Chapter 2 of 5 · 3961 words · ~20 min read

Part 2

Het vertrek werd verlicht door een soort lamp, bestaande uit een ledig petroleumblik, voor de helft gevuld met rendiervet, waarin een lange katoenen pit dreef.

Aldus heerschte er een schemerig licht in het vertrek, juist voldoende om elkanders gelaat te kunnen onderscheiden.

De eigenaardige scherpe lucht van gedroogde vellen vulde de ruimte.

Maar het jonge paar scheen hier reeds lang aan gewend te zijn, en merkte het in het geheel niet meer op.

Deur en venster waren stevig gesloten, want er heerschte daarbuiten op de vlakte een hevige koude.

Nu en dan, als het gesprek een oogenblik ophield hoorde men heel in de verte het langgerekt gehuil van een hongerigen wolf.

De drie jagers waren zeer vermoeid en allen begaven zich vroeg ter ruste, het jonge echtpaar op de breede rustbank, de drie reizigers op de huiden, van de rest van het vertrek afgescheiden door een soort gordijn van aaneengenaaide huiden van den blauwvos vervaardigd, welk gordijn als de waarde eens naar den stand der Europeesche markt ware berekend, zeker veertig duizend pond sterling zou hebben bedragen!

De drie reizigers sliepen bijna negen uur aan één stuk en werden verfrischt en geheel hersteld van de vermoeienissen van den vorigen dag wakker.

Het bleek dat Jack en zijn vrouwtje reeds eenige uren op de been waren, en het ontbijt reeds hadden klaar gemaakt.

De drie Engelschen behoefden zich niet aan te kleeden, want de koude was zoo fel geweest, dat zij zich alleen van hun dikke overpelsen ontdaan hadden en gekleed en wel onder de zware dekens waren gekropen.

Maar nu begaven zij zich naar het waschhok waar een groot vuur was aangelegd en reinigden zich daar terdege met heet water, waarna zij zich afwreven met sneeuw, totdat hun lichaam begon te gloeien.

Aldus geheel verfrischt, namen zij aan de tafel plaats, waar reeds de heete thee dampte, en brood, boter, honig en een soort schapenkaas stonden te wachten.

Om tien uur zou worden opgebroken.

Jack joeg zijn trekhonden bijeen, kleine maar zeer sterke en snelle dieren, wier vacht thans zuiver wit was, en spande ze niet zonder vrij wat gevecht en onderling geharrewar voor de groote slede.

De twaalf honden werden twee aan twee voor het voertuig gespannen dat hierop beladen werd met de bagage van de drie reizigers, hun wapens en munitie en een welgevulden knapzak.

En daarop namen de drie mannen afscheid van hun lieve gastvrouw.

Raffles nam de kleine, stevige hand van Grace in de zijne, en zeide op ernstigen toon:

—Gij woont hier in een wilde, onherbergzame streek—maar uw hart is beter dan van menig beschaafde Europeaansche! Geld behoef ik u niet eens aan te bieden want ik weet zeker dat gij het toch zoudt weigeren. Neem dan de verzekering van ons aan, dat wij uwe gastvrijheid op hoogen prijs hebben gesteld, en die nimmer zullen vergeten.

Het jonge vrouwtje had een kleur van pleizier gekregen bij deze korte toespraak en zeide vroolijk:

—Het had werkelijk niets om het lijf, mijnheer—en het deed mij en Jack zoo’n groot genoegen eens echte heeren bij ons te zien!

Charly Brand lachte hartelijk om dit naieve compliment maar Henderson zeide hoogst ernstig:

—Maar ik ben geen heer, madame Brunt! Ik ben de bediende van mijnheer hier!

—Dat doet er niet toe—daarom zijt gij evengoed een gentleman! hernam Grace vroolijk, en toch met een ernstig trekje om den rooden mond.

Zij bleef, met haar bonten kap over het hoofd en haar mantel van vellen om de schouders op den drempel van de ruwe deur staan om de vertrekkenden zoo lang mogelijk na te zien, nadat zij met een innige omhelzing afscheid van haar jongen echtgenoot had genomen.

Hoewel het nog altijd zeer koud was, kon men de temperatuur toch dragelijk noemen, hetgeen veroorzaakt werd door de bijna volmaakte windstilte.

De zon stond aan den hemel en deed de sneeuw als purper gloeien.

De honden rukten ongeduldig aan de strengen en schoten als een pijl uit den boog vooruit, toen Jack hen met een zonderlingen kreet aanzette.

Met verbazing merkte Charly op, dat de honden niet bestuurd werden met behulp van teugels, maar dat Jack het eerste span leidde met een zeer lange staak, welke hij nu en dan licht tegen hun nekken drukte.

Dan week het eerste span een weinig uit en de andere honden volgden van zelf.

—Nu galoppeeren zij nog—maar dat zal hun wel spoedig gaan vervelen! zeide Jack lachend. Dan gaan zij in draf—maar dat gaat ook nog vlug genoeg, dat verzeker ik U!

—Hebt gij dat dan niet in uw macht, even als bij een paard, mijnheer Jack? vroeg Henderson.

—Nu, dat zou ik niet gaarne durven zeggen! antwoordde de jonge pelsjager. De trekhonden zijn namelijk zeer eigengerechtigd, ziet gij! Zij zijn sterk en schrander—maar zij hebben hun eigen wil, en het dient tot niets, den onzen daartegen te willen stellen. Want dan worden zij koppig en als men aanhoudt zelfs gevaarlijk—er zit nog altijd veel van den wolf in die Eskimo-honden. Er hangt echter veel af van de behandeling. Om de zweep geven zij weinig of niets. En als zij onderling eens ruzie krijgen doet men verreweg het verstandigst er zich in het geheel niet mede te bemoeien, maar rustig af te wachten tot zij uit vermoeidheid vanzelf ophouden!

—En hoe zit het dan met het tuig? wilde Henderson weten.

—Ja, dan kunt gij uitstappen, en de strengen uit elkaar zoeken en dat duurt wel eens een half uurtje! antwoordde Jack lachend. Maar ik herhaal dat het in het geheel geen doel heeft te pogen, tusschen beide te komen! De honden zouden zich eenvoudig tegen u vereenigen! Maar ik mag geen kwaad van mijn dieren spreken, want over het algemeen zijn het flinke trouwe dieren, die hun werk goed en met lust doen. Zeker—zij takelen elkander wel eens toe,—maar dan wachten zij tenminste tot het werk gedaan is!

De slede gleed, terwijl dit gesprek gevoerd werd, met groote snelheid over de bevroren sneeuw, die hier zoo glad als een spiegel was.

Toen zocht Jack de Tanana op en volgde den stroom.

En reeds spoedig werd het duidelijk dat de eenzaamheid van het landschap niet meer bestond,—menschen waren hier voorbij getrokken of trokken nog langs, en allen oogenschijnlijk met denzelfden vurigen wensch bezield—dien om het „beloofde land”, waar zij goud in overvloed hoopten te vinden, zoo spoedig mogelijk te bereiken.

Te voet, te paard, in hondensleden trokken de goudgravers voorbij, naar die verre streken, waar hun begeerte hun de grootste rijkdommen voorspiegelde, met geringe inspanning te verkrijgen.

Allen waren zwaar bepakt, en allen waren het mannen.

Men zag geen enkele vrouw, geen kind—niets dan mannen, de meesten in de kracht van hun leven, maar toch ook enkelen die reeds met één voet in het graf schenen te staan, en die toch geen weerstand hadden kunnen bieden aan hun verlangen daarginds in korten tijd rijk te worden.

Om een uur werd halt gemaakt, om de honden wat rust te geven en een stevigen maaltijd te gebruiken.

Jack en Henderson maakten een vuur aan, met behulp van droge sparrentakken uit het naburig bosch gehaald, en tegen den voet van een kalen rots dicht bij den rivieroever opgestapeld, en daarop bereidde de pelsjager binnen een half uur een kostelijke soep van berenvleesch en Charly moest zich zelf bekennen, dat het vleesch van den beer de vergelijking met het fijnste kalfsvleesch met glans kon doorstaan.

Daarop werd de tocht hervat.

En hoe verder naar het Noorden de reizigers trokken, hoe dichter de stroom mannen werd, die door den goudkoorts naar deze barre streken waren getrokken, en waarvan zeker de helft niet meer zou terugkeeren.

Zwijgend en gebukt onder de vracht hunner pakken, trokken die mannen langs den eenigen gebaanden weg die hier naar Meadow Hill voert, allen gewapend met geweer of revolver of beiden, de schop over den schouder, gekleed in de dikste jassen, welke zij bezaten, en die toch lang niet voldoende waren om hen te beschutten tegen de hevige koude die in deze Noordelijke streken heerschte.

Als onder betoovering zwoegden zij voort, den blik naar den gezichteinder gericht.

Uit alle streken van Amerika waren zij komen toesnellen, op het eerste gerucht dat er weer goud ontdekt was—en zelfs brachten de booten uit andere werelddeelen reeds duizenden vreemdelingen aan, waarvan er echter zeer velen dadelijk weder werden teruggestuurd omdat zij lezen noch schrijven konden, en ook geen Engelsch verstonden, wat, volgens de nieuwe strenge immigratie-wetten, volstrekt noodig was.

Om vier uur begon de duisternis te vallen maar nog altijd draafden de honden onvermoeid voort, door hun onfeilbaar instinct geleid.

Jack behoefde trouwens geen vrees te koesteren dat de dieren van den goeden weg zouden afraken, want de Poolnachten zijn in dezen tijd van het jaar nooit volkomen duister.

Altijd blijft er een geheimzinnige schemer hangen, in Europa volkomen onbekend, en die het mogelijk maakt op verre afstanden de voorwerpen nog te onderscheiden.

Eindelijk om acht uur in den avond, doemden de lichten van Meadow Hill, na een kromming van den weg die tusschen de hooge heuvels doorliep, eensklaps voor de reizigers op.

Nog een kwartier, en onder luid zweepgeknal gleed de slede de nederzetting binnen.

Het was er nog roerig en druk in de nauwe hoofdstraat, de eenige overigens van het gehucht, waarop slechts eenige zeer korte zijstraten uitkwamen, drie in getal.

De huizen waren er zonder uitzondering van hout, sommigen met een dak van gegolfd plaatijzer, en de meesten met een soort voortuintje, waar des zomers een paar planten en bloemen hun armelijk bestaan rekten, maar die meerendeels al spoedig tot vuilnisbelten ontaard waren.

Uit een tamelijk groot huis klonk harmonica-muziek en het gillend gelach van een dronken vrouwenstem.

Voor het huis liep een galerij, een meter boven den grond, van een lage leuning voorzien.

Daar hingen eenige gekleurde lampions, die hun licht uitstraalden op de sneeuw, die hier morsig en goor was, door de vele voetstappen, die er dagelijks over gingen.

Dit huis was de goorste kroeg van de plaats „De Blauwvos” geheeten en hier zwaaide Bill Rednose den scepter.

HOOFDSTUK III.

HET LEVEN TE MEADOW HILL.

De slede gleed echter het danshuis voorbij, en hield pas stil voor een soort logement, waar nog licht brandde ofschoon men in deze streken gewoon was de lichten vroeg te dooven.

Het was het eenige logement, voor reizigers als Raffles en zijn metgezellen te gebruiken.

Op de drie treden, die naar een soort voorgalerij voerden, zaten eenige slampampers, zooals men die in bijna alle kleine Amerikaansche plaatsjes bij de stations en logementen aantreft, en die hun brood op een zeer geheimzinnige manier schijnen te verdienen, namelijk door den geheelen dag op een strootje te kauwen en naar de gaande en komende reizigers te staren.

Deze heerschappen keken met onverholen verbazing naar de slede met de twaalf honden bespannen, hetgeen reeds op een zekere mate van welstand van den eigenaar wees, maar meer nog naar de inzittenden.

—Halloh! old Jack! riep een hunner, die den pelsjager scheen te kennen. Waar gaat dat naar toe?

—Voorloopig nergens heen, Mike! antwoordde Jack kortaf. Ik blijf hier.

—Je hebt daar fijne lui bij je, hé? Mooie geweertjes—rijke spullen! Ben je voerman geworden, ouwe jongen!

—Raakt het je wat, Mike? kwam Jack ongeduldig. Vooruit, maak eens wat plaats—de menschen kunnen er bijna niet door!

Maar de heer Mike scheen niet veel haast te hebben.

Zijn loensche blik gleed over de gestalten der reizigers, die zoo juist uit de slede waren gestapt, en nu de drie treden van de galerij bestegen.

Hij bewoog zich niet, maar bleef kalm zitten waar hij zat, het strootje in zijn grooten mond van den eenen kant naar den anderen verschuivend.

Zijn makkers keken grinnikend toe.

Als Mike zoo’n grap uithaalde,—dan kon het best worden!

Maar er was een ding, waarop de makkers van mijnheer Mike nog niet voldoende acht hadden geslagen.

Dat ding luisterde naar den naam van Henderson.

Hij zag, dat men den toegang aan zijn meester een weinig dreigde te versperren en dat was ruimschoots voldoende hem handelend te doen optreden.

Zonder zijn pas ook maar een oogenblik te vertragen, nam hij in het langsloopen heer Mike in den nek en tilde hem van zijn plaats om hem pas boven aan de treden weder neder te zetten, behoedzaam als vreesde hij iets van het kostbare lichaam te breken.

Als met stomheid geslagen keken de vrienden van Mike toe—vol vrees voor de gevolgen en ook met een weinig leedvermaak, want Mike was een groote bluffer, en een geweldige vechtersbaas.

Deze heer zelf was door de handelwijze waarvan hij het slachtoffer was geworden in de eerste oogenblikken zoodanig verbluft, dat hij geen vin verroerde.

Maar toen sprong hij op de been, bracht de hand naar zijn revolvertasch, en brulde:

—Wie heeft daar de hand durven slaan aan Mike Penalty?

—Ik! antwoordde Henderson leukweg. Je zat in den weg, vadertje, en daarom heb ik je op zij geschoven—je scheen niet te hooren wat mijnheer Jack tegen je zei!

—En denk je dat ik dat zoo maar toelaat? schreeuwde Mike, die blijkbaar niet geheel en al nuchter was.

—Natuurlijk denk ik dat! antwoordde Henderson kalm. Waarom zou je het niet toelaten?

Bijna stikkend van woede brulde Mike:

—Waarom?...... Wel voor den duivel...... dat heeft nog nooit iemand in Meadow Hill mij durven doen!

—Nu, dan was ik de eerste! hernam Henderson rustig. En schreeuw nu niet langer zoo als een bezetene, maar laat ons door. Wat is dat hier voor een hotel waar het zoo smoorvol zit met allerlei gespuis?

De vier mannen waren nu de treden opgegaan, en de eigenaar verscheen, een dikke, kaalhoofdige man, die er voor deze omgeving tamelijk presentabel uitzag.

Hij droeg een soort boezeroen van katoen, met groote ruiten en daaroverheen een schapenpels.

De man was blijkbaar niet weinig verbaasd over de eer die hem te beurt viel want met den eersten oogopslag had hij gezien, dat de jagers, die bij hem een onderdak zochten, rijke en beschaafde lieden moesten zijn—en die kwamen in zijn streek slechts sporadisch voor!

—Dat is Perry Finn! stelde Jack den logementhouder aan zijn drie vrienden voor, en hij duwde hen snel naar binnen, daar hij kwade gevolgen vreesde van het optreden van den reus, al voelde hij er persoonlijk nog zooveel bewondering voor.

—Gij hebt zeker wel een paar kamers voor ons? vroeg Raffles, zoodra de deur was dicht gevallen, en hen afsloot van Penalty en consorten die nog altijd niet van hun verbazing en woede bekomen waren.

—Natuurlijk, Uwe Edelheid! antwoordde Finn met een grijnslachje, dat al zijn gele tanden ontblootte. Ik heb de beste kamers van de geheele nederzetting. Gij gaat zeker naar de goudvelden?

—Neen vriend, antwoordde Raffles kortaf. Wij denken van hieruit te gaan jagen, dat is alles.

Dit verwonderde Perry Finn blijkbaar ten hoogste!

Hij kon zich niet voorstellen dat men om andere reden zich aan zooveel gevaren blootstelde, en zich zoover noordelijk waagde, om iets anders dan om naar goud te delven. Maar de zaak werd er voor hem des te voordeeliger om want nu zouden de drie vreemdelingen zeker langer bij hem blijven en niet reeds den volgenden dag weder vertrekken.

Finn ging zijn gasten voor naar de groote gelagkamer, zeker het voornaamste vertrek in zijn inrichting.

Van steen was nergens een spoor te ontdekken, behalve de vloer van den grooten haard waar thans een geweldig vuur brandde.

Voor het overige was het geheele logement uit dikke boomstammen opgetrokken.

De vloer van de gelagkamer bestond uit vastgestampte aarde, waarover een dun laagje zand was gestrooid, het buffet was uit dikke planken getimmerd, en met een stuk spiegelglas versierd, dat een zijner hoeken miste, en misschien het eenige in de geheele nederzetting was.

In een der hoeken leidde een trap van vijf treden naar een soort gaanderij, waar eveneens stoelen en tafeltjes waren neergezet en vanwaar men een goed gezicht had op de gelagkamer die ook vaak als danszaal werd gebruikt.

Op de gaanderij kwamen eenige afzonderlijke kamertjes uit, die door een gordijn konden worden afgesloten en welke Finn trots zijn „cabinets particuliers” noemde.

In een ding was „De Groote Beer” echter achter bij „De Blauwvos”,—men kon er geen champagne krijgen, en dat kon men in de kroeg van Bill Rednose wel, al zou men er voor het goedje in het minste café van New-York ook den neus voor hebben opgehaald.

„De Blauwvos” had ook veel meer van die kleine vertrekjes—en Bill Rednose had zich de goed betaalde diensten verzekerd van een zestal meisjes, die als lokvogels moesten dienen, en des avonds, zwaar geschminkt en geparfumeerd door de danszaal slenterden, en met hun lonkjes en lachjes de gelukkige goudzoekers tot drinken moesten aansporen.

Op het oogenblik dat Raffles en zijn reisgezellen met Finn en Jack de gelagkamer binnentraden, bevonden zich daar slechts weinig gasten, want vele inwoners van Meadow Hill hadden eens een kijkje willen nemen in het pas ontdekte gebied, ofschoon daar reeds vele gelukzoekers bitter teleurgesteld van waren teruggekeerd met de boodschap dat er misschien van alles te vinden was in die streek—maar goud zeker niet!

Finn maakte zich dan ook geen oogenblik ongerust over zijn schaapjes die nu tijdelijk waren afgedwaald, want vroeg of laat zouden zij toch weer naar de nederzetting terugkeeren.

Men moest in deze streek hard werken, om het goud uit den bodem te halen—maar men vond het tenminste!

Perry Finn was de gelagkamer dwars overgestoken, en geleidde nu zijn nieuwe gasten, die door de aanwezigen nieuwsgierig en wantrouwend werden nagekeken, naar de gaanderij, waarop een paar deuren uitkwamen die tot de logeerkamers bleken te behooren.

Hij opende twee dezer deuren en zeide:

—Treedt binnen heeren—deze twee vertrekken zijn de beste uit mijn etablissement!

De drie Engelschen gingen het vertrek binnen, welks deur door Finn werd opengehouden, wat wel noodzakelijk was, want het huis stond zoo scheef, dat alle deuren vanzelf openvielen als men ze niet op slot deed, en zagen, dat het alles bijeengenomen, inderdaad niet zoo slecht was.

Er stond een vrij goed bed, met een drietal dikke dekens bedekt, een paar stoelen, met rieten zittingen, de onvermijdelijke schommelstoel die in geen enkele Amerikaansche kamer schijnt te mogen ontbreken, en een ruw getimmerde waschtafel waarop een gekramde kom en een blikken lampetkan.

Bij het eenige raam was een kleine tafel geschoven, eveneens een gewrocht van de nijvere handen van Perry Finn.

Raffles wierp een blik door het venster, en zag dat de vensterbank zich ongeveer twee meter boven den beganen grond bevond.

En verder zag hij tegen de achterzijde van de houten huisjes van een kleine dwarsstraat, waar goed te drogen hing, en honden wroetten in het vuil, hetwelk de bewoners daar hadden neergeworpen.

Bij wijze van trottoir was een houten voetpad langs de eene zijde van den weg aangebracht bestaand uit vier naast elkander gelegen rijen planken, die op geregelde afstanden met wiggen waren vastgeslagen.

De goot werd eenvoudig gevormd door een smalle geul, in de aarde uitgegraven met een flauw verval, waardoor het spoelwater en andere ongerechtigheden verondersteld werden, hun loop buiten de nederzetting te nemen.

Raffles had Charly even met den blik geraadpleegd en zeide nu:

—Het is in orde vriend—wij blijven hier. Ik heb een hond bij mij zooals gij ziet! Die kan toch ook hier blijven?

—Wel natuurlijk, Uwe Edelheid! riep Finn haastig uit. Dat is hier gebruik! Honden of menschen—dat scheelt hier niet veel—en de vergelijking valt in de meeste gevallen ten gunste van de honden uit!

—Kunnen wij iets te eten krijgen? vroeg Raffles die zich reeds van zijn zware pels ontdaan had.

—U treft het—wij hebben vandaag een schotel wild varkensvleesch! Met zuring! En ingemaakte vruchten!

—Laat ons dan spoedig iets brengen en geef vier borden—mijnheer Brunt zal ons de eer aandoen met ons het middagmaal te gebruiken.

—Dan wilt gij mij wel veroorloven eerst mijn inkoopen te doen, mijnheer? vroeg de pelsjager. Mijn leverancier is nu misschien nog of weer nuchter, ziet gij? voegde hij er lachend aan toe. Morgenochtend wil ik weer vroeg terug gaan, en dan heeft hij meestal zijn roes van den avond te voren nog niet uitgeslapen!

—Doe dat, en laat ons niet te lang op U wachten! zeide Charly lachend.

Jack vertrok dus om zijn patronen en nieuwe vallen, geweervet en verduurzaamde groenten in te slaan.

Een half uur later keerde hij met dien voorraad terug, juist toen een soort bediende, een magere, geelbleeke man met een smerig boezelaar voor, de dampende soep in het logeervertrek binnendroeg.

Zooiets was nog nimmer gezien in „De Groote Beer” want daar at men steeds in de gelagkamer en de bediende beefde dan ook van ontzag en eerbied.

Zoodra de deur achter hem gesloten was begon Jack met gedempte stem:

—Als ik u een goeden raad mag geven mijnheer, dan neemt gij u hier zooveel mogelijk in acht! Wat onze vriend Henderson zooeven gedaan heeft—wel, ik geloof dat ik zijn plaats, en als ik over zijn geweldige lichaamskracht beschikte, evenzoo zou hebben gedaan! Maar—men haalt zoo iets niet ongestraft uit met een man als Mike Penalty! De kerel is in de heele streek berucht,—en dat wil hier iets zeggen, dat verzeker ik U! Zooeven liep ik in het donker een kleine groep voorbij, en ik hoorde Mike duidelijk zeggen dat hij het Henderson nog wel eens zou inpeperen!

—Ik had ook liever gezien dat je dit niet gedaan had, Henderson! kwam Raffles op ernstigen toon. De zeden zijn hier eenmaal zeer ruw, en daarmede moeten wij rekening houden.

—Maar, Mylord—de schoft wilde u niet doorlaten! riep Henderson verontwaardigd uit. Moest ik die onbeschaamdheid dan niet straffen? Ik heb hem immers in het geheel geen pijn gedaan?

—Neen—maar gij hebt hem een mal figuur laten slaan tegenover de kerels, die steeds zooveel eerbied voor zijn sterke vuisten en zijn revolver hebben, Henderson! hernam Jack. En dus—neem u zooveel mogelijk in acht—en vertrek liever vandaag dan morgen weder.

—Ho, ho! Zoover zijn wij nog niet! riep Raffles uit. Denkt gij, dat wij ons jachtvermaak in den steek zullen laten en op den loop zullen gaan, omdat mijnheer Mike Penalty ons boos belieft aan te kijken? Dan kent gij ons toch nog niet, mijn waarde Jack! Neen, wij blijven juist zoo lang als ik mij had voorgesteld—en ik zal eenvoudig den burgemeester van de plaats vragen een oogje in het zeil te houden!

—De burgemeester? riep Jack op ongeloovigen toon. Denkt gij dan, dat hier zooiets te vinden is?

—Niet? vroeg Charly verbaasd. Maar wie bestuurt dan in ’s hemelsnaam de nederzetting?

—Die wordt niet bestuurd! antwoordde Jack kalm. Ieder is hier zijn eigen meester.

—En als er dan eens een misdaad gepleegd wordt?

—Dan maken de goede elementen onder de mannen jacht op den moordenaar of op den paardendief—en als zij hem vatten, wordt hij aan den eersten den besten stevigen tak opgehangen!

—Zonder rechtbank? vroeg Raffles.

—Zonder rechtbank.

—En—gebeuren er dan nooit vergissingen?

—Soms—maar de mannen troosten zich met de wetenschap dat van de tien gehangen boeven negen toch zeker hun straf verdiend hebben—en dat het jammer is van den tiende, die bij vergissing de strop om den hals kreeg!

—Lief land! bromde Henderson grimmig.

—Ik erken, dat de toestand niet ideaal is, hernam Jack glimlachend. Maar wat wilt gij? Deze nederzetting is als bij tooverslag uit den grond gerezen. Men vond hier in de buurt goud, en deze plek was het gunstigst om er een dorp te bouwen—dicht bij een bosch, dat het hout voor de huizen leverde, niet ver van een riviertje, en op de helling van een lagen heuvel, waardoor het sneeuwwater in de lente snel afloopt. De mannen die deze nederzetting zoo snel bouwden zijn allen ruwe, en voor een deel zelfs gewetenlooze kerels—van gezag willen zij niets hooren en hoogstens benoemen zij een soort besturend lichaam, een sheriff met een paar helpers,—maar dat is te Meadow Hill nooit geschied.

—Nu—dan zullen wij eenvoudig op onze goede geweren en onze revolvers vertrouwen! hernam Raffles koeltjes.