Part 3
Juffrouw de Koning zelf heeft de palmpjes weer met voorzichtige handen tusschen de andere gezet, maar een van de buksjes is de herhaalde overplanting nooit te boven gekomen. Hij is maandenlang de doffe plek in het glanzende buksmuurtje geweest en ondanks twee kannetjes water per dag, toch bezweken. En nu nog, als de andere juffrouwen haar buksrand roemen als de mooiste en hoogste en dichtste aller buksranden in het hofje, ziet juffrouw de Koning altijd dat ééne kale plekje, waar de dichte groei der andere palmpjes nooit heeft kunnen heelen, wat eens zoo moedwillig geschonden was.
En mèt het gehavende buksrandje van den eersten dag is ook de zoete droom verstoord, dien juffrouw de Koning vele jaren over dit hofje gedroomd had, als een gezegend land van enkel vriendinnen, elkaar dierbaar en toegewijd. Ook hier in de veilige afgeslotenheid van deze plek van rust—evenzeer, als overal elders in de wereld—huizen de onbetrouwbaarheid, de inhaligheid en de nijd. En dat had ze nooit vermoed.
Het is Bot, de spotvogel van het hofje,—genietend van iedere emotie—die juffrouw Ruitjes in bedekte termen den diefstal nahoudt en die juffrouw de Konings vreedzamen gedachtengang telkens weer verstoort door met den spot in haar kleine oogjes op het onverwachts te vragen: „En hoe gaat het nou met de pallempies, groeie ze flink?”
Bot is ook degene, die de anderen bijnamen geeft, die juffrouw Nellens „de baker” heeft genoemd, alleen omdat zij Meneer van Boschwyck, die regent is, eens heeft hooren zeggen: „Zoo, Baker, hoe gaat het?”
En hij stapte meteen haar huisje binnen, alsof hij bij z’n eigen moeder op visite kwam. Want juffrouw Nellens heeft Meneer van Boschwyck nog gebakerd en in haar kamertje hangt in een rood-fluweelen lijstje een portret van haar zelf met Meneer van Boschwyck op schoot—een schaap van zes weken is hij daar. Er hangen ook nog andere portretjes van juffrouw Nellens met een klein kindje in haar armen of een kindje in een wagentje.
„Lilleke, verbleekte dingen,” vindt Bot, „niks as kale bluf; ze hange d’r alleen maar, om te late kijke, dat ze de grootheid op d’r schoot gehad heeft.
„De baker en de douweriere, die hebben ’t altijd druk met de grootheid.”
De douweriere is Dientje van ’t Veen, die vele jaren linnenmeisje was in het groote huis vol baronnen en baronessen. Ze heeft daar gewoond op de linnenkamer, om het fijne damast te stoppen en schooljurken te naaien en fleurige zomerjaponnetjes van de jonge freules. En onder het passen vertelden ze haar van hun school en hun pret, later van hun kostschooltijd en de uitgangen.
Maar niemand in ’t hofje—Bot allerminst—vermoedt met welke groote liefde haar trouw, warm hart de kleine freuletjes heeft liefgehad en den jonker en den ouden baron.
Ze heeft de kinderen gekend, zooals geen in huis ze gekend heeft. Boven op de hooge linnenkamer heeft ze gezeten, jaren achtereen, ook ’s avonds, als de booien, met wie ze nooit vertrouwelijk geweest is, in de keuken waren.
Een eenzame vrouw was ze, die weinig sprak en veel hoorde, die de kinderen nakeek van af haar plaatsje voor het raam en in de energieke of onverschillige ruggetjes, in de onwillige of dansende, kleine beenen hun verdriet en hun zorgen wist, hun vreugde en verlangen.
Niet de woorden, die tot haar gesproken zijn, hebben juffrouw Dientje van ’t Veen tot zoo’n wijze, oude vrouw gemaakt, maar het stille denken over wat voor haar is verzwegen.
De kinderen zijn, de een na den ander, het huis uitgegaan; freule Marie met den kleinen trotschen mond, is getrouwd met den veel ouderen gezant. Zoo strak en stil had ze gestaan bij Dientje, toen die haar de onderjurk voor de bruidsjapon paste. En Dientje, geknield en toegewijd-bezig, had gedacht aan den jongen, vroolijken neef Adolf, die freule Marie altijd zoo graag had mogen lijden....
Freule Marie was weggereisd en nog altijd reisde ze van ’t eene land naar het andere; soms kwam ze voor een paar maanden terug in Holland—in Den Haag—met haar ouderen man, zonder kinderen. Dientje had haar nooit weergezien.
En ook jonker Hubert was weggegaan, ver weg naar Indië en daar gestorven... plotseling...
De oude baron had het haar zelf verteld. Bij de tafel had hij gestaan en de tafel had getrild, terwijl hij z’n saamgeknepen handen steunde op het blad. Een oud, gebroken man was hij geworden in dien éénen dag.
Plotseling... zijn hart... was niet heelemaal in orde, eigenlijk allang niet...
Stil maar, had Dientje gedacht, zeg maar niets meer, ik begrijp het wel.
Ze had hem immers zoo goed gekend—kleine Huub met z’n groote, zwaarmoedige oogen.
„Kom jongen, lach nou eens, je gaat naar zoo’n heerlijke partij,” had ze wel eens geprobeerd, wanneer ze hem als kleine jongen z’n das strikte en de veters van z’n lakschoentjes, en als de rimpel tusschen de sombere kinderoogen haar weer zoo verontrustte.
Neen, partijtjes en pretjes hadden hem nooit eenige vreugde gegeven, ook andere jongens niet..., z’n vader was wel een vriend geweest... en z’n dieren: de konijnen, de marmotten, de witte muizen... en dan altijd maar alleen en teruggetrokken voor de andere menschen en altijd somber... en toen weg naar Indië... alleen... zoo’n knappe, vlugge jongen, zoo’n best hart... ach ja, dat hart, dat niet in orde was... te zacht, had Dientje gedacht, te gevoelig. Er is zooveel geweld in de wereld, zooveel leed... sommige harten kunnen dat niet dragen... op den duur...
Maar freule Wiesje was getrouwd en in de stad blijven wonen. En zooals ze vroeger de linnenkamer binnendanste, kwam ze nu Dientjes kamertje inloopen met twee, met drie, met vier kinderen. Dan bekeken ze samen de oude kinderportretten en de souvenirs, die Dientje meegenomen had uit het groote huis en zorgvuldig bewaarde. En of Dien nog wist van de verkleedpartijen en dat Marie altijd koningin wou zijn en zij een jongensrol en Hedwig, die alles bedacht en die zoo mooi teekenen kon...
—O, ja, Dien had nog teekeningetjes van freule Hedwig; toen was ze zeven, toen was het al mooi. „Van U heb ik ze ook nog.”
—Toe, Dien, laat eens kijken. Ja, Hedwig is altijd bizonder geweest. Hedwig maakt nu naam.
—O nee maar, Dien, wat onnoozel, die teekeningen van mezelf! Kinderen, kijk eens, zoo teekende moeder, toen ze... ja, hoe oud zou ik geweest zijn, Dien?
—Elf, wist Dien dadelijk. Het was die keer, toen U mazelen had en de anderen waren al beter en ze waren toen met Juf naar het ijs en U zat bij mij te teekenen en toen werd U boos, omdat U het niet zoo goed kon als freule Hedwig. En toen heeft U een manteltje voor Lucie gemaakt—weet U nog, pop-Lucie, die haar had van freule Marie? Een blauw manteltje was het met glazen knoopjes.
—Ja, ik weet het nog best; wij hebben Lucie nog—om het haar heb ik haar bewaard. Mary, zal je den volgenden keer Lucie eens meebrengen voor Dien?
Als freule Wiesje komt, is Dientjes kamertje vol vroolijkheid en blonde kinderhoofden en de deur staat wijd-open, want tusschen de verhalen door loopen de kinderen in en uit; ze mogen ieder jaar de witte aardbeitjes opeten uit Dientjes tuintje en een stekje van het citroenkruid plukken en Louis mag Dientjes waterkan vullen bij de pomp en Mary mag pompen.
Maar als freule Hedwig in het hofje komt schilderen en een half-uurtje bij Dientje zit, sluiten ze de deur en dan praten ze zacht over Huub en over vader, toen hij nog krachtig en gezond was; over de zoo statige, ongenaakbare moeder niet veel...
Toen de kinderen uit huis waren, heeft de oude baron gezorgd, dat Dientje een huisje in het hofje kreeg.
En juffrouw Bot, wier altijd-loerende jaloezie onmiddellijk stak, nu Dientje—tien jaar jonger dan zij—zoo gladjes het hofje was ingedraaid, terwijl zij hemel en aarde had moeten bewegen en jaren lang van ’t kastje naar den muur was gestuurd, voor ze een „kamertje” bemachtigen kon, omdat ze nu toevallig géén baron achter de hand had,—Bot had bij het eerste bezoek, toen Dientje den baron tot de poort uitgeleide deed, met een grimas achter hun ruggen, tegen de andere juffrouwen in het pompenhok gespot: „Kijk daar gaat de beron met zijn douweriere.”
—Wat, douweriere? wat klets je nou? had juffrouw Heintje gevraagd.
„O, weet U ’t weer niet? Een jonge freule noemen ze freule en een ouwe freule noemen ze douweriere. En juffrouw van ’t Veen doet zoo grootsch, alsof ze zelf tot de adeldom behoort.” En in de pret om haar vondst, waarmee ze toch stilletjes iets afdeed van de deftigheid van de ander, was de prik van haar jaloezie alweer verdwenen.
Maar de andere juffrouwen in een machteloosheid tegenover den spot van die ééne, hebben in een gevoel van solidariteit—als roofden zij de kroon van een familie-wapen—van haar naam het „juffrouw” geschrapt. Over haar en over geen ander in het hofje, spreken ze als „Bot”; dat doet juffrouw de Koning en juffrouw Timmerman en juffrouw Heintje Visscher, die altijd bij den voornaam genoemd wordt, omdat er tot het vorige jaar twee juffrouwen Visscher waren: juffrouw Heintje Visscher en juffrouw Mina Visscher.
Maar juffrouw Heintje met Bot samen voelen zich toch weer zeer verknocht in stille vijandigheid tegenover de douweriere en de baker, omdat die zulke rare dingen in hun kamers hebben staan, omdat ze zoo weinig ingaan op de genoeglijke kwaad-sprekerijen in het pompenhok en vooral omdat ze zoo onaantastbaar zijn.
En toch, het tuintje van de baker is het mooiste van het gansche hofje. Dat moeten alle juffrouwen bekennen, als ze eerlijk zijn, zelfs juffrouw Heintje, die haar tuintje alleen gebruikt om haar poes te luchten.
Er is in het hofje een streng verbod op poesen; alleen juffrouw Heintje mag haar poes behouden, omdat haar poes een hofjes-poes is, die nooit los loopt. Ze slaapt op het zoldertje en ’s morgens na haar ontbijt roept juffrouw Heintje aan de zoldertrap: „Poes?-Poe-oes? Waar is het lieve diertje dan? Komt ze dan gauw bij ’t vrouwtje?”
Dan komt de poes de trap afgedaald op luie voorpooten, die telkens eenige oogenblikken doelloos in de lucht hangen, voor zij ze op een lagere tree zet en in een lichten schok volgen de achterpooten noodgedwongen het dikke, vadsige poeselijf. Door de lus van zelfkant-flanel, die juffrouw Heintje haar toehoudt, steekt de poes gedwee haar grooten kop met de suffe oogen en dan bindt juffrouw Heintje het einde van den zelfkant aan den bezemsteel midden in haar tuintje. En nu mag de poes een beetje om den bezemsteel heendraaien en krabben in ’t zand en knipoogen naar de vogeltjes en slapen in de zon.
Een slordig, omgewoeld zandveldje is het tuintje; alleen in den hoek, waar de poes niet komen kan, groeit wat kruzemunt voor de rheumatiek en tijm voor benauwdheid op de borst.
Juffrouw Heintjes tuintje is een schande voor zoo’n fatsoenlijk hofje, vindt juffrouw de Koning. Maar wat geeft juffrouw Heintje om een bloementuintje? Van bloemen heb je maar last en zorgen, als je ze buiten hebt staan en in huis maken ze een smerigen rommel; van een poes heb je alleen plezier en gezelligheid.
„Is ’t niet poes? Is ’t niet, lekker dier?” praat juffrouw Heintje, die op dezen Aprilmiddag met de poes aan den zelfkant op haar schoot, zich slaperig zit te koesteren in de lentezon.
„Kijk nu de baker zich druk maken met al die miezerige plantjes. ’t Zal me benieuwen, of d’r ooit bloem an komt, en daar geeft ze nou d’r goeie geld voor uit.”
De baker ligt op haar knieën in haar tuintje en een voor een neemt ze de teedere, jong-groene bundeltjes en plant ze in de rulle aarde; een rose madeliefje naast een vergeet-mij-nietje en dan weer een madeliefje; altijd rose en blauw, om en om, rond het perkje van Lieve-Vrouwe-bedstroo, dat ieder jaar weer zoo zoet vanzelf opkomt en nu al bloeit met duizend fijne, witte sterretjes.
Lief zal het zijn, als over een paar dagen ook het randje bloeit; de rose en blauwe kleurtjes wazen al door het groen—wit en rose en licht-blauw—het zal zijn als de kleuren van zijden lint op wit-batisten kinderjurken, rose voor de meisjes en voor de jongetjes blauw.
Rose waren de kindertjes, die ze gekoesterd heeft. Hoevele kleine, rose-gemarmerde lichaampjes heeft ze niet in haar armen gehad; ze heeft ze gekleed en gebaad en met zachten drang heeft ze de kleine vuistjes moeten losmaken, om ze te kunnen wasschen. En in de rose gezichtjes hebben de weeke, roode mondjes met tjilpende geluidjes getracht de witte spons te grijpen, wanneer ze die als een streeling over de donzige koppetjes wreef.
En de oogen, blauw en groot en zoo ontroerend-ernstig—oogen waarin nog nooit was geweest de lichte tinteling van den kinderlach—hebben haar aangezien van het eene kindje en het andere.... altijd weer andere blauwe oogen; jaar in jaar uit, altijd weer andere kindertjes, maar allen zoo lief, zoo klein, zoo hulpeloos.
Rose en blauw, peinst ze.... madelieven en vergeet-mij-niet, plantjes zijn eigenlijk als kinderen; je krijgt ze klein en ze groeien en ze bloeien, jaar op jaar worden ze krachtiger, dikwijls gaat het zoo...
Wat doe je er voor? Een beetje water, als het droog is en verder laat je ze maar over aan de zon, aan den wind, aan den regen en de blauwe lucht. En alles gaat goed....
En de anderen.... je verzorgt ze, je vertroetelt ze; dag aan dag tob je er mee om en het gaat toch niet....
Er is een zachte glans in haar oude oogen, die, al de jaren door iets behouden hebben van het diepe, ernstige kinderblauw. Haar zorgende handen drukken de warme, zachte aarde rond de jonge plantjes dicht en even denkt ze weer aan de kindertjes, zooals zij ze honderden malen heeft toegedekt en ingestopt in hun rose en blauwe en gebloemde wiegetjes.
Als kinderen zijn jonge plantjes.
Nog stil-gebukt spiedt ze aandachtig haar tuintje rond en gelokt door den geur ontdekt ze opeens een nietige, paarse hyacint, het vorige jaar gekweekt op een glas.
—U kunt hem gerust in ’t vullisvat gooien, had juffrouw de Koning geraden, d’r komt nooit meer wat an zoo’n bol van een glas, hij is nou uitgemergeld.
Ze had hem tòch gedroogd op een stukje krant voor ’t zolderraam. En in October heeft ze hem toevertrouwd aan de ontfermende aarde en daarna heeft ze hem vergeten. En nu roept hij haar met z’n geur, nu bloeit hij daar zoo schuchter en kleintjes, als had hij nooit iets te maken gehad met de forsche pralende plant, die eens voor haar venster gepronkt heeft. Haar hoofd buigt zich over de donker-paarse bloem, over de warme, zachte aarde en even is ze gevangen in al die geuren van de hyacint, van het Lieve-Vrouwe-bedstroo en het kruidige, jonge groen. Als een kostbaar geschenk is haar dit oogenblik en haar oude blauwe oogen zien naar de pereboomen, waar ze den bloesem weet, maar niet meer onderscheiden kan. En stil-verzonken luistert ze naar de vogels, de kwetterende en fluitende en zingende vogels, die hier nestelen onder de pannen, in de pereboomen, in de nestkastjes langs de stammen. Een vogelparadijs is dit oord van rust en kruimels en van een onschatbare veiligheid is dit land zonder katten; de poes van juffrouw Heintje wordt niet gevreesd, dat is geen vogeltjes-poes.
Langs het smalle frambozenlaantje tusschen de bleekvelden loopt juffrouw van ’t Veen en brengt een kop thee aan freule Hedwig, die er te schilderen zit.
Over freule Hedwigs schouder ziet ze naar het huisje op het doek; het roode pannendak met het grijze huislook, de kierende deur, waarvoor de klompen staan en het potje oranje tulpen voor het raam met de gesteven kant-gordijntjes. En al dat licht, al dat jonge, blijde zonnelicht.....
—Mooi, zegt ze stil.
—Als ik oud ben, Dien, dan kom ik hier ook wonen in jullie mooie hofje.
—Ach, vindt Dientje, niets voor de freule, zoo met al die anderen.
—Als ik jou had, Dien.... en je vriendin Marijke, zou ik het best vinden; zoo heel veel heeft een mensch niet noodig.
Nee, denkt Dientje, zoo heel veel niet... maar je moet het kunnen zien.... zooals Freule Hedwig het ziet.... zooals Marijke, de baker het ziet.... je moet het voelen....
Ze blijft nog staan, als freule Hedwig haar thee uitdrinkt; zij kijken samen naar het schilderijtje en in den warmen, koesterenden zonneschijn droomen haar beider gedachten terug naar het oude leven in het groote huis. Maar ze behoeven er niet over te spreken... ze hebben het goed, als ze samen praten... ze hebben het beter nog, als ze samen zwijgen in stil verstaan.... neen, ook zoo heel veel woorden heeft een mensch niet noodig....
En geen van beiden vermoedt, hoe daar in het pompenhok, waar de vrouwen gekomen zijn met haar wateremmers, Bot tot de anderen zegt: „Kijk, de douweriere met d’r thee op een blaadje met een zakdoek. Zeg, juffrouw Timmerman, kom je nou es bij mijn een kommetje koffie hale? Gerust hoor, je zal je koppie ook op een zaddoekie hebbe; Bot weet ook nog wel wat van fijne meniere.”
Maar juffrouw Timmerman antwoordt niet eens. Haar ingevallen mondje trekt nog wat meer naar binnen en zonder een woord neemt ze haar groenen emmer, waarvan de koperen voet zoo uitgelaten fonkelt als puur goud in den zonneschijn.
Zulk helder, droog weer is het vandaag, net weer om te schrobben en ramen te lappen.
Kopjes koffie, mokt ze stilletjes, koffie bij Bot! Nooit drinkt juffrouw Timmerman kopjes koffie bij de andere juffrouwen, bij niemand. Heeft haar moeder niet tot haar gezegd, toen ze nog een meisje van vijftien was: „Denk er om, Hendrika, ga nooit koffie drinken bij je buren. Van kopjes koffie kommen praatjes en van praatjes komt ruzie.” Daarom heeft juffrouw Timmerman haar levenlang bedankt, als de andere juffrouwen haar verzochten op een kommetje koffie en ook haar eigen koffie drinkt ze steeds alleen. En met geen van de juffrouwen hééft ze wat; hoe minder je je met anderen bemoeit, hoe minder ruzie. Zoo heeft moeder ’t haar al geleerd, toen ze nog een kleine Hendrika was. En je ouders moet je eeren, ook na hun dood.
Recht en stijf, als woog de zware water-emmer niet aan haar arm van tachtig jaren, stapt ze verder en als ze langs het bleekveld gaat, waar de freule zit, stijgt een klein, nijdig blosje naar haar wangen en haar oogen worden hard.
Het is deze freule, die het vorig jaar aan haar huisje geklopt heeft, om te vragen haar te mogen schilderen.
—Dank u, heeft ze toen geantwoord, die schande hoeft u me niet aan te doen; ik ben altijd een fatsoenlijke burgerjuffrouw geweest. En meteen heeft ze de voordeur dichtgedaan, van binnen op slot... Nee, ze hoeven haar niets voor te praten, de freule niet en juffrouw van ’t Veen—die toch zoo netjes en ingetogen lijkt—ook niet; het begint met schilderen en het eindigt met je portret op een prentkaart voor de winkelramen.
Freule Hedwig kijkt het kwieke wijfke glimlachend na, zooals ze daar gaat met het hagelwit-gemutste hoofdje boven den smallen, beleedigden rug. Het spijt haar nog altijd van dien kleinen, preutschen mond, van die kostelijke ras-oogen, van heel de zelfgenoegzaamheid, die zit tot in de strikken van haar ruitjes-schort.
Maar de glimlach trekt weer weg van haar gezichtje, nu ze er aan denkt, hoe zelfs haar vriendelijke groet het vrouwtje zooeven nog gekwetst heeft.
Zoo oud... peinst ze, tachtig jaar en nog zoo hard... och arme...
Achter haar murmelen de stemmen van een paar oudjes, die zitten te breien op de bank; een schel geluidje, alsof iemand voortdurend te kort gedaan wordt, krast nu en dan door het gemurmel heen. Dan sussen de anderen goedmoedig en het ondeugende stemmetje zwijgt een poosje.
Onder de hooge, bloeiende pereboomen zitten de drie juffrouwen.
En wanneer een enkele maal een bloesemblaadje naar beneden fladdert en als het aller-teederste, witte strandschelpje blijft liggen op een glimmend-lustren rok, knippen ze het met haar magere vingers weg, alsof het een vuiltje was.
Op de banken zitten de oudjes, op haar sitsen pantoffels gaan ze alleen of getweeën met gebogen, moede hoofden langs het gele straatje en aan de deuren van hun gevelhuisjes staan ze—de kleine bekommerde gezichten naar elkaar toegebogen—te praten.
Het hofje is vol zonneschijn. Het is er warm en weldadig-goed; stralend blauw is de hemel daarboven. In de goten scharrelen de musschen, op den allerhoogsten tak van den pereboom jubelt de merel z’n uitbundig liefdelied en ergens klinkt een schuchter liefde-zangetje terug. En een glanzende spreeuw vliegt met een bek vol buit, dwars over het hofje, naar z’n nest met begeerige jongen.
Het is lente, de wind komt uit het Zuiden, de vogels zingen van liefde en jong leven en elke struik en iedere tak is een kostbaarheid vol teeder-groene bladertjes en kleurige bloesemknoppen.
Over de blinkende klinkertjes sloffen de oude, oude vrouwtjes.
Hoog boven haar hoofden rekken zich de slanke pereboomen vol maagdelijk-witten bloesem.
En wie van haar zal de vrucht zien rijpen?