Part 4
Maar Raffles had den arm gegrepen van den jongen pelsjager, die nu vaalbleek was, terwijl zijn oogen met een koortsachtigen gloed brandden, en zeide op ernstigen toon, terwijl hij hem strak aankeek:
—Gij zult toch zeker niet laf willen zijn, en uw woede koelen op een ouden man, die zeker alles gedaan heeft, wat hij kon, om de ontvoering te beletten?
—Vergeef mij! zeide Tom op doffen toon. Ik weet niet wat ik doe—ik kan niet meer denken—de slag komt te onverwacht!
—Laat ons dan handelen! hernam Raffles kalm, maar met een vastberaden trek om de lippen.
Hij greep den grijsaard in zijn sterke armen, tilde hem weder in bed, dekte hem snel en zorgvuldig toe, en zeide toen:
—Deel ons zoo kort en duidelijk mogelijk mede, wat er geschied is!
—Omstreeks een half uur geleden, toen ik evenals nu te bed lag, ging de deur open, en Miss Jessie—God zegene haar—trad binnen. Ik keek verbaasd maar verheugd op, want ik hield zoo veel van het meisje. Zij zeide dat zij gaarne gekomen was, nu ik om haar gestuurd had. Gij begrijpt, hoe verwonderd ik was,—en ook hoe ongerust. Ik vroeg, wie dan bij haar was geweest. Zij antwoordde dat Dolly een uur geleden bij haar gekomen was, en gezegd had, dat ik stervende was. Gelogen heeft de slet het! Gelogen! Nooit verzocht ik haar zoo iets! Het is slecht en onchristelijk, maar ik zou de meid niet weer willen zien! Jessie had dit ternauwernood gezegd of de deur vloog open, en Mike Penalty stormde binnen, met nog een anderen man. Zij wierpen zich op het meisje, dat tevergeefs tegenstreefde, bonden haar armen op den rug en deden haar een doek voor den mond. Ik liet mij uit het bed glijden, in de hoop mijn geweer te kunnen bereiken, dat boven den schoorsteen hing, maar één der ellendelingen gaf mij een trap, en ik rolde tegen het bed,—zooals gij mij gevonden hebt. Zij sleurden haar weg, en ik hoorde het geblaf van honden, dat zich snel verwijderde. Alles geschiedde in vijf minuten.
Een doodelijk stilzwijgen volgde op deze verklaring.
Raffles was de eerste die weder sprak.
—Hoe weet gij dat er vier mannen geweest zijn?
—Ik zag er nog twee door de halfgeopende deur die zeker de wacht moesten houden. Dolly was er ook bij!
—Dat is vreeselijk! fluisterde Charly. Hoe kan de eene vrouw, nog wel de minnares van den man, er toe bijdragen de andere in het ongeluk te storten, in een streek waar men juist elkanders hulp zoozeer noodig heeft!
—Zij staat volkomen onder den invloed van Mike, gaf Jack op zachten toon te kennen. Zij doet alles wat hij beveelt,—al zou hij haar zeggen een moord te doen!
Raffles was intusschen op Tom toegetreden, die zwijgend en geheel gebroken terzijde stond, en zeide, terwijl hij zijn hand greep:
—Waarde Tom, wij kwamen hier om op de blauwvos te jagen, mijn vrienden en ik! Jagen zullen wij ook—maar niet op de vos—op den mensch! Zij kunnen ons slechts een uur voor zijn, op zijn hoogst, en het spoor is nog volkomen versch. Wij bieden onze hulp dus aan—en wij hopen, dat gij haar niet zult afslaan! Alleen zijt gij tegen vier man niet opgewassen, waarbij zich onderweg misschien nog anderen zullen voegen. Mogen wij U helpen?
Een droge snik welde uit de keel van den pelsjager, toen hij de hand van Raffles drukte, alsof hij haar wilde verbrijzelen, en op schorren toon kwam het antwoord:
—Ik zal U ten eeuwigen dage dankbaar zijn voor uw aanbod, mijnheer! Ja, ik neem de hulp van u en uw vrienden aan! Ik gevoel dat mijn denken verward is—ik zou domme dingen doen—ik had haar zoo innig lief, mijn klein meisje!
—En ik? riep Jack plotseling uit. Denk je soms dat ik rustig naar mijn eigen lieve vrouw terug kan gaan, met de gedachte dat mijn eenige vriend hier om zijn meisje gaat vechten? Neen, m’sieu! Jack gaat mede!
—Wij hebben niets anders verwacht, waarde Jack! kwam Raffles glimlachend. Maar uw vrouwtje zal zeer ongerust zijn over uw uitblijven!
—Ik weet er wel wat op, om haar gerust te stellen, liet nu de stem van den predikant zich hooren.
Het was het eerste woord dat hij zeide, en zijn stem was klankloos en mat, toen hij vervolgde:
—Vanmiddag vertrekt er een Cree-Indiaan met zijn slede naar de Tanana. Ik zal hem verzoeken een boodschap van u aan uw vrouw over te brengen. Hij is mij zeer toegedaan en zal het verzoek niet weigeren. Ik kan u niet beschrijven wat ik nu gevoel, mijn vrienden! Tot dusverre had ik een afschuw van geweld—nimmer aanvaardde ik de leer, dat oog om oog, tand om tand geldt ..... maar dit is sterker dan ik ..... mijn eigen lief meisje ..... mijn kleine Jessie in de handen van dien Godvergeten schurk ..... het is slecht van mij, en ik vraag er God vergeving om, maar ik haat dien man, ..... ik vrees, dat ik niet voor mijzelf zou kunnen instaan, als ik hem nu voor mij zag! Daarom ..... ga alleen, vrienden—en redt haar ..... redt haar tot iederen prijs!
—Daar kunt gij op rekenen, mijnheer, antwoordde Raffles zacht. Wat menschelijkerwijs gedaan kan worden, dat zullen wij doen, om uw dochter uit de klauwen van dien schurk te bevrijden! En nu aan het werk, mannen! Aan die ééne slede zullen wij voor dezen tocht, die misschien een geheelen dag zal duren, om van den terugweg te zwijgen, natuurlijk niet genoeg hebben! Breng mij dadelijk naar een inwoner van de nederzetting die sleden en honden verkoopt of verhuurt! Fang kan ook trekken—en hij zal ons verder met zijn uitstekenden neus van dienst kunnen zijn!
—Daar ligt een klein stukje goed, dat bij de worsteling van de kleederen van Jessie is gescheurd, steunde de grijsaard die gretig had toegeluisterd.
Hij wees naar een stukje doek, blijkbaar afkomstig van een bouffante, en Raffles raapte het haastig op, en stak het met een tevreden gezicht in zijn zak.
—Op weg, vrienden! riep hij uit. Wij mogen geen tijd meer verliezen! Voor het vallen van de duisternis moeten wij hen hebben ingehaald!
Jack krabbelde nu snel eenige woorden op het blaadje papier, dat Barry uit zijn opschrijfboekje had gescheurd, en dat bestemd was voor zijn jonge vrouw, en daarop drukten allen de handen van Barry en den ouden Patterson.
In de deuropening staande keek de predikant hen zoover hij kon na, onbewegelijk als een standbeeld met de handen gevouwen over de borst.
Tom bracht de overigen naar een soort winkel, waar men geweren, schoppen, goudzeven, patronen, sleden, sneeuwschoenen, veldflesschen, revolvers, kortom alles kon koopen, hetgeen in deze streken volstrekt onmisbaar was.
De eigenaar hield er tevens een grooten kennel op na, waar steeds een veertigtal beste trekhonden te vinden waren, sneeuwwit, sterk, en voor een deel afgericht.
Raffles kocht tien honden, een slede, een hoeveelheid verduurzaamde levensmiddelen, en daarop werd de terugtocht naar het logement aanvaard, waar de drie reisgenooten hunne geweren, revolvers en munitie gingen halen, benevens hun dikke pelsen, veldflesschen en eetbehoeften.
Zoo snel mogelijk werd alles ingeladen en daarop namen Raffles, Charly en Jack in de slede van den jongen pelsjager plaats, terwijl Henderson neerzat in de slede, die door Tom bestuurd werd, en zooeven gekocht was.
Dit alles had bijna een vol uur geduurd, en nu ging het in galop naar de woning van Patterson, waar het spoor een aanvang nam.
—De schurk moet er op gerekend hebben dat er een paar uren zouden verloopen voordat zijn lage streek ontdekt werd, bromde Jack, toen de sleden aan de achterzijde van de woning stilhielden. Ik denk, dat hij zal trachten voor het vallen van de duisternis het woud dicht bij Senati, aan de samenvloeiing van de Jukon en de Tanana te bereiken.
—Waarom juist dat woud? vroeg Raffles.
—Omdat het veel moeilijker zal zijn, daar het spoor te volgen en omdat hij daar een aantal vrienden heeft, die hem gaarne een schuilplaats zullen verleenen en desnoods voor hem zullen vechten!
—Is die streek voor het overige dicht bevolkt? Ik meen dit natuurlijk in betrekkelijken zin.
—Zeer schaarsch, integendeel, mijnheer! antwoordde de pelsjager. Men kan er tientallen mijlen achter elkaar loopen, zonder een levend wezen aan te treffen. De goudzoekers vereenigen zich steeds tot een of andere nederzetting en daar is het dan natuurlijk druk en woelig. Maar op de vlakte vindt men slechts om de twintig of dertig mijlen een eenzame hut, die aan een strikkenzetter of pelsjager toebehoort.
—Ik heb er zelf een op veertig mijlen hier vandaan, zeide Tom, wiens houding geheel veranderd was, en wiens oogen nu van strijdlust en wraakzucht brandden.
—Hoeveel mijlen kan men met een hondenslede afleggen? ging Raffles voort.
—Dat hangt veel van de omstandigheden af, mijnheer! antwoordde Jack. Als het hard vriest, de sneeuw is glad en de honden zijn sterk en jong en niet vermoeid, en als dan de slede licht is, en niet te groot, als men er tenslotte tien of twaalf honden voor heeft, dan kan men geruimen tijd achter elkander gemakkelijk tien tot dertien mijlen per uur afleggen. Dan gaan de honden in draf. Als zij galoppeeren, wat sommige honden uren achtereen kunnen volhouden, dan gaan het er met een vaart van vijf en twintig mijlen over!
—En—hoe zijn de omstandigheden op het oogenblik? vroeg Charly.
—Wel, voor zoover ik kan zien, zij zijn zoo goed als het maar wezen kan, antwoordde Jack. De honden zijn versch en jong, de sleden zijn niet al te zwaar, het vriest hard en wij hebben twee en twintig honden!
—Nu laat ons dan op weg gaan! Hebt gij het spoor reeds gevonden? kwam Raffles.
—Ja, zie daarginds loopt het, naar het Noord-Westen!
Jack wees met uitgestrekte hand naar een flauw zichtbaar spoor, dat zeker veel dieper zou zijn geweest als de sneeuw niet zoo glashard geweest ware.
Slechts het geoefend oog van den woudlooper kon de lijnen van het sledeijzer en de indrukken van de sneeuwschoenen en hondenpooten zien.
Henderson was reeds uit de slede gesprongen na vlug zijn voeten met de lange sneeuwschoenen te hebben geschoeid.
—Ik zal zoo vrij zijn, de slede van mijn gewicht te ontlasten, Mylord! zeide hij op zijn gemoedelijken toon. Een weinig beweging zal mij goed doen—en zoo komen wij misschien vlugger vooruit!
—Dat is een goed idee! riep Charly uit, en dadelijk volgden hij en Raffles het voorbeeld van den reus.
Een zonderlinge kreet weerklonk, en de honden gingen over in een gestrekten galop, terwijl Fang luid blaffend met groote sprongen uitgelaten over de sneeuw holde, alsof hij zijn soortgenooten tot den grootsten spoed wilde aanmanen.
Het ging nu zoo vlug, dat de mannen eenige moeite hadden, de honden op hun sneeuwschoenen bij te houden, maar de beweging deed hun goed, en versnelde den bloedsomloop.
Met het korte geweer over den schouder, de oogen onophoudelijk op het spoor gevestigd, schoven Jack en Tom snel over de hardbevroren sneeuw, in de rechter hand de lange staak, waarmede zij het voorste span konden besturen.
Het duurde niet lang of van Meadow Hill was niets meer te bespeuren.
Thans strekte de eindelooze vlakte zich in verblindende witheid voor de mannen uit.
Geen geluid liet zich hooren, uitgezonderd het snelle ademen van de honden en het klapperen van de tuigen en de trekstrengen.
Een ijle nevel scheen den gezichtseinder voor het oog te verbergen.
Die mist kondigde nog een verlaging van temperatuur aan—en het vroor reeds zeven-en-dertig graden!
Het mocht een geluk heeten, dat er bijna geen wind stond, anders zou een reis naar het woeste Noorden zoo goed als onmogelijk zijn geweest!
Zonder veel te spreken legden de vijf mannen in drie uren een afstand van negen-en-dertig mijlen af.
Toen hief Tom de hand op, die in een dikken handschoen stak en wees naar een zwarte punt in de vlakte.
—Mijn hut! zeide hij eenvoudig.
De honden schenen de nabijheid van een menschelijke woning te ruiken, want zij versnelden uit eigen beweging nog hun vaart, en binnen tien minuten was de hut bereikt.
Het spoor liep er juist op toe.
Op honderd passen afstand van de hut hielden de mannen stil, om fluisterend te beraadslagen.
Wie kon zeggen of de hut van Tom Hatters op dit oogenblik niet tot schuilplaats strekte aan de ellendelingen die Jessie hadden ontvoerd?
Tom nam op zich een onderzoek in te stellen, en hij liep snel, in gebukte houding op de hut toe, het geweer in den aanslag.
Vijf minuten gingen voorbij.
Toen zagen de vier mannen die in de vlakte waren achtergebleven hoe Tom zich oprichtte en hen wenkte.
De weg was blijkbaar veilig.
Even later traden allen de hut binnen.
Tom knielde naast den haard neder en legde de hand op de overblijfselen van een vuur.
De asch was nog warm .......
Er kon niet aan worden getwijfeld—Mike en zijn mannen hadden hier halt gehouden om te rusten en te eten—
Met een wilden gloed in de oogen wendde Tom den blik naar de rustbank, die in een hoek stond, en door hem als bed werd gebruikt, als hij in zijn hut overnachtte.
De vellen en huiden lagen nog zoo als hij ze had neergelegd .......
Een diepe zucht welde uit zijn borst en hij zeide op gedempten toon:
—Ik weet dat ik zelfzuchtig ben—maar ik zou willen voorstellen, hier niet lang te blijven! De asch van hun vuur is nog warm—zij kunnen niet ver voor ons uit zijn!
—Wij zullen snel wat eten, Tom, en dan gaan wij verder! zeide Raffles eenvoudig. Voor de duisternis gevallen is, moeten wij hen ingehaald hebben.
—O, als ik Jessie weder in mijn armen sluit—ik zweer het—dan verlaat ik voor goed deze wildernis! riep Tom hartstochtelijk uit. Ik ben sterk en jong. Ik kan ook elders werk voor mijn handen vinden—waar de menschen minder op dieren gelijken dan hier!
Niemand antwoordde op dezen smartelijken uitroep maar ieder gevoelde wat er in het gemartelde hart van den jongen minnaar moest omgaan...... hij kende immers Mike Penalty!
Henderson en Jack hadden met grooten spoed een vuur aangemaakt en een stuk rendiervleesch gebraden benevens een paar koeken van gerstemeel gewarmd.
Versterkt door dit haastig verorberde maal, waarvan ook de honden hun deel kregen, braken de mannen op, na een verblijf van nauwelijks een half uur in de hut.
—Waartoe dienen eigenlijk deze afgelegen hutten, Tom? vroeg Charly, toen de sleden weder in beweging waren gekomen, en de honden als bij instinct het spoor van de vluchtelingen volgden.
—Om er een toevlucht te zoeken, als de jager onderweg door een sneeuwstorm overvallen wordt, of als zijn voorraad voedsel is opgeteerd, of wanneer zijn honden eensklaps ziek worden, of eindelijk, als hij door wolven achtervolgd wordt. In die hutten is altijd rum voorradig en een hoeveelheid gedroogd vleesch, pemican geheeten.
—Wordt dat nooit gestolen? vroeg Henderson.
—Hoogst zelden! antwoordde de pelsjager. Iedereen in de streek weet, dat vaak het leven van den jager van de bereiking van zijn hut kan afhangen. Het zou even erg worden geacht als het stelen van een paard—waarop bij ons nog altijd de doodstraf staat. Niemand kan hier des zomers leven zonder een paard—niemand des winters zonder honden bestaan. Wie ons paard rooft, die rooft ons middel van bestaan! Daarom is de straf op diefstal zoo streng—veel strenger dan die op moord of doodslag.
Terwijl de mannen spraken, vlogen de honden met hernieuwde krachten over de witte vlakte, waarop de zon nu haar schuine stralen zond.
De sneeuwschoenen schoven geruischloos over de harde oppervlakte, heuvel op, heuvel af, steeds achter het spoor aan.
Maar nu begon het karakter van de streek zich te wijzigen, hetgeen zelfs onder de dikke sneeuwlaag duidelijk zichtbaar was.
Heel in de verte teekenden zich de vage omtrekken van een gebergte af dat een horizon scheen af te sluiten, en ter rechterzijde verhieven zich hooge heuvels voor een deel met pijnboomen begroeid, die hun slanke stammen onbewegelijk omhoog hieven, naar den wit-blauwen hemel.
Nu en dan doemden grillige rotsen voor de reizigers op, en soms moesten zij deze zeer behoedzaam naderen, omdat het spoor er juist op toe scheen te loopen, en er vrees bestond, dat de bandieten zich met sleden en honden achter een dier rotsen verborgen hadden, om de achtervolgers verraderlijk te kunnen neerschieten voor dezen hun aanwezigheid hadden bemerkt.
Het was twee uur, toen de sleden in snelle vaart een heuvelhelling afgleden, waarbij krachtig geremd moest worden.
De reizigers bevonden zich voor een meer van grooten omvang, bijna twee kilometer breed en even lang.
Het was bedekt met een spiegelgladde ijskorst.
Het spoor liep op dit meer uit,—maar het hield er tevens op......
Op de ijskorst, door den wind van sneeuw bevrijd, was het spoor niet langer zichtbaar!
HOOFDSTUK VI.
DE STRIJD OM EEN VROUW.
Eenige oogenblikken keken de mannen elkander zwijgend aan.
Toen zeide Jack:
—Het is zeker dat de schurken het meer zijn overgestoken. Aan den overkant moeten wij dus het spoor weer terugvinden. Ik stel dus voor, dat wij ons nu splitsen en links en rechts het meer omtrekken. Die het spoor het eerst terugvindt hervat de achtervolging en tracht de bandieten zoo dicht mogelijk te naderen, zonder zelf te worden gezien. Wij moeten ons haasten want reeds nadert de zon de kim! Het is nog hoogstens anderhalf uur licht genoeg om het spoor te kunnen zien!
—Uw plan lijkt mij goed, Jack! antwoordde Raffles. Laten wij dan snel om het meer heentrekken, ieder in een andere richting. Degene die het laatst het spoor terugvindt, moet zich dan zoo snel mogelijk haasten om de anderen weder in te halen!
—Zou Fang het spoor niet kunnen terugvinden? vroeg Charly.
—Onmogelijk! In de sneeuw ging het—op dit gladde ijs, en bij deze hevige koude die nu wel vijf en veertig graden onder nul zal bedragen, kan de hond niet ruiken!
—Nu, dan snel op weg! Hoe verdeelen wij ons? riep Tom uit, die door ongeduld werd verteerd.
—Gij neemt Henderson mede—en den hond, wij drieën nemen den anderen weg! antwoordde Raffles.
En zoo scheidden de sleden, en volgde ieder de tegenovergestelde zijde van het meer.
Fang wist het eerst niet wat te doen, maar een kort bevel van Raffles was voldoende hem Henderson te doen volgen.
Tom liep voor de slede uit, en hield de blikken strak op de ijskorst gevestigd, en hij liep zoo vlug, dat Henderson, die minder geoefend was in het gaan op sneeuwschoenen, moeite genoeg had hem bij te houden.
—Neem in de slede plaats, dan gaat het nog vlugger—en de honden zijn sterk genoeg! beval Tom.
Henderson die wel inzag dat dit de beste oplossing was, sprong onder het gaan in de slede, en nu versnelde Tom zijn vaart nog, en gleed vliegensvlug over de sneeuw.
Een half uur verstreek.
Op een mijl afstand verhief zich een hooge heuvelketen, die bijna loodrecht tot zeer dicht aan den oever van het meer nederdaalde.
Eensklaps stond Tom, onder het slaken van een gedempten kreet stil.
Hij bukte zich en bromde tusschen de tanden:
—Het spoor! O, nu laat ik je niet meer los, jij schurk! Jouw leven of het mijne! Daar—het loopt naar de heuvels—en daar is een soort pas—wellicht zijn zij daar over gegaan—aan den anderen kant ligt het bosch, en als zij dat eenmaal bereikt hebben, wordt onze taak bijna onmogelijk—en daaraan kan ik niet denken, zonder vrees dat ik gek word! Vooruit!
—Ja, vooruit! riep Henderson. En sta mij toe, dat ik u een handje help, mijnheer!
Henderson was weder uit de slede gestapt, om het voertuig zooveel mogelijk te verlichten, nu de honden het tegen de helling van den heuvel zouden moeten optrekken, en zoo vlug zij konden, zetten de twee mannen hun weg voort.
Halverwege den heuveltop keerden zij zich als bij ingeving tegelijkertijd om.
Daar, aan den anderen kant van het meer waren een paar zwarte stippen te zien, die in hun richting schenen te bewegen.
Daar waren hun metgezellen, en zij waren er zeker van dat zij eveneens door hen gezien waren, zoo helder was het op dit oogenblik.
Zij dachten er evenwel niet aan de komst van hun reisgenooten af te wachten, maar zetten hun tocht onvermoeid voort.
Fang bewees hun, dat zij op het goede spoor waren, want de hond liep met den schranderen kop naar den grond gebogen en liet van tijd tot tijd een zacht gebrom hooren, hetgeen voor Henderson het onmiskenbaar bewijs was dat de hond dicht bij zijn doel was.
Hij deelde dit aan Tom mede, en de twee mannen gingen zoo voorzichtig mogelijk vooruit, met den vinger aan den trekker van hun geweer.
Waar zij liepen konden zij de zon reeds niet meer zien, maar zij verlichtte toch nog de toppen van den heuvelketen dien zij nu beklommen.
Zij waren nu de inzinking genaderd, en het spoor was nu zoo versch dat de vorst zelfs geen tijd had gehad, in de indrukken van de hondenpooten de fijne draden van ijs te spannen, die aantoonden dat een spoor reeds eenige uren oud moet zijn, en naar welks dikte de spoorzoekers tot op een kwartier na den ouderdom van een spoor kunnen afleiden.
Plotseling stond Fang stil, zoo stil, alsof de hond uit marmer was gehouwen.
Zijn donkere oogen, hadden een dreigende uitdrukking gekregen.
Henderson zag het en fluisterde:
—Zij kunnen niet verder dan een minuut of vijf zijn! Zie maar eens naar Fang!
Maar niet alleen de wolfshonden, ook de trekhonden toonden duidelijk door hun onrustige gedragingen, dat zij den wind hadden gekregen van hun soortgenooten want zij naderden nu een rotswand,—en wie kon zeggen wat er om den hoek van die naakte rots was, waarvan de top met sneeuw was bedekt!?
Maar eensklaps, voor Tom het had kunnen verhinderen, hieven al zijn honden een woedend geblaf aan, geprikkeld door de nabijheid van andere honden.
Hij uitte een gedempten vloek, en dook achter de slede neder, Henderson met zich medetrekkende.
Bijna op hetzelfde oogenblik kwam er een gestalte van achter de rots te voorschijn.
Tom had zijn geweer reeds in den aanslag—hij had het eerste schot—en het was raak!
De man liet een schonen kreet hooren, en viel voorover in de sneeuw, welke hij rood verfde met het bloed, dat uit een doodelijke wonde aan het hoofd vloeide.
Een tweede man sprong van achter den rots te voorschijn, met opgeheven revolver, maar hij had geen tijd om te schieten, want Henderson legde hem met een goed gemikt schot neder.
—Dat zijn er twee! riep Tom juichend. Kom mede—met de anderen zullen wij het nu wel klaar spelen!
Op dat oogenblik klonk de snerpende kreet van een vrouw door de vallende duisternis.
—Jessie! schreeuwde Tom, terwijl hij vooruit snelde, het gevaar niet achtend. Jessie! Ik kom! Houdt moed!
Hij liep zoo snel dat Henderson zich moest inspannen, hem bij te houden.
Bijna tegelijk bereikten zij de hoek van den rots.
Nu sloegen zij den hoek om...
Bijna vlak voor hen lagen twee mannen in de sneeuw geknield, de revolvers omhoog geheven.
Bijna tegelijk knalden hun schoten.
Henderson voelde een vlijmende pijn in den linkerschouder, maar Tom liet een woeste schreeuw van zegepraal hooren—de tweede bandiet had hem op een haar na gemist.
En vóór hij nogmaals den trekker kon overhalen, had Tom, zijn geweer omdraaiend, hem met de kolf van zijn wapen de hersens verpletterd.
Henderson had nog juist de kracht den vierden man met de ongewonde rechterhand in de borst te grijpen, daar zijn geweer hem ontvallen was.
De bandiet trachtte zijn arm vrij te maken, om te kunnen schieten, maar Henderson, zijn laatste krachten verzamelend, drukte hem tegen de rots, zoodat de ander machteloos was.
Maar tersluiks liet hij de revolver van de eene hand in de andere overgaan, zonder dat Henderson dit bemerkte.
Juist echter toen hij opnieuw wilde vuren dicht tegen zijn tegenstander aangedrukt, sprong Fang onder een woedend geblaf op hem toe, en zette zijn tanden in de dij van den bandiet, die een wilden kreet van woede en pijn slaakte, zijn revolver liet vallen en zijn mes trok.