedacht, hoe het hem wel vergaan zou thuis, als hij het waagde hier, voor zoo veel menschen en het dorpshoofd en den Heer Wedånå zelven, Mboq-Inten te wederstreven,—Mboq-Inten die zoo veel geld in huis bracht, en alles zoo zéér wel beheerde, en alle dingen en alle menschen naar haar hand zette! En tegelijk dacht hij ook, hoe met zulk een schoone dochter in huis, hij niet lang meer zonder een schoonzoon zou behoeven te wezen, die hem hielp op den akker en met het ploegspan. Zoodat met die gedachten in het hoofd de jonge vrouw aanziende die Mboq-Inten toelachte hij uit volle overtuiging zei:

„Waarlijk dit is Inten!”

Hij reikte naar haar hand.

„Kom mede naar huis, mijne dochter, dat wij een feestmaal aanrichten en een offer brengen aan de geesten, en dat alle vrienden van uw moeder en mij en al uw speelnooten van vroeger zich met ons verheugen over uw terugkomst uit het land der schaduwen.”

Hij richtte haar op. Toen zagen allen hoe schoon, met Kaïran in de armen, zij glimlachend van geluk daar stond, in haar lang van bloemen doorglansd haar, en met het purperen schijnsel om het hoofd van den winde-kelken-krans, die doorschijnend gloorde in de zon.

Geen wonder was het, zei meer dan een, dat Marjoes haar voor een hemelnimf had gehouden, zij was liefelijk als de bruid van den Liefde-God!

Met blijde woorden schikten zij zich tot een stoet om een eere-geleide naar huis haar te geven.

Maar plotseling veranderde alles.

Want de Wedånå, wien het verantwoordelijkheidsbesef en de zorg te sterk waren geworden,—hoezeer moest hij niet waken over de kans van zijn ach! hoelang al gehoopte bevordering, voor goed verijdeld als er beroering kwam in de streek!—was spoorslags naar den Resident gereden, bezweringen mompelend opdat zijn paardje hem dragen zou sneller dan de wind. En de dag was gunstig! Ternauwernood was hij uit de schaduwen van het Heilige Woud geraakt, of daar zag hij op den landweg het blinkende rijtuig met den geel in de zon flikkerenden politie-oppasser op den bok, en de groote geweldig-dravende paarden, in een wolk van stof er aan komen. IJlings afstijgend stond hij met ontbloot hoofd in de zon waar het oog van den Kandjeng Resident op hem moest vallen. O! hoe nu te spreken, zoo, dat ook de allergeringste schijn van schuld verre van hem bleef?

De groote paarden stonden stil, hij vernam de bevelende stem. Met neergeslagen oogen stamelde hij. En de dag was wel waarlijk gunstig! de Groote Heer lachte. De Wedånå waagde een steelschen blik, en voelde het bonzen van zijn hart bedaren: de Groote Mevrouw was met den Kandjeng, met een vriendelijken blik groette zij hem.

Omzichtig man als hij was had de Wedånå nooit eenig Hollander laten bemerken dat hij Hollandsch verstond; en hij hield den blik bescheiden neer, en wachtte als een die vreemde klanken langs zich heen laat gaan, en niet begeert te weten dan wat zijn meerdere oorbaar acht dat hij weten zal, terwijl, geheel gerustgesteld, hij den Resident tot zijn vrouw hoorde zeggen hoe waarlijk alleen in een streek als Sangean, geheel overschaduwd door het Heilige Woud met zijn velerlei legende en bijgeloof, zoo iets kon geschieden: dat een straatdanseres, die op een stille plek zich opsiert voor een feest, door een buffelherdertje voor een nimf aanbeden werd, en door een oude moeder, om haar voor jaren gestorven dochter treurend, voor die dochter, uit den dood herrezen, omarmd. Op de terloops gedane vraag wie de dwaze oude was, zei hij vrij uit, Mboq-Inten uit Djalang Tiga, dat juist buiten de grens van zijn district was gelegen. En wat de vrouw in het woud betreft, sommigen meenden dat zij Samirah was uit Soembertinggi, de vrouw van Noerdin, van wie sedert lang al gezegd werd dat zij verduisterd was van verstand, kinderloos zijnde, en veel gesmaad daarvoor.

Elizabeth liet een uitroep hooren, op die twee namen. O waarlijk een wonder aan het graf van den Koning Heilige, die gelukkige waan, die twee levens, verloren al aan het leed, zoo liefelijk redde, die een moeder maakte en een kind van bedroefd-alleenigen!

Maar de Resident, die eerst toegevelijk had geschokschouderd, fronste de wenkbrauwen, in nadenken. Was die kinderpraat omtrent een uit het graf herrezene zoo onschuldig wel als het leek?

Hij dacht aan rustverstoringen die met zulk een wonderverhaal waren begonnen, weigering van heerendienst en belasting, omdat een uit het graf wedergekeerde zóó geboden had, aan pogingen tot omverwerping van het wettig gezag, ten gunste van den herrezen zoon uit een lang-gestorven Sultans-geslacht. Hij ging de gevaarlijke dwaasheid in de kiem verstikken.

Of zij de bedreiging voelde van haar pasgewonnen geluk, toen die hooge, in het wit gekleede, man met zijn streng gezicht door het op zijde wijkende en neerhurkende Inlander volk heen trad, week Mboq-Inten terug naar het graf; en zich nederzettend aan den voet, nam zij haar, die zij voor dochter wilde, op den schoot, ter handhaving tegenover het dessa-volk, en het dorpshoofd, en den Wedånå en den Resident zelven, van haar recht op haar.

Elizabeth raakte haar mans arm aan. Dat was zij immers, dat was zij, die arme verdwaasde van den landweg, zielsziek misschien van wie weet welk een ondragelijk verdriet, waarvan zij genezing ging zoeken aan het graf van den milden heilige; dat was die weenende, die zij had zien mishandelen door de wreede oude vrouw, de gesmade kinderlooze, glimlachend met een kind in de armen! Haar oogen smeekten:

„Laat toch die rozen van verbeelding dagelijksch brood worden!”

Met een beweging van ongeduld weerde hij af: geen toegefelijkheid tegenover zulk bijgeloof, geen zwak ontduiken van den regeerders-plicht om ook in geestelijke dingen de orde te handhaven!

Streng sprak hij Mboq-Inten aan.

„Hoe waagt gij het, oude! te zeggen dat deze uw dochter is, terwijl allen in uw dorp weten dat zij voor drie jaren gestorven is bij de geboorte van haar kind, en de mannen hier zijn, die haar begraven hebben? Lang genoeg heeft deze dwaasheid geduurd! Laat die vreemde gaan, en keer terug naar huis!”

Mboq-Inten zag op. Zij sprak niet. Maar een onoverwinnelijke wil stond in haar oogen. Samirah, bang, borg zich aan tegen die eene die goed voor haar was; en zij hield Kaïran vast geklemd in haar armen.

Haar gebaar en doodsbleek gezicht ontroerde den ambtenaar. En hij zag wel, instee van opstandigen vrijheidsdrang dien hij had willen fnuiken, enkel onnoozele wonderzucht in die vele gezichten die, in schroom, naar hem staarden. Maar hij was voogd en opvoeder van die eeuwig onvolwassenen, hij moest hen genezen van dat kinderlijke bedelen om het onmogelijke, dat zoo gaarne zich laat paaien en foppen met een schijn, dat bewuste ontduiken van de waarheid om den wille van het gewenschte.

En hij zeide ietwat minder streng sprekend toch:

„Als ik het graf van uw dochter doe openen, en U in het graf haar gebeente laat zien, zult gij dan erkennen dat zij gestorven is en vergaan? en een vreemde is het, die gij daar omhelsd houdt?”

Onverschrokken antwoordde Mboq-Inten:

„Laat het graf geopend worden waarin Inten gelegen heeft! En laat mij staan aan het geopende graf! Ik zal geen gebeente zien daarin, want zij die gestorven is en begraven was, zij is opgestaan, en ik houd haar in mijn armen.”

Het rood der ergernis steeg den Hollander naar het gezicht. Kortaf gaf hij een bevel. De zwijgende mannen gingen.

Maar Elizabeth greep naar zijn hand.

Haar oogen stonden vol tranen, zij was zeer bleek.

„O, waarom zoo iets te doen? Zal dan een arme handvol dood iets vermogen tegen het leven en zijn waarheid? Zie toch de liefde in Mboq-Intens oogen! Haar liefde is het die is opgestaan uit het graf, haar liefde is het die leeft! Dat immers is het groote wonder dat liefde altijd weder herrijst in het hart van wie eenmaal heeft liefgehad! Liefde vergaat in geen graf, geen lange jaren wachtens, geen nog zoo zwaar leed krenken of ontmoedigen haar. En altijd weder is zij de moeder, en altijd weder het kind. En door haar alleen leven en zijn wij allen, allen zooveel menschen als er op deze wereld leven, en liefde behoeven.”

Met een stem dieper dan haar eigene sprak zij de onbeholpen, onsamenhangende woorden, zij ging tastelings op haar gedachte toe, als blind door al te veel licht op een waarheid toe waartegen die andere, die met werkelijkheid, en rechten wet werd gemeend, gering was en ledig, een kortstondige schijn. Zij stond bleek en bevende als een vlam, zelve een glans van dat groote licht, geheel doorschenen van zijn klaarten.

Het Inlander-volk dat haar woorden niet verstond, verstond haarzelve toch, haar bleekheid en de donkere innigheid van haar oogen, en die ontroerende stem. Als naar hun heil zagen Mboq-Inten en Samirah naar haar.

Elizabeth ging op hen toe en nam, zacht, van elk een hand in haar handen. Zoo zag zij, bezwerend, haar man aan.

Hij stond nog in twijfel, donker. Maar toen zag hij in haar oogen.

De mannen die het graf moesten openen waren stil blijven staan. Hij maakte het gebaar waarop hij hen zag wachten. Verheugd traden zij in de menigte terug.

De drie vrouwen glimlachten elkander aan.

Elizabeth en Mboq-Inten zagen het rustige licht der rede opgegaan over het gelaat van haar die Samirah had geheeten, maar van dit uur aan Moeder-van-Kaïran was.

Een schooner wonder, zoo dachten allen, was nooit nog geschied in het Heilige Woud.

AAN HET STRAND

Het is aan het zeestrand, aan de ondiepe baai, waar, voorbij de groep bruine visschershutten aan den zoom van het palmenbosch, hoog en breed uitgegroeid in ruimte rondalom een prachtige njamploeng-boom staat, een heuvel van groen tegen de lichte ledigheid van zee en lucht.

Nog vroeg is het aan den dag, nog koel en stil. Het njamploeng loover ligt roerloos op de lucht, de geur der opengaande bloesemtrossen hangt dicht om den boom heen, de zee en de horizont dien de wijd-gespreide laagste takken behangen met wimpels en slingers van donker loof, schijnen met gedempten glans de groene schemering binnen.

De jonge Westersche vrouw zit tegen den stam geleund, tusschen hoogopstaande wortels waarvan de zee in vloed en ebbe de aarde heeft weggespoeld. Boven haar hoofd drijft als een groene wolk de volte van het groot-bladerige loover, met gekartelde randen licht-goudachtig glorend op de eene plek, dof-donker op de andere, dampig-blauw in holten van schaduw, waarboven het wit der verborgen bloesemtrossen doorschijnend schemert. Door flonkeringen en donkerten heen stijgt sterk de rechte stam op tot waar, in een verre hoogte, twijgen en bladers verwarren tot een gelig schijnsel tegen blank van lucht. Zij tuurt omhoog in die stille pracht; haar oogen die schrijnen van een slapeloozen nacht worden koel aan die koele klaarten, haar gedachten die heftig waren en moede, in de effen stilte stil.

De groene van bloesem wit doorschenen welving boven haar, het groene spreidsel en hangsel rondom, het is een schoone scheiding tusschen haar en de dingen waarvan haar oogen en gedachten zoo schrijnend branden, dingen van de felle stad aan gene zijde van het strandbosch, dingen van het leven der Westerlingen.

Een ander is hier aan het zeestrand, een dat zij nog niet kende—of kende zij het niet meer? Want met een blijdschap als over onverwacht hervinden worden al vroolijker haar gedachten, beginnen speelsche stemmen in haar hart te roepen tegen een kleine donkere gedaante, die uit het visschersgehucht te voorschijn is gekomen, en langzaam, nadert over het strand.

Het is een oud mannetje, een visscher, met zijn gereedschap in een bundel op den rug. Een hoed van gevlochten bamboevezels, bruin en vlak-rond als een groote bosch-paddenstoel, overdonkert zijn gezicht, hij heeft een verschoten paarsen sarong, met een riem vastgesjord, om de lenden.

De jonge vrouw zit zoo klein ineengedoken tusschen de hoog-opstaande wortels van den njamploengboom, het oude visschertje ziet haar niet. Dicht langs haar heen gaat hij de zee in. Hij moet een eindweegs waden, voor het water hem tot aan de knieën komt; het getij is op zijn laagst. Nu, een smalle zwarte schim tegen het zilver van zee en lucht, blijft hij staan; en den last van den gebukten rug latende glijden, begint hij zijn dagwerk: hij zet de visch-hekken uit.

Heen en weer beweegt de kleine donkere gedaante, kleintjes heen en weer tegen den blanken glans der verte; hij trekt de visch-hekken als een ragfijn zwart streepsel achter zich aan. De oude man gaat bedachtzaam te werk, met ervaren list. Zóo moet hij de buigzame staketsels doen kronkelen en slingeren, doodloopend in eigen draai, dat de visch die bij rijzenden vloed er binnen zwemt, onmogelijk weer een uitweg vinde, als het getij verloopt.

De gedachte der jonge vrouw waadt naast hem door de zee, de speelsche stemmen roepen.

„Zwem maar, zwem maar, kleine zilveren visch, vlugge gouden visch, prachtige blauwe en groene en regenboog-gloorde visch! Stoot den strak-oogden kop en de sidderende vinnen tegen de spijlen! Haast-je maar, haast-je maar, veel-pootige krab! loop maar heen en weer, schuif en graaf in het van schelpjes ruwe zand! Vischje, je komt er niet meer uit—al te veel slingeringen van het vischhek omringelen je. Krabbetje, je graaft je niet vrij! al te diep staan de hekken gedreven. Geeft het op, ligt stil! Het laatste water is al weggeloopen. Nu komen de visschers-vrouwen, nu heffen zij de hekken, nu lezen zij je op, o zilveren en gouden, o roze-roode en blauwe, o schitterende, sidderende, ontelbare oogst der zee!”

De hekken staan. De oude visscher komt plassend aan land gewaad. Nu zal hij op de bamboe rustbank voor zijn hut gaan liggen, en een sigaar rooken van fijn-gesneden tabak in het papier-achtige hulsel van den maïskolf gerold. Terwijl hij rust arbeidt voor hem de zee.

Daar komt een geheele bende kinders aangerend over het strand; schel-stemmig joelen ze. Zij draven spiernaakt; de rappe beenen flikkeren, in den lachend open mond blinken de melkwitte tanden, de oogen tintelen van pret onder den ruigen in zee en zon rossig geworden haarbos. Die het eerst de zee in plast schreeuwt zijn victorie uit, dat een echo terugjuicht uit het bosch. Allen plonzen zij hem na, van den grootste af, die misschien twaalf, tot den dikbuikigen kleinste die even drie is.

Zij baden niet, het water is hier te ondiep; zij zoeken paarlmoer. In dunne plaatjes en scherven ligt het tusschen het losse zand, waar de vloed de ledige schelpen heeft neergestrooid. Bedachtzaam her- en derwaarts gaande, tasten ze er naar met den voet. Die een puntig scherfje voelt, staat stil, rechtop op éen been, en met de teenen van den anderen voet raapt hij de vondst op, en beurt ze in de afhangende hand. Als beide handen vol zijn, steekt hij de glanzige stukken in den mond. Hij heeft geen plooi of vouw van kleeding om zijn schatten te bergen; maar zijn moeder noemt hem daarom niet naakt. Zij heeft hem een snoer kralen om den hals gebonden, en een touwtje om het middel. Haar kind is geen hond of kat, die geen moeder hebben om hen aan te kleeden!

„Zoek je glinsterende scherven, kleine bruine jongen! zoek scherven en vind schatten, vind schat van kracht en joligheid in d’eb der rijke zee!”

De zon is boven de witte wolkbank uit gestegen die haar opgang verborg. Alles begint te schitteren, het njamploeng groen, het strand, de zee.

Het dorp is wakker en doende. Een licht rhythmisch getokkel huppelt door de lucht; dat zijn de houten stampers die op en neer dansen in de houten blokken, de uitgeholde stukken boomstronk waarin de vrouwen rijst ontbolsteren. Zij zijn niet te zien, maar de gedachte vindt hen waar zij staan onder een luchtig-gevoegd bladeren-dak dat schaduw breidt over hun werk. Zij hebben het zwarte haar in een laag-afhangenden knoop getrokken, de sarong is in der haast geschort, in den slendang, den breeden sjerp dien ze van schouder naar heup om en om geslagen hebben, hangt als in een wieg een slaperig kleintje. Zij houden beide handen aan den stamper terwijl met haar gezellinnen in de maat zij stampen.

De zonneglimpjes door het losse bladeren-dak laten de kleuren in hun kleedij bloeien, het rood en geel der sarongs, de zachte tinten der kabaias. In het rijstblok huppelt en springt de rijst onder de dansende stampers; gouden kafjes en paarlige kernen vliegen en vallen schitterend door elkaar.

Nu komt een forscher geluid er aangeklonken, sterk neerkomende slagen, volhardend hamer-geklop. De werkman staat aan den overkant der baai, waar een palmengroep dunne schaduw strooit; hij timmert aan zijn prauw. Met de kiel naar boven gekeerd gelijkt zij een grooten zwartigen visch, aemechtig op het droge. Zij ligt roerloos nu, als dood; maar in elk harer slanke lijnen, in de smalle welving der zij, in de scherpe kiel lang gestrekt, in den oprekkenden steven wacht verborgen lenigheid. Straks komt de eerste golf, die den vloed vooruit draaft, straks komt het opbeurende getij, straks met een sprong, schiet zij de branding in. Uit slaat zij den grooten grauwen zeilen-vlerk aan den mast. Weg scheert zij voor den wind. Zij schiet over de golven, vogel en visch tegelijk. En de schipper die op den steven staat, voelt de touwen straf als zijn armen, zijn borst ruim aad’mend als het zeil. Daar denkt hij aan, terwijl hij hamert, hamert aan de kiel.

Zijn jonge vrouw komt op hem toe. Zij draagt haar kleine schrijlings op de slanke, even uitgebogen heup, het naakte lijfje met haar arm omvangend; aan de afhangende linkerhand schommelt een bundel goed. De timmerman roept haar aan; zij antwoordt; klaar klinken de stemmen der twee over het strand.

„Ik wil gaan baden met het kind! En de kleeren van het kind wasschen, en jouw kleeren!”

Den slendang lostrekkend, zet zij den kleine neer in het zand, en maakt zich tot het bad gereed. Zij schudt den zwaren haarknoop die haar in den nek is gezakt, los in een glinster-zwarte golf; dan, met beide handen den overvloed bijeengarend, draait zij vlugvingerig den vasten wrong, dien zijn eigen zwaarte houdt. De kabaja glijdt haar van de schouders; haar armen glanzen goud-achtig bruin. Zij trekt den hoog geschorten sarong nog wat strakker om de borst. En den kleine bij de hand nemend, waadt zij met hem het water in.

Het jongetje is nog warm van haar koesterende lende; hij begint te huilen om de natheid en de kou. Hij hangt aan haar sarong, en krijt dat hij gedragen wil worden. Maar zij leidt hem dieper den vloed in, en bukkend, schept zij beide holle handen vol, en giet het water over hem heen, over zijn mollig bibberend lijfje, over zijn kaalgeschoren kleinen bol, dat water en tranen hem tegelijk in het schreeuwend-open mondje loopen. Weinig stoort zij zich aan zijn gekrijt. Zij kijkt zelfs niet eens naar hem. Haar rustige oogen blikken recht uit over zee. Zoo gestadig en onverstoorbaar de zee-zelve haar golven neerwerpt op het strand, zoo gestadig en onverstoorbaar giet zij de volle handen telkens weer over haar kleintje uit.

Dan droogt zij hem met den vouw van haar sarong het gezicht af, en laat hem loopen naar zijn paarlmoer-zoekende makkers. En zelve waadt zij dieper de zee in.

Zij hurkt neer, en laat de kabbeling over haar schouders spoelen en om haar hals; met beide handen het gezicht bettend, snuift zij de frischheid op der natte palmen, en aait het haar dat het spiegelend glimt. Dan, opgerezen, staat zij stil, en tuurt de verte in, onbewegelijk, als eene die in droomen haar wil te loor laat gaan. Het water vloeit blinkend langs haar af; het vleit den sarong glad tegen haar boezem en haar slanke dijen aan. Haar oogen zijn stil in het effen gezicht. Zij denkt aan niets. Het is haar wèl te moede.

De Westersche vrouw ziet naar haar. De speelsche stemmen zijn stil geworden.

Wèl mag zij te vreden zijn, de jonge vrouw van den visscher. Zoo vriendelijk omvangen haar alle de machten des levens, zoo goed zijn de ontzaggelijken voor haar. Zij openbaren haar niet hun grootheid, zij laten haar hun overmacht niet gevoelen, hun gunst vloeit haar toe als de lucht die zij inademt, zij ontvangt haar en weet het niet.

Aarde, zon en zee begiftigen haar uit onuitputtelijken rijkdom. In vrijheid weeldert haar krachtig-mooi lijf, bloeiend en vrucht-dragend. Zij leeft bij den dag die schijnt, bij den nacht die schaduwt—vandaag is alles goed, en zij treurt niet om gisteren en verlangt naar morgen niet. Die zij kent zijn haar gelijken en kameraden; zij eten en werken en spelen samen, zij leenen in geven en in nemen, zij worden boos op elkander en schelden, maar dat duurt niet lang. Toewan Allah en de geesten, de goede en de booze die zeer machtig zijn, stellen zich toch met geringe offeranden tevreden, en de handvol melati-bloesem die zij neerlegt onder den heiligen waringin dunkt hun hulde genoeg bij het eer-brengend gebed. Ook voor den dood vreest zij niet zeer, want het is eenmaal zóo beschikt, dat het leven langs éenen weg heengaat en komt langs een anderen terug. Zóo is zij met alle dingen, de zienlijke en de onzienlijke, wèl vertrouwd. En geen twijfel stoot ooit aan haar evenwichtige gedachte.

Uit de njamploeng schaduw ziet de Westersche vrouw, de stedeling, verlangend naar de baadster, glanzende in den vloed die glanst. Zij zou op haar willen toegaan, en haar beide ledige handen uitstrekken om een weinigje van dat overvloedige geluk.