Chapter 2 of 3 · 3634 words · ~18 min read

Part 2

Nochtans zij bleef, en volgde ’t wijkend schip Met turend oog, tot ’t niets was dan een stip, En keerde huiswaarts, hem beweenend. Maar, Schoon ze om hem treurde of hij gestorven waar’, Deed ze alles trouw wat haar door hem tot taak Gesteld was. Dan, ’t ging slapjens met de zaak, Daar ze in den handel niet was opgebracht, Niet uitgeslapen was en niet bedriegen, Zoo min als overvragen kon en liegen, En zij gestaâg daarbij aan Henoch dacht. Wat zou hij zeggen? Meer dan eens gedreven Door nood en als ze in moeilijkheden zat, Had zij heur waar voor minder weggegeven, Dan waarvoor zij die ingeslagen had. Haar zaak verliep; en, daarvan zich bewust, Was zij neêrslachtig; en naar tijding smachtend Die nimmer kwam, had de arme vrouw geen rust. Zoo won zij zich, op beter dagen wachtend, Een sober stukjen brood, en sleet zij stil Een leven, door gebrek en droefheid kil.

Nu werd het derde, krank geboren kind Staâg erger ziek, ofschoon het op den duur Met al de zorg, waarmede een moeder mint, Verpleegd werd. Toch, hetzij in menig uur Het werk de moeder afriep van heur schat, Dan uit gebrek aan ’tgeen ’t meest noodig had, Of wijl zij ’t geld voor dokters niet bezat, Het kwijnde weg, totdat het straks bezweek, Als ’t vogeltjen, dat snel zijn kooi ontweek.

Die eigen week, toen ’t wicht begraven werd, Gevoelde Philip onrust in het hart, Dat hij haar nog niet troostte in al haar smart. (Hij wenschte voor de droeve rust en vreê Maar zag haar niet sints Henoch ging in zee.) „Wis,” zeide Philip, „’k mag nu tot haar gaan „En zeggen hoe ik deel neem in haar lot.”— Hij ging door ’t eenzaam voorvertrekjen tot De deur der achterkamer, klopte er aan; En toen hem daar niet open werd gedaan Na driemaal kloppens, trad hij schuchter binnen. Maar Annie zat daar half verward van zinnen. Nu pas haar kind aan de aarde was vertrouwd, Was ’t al haar onverschillig wat ze aanschouwt, Hield zij den blik maar op den muur geslagen, Terwijl zij weende. Toen stond Philip op, En stamelde met hangen harteklop: „Ik kom om, Annie! u een gunst te vragen.”

Hij sprak—de hartstocht die in ’t antwoord lag: „Een gunst van iemand, die met elken dag „Meer ’t lijden voelt dat haar de ziel doorknaagt.” Sloeg Philip half ter neêr. Maar toch, in spijt Van zijn bedeesdheid, met zijn hart in strijd, Greep hij een stoel en nam, schoon ongevraagd, Nu naast haar plaats—en sprak aldus haar aan:

„Ik ben alleen daarom tot u gegaan, „Om over Henoch’s plan met u te spreken. „Gij koost, ik heb altoos ’t ronduit gezeid, „Van ons den beste, een krachtig man, bereid „En ook in staat te doen—het is gebleken— „Wat hij besloot te doen met vasten wil. „En waarom is hij ver weg zee gaan bouwen, „U eenzaam achterlatend? Uit geen gril, „Of lust om eens de waereld rond te schouwen? „Neen, om zooveel te winnen door zijn vlijt „Dat hij zijn kindren beter op kan voeden „Dan u en hem gegund werd in der tijd, „Trotseert hij ’t woên van stormen en van vloeden. „Dat was zijn wensch! En als hij wederkeert, „Dan zal ’t hem zeer doen als hij moet ontwaren, „Hoe de eerste jeugd, waarin men ’t beste leert, „In doelloos slenteren is weggevaren.— „’t Zou in zijn graf hem zelfs nog kwelling baren, „Wanneer hij wist, dat daaglijks, vroeg en laat, „Zijn kinderen verwilderen op straat. „Spreek, Annie! hebben wij niet heel ons leven „Elkaâr gekend? En daarom smeek ik u „Bij uwe liefde voor uw echtvriend, nu „Tot antwoord mij geen weigrend „Neen!” te geven. „Staat gij er op, welnu, als Henoch keert, „Geeft gij het mij terug—zoo gij ’t begeert. „Ik bid u, Annie! och versta mij wel: „Veroorloof mij, ’k ben rijk, ik kan het dragen, „Dat ik op school uw kinderen bestel: „Dit is de gunst, die ik van u kom vragen.”

Toen antwoordde Annie, de oogen op den duur In sombre smart geslagen naar den muur: „Ik kan u, ach! niet aanzien. ’k Schijn zoo zeer „Door ’t leed verbijsterd en zoo dwaas. Toen gij „Hier kwaamt was alles bitterheid in mij. „En nu, nu buigt uw vriendelijkheid mij neêr. „Maar Henoch leeft—’t staat in mijn hart geschreven, „Hij geeft u ’t geld terug: dat’s weêr te geven, „Maar wie betaalt u zulk een vriendschap weêr?”

En Philip antwoordde: „Annie, wilt ge mij „Dit dus vergunnen?”

Daarop keerde zij Zich om, stond op en sloeg haar weenende oogen Op hem en blikte aldus een wijl hem aan, Toen op zijn hoofd Gods zegen uit den hoogen Inroepend, greep en drukte ze aangedaan Zijn hand, en sloop haar needrig tuintjen in— Dus ging hij huiswaarts met verruimden zin.

En Philip liet het paar ter schoole gaan, En kocht hun boeken, en trok zich hun aan Als een die voor de zijnen, slechts wil leven. Maar daar hij aan ’t gesnap, dat haatlijk werd In ’t praatziek vlek geen voedsel wilde geven, Om Annies wil, ontzeide hij met smart Zich menigmaal den zoetsten wensch van ’t hart. En trad hij zelden slechts haar woning binnen. Toch zond hij met de kindren groente en fruit, Het beste dat hij op zijn erf mocht winnen, En zocht voor haar de schoonste rozen uit: Soms stuurde hij heur wel een vet konijn: Ook zond hij, met de boodschap dat het fijn En extra-wit was, om haar niet te krenken Als wilde hij ze een kwetsende aalmoes schenken, Wat meel zijns eigen molens naar haar stulp.

Maar Philip kon haar harte niet doorgronden. Slechts zelden had hij haar in staat gevonden Hem door een woord te danken voor zijn hulp. Dan Philip was steeds alles voor haar kindren. Men zag ze vaak van ’t uiterst eind der straat Met luiden groet hem juichend tegenvlindren. Als ware hij op school hun kameraad. Zij waren meester in zijn huis en molen, Vermoeiden zijn geduldige ooren met Verhalen van hun kibblen en hun pret; Zij klommen op zijn knieën en verscholen Zich achter hem, en noemden strijk en zet Hem vader Philip. Philip won al meer Waar Henoch steeds verloor; want keer op keer Scheen Henoch slechts een droombeeld, hun ontvaren, Als een gedaante, die we in onzen waan Soms in het waas van d’uchtenddauw ontwaren Aan ’t einde van een dicht begroeide laan, Niet wetend welken weg ze heen zal gaan. En zoo vervloog een tiental lange jaren Sints Henoch van zijn dierbren afscheid nam, Tot wie nooit taal of teeken van hem kwam.

Op zeekren najaarsavond ging met velen Het kindrenpaar naar ’t bosch; daar zou men spelen En nooten plukken. Moeder ging ook meê, En vader Philip vroegen ze: maar hij Was wit van meel bestoven als de bij, En kon toch zóó niet meegaan op hun beê: „Kom met ons!” Maar toen zij met sterker dringen Hem nopen wilden meê naar ’t bosch te gaan, En zelfs in ’t eind aan rok en hals hem hingen. Toen lachte hij; hoe kon hij d’eisch weêrstaan: Want was niet Annie bij hen?—en zij gingen.

Maar na een goed eind klimmens door het zand Ontzonk haar juist, waar naar den heuvelrand Het slinkend boschjen afloopt, al heur kracht, Ze sprak: „laat mij wat rusten,” en haar vriend Zat naast haar, zeer met dat verzoek gediend. Inmiddels, onder luid gejubel, vlogen De kindren uit der oudren waakzame oogen, En in het dichtst van ’t hazelarenbosch. Zij huppelden en buitelden en gleden Tot in het dal, en rolden in het zand, Of trokken woest de takken naar beneden Wanneer de vrucht te hoog hing voor hun hand. Zij woelden en krioelden door elkander En links en rechts aan allen kant door ’t woud Daar op ’t geroep van d’eenen knaap aan d’ander Het luidkeels: „hier!” klonk uit het kreupelhout.

Maar Philip, aan heur zijde neêrgezeten, Dacht aan heur tegenwoordigheid niet meer. En riep een donker uur, door hem gesleten In ’t zelfde woud voor zijn verbeelding weêr, Toen hij, gelijk ’t gewonde hert in ’t duister Van ’t bosch eens kroop; maar in het eind sprak hij, Terwijl hij ’t eerlijk voorhoofd ophief: „Luister, „Wat klinken ginds die kinderstemmen blij! „Zijt gij vermoeid? zeg Annie?” maar hij hoort, Schoon hij die vraag herhaalt, van haar geen woord. Zij zat het hoofd gebogen op haar schoot; Waarop hij zuchtte—smartlijk aangedaan ’t Schip is vergaan, helaas! het is vergaan. Hoop maar niet meer. Wat doet g’u zelf den dood „En maakt g’uw kleenen tot volslagen weezen? Zij antwoordde: „’k Dacht daar niet aan, o neen! „Maar ’k weet niet wat zoo bang mij ’t hart doet slaan, „Die kinderstemmen, doen me iets droevigs vreezen, „Ik voel bij dit geluid mij zoo alleen.”

Daarop kwam Philip haar iets naderbij en sprak: „Hoor, Annie, ’k heb iets op mijn hart en och— „Sints lang—’k weet niet wanneer er ’t kwam. Dat pak „’t Moet nu er af. ’t Is enkel zinsbedrog, „Dat hij, die u, tien jaren lang geleden, „Verliet, nog leven zou—hoor mij dus aan. „Mijn ziel wordt door de felste smart bestreden, „Als ’k zie wat ge in uw armoede uit moet staan. „Ik kan niet, zoo als ik wel wenschte, u schragen, „Tenzij—misschien gist gij reeds wat ik trouw „En lang verborgen hield, maar nu ga vragen,— „De vrouw, zegt m’ is gevat:—’k vraag u tot vrouw. „Het denkbeeld streelt mij dag en nacht de zinnen „Een vader voor uw kinderen te zijn, „Ik weet dat zij mij als een vader minnen, „Ik voel het diep, mijn liefde is meer dan schijn, „En ik verwacht dat, zoo wij samen trouwden, „Na al dien tijd van tegenspoed en kwaad, „Wij zeker zoo gelukkig wezen zouden „Als God een van zijn schepslen wezen laat. „Stel u de zaak eens goed en helder voor. „Ik ben in goeden doen, heb vriend noch magen, „Geen zorgen dan voor u en de uwen, hoor „Wij speelden saam in onze kindsche dagen „En ’k heb u langer dan gij weet bemind.”

Toen antwoordde Annie teêr: „gij waart me een vrind „Een engel in ons huis. O moog de Heer „U daarvoor zeegnen, Philip! met veel meer „Dan ik u wezen kan, vergelden! Kan „Men tweemaal minnen? Kan ik u zoo teêr „Liefhebben als ik Henoch had? Wat dan „Verlangt ge?” En hij hernam: „Ik ben tevreên „Ook zoo ’k een weinig minder word bemind „Dan Henoch werd.”—„Och!” riep ze, „beste vrind!” En door haar ziele voer een huivring heen, „Wacht nog een wijl. Als Henoch weêr zal komen,— „Maar Henoch zal niet komen—wacht een jaar. „Een jaar is immers ras voorbij, niet waar? „En in dat jaar heb ’k zeker meer vernomen. „Wacht dus zoo lang.” En hij, maar half tevreên, Zei: „Annie, daar ’k gewacht heb heel mijn leven, „Kan ik nog wel een poosjen wachten.”—„Neen!” Riep zij uit, „’k heb u mijn woord gegeven „Een jaar slechts, langer waarlijk niet! Wilt gij „Nog wachten zoo als ik wacht?” en bewogen Sprak Philip toen: „welnu, een jaar—het zij!”

Hier zwegen beiden stil tot Philip, de oogen Opheffend, ’t laatste schijnsel van den dag Langs ’t Hunnengraf nog even weemlen zag. Toen, duchtend dat de vochte najaarskoude En de avondlucht zijne Annie schaden zoude, Stond hij van ’t mosbed op en riep hij luid Naar onder in het bosch, en aanstonds kwamen De kinderen naar boven met hun buit, Waarop ze saam den weg naar ’t stadjen namen. Daar hield hij stil voor Annie’s huisje’ en stak De hand haar toe, terwijl hij vriendlijk zeide: „Zie, Annie! toen ’k daareven met u sprak, „Waart gij misschien dat oogenblik wat zwak; „Het was verkeerd dat mij mijn hart verleidde. „Ik ben aan u verbonden, gij zijt vrij.” Maar Annie gaf ten antwoord, daar zij scheidde: „Ik ben verbonden even goed als gij.”

Als lag er slechts een oogwenk tusschenbeide Bij ’t daaglijksch zwoegen voor haar huisgezin, En denkend aan zijn laatste woord, waarin Hij haar gezegd had dat de teêrste min Veel langer dan zij wist hem ’t hart doorblaakte, Was weêr de herfst gekomen en hij naakte, Haar heur belofte erinnrend, weêr tot haar. „Is ’t;” vroeg zij hem, „is ’t werklijk al een jaar?” „Ja, als op nieuw de nooten rijp zijn; kom „En zie!” zei hij. Maar zij weerstond hem toch— Te groot was zoo’n verandring, zeker om Reeds ja te zeggen.—Geef een maand haar nog. Zij wist dat zij haar woord hem had gegeven— Een maand; niets meer—een maand—dan was het goed. Daarop zei Philip, en de donkre gloed In ’t oog sprak van ’t verlangen, heel zijn leven, Hoe ook voor elk verborgen, steeds gevoed, Terwijl zijn stem een wijl begon te beven, Gelijk de hand eens dronkaards beeft: „Bepaal „Gij-zelf den tijd slechts, Annie!” Bij die taal Had zij om hem uit meêlij kunnen weenen. Haar antwoord werd gedurig uitgesteld. Met een ontschuldiging die weinig geldt; Beproefd werd zijn geduld en trouw met eenen, Tot andermaal een half jaar was verdwenen.

Nu kwam, waar men zijn waan verijdeld zag, De praatzucht van het stadjen aan den dag. De een achtte Philip door geen ernst bezield, Een tweede dacht dat zij haar hand onthield, En merkte slechts behaagzucht op in haar. En anderen bespotten weêr het paar, Alsof hun liefde een gril, een dwaasheid waar’.— Een enkele, veel erger dan de rest, In wien, als eiren in een slangennest, Slechts schandlijke gedachten scholen, doelde Op erger dingen nog. Haar eigen zoon Zweeg, schoon zijn hart met Philip meê gevoelde, En graag de hand gevat zag, haar geboôn— Maar altoos bad met zacht en vriendlijk fleemen Haar dochter, dat zij toch den man zou nemen, Door elk van hen bemind met hart en ziel, En de armoê dus voor goed zou zijn vergeten. En Philips koon werd bleek, en hij verviel, En ’t was of al dees dingen haar verweten: „Het is uw schuld”.

Nu was op zeekren nacht Door haar vergeefs de sluimer ingewacht, En bad en smeekte ze ernstig om een teeken „Of Henoch dood was”. ’t Hart scheen haar te breken. Zij sprong van ’t bed, en ging een licht ontsteken; Zij nam haar Bijbel, zocht er ’t teeken op, En legde op ’t woord der Schrift haar vingertop: „In schaduw van een palmboom”. ’t Had geen zin Bij ’t geen zij hierin zocht; dies sloot ze gauw Haar Bijbel dicht en sluimerde weêr in. Op eens zag zij haar Henoch, in de schâuw Eens palmbooms, zittende op een hoogte, door De zon bestraald. „Hij ’s heengegaan en zingt,” Zoo dacht ze, „stemmend met der englen koor: „Eer in de hoogste Heemlen! Ginder blinkt „De zonne der gerechtigheid. De palmen „Die ’t zalig heir in ’t rond strooit onder ’t galmen: „„Eer in de hoogste Heemlen!” wuiven zacht „Hem koelte toe.” Haar droom vlood met den nacht. Ze ontwaakte. Nu was haar besluit genomen, En spoedig liet ze Philip tot zich komen, En sprak in felle ontroering: „Daar bestaat „Geen reden waarom wij niet zouden trouwen.”— „Om God en om ons-zelv”, zoo sprak hij, „laat, „Zoo gij het wilt, ons ras dien dag aanschouwen!”

Dus trouwden zij en bij hun echtverbond Klonk vrolijk klokgeklep het stadjen rond; Maar Annie had haar vrolijkheid verloren. ’t Was of een voetstap ruischte langs haar pad. —Van waar? dat wist ze niet—en in hare ooren Een zacht gefluister klonk, ze wist niet wat. Ook bleef ze ongaarne alleen t’huis noch verkoos Alleen te gaan op straat. Wat schortte haar Dan toch, dat, eer zij binnenging, altoos Haar hand bleef pozen aan de klink, als waar’ Zij huivrig om haar drempel te overschrijden? Maar Philip scheen de grond niet vreemd te zijn: Zij wachtte een kleine en zou naar allen schijn Dies angstig zijn, en toen, na ’t bange strijden, Het kindjen was geboren, scheen het dat Zij-zelv nieuw leven ook ontvangen had. Toen trad in haar de moeder in het leven; Toen was heur Philip al haar vreugde en schat, En ’t vreemd gevoel, dat zij geen naam kon geven, Was voor altoos nu uit haar ziel verdreven. En waar was Henoch? Kloek en ongestoord Voer ’t „Goed Fortuin” langs d’ effen zeeplasch voort. Schoon bij ’t verlaten van de Spaansche kust, Door stormen overvallen, ’t stevig schip In splinters schier verspat was op een klip; Maar ’t kliefde, nooit door tegenwind ontrust, De streken door waar de eeuwge zomer ’huist. Toen, na een vaart de Kaap om, waar de steven, Door wilde’ orkaan en hooge zee ombruischt, Lang kampen moest bij ’t langzaam voorwaart-streven, Nu prooi des storms en straks door stilte omsuisd, Had ’t schip op nieuw de keerkringslijn gekruist. Het koeltjen blies en dreef het vaartuig zacht Naar de eilandgroepen, tot het in het ende De lang gewenschte haven binnen wendde, Waar boven de oosterhemel vriendlijk lacht. Daar ging ook Henoch zelf nu handel drijven, Kocht vreemde goedren, waar, zoo dacht hij vaak, Hij t’huis zijn kas uitmuntend meê kon stijven, En voor zijn kindren een vergulde draak.

Maar zoo gezegend was bij ’t huiswaartkeeren De vaart lang niet. Wel scheen de vlugge boeg Den waterspiegel als een meeuw te scheren, En zag het borstbeeld, dat de voorplecht droeg, Het schuim gestadig krullen om de zijden Der kiel; maar ’t werd ras bladstil, en, bij tijden Een speelbal van het wisslend windenheir, Ervoer ze vreeslijk de ongenâ van ’t meir, Tot dat, door wilde orkanen overvallen, En voortgejaagd bij heemlen, vaal als lood, Ze stiet en kraakte en splinterde, bij ’t schallen Van d’angstkreet: „Branding! klip vooruit!” en allen Met haar verzonken in der waatren schoot. Slechts Henoch en twee andren redden ’t leven Nadat z’aan ’t wrak geklemd met hand en tand Een bange nacht schier hadden rondgedreven, Wierp hen de zee des morgens op het strand Eens eilands, rijk, maar eenzaam. Schoon was ’t land, Zijn wortels voedzaam, rijk aan melk zijn nooten, En, hield men ’t hart voor medelij’ gesloten, Dan viel het licht te vangen met de hand ’t Wild en toch tam gedierte, dat hier woonde. In een gebergt’, dat zich aan ’t strand vertoonde, Werd nu een hut gebouwd, half hut, half grot, Gedekt met palm en blâren. In dit Eden Beklaagde ’t drietal, bij de heerlijkheden Van d’ eeuwgen zomer, zijn rampzalig lot.

De jongste toch, een knaap en weinig meer, Had bij die schrikbre schipbreuk veel geleden: Drie jaar lag hij in doodsgevaar ter neêr, En nimmer dorst het tweetal hem begeven. Eens, toen hij was gestorven, zag het paar Een omgevallen boom. Door hoop gedreven, Niet denkend aan het dreigende gevaar, Ging Henochs vriend, als de Indianen plegen, Met vuur den boom uithollen. En op hem Viel nu een zonnesteek. Hij stierf: Gods stem Riep Henoch bij die ramp ’t: „Bereid u!” tegen.

De berg, tot aan de kruin met bosch bezet, De slingerlanen, ’t warrelende net Van paden, klimmend altoos meer, als leidden Zij hemelwaart; de trotsche bladerkroon Die, ver in ’t rond, de kokospalmen spreidden, Het luchtgewemel, ’t onbeschrijflijk schoon Van vogels en insekten; ’t zachte vonklen Der lange klokjens, die, met dartel kronklen, De fiere stammen tooiden tot hun trans En, altoos verder kruipend, heel het land Bebloemden tot het uiterst eind van ’t strand, De heerlijkheid, de schitterende glans Van ’s aardrijks breeden gordel, d’ oceaan,— Dat zag hij, maar wat hij het liefst zou wenschen Dat zag hij niet: het aangezicht eens menschen! Geen menschenstem mocht hem in de ooren ruischen— Alleen het duizendvoud herhaald gekrijsch Van watervogels, kampend om den prijs, Het doffe, ver verwijderd dondrend bruischen Der branding, brekend op de klippen; ’t suizen Van ’t zwaar geboomt, dat diep in ’t hart van ’t land Zijn bloesems en takken ophing; ’t klaatren Eens bergstrooms, die naar zee zijn vlugge waatren Deed spoeden—dit nu trof zijn oor op ’t strand, Als hij er doolde, of heel den langen dag In ’t dal, dat op de verre golven zag, Gezeten was—schipbreukling, arm aan heil, Slechts wachtend, wachtend, op dat ééne—een zeil! Geen zeil van dag tot dag, maar iedren dag De morgenzon, haar gouden pijlen over De palmen schietend met hun kroon van lover, Op varens, en lianen, fijn als rag, Langs kloven, ’t hart vervullend met ontzag. De lichtglans met het meir in ’t oosten stoeiend: De lichtglans boven hem op ’t eiland-zelf, De lichtglans in het meir van ’t west vervloeiend, En dan de groote sterren aan ’t gewelf Des hemels, zonder maat of perk of peil; ’t Gekreun der zee, wier golven strandwaarts ijlen, En wederom de vlugge gouden pijlen Der nieuwe morgenzonne—maar geen zeil!

Wanneer hij daar vaak wakend lag te droomen, Zóó stil, dat soms de haagdis op hem kroop, Zag hij een reeks van beelden voor zich komen, Terwijl een heir van schimmen hem besloop. Daar daagden voor zijn geest dan andere oorden, Bekende dingen, plaatsen, menschen weêr, Op ’t ver verwijderd eiland, aan welks boorden, Hij zooveel schatten had geteld weleer. Zijn kindren, hun gesnap, zijn lieve vrouw, Zijn kleine woning, de opwaartsgaande weg, De molen, ’t eenzaam adelijk gebouw, Zijn paard, zijn boot, de dichte taxisheg, De duinen, waarom najaarsneevlen waren, Het zacht geloei van ’t huiswaart keerend vee, De zoete geur der afgevallen blâren, En ’t dof geluid der vaalgekleurde zee.

Eens ook dat hij dus wakend droomde, liet, Schoon flauw toch vrolijk, ver weg in zijne ooren Zich ’t klokgelui van ’t havenstadjen hooren. Toen sprong hij huivrend op, als wist hij niet Wáárom, en toen, in al zijn haatlijk schoon, Het eiland voor hem doemde, zou gewis De man (waar’ niet zijn arm hart heên gevloôn Tot Dien, die wijl Hij aan alle oorden is, Nooit iemand die vertrouwend tot Hem gaat, Zich eenzaam doet gevoelen noch verlaat) Gestorven zijn in zijn verlaten staat!....