Chapter 2 of 3 · 3960 words · ~20 min read

Part 2

Er was een lichte klank van blijheid in zijn stem, toen hij wat onnoozel vroeg: „Ben je niet gaan tennissen?”

Maar zij achtte de woorden niet, alleen den klank.

—Het leek me gezelliger, zei ze en ze durfde nog niet opzien, om samen thee te drinken.

—Ja, zei hij en hij dacht, waarom weet ik nu niets beters te zeggen?

Maar de ontroering, die beefde in het simpele woord was haar niet ontgaan en ze gevoelde zich zeer begenadigd.

De man keek naar zijn vrouw, die thee schonk. Hij vond haar gezicht heel zacht, nu ze zoo toegewijd die kleine taak vervulde en hij verheugde zich in haar jonge, zangerige stem, toen ze tot het kind zei: „Je mag nog even opblijven en een kopje thee meedrinken. Ik heb je kopje al meegebracht.”

En het kind met een stemmetje, hoog van opgewondenheid om al het onverwachte van dezen vreemden avond, sprak in argelooze woorden uit, wat de anderen nog niet durfden uitdenken: „Ik vind het ècht zoo allemaal bij elkaar en dan die lamp aan. En dan nog thee.”

En terwijl ze al maar roerde, in het lauwe sopje, zei ze bedachtzaam, als had ze een som op te lossen: „Een vader.... en een moeder.... en een kind.... dat’s sámen drie.”

KINDERTUINTJES

Als Black oud is—ze zei expres niet dóód, omdat Bertje in de kamer was—als Black oud is en de kinderen zijn groot, ga ik den tuin heelemaal anders aanleggen. Hoe vind je dit? en ze legde de platen van Homes and Gardens boven op de Rotterdammer, die André juist bezig was te lezen, zoodat alle Buitenlandsche politiek opeens tot op z’n knieën zakte en een lieflijk tafereel van een pad van gebarsten steenen, dat zich tusschen bloeiende bloemenranden trapsgewijs boog naar een met rozen begroeid priëel, voor zijn verbaasde blikken opdook.

—Van wie, vroeg hij vaag, van wie zei je, dat die tuin was? En hij grabbelde onder den artistiek-bloeienden tuin naar z’n krant, die bezig was hem te ontglippen.

—Kijk nu even, André, zóó, precies zoo zouden wij later ònzen tuin kunnen hebben, ’t zijn juist onze afmetingen, zeven breed en twaalf diep, had je dat gedacht?

—Nee, bekende hij, ik dacht, dat het iets grootsch uit Japan was.

—Nou, triomfeerde ze, en ’t is maar zeven bij twaalf. Hier, wees ze op den blanken onderkant van de plaat, hier moet je je ’t huis denken en dan op zij zoo’n breede border, waar ieder jaargetijde wàt bloeit, de achterkant iets opgehoogd en in den hoek een zitje en dan maar één pad, dat toch een lichte bocht maakt en tusschen de gebarsten steenen van dat pad kleine plantjes: een plukje gele muur en een plukje blauwe eereprijs en iets roods of wits. Vind je dat ook niet lief, die kleine, kleurige plantjes tusschen de steenen?

—Zou Black ze er niet dadelijk uitkrabben?

—Later immers, als Black.... fluisterde ze, met een blik op Bertje.

—O, ja.

—En als we dan de schutting nog met een halven meter kippengaas verhoogen en inplaats van die vervelende frambozen ramblers planten, zal je eens zien, hoe prachtig die achterkant zal worden, want de schutting staat net als op de plaat op het Zuid-Oosten. En met zoo’n hooge, dicht-begroeide schutting en maar één pad lijkt de tuin ook veel dieper.

—Op photo’s, zei André, zijn tuinen altijd geflatteerd. Je moet ook niet vergeten, dat ze natuurlijk precies nièt de vervelooze kolenhokken er bij kieken en niet de balkons van de achterburen, waar altijd lappen aan touwen hangen te waaien en die je met geen meters kippengaas maskeeren kunt.

Hester dacht weer terug aan de plaat, die ze gisteren zoo aandachtig bekeken had, nu ze op het kleine bordes kinderkousen zat te mazen, terwijl Bertje van zes in den tuin scharrelde en Mieke in den zandbak een rij versche poffertjes versierde met stralende meizoentjes.

De zandbak is wel fnuikend voor den tuin, vond ze; het scherpe, witte zand stuift altijd weer over de jonge plantjes heen. Eigenlijk is de tuin wel beschamend-leelijk en ze keek naar de kleurlooze rekpalen, waar Erna de ringen hoog opgetrokken had, omdat je aan hooge ringen de mooiste kunsten kon doen. Achter den rekpaal lag het grasveldje, waar het gras maar schaarsch was, want Joop kweekte er klaver en paardenbloem-planten voor z’n konijnen.

Bij de schutting waren de tuintjes van de kinderen, naast elkaar op een rijtje, door een hekje van kippengaas veilig afgeschut voor den bedenkelijken graaslust van de konijnen.

Het plompe schuurtje is ook wel afgrijslijk, peinsde ze; als later de konijnen weg zijn en de kruiwagens en de stelten en de trekkar, is het schuurtje ook overbodig. Ik zou ook dat als een soort priëeltje kunnen inrichten, zooals die Engelsche meneer op het andere plaatje, die van een oud waschhok den voorkant wegbrak, het dakje verhoogde, ramblers plantte—ramblers schenen in Engeland alle moeilijkheden op te lossen—en nu in z’n vroegere waschhok, als in een soort openlucht-studeerkamer, met een overtuigend-gelukkigen glimlach zat te studeeren.

De voorkant weg, zette ze haar overpeinzing voort, en inplaats van het domme, platte deksel een schuin-oploopend dakje van roode rammelaars, met een pruikje zilverig huislook voor de gemoedelijkheid en dan in dien hoek zoo’n mooi lijsterbesje, dat met z’n teedere gebogen takjes en donzigen, witten bloesem boven het warm-rood van het dakje zou hangen. De lijsterbes kan ik eigenlijk al dadelijk planten. En omdat de morgenzon juist in het open hutje schijnt, zal ik er vanaf het vroege voorjaar ’s morgens met mijn werk kunnen zitten. Maar dan moet de aanleg van den tuin toch weer anders zijn.

Terwijl ze een gat als een vuist herstelde in Joops knie-kous, ontwierp ze een nieuw plan van een recht weggetje met roode plavuizen, want ze was, vanwege de begroeide barsten, verknocht aan steenen paadjes. En aan weerskanten van ’t roode pad wat malsch groen gras en rondom vol bonten bloei een hooge border, die glooide naar ’t glanzende groen, rond het plavuizen-weggetje. En in ’t voorjaar crocusjes en scilla’s en blauwe druifjes als vroolijke versierinkjes in ’t korte gras.

Moeder, onderbrak Mieke haar ontwerp, nu moet je eens taartjes bij me koopen, ik heeft al een winkel vol.

—Als deze kous klaar is, kom ik.

—Is ie gauw klaar?

—Nee, bedacht ze, nog in geen kwartier; ik kan Mieke toch niet een kwartier met haar winkel laten zitten.

Ze legde de kous neer, nam een koperen knoop uit de knoopendoos voor de betaling, sloeg Erna’s schort, die een stop behoefde, als een cape om haar schouders, riep: „Kom, Black, we gaan boodschappen doen”, en wandelde met haar neus in de lucht, om Mieke’s gespannen blik te ontgaan, drie keer den tuin rond, voor ze op den taartjes-winkel toestapte.

—Dag juffrouw, heeft U ook taartjes te koop?

—Je moet toch eerst door de deur komen, je moet zeggen: Ping-open, ping-dicht, dat doen deuren van winkels ook altijd. Dáár is de deur, wees Mieke met een zanderig vingertje een gat in de lucht.

Hester maakte gehoorzaam drie passen achteruit en kwam met een ping-open, ping-dicht en een moeizaam kruk-omdraaien den winkel weer binnen.

—Als ’t u blieft, vier taartjes, juffrouw, twee met witte vruchtjes er boven op en twee met gele. En heeft u ook een groote taart?

—Van een bloempot? fluisterde Mieke buiten het spel om; dat heeft ik vergeten.

—Ik wou zoo graag vanmiddag om vier uur een groote taart hebben. Wilt u hem nog voor me bakken en dan thuis bezorgen? Zoo’n hooge en dan met vruchtjes op zij.

—Ja Mevou, ik zal hem dadek bakken, is u jarig?

—Nee juffrouw, m’n jongste kindje is jarig, die is vijf jaar.

—Oud, hè? zei Mieke vertrouwelijk, maar ik is vijf, als ik wéér jarig is.

—Ja, en dan eten we ook taart—een taart met vijf kaarsjes en een vlag er boven op. Hier is het geld, juffrouw, ik moet gauw weer naar huis, m’n kindertjes hebben zooveel gaten in hun kousen, die moet ik nog allemaal maken.

—Je hebt zeker geen volzichtige kindertjes.

—Nee, Juffrouw, ik heb heelemaal geen volzichtige kindertjes.

Dag taartjes-juffrouw.

—Dag kouse-mevou, lachte Mieke om haar eigen grap.

—Moeder, riep Bertje, kijk eens in m’n tuintje, er zijn drie aardbeien rijp en gisteren waren er ook al twee.

—Maar deze heeft nog een groen puntje, Bert en die is nog een beetje wit.

—Maar die, Moeder, die is heelemaal rood en rijp en nog nooit is er zóó’n groote aangegroeid.

Ze bewonderde de aardbei, samen met Bertje, met hun neuzen vlak boven de plant.

—Aardbeien, vond hij, is nog prettiger dan bloemen en sterkers, aardbeien en frambozen is het allerprettigste; wat zitten de frambozen vol, hè?

Ze keek naar de harde, groene vruchtjes van de frambozen tegen de schutting en ze speurde misnoegd naar de hatelijke uitloopers, die altijd even frischgroen en vroolijk op de meest ongelegen plaatsen in den tuin weer opdoken.

Frambozen zijn een ramp voor de andere planten, ze moeten er later allemaal uit. En op de plaats van Erna’s kruisbesseboompje zal ik delphiniums zetten. In gedachten groef ze de kruisbessestruik en de frambozen en de aardbeien uit en ook de dubbele madelieven, die van geen beperking wisten en toch maar altijd weer verwilderden. En als het buitensporig aantal goudsbloemen in Joops tuintje wat verminderd en die slordige erwten-kweekerij van Bert verdwenen was, zou ze toch een prachtige strook hebben, om een breeden border aan te leggen. De kindertuintjes lagen juist in de zon, het zou inderdaad iets heel moois kunnen worden.

Mieke had de taart al achter haar naaidoos gezet en kroop naast Bert, om ’t gras voor de konijnen te knippen.

Ze zag de donkere kopjes vlak bij elkaar, ze hoorde ze samen smoezen van af haar plaats op ’t bordesje. En die monster-rekpaal besloot ze nog, die gaat er het eerst uit.

—Moeder, vroeg Bert, drink je al gauw een kopje koffie?

—Over vijf minuten.

—En eet je er een koekje bij?

—Nee, een taartje uit Mieke’s winkel.

—Maar een ècht koekje?

—Nee, geen echt koekje.

Ze lette niet op de kinderen, die de hoofden naar elkaar toebogen over Bertje’s tuintje.

Ze ging naar de keuken om melk op te zetten en ze zag niet, dat de twee onderwijl naar binnen liepen en haar mooiste kristallen schaaltje uit het buffet haalden.

Maar toen ze weer zat te mazen, kwamen ze ineens achter haar en Bertje riep: „Even je oogen dicht doen en nòu weer open.”

En toen ze keek, stond voor haar op tafel het kristallen schaaltje met frisch-groen aardbei-blad en midden op, binnen een krans van madeliefjes, Bertje’s groote, roode, rijpe aardbei, rijkelijk bestrooid met witte suiker. En achter de aardbei op het feestelijk schaaltje twee paar stralende kinderoogen.

—Kinderen, riep ze verrast, wat prachtig; het is bijna jammer om hem op te eten; hij is al zoo mooi om naar te kijken.

—Ja hè, glunderde Bertje, maar hij is voor bij je koffie. En Mieke heeft bedacht van de meizoentjes en ik van de blaadjes en ’t schoteltje.

—Wij zullen hem met ons drieën verdeelen, om de beurt een hapje; als je langzaam eet, lijkt het net als tien aardbeien. En hij smaakt naar de zon.

—Toen de kinderen waren heengegaan en ze haar lange stopnaald in saaie regelmaat draad-op, draad-neer over den grooten winkelhaak in Erna’s schort liet gaan, toefden haar gedachten nog bij de verrassing, die de kleine kinderhanden met zooveel zorg voor haar bereid hadden. Was eigenlijk de heele zomer niet vol van dat lieve, onverwachte?

Iederen trouwdag vonden ze de eerste half-rijpe of over-rijpe frambozen op de ontbijttafel. En ze vermoedde wel eens, dat Joop alleen zooveel goudsbloemen kweekte, om haar op haar verjaardag met de groote tinnen vaas vol van de donkerste-oranje bloemen te verrassen. En op een reddeloozen hoofdpijn-dag was het kroesje vol rose madeliefjes en vergeet-mij-nietjes, dat Mieke ongemerkt voor haar bed had gezet, toch het eenige troostende en opwekkende geweest in die sombere uren van kwellende pijn. En met een glimlach herdacht ze de kruisbessen-theepartij, die Erna georganiseerd had en het dwaze vers van André, dat hij en de kinderen toen op smeltenden toon twee-stemmig gezongen hadden.

Het kwam alles uit de kindertuintjes, de tuintjes, die bloeiden in den zonneschijn, waar altijd één van de kinderen bezig was met zaaien, wieden, planten of oogsten.

—Moeder, riep Bertje, vanaf het smalle paadje tusschen de erwten, als je zoo zit en je kijkt niet zoo erg naar boven, dan zie je geen een huis, dan zie je alleen de lucht en de planten en de bloesems—’t is hier net als in een bloemenlaantje.

Tusschen de erwtenplantjes, waaraan de vlindertjes nog bloeiden, terwijl de vruchten al rijpten, zag ze het kleine jongens-figuurtje. Heel stil zat hij er te droomen in zijn laantje.

Een laantje... peinsde ze, met een verre herinnering aan eigen kinderjaren... wat was dat bekoorlijk. Als je het laantje inliep, dan was er altijd diep in je de verwachting om het geheimzinnige... O, toen je nog een kind was, was het, alsof ieder laantje zou uitloopen op de verrassing....

Om nog zóó de wereld te kunnen beschouwen als Bertje, om alles wat leelijk is—de huizen-muren en ’t vervelooze schuurtje en het bengelend waschje van de achterburen—buiten te sluiten en met groote, verlangende oogen alleen de heerlijkheid te zien van het laantje met groen en bloesems onder den hoogen, blauwen hemel.

O, mijn jongetje....

Wanneer, vroeg zij zich af, wanneer hebben ze mij dit nog eens gegeven? ’t Was Joop...... ’t Was Joop die op een kouden December-avond de konijnen verzorgd had.

—Waar was je toch zoo lang? had ze gevraagd, toen hij binnen kwam.

En Joop, dicht tegen haar stoel, z’n glanzende oogen in de hare, had gezegd: Met Bertje in ’t schuurtje, Moeder, we hebben de konijnen hooi en boerenkool gegeven en ze toegedekt en we hebben aldoor samen op de kruiwagen naar ze zitten kijken en je weet niet, hoe dol-gezellig het in ’t schuurtje was met dat brandende kaarsje en alle konijne-snoetjes keken naar het lichtje en ze zagen er zoo lief uit. Zie je, ik zou wel in ’t schuurtje willen wónen.

En diep in haar hart, was er nu als toen de bede: o, kind, dat je je levenlang die gevoeligheid en het stille geluk om stemming en sfeer behouden moogt!

Mieke speelde auto op de rekstang met haar bloote, bruine beentjes om den paal. Het drukke getoeter ging opeens zonder aanleiding over in ’t feestgezang:

Lang zal Mieke leven....,

vanwege een onbewuste herinnering aan de vele verjaardagen, dat ze onder het met vlaggen en groen versierde rek, als onder een eerepoort hun feestliederen hadden staan zingen.

En Hester dacht aan háár laatsten verjaardag, toen André haar aan z’n arm den tuin ingeleid had, waar alle cadeautjes aan touwtjes tusschen de bloemen en ’t groen van het rek bengelden en de kinderen boven elkaar met één krampachtigen voet in een vierkant gat en een arm rond den paal, haar een stuntelig feestlied van Erna hadden toegezongen. En ’s avonds hadden ze tusschen de kleurige lampions met geblinddoekte oogen krakelingen gehapt van de zwierende ringen.

En de eerste malsch-groene sterkers op de ontbijttafel, de eerste knappende radijsjes, de eenige appel van Joops boompje, die een week lang op de vruchtenschaal had geprijkt, voor ze hem—om niets van een zoo kostbaar bezit verloren te laten gaan—met schil en al genoten hadden, het waren alle gebeurtenissen als feesten geweest, als intieme, huiselijke feesten, waar de wereld niet van wist.

En ieder feest was geworden in den tuin.

Maar eens zouden er dagen komen en maanden en jaren, dat er geen frambozen vol zoete beloften en hardnekkige uitloopers meer zouden zijn, geen sterkers en geen kruisbessen-liederen. Ze zou niet meer hurken bij het schuurtje met haar schoot vol aandoenlijk-zachte konijntjes. En nooit meer zou Erna met alle rokken over haar hoofd aan haar voeten in de ringen hangen om, als een zielsvergenoegde kakatoe aan z’n schommel, de wereld van den verkeerden kant te beschouwen.

En al de kindertuintjes zouden verdwenen zijn... en al de stage werkzaamheid en de blijdschap en de verrassingen en de teleurstellingen en de hoop.

In een ontstellend-helder visioen zag ze zichzelf in haar eigen-ontworpen tuin, waar de delphiniums en spyrea’s, de anjers en de margarieten in rijken bloei zouden kleuren onder de dicht-betroste ramblers. Er zou geen onkruid meer zijn en in den leegen tuin zou geen kinderstem meer roepen op een toon, die geen uitstel duldde: „Moeder komt U éven kijken...”

Over het paadje van gebroken plavuizen—als een oude vrouw met grijzend haar en licht-gebogen rug—zou ze gaan naar het open hutje, dat beschut lag tegen den wind. De lijsterbes, die een hooge boom was geworden, zou met z’n ijle schaduw het te felle licht temperen.

Den ganschen, langen morgen zou zij er zitten in den koesterenden zonneschijn met, als grootste vreugde, een brief van een der verre kinderen, met wat naai- en breiwerk voor de kleinkindertjes, om nog iets te doen te hebben in haar stille leven, met de vele herinneringen, de blijde en de smartelijke.

Maar haar hart kromp ineen, toen ze bedacht, hoe schamel dat bezit zou zijn na den rijken overvloed van ontroerende dwaasheid en eerlijk verdriet, van verrassende teederheid en uitbundige levensvreugde, die nu dag aan dag haar deel was.

VOORJAARS-HOFJE.

Als een bange, grijze muis sluipt het oude vrouwtje vlak langs den huizenrand. Met een lichten schouderschok schrikt ze telkens op, als een motorfiets dicht langs den trottoirband jakkert; schichtig kijken haar knipperende oogen naar de suizende trams, de toeterende auto’s en heel den warrel van groentekarren en venters en kris-kras tusschen alles doorschietende fietsen; en angstig drukt zij zich tegen den beschermenden huizenmuur, als een jongen met stijf-gestrekte armen, de toegeknepen vuisten voor de schouders, sissende komt aansnuiven, als was hij de sneltrein zelf, recht op haar aan.

En met het gevoel, ternauwernood ontkomen te zijn aan een groot gevaar, zucht ze verlicht, nu ook de wilde jongen voorbij is.

Dan komen er eenige oogenblikken van ongehinderd gaan; van de andere zijde naderen een vriendelijk heer, in gepeinzen verzonken, twee luid-babbelende dienstmeisjes, enkel aandacht voor zichzelve, een paar kinderen met een poppenwagen, allen menschen, die haar niets kunnen doen. Want, ach neen, het trottoir, de toevlucht voor al wat oud is en hardhoorig en slecht ter been, is geen veilige wijkplaats meer. Is juffrouw Timmerman, terwijl ze een rustig oogenblik afwachtte om de straat over te steken, niet aangereden door een slagersjongen, midden op de stoep, niet eens aan den rand?....

En dan is ze thuis!

Thuis—dat is het hofje. Ze duwt de zware poortdeur open en laat die onmiddellijk weer achter zich toevallen, als wilde ze heel de booze wereld vol lawaai en gevaren buitensluiten en nog kortademig van haar te snellen, beangstigenden gang, blijft ze eenige oogenblikken, in ’t voldaan gevoel van haar absolute veiligheid, toeven op de houten bank, luisterend naar de stadsgeluiden, die, in hun gedemptheid, haar nu opeens gemoedelijk aandoen.

Een streng en sober voorportaal is de poort; het voorportaal, dat toegang geeft tot de heerlijkheid van het hofje.

Met de poort en de regentenkamers en de portierswoning sluiten de drie rijen „kamertjes” van de hofjes-juffrouwen in een gelijkzijdig vierkant den hofjestuin in, die in deze zoele Aprildagen is als een wereldsch paradijs. Boven de malsch-groene bleekvelden, gespikkeld van meizoentjes, boven het laantje met bessen- en frambozenstruiken vol kiemende blaadjes, boven alle vroolijke, kleurige lentebloemetjes, boven de glanzend-roode pannendakjes, strekken zich de hooge pereboomen, slank als populieren en nu vol sneeuwigen, witten bloesem.

Ieder „kamertje” is een huisje, een mooi, gaaf oud-Hollandsch huisje en twee aan twee, voordeur naast voordeur zijn de huisjes tot één verbonden door een trapgeveltje. Ieder huisje heeft z’n beschuttende, groene luikjes ter weerszijden van het raam met de witte kant-gordijntjes en de geraniums en fuchsia’s, die langs getimmerde latjes in de vensterbanken groeien.

Zoo liggen ze naast elkaar, huisje naast huisje, geveltje naast geveltje en in ieder huisje woont een eenzaam, oud wijfke. Ieder wijfke heeft in haar huisje haar kamertje met de bedstee en het portaaltje met de huishoudkast en een eigen zoldertje voor turf, rommel en waschgoed, en zoo heeft ieder wijfke ook haar eigen stukje straat van gele klinkertjes, waar ze een beetje mag schrobben en plenzen met water, want rondom het hofje loopt het gele straatje tusschen de huisjes en den hofjestuin.

Midden in het hofje zijn de bleekvelden en de bloementuin van den portier en zijn moestuin en de hooge pereboomen. En als een breede, bonte bloemenkrans liggen rond den moestuin en de bleekvelden de tuintjes van de juffrouwen. Iedere juffrouw heeft tegenover haar eigen huisje met het trapgeveltje en de groene luikjes haar eigen tuintje, waar in dit vroege, milde voorjaar de tulpen en hyacinten bloeien, rood en geel en wit en paars, binnen de randjes van witte onschuld; de ribesstruikjes hangen vol rozeroode bengeltjes en de goud-bruine muurbloemen geuren zoo zoet, dat de bijtjes al maar rond de open kelkjes tuimelen.

Over het heldere straatje sliffert een der oudjes van haar voordeur naar het tuintje; tusschen haar oude knokkelige handen draagt ze als een kostbaarheid een kommetje koffiedik met een tinnen lepel en moeizaam-bukkend, maakt ze het zand los rond haar stamroos, die midden in het perkje met den buksrand staat.

—Koffiedik, zegt ze tegen haar buur van de rechterzijde, is een goeie bemesting.

Tot de buur van den linkerkant spreekt ze nooit; tusschen hen is de veete van het buksboompje.

Toen zij drie jaar geleden, moe en mistroostig van het altijd weer worden opgejaagd uit te dure, benepen huurkamertjes, haar rust vond in het hofje, erfde ze mèt het huisje onder den trapgevel ook het tuintje van haar onbekende voorgangster. En met een hart vol erkentelijkheid aanvaardde zij de gulle bepaling van de overledene: „En het tuintje moet precies zoo blijven voor de juffrouw, die ná mij komt.”

Het was een heel mooi tuintje met een dubbele-deutschia-struik en een kruisbesseboompje en hooge, blauwe riddersporen langs den kant. En rondom de stamroos, pal in ’t midden was een perkje viooltjes, omgeven door een rand van frisch-glanzende buks, als een ondoordringbaar, groen muurtje.

Maar in den morgen van den dag, dat ze komen zou—met haar boeltje gebracht op een handkar—in den ongerepten, vroegen morgen, toen de poort nog gesloten was en alle lancasters neergelaten, toen de schaduwen nog lang waren en alleen de uitbundige vogels—hoog in de pereboomen—hun jubelende liederen tierelierden, toen zijn het buurtje van links en de juffrouw van no. 7 stil opgestaan en met een kolenschop hebben ze elk twee buksboompjes uit het onbeheerde tuintje gegraven en overgebracht naar eigen terrein.

En juffrouw de Koning heeft—nog vóór de meubels in huis gedragen waren—de schade aan haar buksrand gezien, en gegluurd in de tuintjes van de andere juffrouwen en haar eigen buksjes ontdekt. En zooals ze in de laatste jaren, altijd had opgespeeld, als ze te kort gedaan was door haar verschillende huisjuffrouwen is ze ook subiet naar haar buur gestapt en heeft haar den diefstal verweten.

Die heeft ontkend, maar Bot, die alles weet en alles durft zeggen, is er dadelijk bij gekomen en heeft geroepen: „Laat naar je kijke met je pallempies, je hebt nooit pallempies in je tuintje gehad. Ze benne alle vier van de nieuwe juffrouw en juffrouw Noot het ze bij d’r leve nog besproke voor de juffrouw, die na d’r komme zou en ’t is een schande om die pallempies af te gappe van een dood mensch, dat zich niet meer verwere kan.”

En toen de ander nog wat wilde inbrengen, is de portier gekomen en heeft beslist, dat de buksjes moesten worden uitgegraven en teruggebracht naar de plaats, waar ze hoorden.

Tegenover de zware, rustige mannestem hebben de opgewonden juffrouwen allen gezwegen en toen juffrouw Ruitjes de buksjes uit den grond haalde, hadden de wortels niet eens aarde gepakt.

Klaar bewijs, dat ze d’r net in stonden!