Chapter 1 of 3 · 3997 words · ~20 min read

Part 1

TUINTJES

C. M. VAN HILLE-GAERTHÉ

TWEEDE DRUK

DE MAN EN ZIJN TUIN

En voor de zóóveelste maal wist hij het weer—en als altijd ging het weten gepaard met die weeë beklemming—dat zijn huwelijk mislukt was.

Over de met zorg gedekte tafel staarde hij donker door de serre naar de plek in den tuin, waar de uitbundig-bloeiende border als wreedaardig-aangevreten was tusschen de wazig-zachte spyrea en de hooge delphiniums, die waren gelijk nacht-blauwe toortsen uit een Oostersch sprookje.

Vanmorgen aan z’n eenzaam ontbijt, aan de broedend-stille koffietafel waren de campanula’s nog z’n eenige vreugde geweest. Een weelde was het: al die kleurige klokken, de paarse, de blauwe, de rood-geaderde; en de witte, zoo smetteloos, zoo ontroerend-rein.

Gisteren in het late uur, toen de bloemen als vergeestelijkt hadden gestaan in den geruchtloozen avond, had hij ze lang beschouwd en gemijmerd: Als ik componeeren kon, componeerde ik ze tot een klokkelied, een levens-symphonie; het lichte geklank van de wijde, witte klokken maakte ik tot de schuchtere tonen van wat jong was en blijde en kinderlijk en onbedorven; en ’t gebeier van de rozeroode, de lila, de blauwe kelken zou het wordende leven vertolken, dat heel krachtig was en schoon in volgroeidheid, maar ook donkerde naar smart en hartstocht en zonde. En als ik de klanken gevonden had en de melodieën gevormd, zou ik van den aanvang af laten zingen het groote sonore geluid der paarse klokken van den dood, die altijd waart rond het leven; het zouden eerst maar enkele bevende klanken zijn, nauwelijks verstaanbaar in de vreugdevolle onstuimigheid van het jeugdlied, maar ze zouden veelvuldiger worden en sterker en het einde zou wezen een diep-donkerpaars accoord van berustende harmonie.

—Idioot, had hij zich gescholden, gèk, die geen deun van vier maten in elkaar kan flansen, die zich als een sentimenteele juffrouw staat te verbeelden, dat hij een symphonie kan componeeren van zijn bloemetjes, terwijl hij z’n eigen levenslied verknoeid heeft.

En zonder één blik meer in den droomenden tuin was hij naar binnen geloopen, als getrapt.

Maar dezen stralenden morgen, toen de stille nacht vol geheim geweken was en alle planten na het morgenbad hun kleurige bloesempracht hieven naar den zonnigen zomerhemel, waren de campanula’s niet anders geweest dan de andere bloemen: blijde open kelken—een schoonheid, een verheugenis.

En met een glimlach naar zijn tuin vol kleuren dacht hij verwonderd, hoe hij zoo’n vluchtige phantaisie den vorigen nacht zoo volkomen had uitgedacht, dat het hem nu was, alsof hij naar den vorm kon tasten als naar een bezit. Den ganschen dag had hij met die gedachte gespeeld en er was diep-weg in z’n ziel een schuchtere blijheid geweest om de kostbare verrassing, die zijn campanula’s hem hadden bereid.

Nu stonden de planten beroofd; heel de gave pracht had Elise meegegeven aan Meta, die vandaag was komen theedrinken om haar middag dood te praten, aan Meta, die volkomen onverschillig voor bloemen was. En juist de campanula’s, die hij vanaf z’n plaats aan tafel dag aan dag had zien groeien, kleuren en ontluiken. Om te sarren, had Elise ’t gedaan.

—Waarom, vroeg hij nijdig, waarom heb je dan niet hier en daar een tak afgesneden, er staan er achter in den tuin toch genoeg. Waarom plunder je zoo?

Elise haalde de schouders op. „Plunderen,” zei ze en haar mond trok neer, „plunderen, als je nog een tuin vol bloemen over hebt! Moet ik soms eerst aan jou vragen, van welke plant ik wel een bloemetje mag plukken en van welke niet?”

—Je hebt het geschonden, zei hij, en driftig opeens door haar smalend schouderophalen voegde hij er aan toe: Opzettelijk vernield heb je ’t.

—Je bent een maniak, een tuin-maniak. Wind je maar niet op; als ik in ’t vervolg iemand bloemen wil geven, zal ik ze zelf wel voor een paar kwartjes koopen.

Ze schoof haar servet door den ring en stond op van tafel. Bij de deur zei ze: „Als je koffie wilt, bel dan even.”

—Ik wil geen koffie.

—Martelaar, mompelde ze in haar mondhoek, maar hij verstond het.

Het kind—de angstig-vragende oogen, groot in het bleeke gezichtje—liet zich van haar hoogen stoel glijden. Het peuterde nerveus aan de bandjes van ’t slabbetje. Hij zag het niet.

Hij nam z’n koker en trok een sigaret aan. Toen, terwijl hij z’n stoel afschoof, zag hij het kind staan.

—Wat knoei je daar toch aan je hals?

—D’r zit een knoop in en hij wil er niet uit, zei ze met haar zachte, slepende stemmetje.

—Kom eens bij me.

Het kleine meisje kwam stil nader en boog haar hoofdje achterover; de slab bengelde op haar rug en onder het spitse kinnetje vond hij de verwarde bandjes vol knoopen.

Ze stond recht en stil om hem niet te hinderen en boven zijn sterke, bruin-verbrande handen was het kinderhoofdje heel teer; onder het zachte gespannen, witte velletje zag hij de blauwe vertakking van de fijne adertjes en het kloppen van het bloed bij haar keeltje.

Och, dacht hij in deernis, terwijl hij wurmde aan de knoopen, wat een tenger kindje is het toch, wat een poppetje.

—Nou maar eerst even kop omlaag, zei hij, je zou moe worden. Wie heeft dat nou zoo raar in elkaar getooverd, wel vijf knoopen boven elkaar en alles stijf aangetrokken.

—Ik heb het zelf gedaan, fluisterde ze.

Beroerde boel ook, dacht hij. Vóór het eten waren Elise en hij al aan ’t kibbelen geweest en het kind, uit angst, had alleen getobd met de bandjes, die het nog niet kon strikken op gevoel. En den heelen maaltijd hadden ze geen woord tegen het kind gezegd, altijd maar samen gekeven over die bloemen.

—Nu beginnen we weer, ik heb er al twee uit—nou de derde....

—Als je een haarspeld had.... zei ’t kind.

—Ja, zie je, maar ik stop nooit haarspelden in m’n haar, als ik mijn scheiding maak.

Nu lachte het kind hardop—het was een ijl toonladdertje—en alle zorg was ineens uit de groote, grijze oogen weg.

—Jij, ging hij voort, jij moest je haar maar opsteken, het is lang genoeg en dan hebben we altijd haarspelden bij de hand, als er knoopen in de bandjes zijn. Zie zoo, mijn dochter, klaar ben je!

—Dank je Paps, zei ze zoet en ze liep stil achter hem aan, toen hij door de serre den tuin instapte.

Hij bleef staan bij de campanula-planten.

Wat had Elise ze gehavend; alles was er af, ook de takken, die niets dan knoppen hadden van een zoo vage kleur, dat ze de verrassing van blauw of paars of rood of wit nog verborgen hielden binnen hun kelken en die toch een zékere belofte waren geweest van bloeiende pracht.

Met een frons tusschen z’n oogen keek hij naar de slordig-afgeknakte takken, waarvan de bovenste blaadjes slap en gescheurd neer hingen. Toen nam hij z’n zakmes en sneed de gebroken stengels tot den grond af.

Het kind zag zijn oogen hard en stond roerloos, de kleine handen in elkaar geknepen op den rug.

Toen hij zich ophief uit zijn bukkende houding, werd hij plotseling getroffen door het strakke gezichtje.

Wat stond ze daar verdrietig.

Misschien, zei hij met een glimlach, waaronder hij de leugen verborg, misschien loopen ze nu wel weer uit en dan bloeien ze nòg eens in het najaar.

—Heusch?.... en het klonk als een snik, die de spanning brak... zou dat kunnen?.... O, Paps!

Mijn kindje, dacht hij, in smartelijke ontzetting, heb je dan alles meegeleden? Wat misdoen we toch aan je!

En in een behoefte, den laatsten twijfel te verjagen uit de ernstige oogen, zei hij: „De riddersporen bloeien immers óók nog eens voor een tweeden keer, als je de uitgebloeide takken afgesneden hebt. Kom, nu gaan we verder. En hij nam haar handje, om haar snel weg te voeren van de plaats des onheils.”

Als ze ’t maar vergeten kon, dacht hij bezorgd.

Maar het kind, ontkomen aan de troebele atmosfeer, die haar tot schreiens toe gedrukt had, gevoelde zich veilig en gelukkig, nu ze te zamen in eensgezindheid door den bloeienden avondtuin liepen.

—Zeg Paps, zei ze en ze stond stil bij de hooge, blauwe delphiniums, die bloeiden naast het vlammend oranje van de tijgerlelies, ik zou zoo’n jurk mooi vinden, zoo’n blauwe jurk en dan een oranje koord, juist die kleuren.

—Ik ook, vond hij, en weet je wat we doen zullen, jij en ik? We gaan eens naar een winkel en dan koopen we zoo’n jurk voor jou, blauw met een oranje koord; en voor mij een das, blauw met een oranje kriebeldebiebel en dan gaan we samen wandelen.

—En dan kan iedereen zien, dat je mijn Paps bent.

Kind! dacht hij, is dat dan tòch je glorie? En nooit had hij zoo hevig zijn tekort gevoeld.

De tuin van den man was een lange reep grond ter breedte van zijn huis. Omdat hij een boot bezat en de tuin uitliep op een vaartje, had hij het huis gekocht. Op warme zomer-avonden roeide hij langs de rechte waterwegen tusschen de bebloemde dijkjes, waar de lange margrieten wiegelden temidden van de gloeiend-roode zuring, waar achter iedere groen-en-gouden weide weer een groen-en-gouden weide lag en de hemel zoo eindeloos hoog was boven de korte wilge-pruiken en de boerenhuisjes en de onbewogen koebeesten.

Maar op vroege ochtenden, als de zon nog laag in de boomen stond, was het hem een lieve gewoonte geworden om op het tuintrapje z’n korte pijpje te zitten rooken en te kijken naar de kleine schuiten met groenten en vruchten, die de boeren op marktdagen van den polder naar het stadje brachten.

De motor-bootjes voeren snel en speelsch voorbij, als drukke jongens, die hun komst lang van te voren met geraas aankondigden, zonder groet voorbijsnelden en lang, nadat ze heengegaan waren, de lucht nog vulden met onnoodig lawaai.

Maar liever waren hem de platte hoog-opgetaste schuiten, die werden voortgeboomd door twee stille kerels. Ze kwamen zoo geruischloos aangevaren en het was, alsof de gebogen mannen bezig waren een groote plechtigheid te volvoeren, nu ze de rijpe vrucht van hun akkers—die de vrucht was van hun stagen arbeid—verzameld hadden en opgestapeld en voerden van hun verscholen hofsteden naar de bonte blijheid van de weekmarkt.

De man op zijn tuintrapje zag het langzame komen; en als de schuit onder de poort van laag-getakte iepen doorgevaren was, viel opeens fèl de zon op de oranje wortelen, die dicht aaneen lagen op het groene bed van kanten loof; de bloemkoolen werden eensklaps van een donziger wit binnen hun groene omlijsting en in de wit-teenen mand, waar de kostbaarste last geborgen was, ving elk der tomaten een zilver-lichtje in het broze rood.

De man keek en riep zijn morgengroet over het water en van de beide mannen—pijp in den mond—klonk een gemompelde groet terug.

Zooals een torenklok, die uitgebeierd is, nog een paar te laat gekomen klanken naar beneden werpt, zoo vielen de donkere groeten, een voor een, diep en plechtig in de stilte van den jongen morgen.

Het tuintrapje was den man waardevoller nog dan de campanula’s, die ieder jaar guller bloeiden, waardevoller dan de stralende kelken der bruidsanemonen en de zoete weelde van de latyrus. Met vier treedjes van grijs-verweerden steen daalde het trapje naar de glanzende vaart.

Toen men de laatste overblijfselen van het eens zoo trotsche kasteel—de tot boerderij geworden stallen—sloopte om ter plaatse een electrische centrale te bouwen, had de man mèt den bemosten zonnewijzer een karrevracht eeuwen-oude steenen gered uit de verdelgende klauwen van de moderne beschaving. Hij had lang met de steenklompen in zijn handen gezeten in bewondering voor de hechtheid en het gave metselwerk, veel gepast en gemeten en toen had hij tusschen de haag van latyrus, die het rasterwerk van z’n tuin bedekte, het grauwe trapje gebouwd; en elken keer als hij het zag was het hem een verheugenis te herdenken, dat honderden jaren lang, geslacht na geslacht, heer en knecht getreden hadden over den grijzen steen.

En telken male, als hij met zijn roeiboot thuis kwam en aanstuurde op de oude steenen, gevoelde hij een kleine voldoening, alsof hij persoonlijk iets had afgedaan aan de niet-te-delgen schuld, die zijn geslacht op zich geladen had door het noodeloos verminken en vernietigen, van wat vorige generaties in zoo voorname schoonheid en zuiverheid van proporties hadden opgebouwd.

En over den grijzen steenrand hadden de saxifraga en de muur, die op ’t glooiende wallekantje langs het trapje groeiden, hun vracht van lila kelkjes en gele sterretjes gebeurd.

Zoo steeg het oude trapje uit het water naar het tuinpad, dat liep langs het grasgazon rond den zonnewijzer.

Toen het gras nog niet gelegd was, hadden Elise en hij op een juichenden Septemberdag in hun verlovingstijd in den leegen tuin gestaan; hij had haar z’n tuin-ontwerp gewezen en de denkbeeldige planten.

—Kijk, hier aan den zonkant planten we veel vroeg voorjaarsgoed: daphne en muurbloemen en een handvol tulpen er tusschen, en de zomerplanten wat dieper in: klaprozen en akeleien in alle kleuren; en heelemaal achteraan langs de schutting geweldig-groote zonnebloemen. En bij de schuur een rij stijve, papieren stokrozen en vuurroode hang-geraniums van af het dakje.

En toen ze daarna samen bij den zonnewijzer hadden gestaan en stil gespied naar de spitse schaduw, die door den gouden pijl onmerkbaar werd voortgedreven, had hij zijn hand, waarin hij de hare geborgen hield, gelegd op den hoogen steenen voet, die koesterend warm was van opgeslorpte zonnestralen en vertrouwelijk zacht van ouderdom. En met iets van pret en iets van ontroering in z’n oogen had hij geciteerd:

Veux-tu nous enseigner—ô vieux cadran solaire— A laisser de côté les moments ténébreux, Mais à nous souvenir de ces jours de lumière, Où nos cœurs ont battu, dilatés et joyeux?

Maar zij, plotseling bekoord door den naïeven eenvoud van het versje en in een verteedering om de nieuwe, wondere wereld, waarin deze groote, sterke man leefde, had haar hoofd tegen z’n arm gelegd en gesmeekt: „Zal je ’t mij allemaal leeren, Frank, van de bloemen en de verzen en de oude dingen, die eigenlijk zoo mooi zijn?”

—O kind, zei hij en z’n mond beefde, het is maar zoo’n beetje voor alles, wat je mij geven wilt.

Maar in een beklemming vroeg zij zich af, of zij hem eigenlijk niet bitter weinig te bieden had.

En toen de denkbeeldige bloemen werkelijkheid geworden waren, toen het eerwaardige grijs van het trapje tusschen het schallend-blijde paars en geel spiegelde in het zonnige water, toen de rozen bloeiden langs het grasveld, had het korte mos zich al weer vastgezet op den steenen voet van den zonnewijzer.

En de man, die eens de onverwachte woorden: „Je marque seulement les heures de soleil” gevonden en aanvaard had als een omen vol belofte, liet de spreuk, die tot hoon van zijn leven geworden was, begraven onder het gouden mos.

Boven van het slaapkamer-balcon, riep de vrouw: „Ga je nog mee tennissen?”

—Nee, antwoordde hij stroef, ik ga vanavond niet tennissen en samen met het kind bukte hij zich dieper naar den weelderigen geur van de anjers.

—Altijd de tuin, mompelde de vrouw, maar ze bleef toch even staan kijken naar de twee in aandacht gebogen figuren en ze gevoelde zich zeer eenzaam.

Toen de man, getrokken door haar staren, opzag, liep ze snel naar binnen. En op den rand van haar bed, de handen gevouwen in den schoot, tuurde ze den lichten avondhemel in.

Ze had opeens geen lust meer om naar het drukke, vroolijke tennisveld te gaan en ze zat op het bed langzaam te denken, hoe het al deze jaren, nadat ze bij den zonnewijzer gestaan hadden, gegaan was met haar leven, hoe ze later nooit meer verlangd had naar bloemen en verzen en de schoonheid van oude dingen—wèl naar glorie en rijkdom. Maar ondanks den rijkdom, die gekomen was, had haar man beslist geweigerd dit huis te verlaten voor een, dat groot was en statig en vol gerief, omdat hij nooit afstand wilde doen van den tuin, die onder zijn werkzame handen was geworden tot een verborgen plek van altijd kleurige schoonheid.

En in haar hart was een naijver gekomen op den tuin, die haar man een vertroosting en vervulling was, die hem alle zomerdagen boeide door de zorg en arbeid, die hij van hem eischte en hem de lange winteravonden bezighield, als hij een nieuwe indeeling zocht en een schooner schikking; die hem den kleurigen bloei al deed zien, terwijl hij zat te zoeken in prijscouranten van bollen en planten en in Engelsche lijsten voor zijn zaaiplanten. En zij, die niets wist van de zegeningen, die verborgen liggen in de uren van afgeslotenheid en niet kende den rijkdom van eigen gedachtenwereld, voor wie de stilte niet anders was dan beklemming, had arm en verveeld naast hem gezeten, hunkerend naar het gedruisch van de stad en naar de afleiding, die menschen haar konden brengen.

En ook het kind—bleek en verlegen en gesloten—was geen vreugde in haar leven geworden, want zij had zich een dartel kind gedroomd met wuivende krullen rond een blozend appelsnoetje—een kind, dat voor ieder een onbevangen blik had en een rap woord.

En ook het kind werd getrokken door den tuin.

Dezen middag was Meta gekomen en had opgewonden verteld van haar winterverblijf in Italië en Nizza.

„De volgende week gaan we voor een paar maanden naar Schotland en Noorwegen; we blijven er de warme maanden. En gaan jullie nog op reis, Elise? Ga je lang?”

—Niet langer dan veertien dagen.

Om den tuin, had ze smalend gedacht, omdat Frank den tuin niet alleen wil laten. En toch komt de concierge van het kantoor iederen dag sproeien.

En in een felle jaloezie om Meta, die alles bezat, wat zij ontbeerde: een groot huis en een gewilligen man en twee kinderen, die vlot en mooi en vroolijk waren, was ze met haar den tuin ingeloopen en had de eene campanula na de andere afgebroken om haar man te kwetsen in wat ze wist, dat hem een vreugdevol bezit was.

Doch toen ze Meta nazag, die met haar arm vol bloemen heel de zonnige straat decoreerde, maar die de veelkleurige garf zóó achteloos droeg, als was haar een waardeloos geschenk opgedrongen, toen door de een versmaad werd, wat zij den ander had ontroofd, werd haar drieste daad haar tot een nederlaag.

Teruggekomen bij de geknotte takken, zag ze als door de oogen van den man de begane wreedheid en al maar starende naar de ruïne van planten tusschen de felle fonkeling van de gloeiende papavers en den grilligen groei van de luchtige akeleien, begon ze te beseffen, hoe smartelijk ze hem beleedigd had. Ze liep langs de rozen naar het oude trapje en ademde enkel latyrus-geur en terwijl ze droomerig keek naar het vaartje, waar de zilveren rimpeltjes uitgleden naar de koele donkerheid, die lag onder de lage iepen van den overkant, dacht ze: Als we meer van elkaar hielden, zou ik hem kunnen opwachten en ’t hem zeggen en ik zou den glazen bol vullen met àlle kleuren van de latyrus en die op zijn schrijftafel zetten. Nu kan dat juist niet.

Toen zag ze, hoe haar kleine, witte voet verscholen was onder de paarse saxifraga, die bloeide bloem aan bloem boven het zilvergrijs van de kleine blaadjes.

Heel voorzichtig om niet te schenden trok ze haar voet terug en het verraste haar, dat ze voor het eerst de stille bekoring zag van het vaartje, dat zachtjes golfde naar de verre weilanden. En terwijl ze zich gevangen gevoelde in een wondere betoovering dacht ze, dat het wel prettig moest zijn om straks bij z’n thuiskomst tot haar man te zeggen: „Wat is het vaartje eigenlijk mooi en wat is onze tuin aan den waterkant mooi met dat oude, begroeide trapje; onbegrijpelijk toch, dat andere menschen hun tuinen afsluiten met hooge schuttingen of een verveloos hek. Ik ben zoo blij met jouw tuin, ... met onzen tuin.”

Maar dat zou ze juist vandaag niet kunnen zeggen. En opeens wist ze, dat in het alledag-leven de kleine dingen en de eenvoudige woorden toch wel van zeer groote waarde zijn.

En de man vermoedde niet, dat hij met zijn eerste driftige woorden de zachte gevoelens, die lagen te wachten op koestering en milde ontferming, had teruggeduwd.

Met verharde harten hadden ze elkaar gekrenkt, zelfs de tegenwoordigheid van het kind hadden ze niet ontzien.

Nu, terwijl de avondwind uit de weiden de geuren van het rijpe gras naar binnen dreef, vroeg ze zich af, of het niet anders gekund had? En ook besefte zij nu, hoe pijnlijk stil het kind geweest was.

Het kind moest naar bed, het was geen sterk kind.

Ze stond op om het te roepen en ze zag het kind en den vader, hand in hand, staan bij de kamperfoelie, die klom tot op het dak van het schuurtje. Ze spraken heel zacht en vertrouwelijk, alsof ze samen een lief geheim wisten en daar elkaar van vertelden. Ze zag het opgeheven kopje van het kind en zijn gebogen hoofd in aandacht naar één zelfde bloem en er was zoo’n zacht gemurmel, dat ze de stem van den vader niet eens van de kinderstem onderscheiden kon.

Hij zal haar wel de schoonheid toonen van de bloemen, meende ze, en later van de verven en de oude dingen. Het kind is nog ontvankelijk. Ik...

In een verwondering bedacht ze, hoeveel zij juist dézen dag ontvangen had.

Ze riep het kind niet.

Ik moet niet storen, zei ze stil. Ze vond zichzelf een beetje belachelijk, omdat ze als een weer zoet geworden kind moeizaam stond te denken, wat ze nu verder voor goede dingen moest doen.

Ik zal theezetten in de serre en de groote schemerlamp aansteken. Frank houdt zooveel van petroleumlicht.

Een paar brandende tranen veegde ze snel weg; het was zoo vernederend twee-en-dertig te zijn en nog niet verder dan een weer zoet geworden kind.

En zoo zacht liep ze naar binnen, dat de man het kraken van het balcon niet eens hoorde. Hij vertelde rustig door: „.... en dat zijn de nachtvlinders, die overdag onder de blaadjes zitten te slapen, maar des nachts vliegen ze uit. Ze kunnen niet zoo heel goed zien en bijna alle bloemen sluiten zich, als de zon ondergaat. Maar nu hebben die nachtvlinders ergens trek in een beetje honing en den heelen dag zijn alle atalanta’s en de dagpauwoogen en de zandoogjes en de blauwtjes de kamperfoelie voorbijgevlogen, want de kamperfoelie is een grappenmaker en ze doet net, alsof ze heelemaal geen honing onder in die lange zakjes verborgen houdt. Maar nu het avond geworden is en de dagvlinders slapen, zet ze haar kelken wijd open en ze geurt zoo heerlijk, dat je bij de keuken al ruiken kunt, dat ze nog een heeleboel honing heeft en de nachtvlinders met de zwakke oogjes vliegen regelrecht op de kamperfoelie af. Kijk, daar heb je er weer een.”

—Dat is al de vierde, zei het kind en duwde haar handje dieper in zijn hand.

En hij dacht: Wat is het maar een broos handje, wat kruipt het telkens diep in mijn vuist. Zou het kind nu gelukkig zijn in dit rustige gaan, dit vertrouwde spreken? Vroeger keek ik alleen naar de bloemen en het kind liep verloren achter me aan. Dat moet toch niet, ik met de bloemen en het kind alleen en de vrouw in huis.... alleen. Wij drieën.... Ik moet samen gaan met het kind, hand in hand. Och, het kind is toch méér dan de tuin.

En een menschenziel, mijmerde hij, is meer dan een bloem en meer dan bloemengeur is de klank van het woord dat heen en terug gaat tusschen man en vrouw. De geuren waren wel zoet, maar de klanken waren zoo hard geweest.

—Je moet naar bed, prul, zei hij; kom, we gaan naar binnen. Hij keerde zich om en zag verrast dat de serre verlicht was en onder de lamp zat zijn vrouw achter het theeblad en borduurde een kinderkraag.

Zij zat er, vond hij, als een gewone vrouw, die haar man en haar kind wachtte in de vertrouwelijke sfeer van het eigen huis. Zij zat er, alsof ze van hem hield.