Part 3
Dus vlogen over Henochs grijzend hoofd Jaar in, jaar uit, de lente- en wintertijden. Maar ’t licht der hoop werd nimmer uitgedoofd Op ’t weêrzien van zijn lieven, hem ontroofd. Eens zou hem weêr ’t bekende land verblijden, Toen eensklaps ’t eind kwam van zijn eenzaamheid. Een schip—waar ’t volk van dorst om water schreit— Door tegenwinden van zijn koers geleid, Dreef naar dit eiland in een donkren nacht, Niet wetend waar het lag. Nadat de wacht Vroeg in den morgen door een opening Des nevelsluiers, die om ’t eiland hing, De beekjens langs de groene heuvelkling Zag stroomen, liet men dra de scheepsbarkas Met volk van boord, met last om op te sporen Of daar een bron of stroom welde. En welras Liet hun gepraat zich op den oever hooren.— Zijn hut uit in de rotskloof, daalde nu De langgebaarde en hairge kluizenaar, Nauw meer een mensch gelijkend, wild en ruw Van uitzicht, in een vreemde kleeding, zwaar Verbrand van aanschijn, staamlend, driftig momplend, Zoo ’t scheen als een waanzinge voorwaarts stromplend, Door sprakeloozen toornegloed ontgloeid, En teekens gevend, niet door hen verstaan; Toch wees hij ’t scheepsvolk ras de plekjens aan, Waar ’t zoete water, uit de rots gevloeid, In beeken stroomde, en, gaande weg dat hij Dus met hen liep en ze altoos hoorde praten, Werd hem de lang geboeide tong weêr vrij, Zoodat zij hem verstonden. Toen hun vaten Het kostbaar vocht bevatten, namen zij Hem meê naar ’t schip, en daar vertelde hij In afgebroken klanken zijn weêrvaren. En schoon er in den aanvang hoorders waren Die ’t nauw geloofden, was in ’t eind aan boord Geen die meer twijfelde aan zijn eerlijk woord. ’t Verbaasde en roerde er allen, en zij gaven Hem kleêren en vrije’ overtocht—en vaak Nam hij, om zijn erkentlijkheid te staven, Deel aan ’t verkeer van ’t scheepsvolk—en hun taak. Niet een van hen zag in zijn landschap ’t leven, Noch kon op Henochs vaak herhaalde vraag Naar wat hem ’t dierbaarst was hem antwoord geven. De reis ging (’t schip was half versleten) traag. Maar altoos vloog hij op verbeeldingsschacht Den wind vooruit, totdat, op zeekre nacht, Terwijl de maan door wolkensluiers heen Met matten glans den breeden plasch bescheen, Zijn bloed als dat eens minnaars was ontbrand, En hij, bij ’t gloren van den morgenstond, ’t Gegeur van Englands zachtbedauwden grond, Dat aanwoei van zijn sombre krijtrotswand, Inademde.—Men bracht wat geld bijeen. Voor d’ armen man, zoo eenzaam, zoo alleen, Bracht kapitein en scheepsvolk zijne gaven. Toen ’t strand opvarend zet men hem aan land In d’ eens door hem met smart verlaten haven.
Tot niemand richtte Henoch daar het woord. Maar huiswaarts—huis?—wat huis? bezat hij nog Een huis, zijn huis?—liep hij dien middag voort. ’t Was zonnig weêr, maar koud en huivrig toch, Totdat door iedere opening in den wand Der krijt- en mergelrotsen, waar het land Door uitzag op het meir, een zeedamp drong, Die om de streek een nevelmantel hong, Het uitzicht op den straatweg voor hem heen Gants afsneed, en ter rechte en linkerhand Niets zichtbaar liet dan slechts een smallen rand. Dor kreupelhout, of weide-, of akkerland. Het treurend roodborstje’, eenzaam en alleen, Zat op de half ontblaarden boom en floot, En ’t doode blad viel, loom en zwaar als lood, Onhoorbaar door den mistdamp naar beneên. Al dikker viel de dichte regen neêr, De duisternis wies telkens meer en meer, Tot hij, naar ’t scheen, een groot omneveld licht In ’t einde zich zag blinken in ’t gezicht.... En hij betrad zijne oude woonplaats weêr.
De straat ging hij nu in met wankle schreden, En strakken blik, door ’t bangst gevoel bestreden. Hij kwam aan ’t huis, waar Annie woonde en hem Haar liefde schonk, waar in die zeven jaren Zijn lieve kindren ook geboren waren. Maar toen hij daar geen licht zag en geen stem Van daar vernam—kil grijnsde er in den regen Zoo dicht als stof, ’t verkoopbiljet hem tegen— Toen werd hem ’t bang, en somber keerde hij Met één gedachte: „Dood, of dood voor mij!” Hij trad nu naar de kleine stadswerf heen, En zocht een herberg, die hij in ’t verleên Gekend had, op: een geveltjen van hout, Misschien wel vóór drie eeuwen al gebouwd, Geschoord met balken, half verweerd en gants Bouwvallig, dat hij dacht: hij zou het thands Wel niet meer vinden; maar den herbergier Vond hij niet meer. Zijn weduw Mirjam Lane Was, na zijn sterven, in zijn plaats getreên, En zette, met steeds minderend vertier, De zaak nu voort. In vroeger tijd kwam hier ’t Luidruchtige matrozenvolk bijeen; Maar ’t huis was nu veel stiller dan voorheen, En bood voor weinig geld een nachtkwartier. Hier ging voor Henoch menig dag daarheen.
Dan Mirjam Lane, goedhartig en vol praats, Liet hem geen rust en zat vaak bij hem neêr, En deed hem dan een ellenlang relaas Niet slechts van wat in ’t stadjen lang weleer Gebeurd was, maar ook, wijl zij Henoch niet Herkende (hij toch was zoo wit van kruin, Zoo vreeslijk krom geworden en zoo bruin) Van ’t geen er met de zijnen was geschied; Verhaalde hem zijns jongsten dood; de ellend En de armoê, die zijne Annie uit moest staan; Hoe Philip trouw zijn kindren school liet gaan; Zijn lang gevrij om haar en hoe ze in ’t end, Hem, na lang aarzlen ’t jawoord had gegeven: Hij hoorde, hoe ze een kind van Philip ’t leven Geschonken had. Geen enkle wolk van smart Verried op zijn gelaat zijn lijdend hart. Wie ’t had gezien, moest denken dat haar woord Wie ’t sprak meer trof dan hem die ’t had gehoord. Slechts toen zij zuchtte: „Henoch liet het leven, „Want hij leed schipbreuk op den oceaan” Toen lispte hij, dat zij ’t niet kon verstaan, Zijn hoofd bedenklijk schuddend: „liet het leven, „Want hij leed schipbreuk op den oceaan”, En in zijn hart herhaalt hij: „liet het leven”.
Maar sterk ontwaakte in Henochs hunkrend hart De wensch om haar te aanschouwen. „O, indien „’k Haar lief gelaat slechts éénmaal weêr mocht zien. „Och, wist ik dat geen zorg haar kwelt, geen smart, „En zij gelukkig is!”—Dit denkbeeld dreef Aan d’avond van een killen najaarsdag, Zoo somber als November zelden zag, Hem heuvelwaart. Daar zat hij neêr, hij bleef Er lang, den blik gevestigd op de dingen In ’t rond gespreid beneden aan zijn voet, En duizend bonte en droeve erinneringen Bestormden met geweld zijn vol gemoed. De zachte gloed van een gezellig licht Blonk nu uit Philips huis hem in ’t gezicht, Zoo als het licht der baak den zeemeeuw doet, Totdat hij zich op ’t glas te bersten stoot En ’t zwervend leven eindigt in den dood.
Want Philips huis, schoon ’t afgezonderd stond, Lag vóór aan straat; ’t laatste aan de zij’ van ’t land. Maar vlak daar achter bloeide, gants in ’t rond Ommuurd, een tuin, waarin aan d’achterkant Een deurtjen naar de duinen henenleidde. En midden in den kleinen bloemhof spreidde Een iepenboom zijn takken vrank en vrij. Een pad liep langs den muur, terwijl daarbij Een ander pad den tuin in tweeën scheidde. Maar Henoch meed het middenpad en nam Zijn weg den muur langs, sloop naar d’iepenstam En school er achter weg, en zag van daar Een schouwspel, dat wis beter waar’ vermeden, Indien ’t verdriet en ’t leed, door hem geleden, Voor meerdren of vermindren vatbaar waar’.
Want in de zilvren bekers en de schalen Van ’t hoekbuffet zag hij het haardvuur stralen, Het vlamgeflikker weemlen af en aan. Rechts van den haard zat Philip, de afgewezen, Versmaadde vrijer uit het lang voordezen, Kloek, krachtig, rood van wang en welgedaan Het kleinste kind dodijnend op zijn knie; Daar over hem een bloeiend meisjen boog Met goudblond hair en vriendlijk blauwend oog, Een laatre, maar nog schooner, Annie Lee. Een beenen ring, gebonden aan een lint, Liet zij gestadig bunglen langs het kind, Wiens aandacht en begeerte zij dus wekte, Terwijl ’t in drift zijn mollige armtjens strekte Naar ’t speelgoed, dat hij steeds wou grijpen maar Nooit greep—en allen lachten met elkaâr. Links van den haard ontwaarde hij ’t gezicht Der moeder, die haar oog sloeg op het wicht, En nu en dan weêr tot haar zoon gericht, Die naast haar stond in al de kracht der jeugd, Hem door haar woord steeds lachen deed van vreugd. Toen nu de dood gewaande man zijn vrouw, Die nu niet meer zijn vrouw mocht zijn, ontwaarde, En op haar kind, maar niet het zijne, staarde, Toen hij haar zag die vrede, liefde en trouw, En ook zijn eigen kindren, die God spaarde, Maar hem ook, d’ ander, heerschende in zijn plaats, Bezitter van zijn rechten, en, helaas! Van zijner kindren liefde, eens al zijn schat— Toen, schoon hem Mirjam ’t al geschilderd had, Wijl ’t geen men hoort niet treft als ’t geen men ziet, Toen schrikte hij en greep een tak, en liet Bijna een kreet in zijn vertwijfling hooren, Die dat geluk eensklaps had kunnen storen Als ’t oordeel dat den zondaar dringt in de ooren. Toen, als een dief, sloop Henoch op zijn teenen, Opdat het kiezelzand niet kraken mocht, De handen aan den muur geslagen, henen, Om niet in zwijm te vallen op dien tocht. Daarop, de deur genaderd van den tuin, Sloot hij haar open, en weêr zachtkens toe Als die van ’t ziekvertrek, en op het duin Stond Henoch daar, des bittren levens moê.
Daar zonk hij, toen hij knielen wilde, ineen, Voorover op den grond en sprak zijn beên, De vingers in het zand:
„Te zwaar, te zwaar „Is mij die last! O, waarom mij van daar „Gevoerd? Almachtig God, getrouwe Heiland! „Gij, die mij staande hieldt op ’t eenzaam eiland, „Houd, Vader! mij in dees mijn eenzaamheid „Een poos nog staande. Laat mij nooit vergeten „Dat dit door mij haar nimmer word’ gezeid, „Help mij opdat ik haar het nooit laat weten. „Steun mij, dat ik hun vrede niet verstoor’! „Mijn kindren ook? Mag ik tot hen niet spreken? „Ik ga bij hen toch voor een vreemde door.... „’k Zou mij verraden.... al mijn kracht zou breken. „Neen, nimmer! nimmer! ’k zal den vaderkus „Haar, in wie ’k gants heur moeder zie herleven, „Noch hem, mijn zoon, op wien ik trotsch ben, geven.... „’t Staat vast, o Heer! ik smeek ’t U—steun mij dus!”
Gedachte en spraak begaven hem. Een poos Lag hij in zwijm, en toen hij, opgestaan, Den weg naar ’t eenzaam zolderkluisken koos, En naar omlaag de straat weêr in ging slaan, Kon hij maar niet verbannen, niet vergeten Wat telkens zich weêr opdrong aan zijn brein, Als ware ’t van een lied een zoet refrein, „’t Haar zeggen nooit—en ’t nooit haar laten weten!”
Maar toch, gants ongelukkig was hij niet. Hij werd geschraagd, gesteund door zijn besluit, Zijn vast geloof, zijn rustloos bidden, uit Het diepst van ’t hart, en door al ’t bang verdriet En lijden dezer wereld heen, geweld Als bronnen van zoet water in de zee.— ’t Hield alles in zijn ziel het leven reê. „Die mulders vrouw, van wie gij hebt verteld,” Vroeg hij aan Mirjam, „vreest zij niet bij tijden „Dat nog haar eerste man in leven is?” —„Ja, ’t arme schepsel,” zeide Mirjam, „wis „Ducht zij dit nog; gij zoudt haar zeer verblijden En vrij wat troost en zielsverlichting biên, „Als gij kondt zeggen: ’k heb zijn lijk gezien.”— En Henoch dacht: heb ik mijn geest gegeven In ’s Heeren hand, dan zal zij ’t weten, ’k wacht Zijn tijd af—en ging werken om te leven. Elke aalmoes toch werd door den man veracht. In menig handwerk was hij zeer bedreven, Hij, timmerman en kuiper tevens; goed Werd meê door hem een visschers net geboet; Ook hielp hij uit de haven menigmalen Een handelsbark of schoener buiten halen Of laden, al naar dit het toeval bood. Zoo won hij zich een armlijk stukjen brood; Maar sedert hij slechts voor zich-zelven werkte, En zonder hoop, was daar geen vreugde bij, Geen leven, dat hem voor het leven sterkte.... Een jaar na zijn terugkomst voelde hij Zich zwakker worden en begon te kwijnen. Een slepende en benauwde kwaal begon Al meer en meer zijn krachten te ondermijnen, Zoodat hij straks niet langer werken kon. Nu hield hij ’t huis, zijn stoel, in ’t eind zijn bed. Al werd zijn ziel door ’t pijnlijkst weê verplet, Hij droeg het kalm, want waarlijk blijder ziet Geen schipbreukling op ’t grauwe zeegebied Door ’t nevelfloers het worstelende streven Der boot, waarmeê de zoete hoop op ’t leven, Reeds menigmaal in wanhoop opgegeven, Terugkeert in het afgestreden hart, Dan hij de dood hem zacht zag naderzweven, En daarmeê ’t eind van alle zielesmart.
Want in dit naadren loeg, met lieflijk gloren, Een zoeter hoop, daar Henoch dacht: als ik Gestorven ben, mag eerst mijn Annie ’t hooren, Dat ’k haar bemind heb tot mijn jongsten snik. Luid riep hij Mirjam Lane en zeî haar: Vrouw, „’k Heb een geheim, maar eer ik ’t u vertrouw, „Zweert ge op den Bijbel, die daar ginder staat, „’t Aan niemand vóór ik dood ben te openbaren.”— „Dood!” riep het goede schepsel, „welk een praat! „Wel man, ik wed gij leeft nog tal van jaren!” „Zweer!” klonk nu Henoch’s ernstig antwoord, „zweer „Op ’t Heilig woord!” En Mirjam, half ontdaan, Zwoer op den Bijbel. Toen sprak Henoch weêr En keek haar strak met vragende oogen aan: „Zeg, hebt gij Henoch Arden in deez’ stad „Gekend?”—„Of ’k hem gekend heb? Wis en drie”, Hernam zij, „kijk, ’t is of ik hem nog zie „De straat afkomen, recht van ’t molenpad. „’t Hoofd in den nek, om niemand zich bekreunend”. En zachtkens sprak hij, bijna droevig steunend: „Nu is zijn hoofd gebogen, ach, om hem „Kreunt niemand zich. ’k Denk dat hij geen drie dagen „Meer leeft; ik ben die man”. Met schrille stem Hernam de vrouw, half van den schrik verslagen, Half ongeloovig: „Kom, gij, Arden? gij? „Neen, neen! dat kan niet mogelijk wezen! Hij Won ’t zeker wel in lengte een voet van u! „Mij boog Gods hand ter neêr tot wat ik nu „Geworden ben. Mijn hartzeer en mijn leven „Op ’t eiland heeft mijn kracht een knak gegeven. „Toch weet: ik ben het die haar—maar tweemaal „Veranderde die naam—ik trouwde haar „Die Philip Ray getrouwd heeft. Zet u daar „En luister!” Toen deed Henoch haar ’t verhaal Van zijn vertrek, zijn schipbreuk, ’t eenzaam leven, Zijn wederkomst ten verren landen uit, Zijn wederzien van Annie, zijn besluit En hoe hij daaraan was getrouw gebleven. En toen de vrouw dat hoorde stroomde een vloed Van ras gewelde tranen langs haar wangen, Terwijl met steeds hernieuwde kracht ’t verlangen Haar opwelde in het liefderijk gemoed, Om heel de havenstad in ’t rond te snellen, En aan wie zij ontmoette te vertellen Dat Henoch Arden bij haar was, en wat Hij jaar en dag al leeds geleden had. Maar toen, gedachtig aan haar duren eed, Zeî ze enkel: „Laat mij om uw kindren gaan, „Niet waar, dat is mij immers toegestaan?” Nu rees zij van heur stoel, en stond gereed De daad te voegen bij het woord, te meer Omdat haar taal hem vluchtig wanklen deed, Maar na wat aarzlens sprak de kranke weêr:
„Vrouw! stoor mij, nu ’k mijn einde naadren zie, „Toch in mijn plannen niet, opdat ik die „Getrouw blijf tot mijn taak is afgedaan. „Ga daar nu nog eens zitten, hoor mij aan; „Versta mij goed! Ik draag u op, wanneer „Gij Annie zien zult haar te zeggen, dat „Ik stierf, haar zeegnend, voor haar biddend, teêr „Haar minnend, ja, dat ’k haar heb liefgehad, „Den wreeden slagboom tusschen ons ten spijt, „Als toen zij ’t jeugdig hoofd eens hield gevlijd „Aan ’t hart haars vriends. Deel mijne dochter mede, „Dat eer ’k gegaan ben tot der zaalgen vrede, „Ik aan haar dacht met liefde en zegenbede. „Vermeld mijn zoon, dat ik hem zeegnend, de oogen „Gesloten heb. Zeg Philip evenzeer „Dat ik, hem zeegnend, heenga tot den Heer, „Hij was ons goed en met ons lot bewogen. „En—zoo mijn kindren somtijds na mijn dood „Mij willen zien, dien zij ternauwernood „Nog kenden toen ik leefde—laat hen komen, „Ik ben hun vader!.. maar zij mag het niet, „Want in ’t vervolg was haar de rust benomen, „Neen, ’t kostte haar slechts kwelling en verdriet „Had zij mijn lijk gezien. En nu—slechts een „Der mijnen snelt hierboven naar mij heen, „Om mij te omhelzen. Dit ’s zijn hair! het werd „Door Annie afgesneden, en zij gaf „Het mij—ik droeg ’t die jaren op mijn hart „En ’k dacht het meê te nemen in mijn graf. „Maar ’k ben veranderd van gedachten, want „’k Hervind mijn zoontje in ’t Hemelsch Vaderland. „Daarom, als ’k ben gescheiden uit dit leven, „Moet gij het aanstonds, aanstonds aan haar geven: „’t Zal haar tot troost verstrekken en meteen „Bewijzen dat ik Henoch ben en geen „Geen ander.—”
Hierop zweeg hij. Mirjam Lane Beloofde hem met zulk een woordenvloed Zijn wenschen op te volgen, dat hij ’t oog Nog eenmaal op haar vestigde en vol gloed Herhaalde wat hem zwaar op ’t harte woog, En zij opnieuw en nog eens weder sprak: „Verlaat u op mijn woord toch!” Daarop stak Den derden nacht, nadat dees laatste wil Haar opgedragen was en Henoch stil En zwaar te sluimren lag, en Mirjam Lane Bij tusschenpoozen dommlend dutte en waakte, Een storm uit zee op, voer door ’t stadjen heen, Dat zelfs op ’t duin er ieder huis van kraakte. En Henoch ook werd wakker, richtte in ’t bed Zich op en strekte beî zijn armen uit En riep toen met een stem, zoo vol als luid, „Een zeil! Een zeil! God lof, ik ben gered!” Viel ruglings in zijn kussen—en geen woord Werd uit den mond des zwervers meer gehoord.
Zoo mocht die heldenziel het stof ontvliên— En toen zijn lijk op ’t kerkhof werd begraven, Was daar door niemand in die kleine haven Een plechtiger uitvaart ooit gezien.
Naar ALFRED TENNYSON.