Chapter 1 of 5 · 3997 words · ~20 min read

Part 1

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 36 DE MOOIE JONGEDAME.

DE MOOIE JONGE DAME.

EERSTE HOOFDSTUK.

EEN VREEMDE INBRAAK.

Raffles, de Groote Onbekende, had juist een bad genomen.

Hij hield ervan om, nadat hij had gebaad, gymnastische oefeningen te maken en had voor dat doel in zijn huis, het zoogenaamde vossehol, zooals hij het wegens de vele in- en uitgangen noemde, een vertrek ingericht, waarin zich allerlei gymnastiektoestellen en zware halters bevonden.

Ook Charly Brand, zijn vriend en helper, nam deel aan deze oefeningen.

Vol bewondering keek hij er telkens naar, wanneer zijn vriend aan den rekstok de moeilijkste oefeningen met veel vaardigheid en zoo sierlijk mogelijk uitvoerde.

Na de gymnastiek liet Raffles zijn lichaam door den ouden kamerdienaar kneden en masseeren en eerst daarna maakte hij zorgvuldig toilet.

Toen hij met Charly Brand aan het ontbijt zat, bracht de bediende op een gouden blad de aangekomen brieven en couranten.

Bovenop lag een aangeteekende brief voor Charly Brand.

„Heb je geld voor ons laten komen?” vroeg hij zijn vriend.

De secretaris, die de geldzaken beheerde, antwoordde:

„Ja, onze voorraad was uitgeput en ik heb gistermiddag een cheque aan onzen bankier gezonden met verzoek het geld te zenden, daar ik zelf geen tijd had om te komen.

„Hier is het! Vijfhonderd pond sterling.”

Charly Brand opende het couvert met een mesje en nam zorgvuldig het bankpapier eruit.

Raffles maakte het pakje bankpapier los en voor hem lag een stapeltje witte biljetten van tien pond met de eenvoudige zwarte drukletters, die, ondanks hun eenvoud, toch zoo moeilijk zijn na te maken, omdat de samenstelling van het papier een ondoorgrondelijk geheim is.

Raffles streek met zijn aristocratische hand zorgvuldig over de banknoten en sprak glimlachend:

„Ook ons papiergeld schijnt de mode mee te maken, die Koning Edward aangeeft met zijn pantalons. Zij zijn volkomen glad en zonder een enkel plooitje.

„Een fonkelnieuwe banknoot heeft voor mij altijd iets wonderlijks. Het papier vermoedt nog niet, door hoeveel morsige handen het zal gaan, hoeveel misdaden, hoeveel ellende en nood, maar ook hoeveel geluk er aan verbonden zal zijn.

„Zulk een stuk bankpapier, pas uitgegeven door de Bank van Engeland, is als een pasgeboren kind. Men moest eigenlijk bang zijn, het uit te geven.”

Opnieuw streek hij liefkoozend over het geld.

Daarop roerde hij peinzend in zijn koffie, die hij elken morgen dronk, en Charly Brand, die zich in een courant had verdiept, lette er niet op, dat Raffles met strakken blik naar het bankpapier keek en dat hij blijkbaar over een groot plan zat na te denken.

Plotseling scheen hij het met zichzelf eens te zijn.

Hij legde het papiergeld weg, nam zijn sigaretten-étui, opende het en stak een sigaret aan.

„Wat voor nieuws staat er in de courant, Charly? Ik zie, dat je je amuseert.”

„Ja”, lachte Brand, „ik las daar juist, dat jij meer actueel bent dan de Europeesche oorlog of de zorg voor onze vloot.

„Hier staat een hoofdartikel over de rede van den minister van oorlog. Deze zegt:

„Zoolang er nog mannen als Raffles in Londen zijn, behoeven wij geen vrees te hebben voor eenig land ter wereld. Dergelijke mannen zouden in staat zijn, de krijgskas van een ons vijandige macht op dat oogenblik weg te nemen, waarop zij ons zou willen aanvallen. Op die manier behoeft Engeland geen enkel gevaar te vreezen.”

„Zeer vleiend”, lachte Raffles, „maar dat denkbeeld is nog zoo kwaad niet. Zonder geld kan geen enkel volk oorlog voeren en ik denk er reeds eenigen tijd over, of ik niet naar Belgrado zal reizen om den Serviërs hun vrij lichte krijgskas afhandig te maken, voordat deze waanwijze domkoppen geheel Europa in een oorlog wikkelen. Ik ben alleen bang, dat daar geen geld voorhanden is, doch alleen schulden en die kunnen zij zelf houden.

„Maar ik heb een ander plan.

„Wij zullen samen naar Londen gaan.”

„Zooals je wilt”, sprak Charly, terwijl hij opstond, „ik vind het alleen jammer, dat we niet langer van ons heerlijk, rustig buitenleven zullen genieten. Ik had al gehoopt, langen tijd hier met je te zullen blijven.”

„Mijn beste jongen”, antwoordde Raffles, zijn vriend gemoedelijk op den schouder kloppend, „rust roest. Mijn hersens hebben weer inspannend werk noodig!

„Het gaat met de hersens evenals met het lichaam. Ik geloof, als ik een week lang mijn gymnastische oefeningen verzuim, dat mijn lichaam dan de noodige veerkracht zou verliezen.

„Het doet mij leed, dat ik jou, die allen aanleg hebt om een rustig en belastingbetalend burger te zijn, zoo moet derangeeren.

„Maak je dus gereed. Over een uur vertrekken wij.”

Het vossenhol, zooals Raffles zijn tegenwoordig verblijf noemde, was een ouderwetsch gebouw uit den tijd der Stuarts. Het was verscheiden eeuwen oud en oorspronkelijk een klein, stevig kasteel geweest, waarin een der ridders van de Stuarts had gewoond.

Later was het in oproerige tijden in handen van burgers gekomen die het kleine kasteelachtige gebouw in een landhuis veranderden en het zoo inrichtten als Raffles het onder den naam van Sir Irving nu al maandenlang bewoonde.

Het lag tien mijlen van Londen verwijderd op een hoogte, vanwaar men den geheelen omtrek kon overzien.

Een auto, door Raffles of Charly Brand zelf bestuurd, bood voldoende verbinding met de stad.

Het was dien dag tamelijk heet, hoewel het pas einde Mei was.

Een wolkelooze, lichtblauwe hemel stond boven het landschap en de auto, waarin Raffles en Charly Brand zaten, liet dikke stofwolken achter.

„Ik had mij vroeger meer met het besturen van een auto moeten bezig houden”, sprak Raffles, „men is onder den stofbril en leeren kap beter gemaskeerd dan met den prachtigsten baard of andere vermommingsmiddelen.

„Ik wed tien pond tegen een pruimepit, dat onze oude vriend, politie-inspecteur Baxter, vlak naast onze auto kan staan, zonder te ontdekken, dat de veelgezochte Raffles zoo vlak bij hem is”.

Charly Brand stemde dit toe.

Eenige minuten later vroeg hij:

„Wat wil je eigenlijk op dezen tijd in Londen doen?”

„Eenige zaken bekijken”.

„Verkennen?”

„Ja”, knikte Raffles.

Zij hadden na een tocht van twee uur de hoofdstad bereikt en Raffles stuurde zijn auto langs het Strand.

Het drukke leven der hoofdstad woelde om hen heen als de woeste golven der zee.

In eindelooze rijen schoven de rijtuigen, auto’s, omnibussen en vrachtwagens achter elkaar voorwaarts en de eene koetsier trachtte den ander in snelheid de loef af te steken.

Raffles bleef staan voor een modezaak, waarin damesjaponnen, hoeden en rokken waren uitgestald.

Charly keek zijn vriend verbaasd aan, toen deze de auto vast zette en met hem den winkel binnenging.

De secretaris had graag gevraagd, wat hij in deze zaak wilde doen, maar uit principe gaf Raffles geen verklaring van zijn bedoelingen. Met onverschillig gelaat trad hij den winkel binnen.

Vol belangstelling liep hij de verschillende afdeelingen door, bleef hier en daar staan, keek met een kennersblik naar rokken, liet zich zelfs eenige voorleggen, ging naar een andere afdeeling, bekeek met kritischen blik de nieuwste monsterachtige dameshoeden en vroeg zelfs sluiers te mogen zien.

Daarop onderhield hij zich met een der verkoopsters over de nieuwste modes.

Bijna een uur duurde het oponthoud in den winkel, daarop namen zij weer plaats in de auto en reden naar de Oxfordstraat.

Opnieuw liet de groote onbekende de auto voor een modezaak stilstaan.

Hetzelfde spel herhaalde zich.

En Charly Brand pijnigde zijn hersens met de vraag, welk belang Raffles plotseling in damesmodes kon stellen.

Nadat ook hier alles bekeken was, reed hij met Charly Brand naar een restaurant, gebruikte daar zwijgend een klein ontbijt en nam opnieuw in de auto plaats.

Charly Brand zag, dat Raffles den motorwagen door Londen huiswaarts stuurde.

Onderweg op de Landstraat durfde Charly Brand eindelijk zijn nieuwsgierigheid lucht geven door te vragen:

„Zou je mij eens willen vertellen, met welk doel je die magazijnen van damesmodeartikelen hebt bezocht? Heb je een minnarijtje?”

„Je zult alles te weten komen”, antwoordde Raffles met een lachje, „breek daar nu je hoofd niet mee, en geniet van de mooie natuur om ons heen. Een minnarijtje heb ik niet. Je kent mijn voorzichtigheid tegenover vrouwen. Mijn sport laat dat niet toe”.

De groote onbekende had juist met zijn vriend gedineerd, toen hij tot Charly sprak:

„Wij rijden nu nogmaals naar Londen en wel per spoor”.

Charly Brand antwoordde:

„Ik zal mij gereed maken. Ben je van plan, een schouwburg te bezoeken?”

„Waarom?”

„Om je toilet”.

„Neen!”

„Allright!”

De secretaris wist nu, dat Raffles een plan had. Het kon slechts een inbraak zijn. Tevergeefs dacht hij er over na, waar deze plaats zou moeten vinden.

Het begon reeds te schemeren, toen Raffles per auto met Charly Brand naar het op een uur afstands gelegen spoorwegstation reed, en nadat hij zijn auto in een kleine garage had gebracht, nam hij kaartjes naar Londen, en reed per trein van negen uur naar de stad.

Even over tienen kwamen zij daar aan.

Zij verlieten den trein aan een station van een der voorsteden en reden per electrische tram naar de City.

In de Oxfordstreet stapten zij uit en liepen de nog vrij drukke straat door.

Voor het modemagazijn in die straat bleef Raffles staan, stak zeer langzaam een sigaret aan en bekeek daarbij, als onwillekeurig, de deuren en vensters van het gebouw.

Stil en donker was het huis.

Niemand was in den winkel.

Raffles opende de huisdeur met een looper en sloop mee Charly Brand de gang door tot aan een met ijzer beslagen deur, die toegang gaf tot de afdeeling, welke voor de zaak werd gebruikt.

De groote onbekende moest lachen, toen hij het slot probeerde.

„Idioten!” mompelde hij, „de deur is met blik en ijzeren banden beslagen, als om inbrekers af te schrikken en daarbij is er een slot in aangebracht, dat iedere beginner met een eenvoudig haakje open zou kunnen krijgen.”

Op dit oogenblik klonk een zacht gekraak, ten teeken, dat de looper het slot bedwongen had.

Geluidloos als twee schaduwen slopen beiden in de donkere ruimte, die achter de deur lag, voorzichtig elk geruisch vermijdend, sloten zij de deur weer dicht en lieten toen eenige seconden lang het licht van een electrische zaklantaarn schijnen.

Lord Lister zag, dat zij zich in het kantoorlokaal van het magazijn bevonden.

Schrijftafels en stoelen stonden hier en een brandkast dichtbij het getraliede venster voltooide het ameublement.

Raffles liet het licht aan alle kanten op de brandkast vallen.

Een spottend glimlachje vloog over zijn gelaat, terwijl hij mompelde:

„Een oude conservenbus—die zou in tien minuten te openen zijn”.

Reeds meende Charly Brand, dat het bezoek aan dit huis de brandkast gold.

Maar hoe verbaasd was hij, toen zijn vriend tot hem fluisterde:

„Kom verder!”

Zij verlieten het bureau en gingen den winkel binnen.

Raffles liep vooruit, terwijl Charly Brand volgde, met een gelaatsuitdrukking, alsof hij aan het verstand van zijn vriend twijfelde.

Wat wilde Lord Lister hier in dit magazijn van dameskleeren?

Wat had hij aan de zijden onderrokken, kanten en hoeden?

Was hij plotseling gek geworden?

In de afdeeling van gemaakte dameskleeren bleef Raffles staan en sprak tot zijn secretaris:

„Trek je jas uit.”

Charly Brand wist niet, of hij de woorden ernstig moest opvatten, of dat zijn vriend slechts schertste.

„Meen je dat?”

„Natuurlijk. Trek je jas uit, ik ben niet van plan, tot morgen hier te blijven.”

Nu begreep Charly Brand, dat zijn vriend niet schertste.

Hij ontdeed zich van zijn jas, terwijl de Lord bij het licht van de lantaarn tusschen de aan kapstokken hangende dameskleeren zocht.

Het duurde niet lang, of hij haalde een donkerblauw costuum te voorschijn, zette de lamp op tafel en sprak:

„Wees nu eens handig en trek met mijn hulp de taille aan.”

De jonge man keek zijn vriend met open mond aan.

Maar hij hielp Raffles, strekte de armen uit en trachtte in het kleedingstuk te komen.

Een winkeljuffrouw had niet voorzichtiger en met meer kritischen blik te werk kunnen gaan dan Raffles bij het passen.

Zorgvuldig sloot hij alle knoopen, keek hoe de taille in den rug zat, of de lengte der armen en de snit goed waren.

„Ik heb een goede keus gedaan”, lachte hij eindelijk. „Het past. Probeer nu den rok.”

Ook dit deed Charly Brand.

Deze was volgens Raffles’ oordeel een handbreed te kort. Een andere echter paste uitstekend.

Daarop beval de groote onbekende zijn secretaris om zich weer van de kleeren te ontdoen. Met de kleeren over den arm ging hij naar de afdeeling onderrokken.

Opnieuw moest Charly Brand een rok passen.

Toen dit geschied was meende Charly Brand, dat het bezoek aan deze zaak wel afgeloopen zou zijn.

Maar Raffles ging verder.

Hij liep naar de afdeeling dameshoeden en koos daaruit een niet al te opzichtigen, maar toch modernen modelhoed, die bij het gelaat van Charly Brand goed paste.

Hij legde alles bij elkaar in een kartonnen doos en begaf zich daarop naar het zich in het sousterrain bevindende magazijn van handschoenen, voiles, kousen en eindelijk naar de schoenenafdeeling.

„Je voet is niet erg groot”, sprak Raffles, „vele jonge dames zouden je dezen kleinen voet benijden. Ik was al bang, dat ik geen passend nummer voor je zou vinden. Ik maak je mijn compliment, Charly.”

„Je zult toch niet van mij verlangen”, vroeg zijn vriend, die zich in de damesschoenen zeer onbehaaglijk gevoelde, „dat ik in deze schoenen ga loopen?”

Raffles antwoordde lachend:

„Het is alles een gewoonte. Trek voorloopig deze martelwerktuigen maar uit.”

Hij legde de schoenen eveneens in een doos, pakte handschoenen, kousen, zelfs kousebanden, een corset en zakdoeken in een andere en ging nog naar de afdeeling mantels.

Hier zocht hij een zijden stofmantel uit en een wandelcostuum, nam nog een blouse en ten slotte een parasol.

„Ben je eindelijk klaar?” vroeg Charly Brand.

Raffles dacht even na en antwoordde:

„Ik hoop van ja. Mocht er iets ontbreken, dan zal ik het wel aanschaffen.”

Hierop verlieten zij, bepakt met de doozen, het magazijn en stapten zonder aangehouden te worden de straat op.

Niemand koesterde argwaan, dat de beide elegante heeren met de doozen in hun handen, inbraak hadden gepleegd.

Een huurrijtuig bracht hen naar het station van den ondergrondschen spoorweg, vanwaar zij hun terugtocht begonnen.

Des nachts om drie uur kwamen zij op het kleine dorpsstation aan, stegen in de auto en reden naar huis.

Nadat zij thee hadden gedronken waagde Charly Brand het, nog eens te vragen:

„Zou je mij niet de bestemming van damesgarderobe willen verklaren?”

Doch Raffles lachte slechts en de jonge man zag in, dit hij voorloopig niets te weten zou komen.

Den volgenden dag begaf Raffles zich alleen naar Londen.

Laat in den nacht kwam hij terug en bracht een pakketje mee.

Voor het verbaasde gezicht van zijn vriend haalde hij hieruit een goudblonde damespruik, terwijl hij uit zijn zak nog eenige hoedenspelden te voorschijn haalde.

„Ziezoo!” sprak hij tot Charly, „nu kan mijn onderricht beginnen. Ik heb mij voorgenomen jou als een liefelijke schoone in mijn nabijheid te hebben. Je gelaat is jong, baardloos en goed gevormd; met wat schmink en houtskool kan men van jou een schoonheid maken, die iederen man het hoofd op hol zal brengen!”

„Ik ben absoluut niet geschikt voor de rol, die je me hebt toebedeeld”, antwoordde Charly Brand.

„Dat verlang ik ook niet van je”, glimlachte zijn vriend en meester, „ik hoop echter, dat je mij het genoegen zult doen om je door mij te laten onderrichten. Ik zeg je, mijn jongen, de zaak is niet zoo eenvoudig als ze er uitziet.

„Reeds om te leeren hoe men den rok opneemt, hoe men de parasol vasthoudt, hoe men de voeten neerzet, vereischt al een oefening, die niet in een uur is aan te leeren. Laten we dus beginnen.

„Kleed je geheel in mijn tegenwoordigheid als dame aan. Begin met het corset, de kousen, kousebanden, daarna de onderrok en japon. Ik geloof, dat dit de volgorde is, waarin zich de dames aankleeden. Precies weet ik het ook niet.”

Charly Brand zette een gezicht als at hij zure kersen, terwijl Raffles zich amuseerde. Hij hielp het corset aandoen en snoerde het zoo nauw dicht, dat zijn secretaris bijna stikte.

„Houd op!” riep deze, „ik stik!”

„Daar zul je wel aan gewend raken, Charly!” lachte Raffles, „me dunkt, wat de dames kunnen, dat kunnen wij ook.

„Over vijf minuten zul je je in het martelinstrument wel behaaglijker voelen.”

Charly Brand’s gelaat begon blauw te worden. Hij snakte naar lucht, zoodat Raffles het corset wat losser moest maken.

Daarop moest Charly Parijsche opengewerkte zijden kousen aantrekken en ze met de kousebanden aan het corset bevestigen. Nu kwamen de schoenen aan de beurt.

Charly begon de situatie uiterst onaangenaam te vinden. Vooral de schoenen met hooge hakken veroorzaakten hem moeilijkheden bij het loopen.

„Langzaam loopen!” commandeerde Raffles, „ik zei je immers van te voren, dat het niet zoo gemakkelijk is. Probeer eens om eerst de teenen neer te zetten.”

Charly Brand maakte allergrappigste loopoefeningen.

Verscheiden minuten nadat hij tenminste in de schoenen kon staan beval Raffles hem den onderrok aan te trekken, daarop het lijfje en den japonrok.

Bij alles was de groote onbekende hem behulpzaam.

„Allerliefst zie je er uit, Charly! Als ik niet wist, dat je Charly Brand bent, zou ik je een liefdesverklaring doen.

„Nu zullen wij de pruik opzetten.”

Hij zette Charly Brand het moderne kapsel op het hoofd, wat dadelijk goed paste.

Daar de secretaris slechts een dunnen haardos bezat, zei Lord Lister schertsend:

„Zooals je ziet, krijg ik alles gedaan. Ik laat zelfs uit jouw kalen schedel lokken groeien.

„Jongen, wat zie je er behoorlijk uit! Maar nu de hoed nog!”

Hij gaf hem de hoedespelden en beduidde hem:

„Probeer nu den hoed vast te zetten, zonder dat je je hoofd bezeert. Dat is een kunst, die slechts de dames verstaan. Wees voorzichtig, Charly, het geldt je leven.

„Waarschijnlijk voel je het wel, als je je prikt. Trek dan den naald terug en steek ergens anders.”

Charly Brand was voor den spiegel gaan staan en probeerde nu den hoed met de spelden te bevestigen.

Plotseling slaakte hij een luiden gil. Raffles lachte.

„Ik zei je al van te voren, dat het je het leven kan kosten.

„Ik geloof, dat je, als je je twaalf maal gestoken hebt, wel de vaardigheid hebt gekregen om langs je huid te steken zonder deze te schenden.”

Eindelijk stond de hoed vast.

Raffles nam zijn vriend met kritischen blik op, reikte hem de handschoenen aan en daarna de parasol.

„Ziezoo, mijn lieve Charly,” sprak hij, „nu kunnen we met de lessen beginnen. Dan zul je van nu af de eerstvolgende dagen in damestoilet gekleed gaan.

„Je moet leeren, je zonder behulp van een kamermeisje aan en uit te kleeden en vóór alles je in je kleeren goed te bewegen.

„Denk eens een oogenblik, dat hier een plas was op straat, die je met je sleepjapon moest oversteken.

„Vergeet vooral niet, dat je een rok aan hebt en geen broek. De laatste wordt hoog omgeslagen, de eerste echter opgetild. Probeer het dus eens.”

Charly Brand tilde met een onhandige beweging zijn rok op.

„Neen, Charly, zoo gaat het niet! Kijk eens, zoo!”

Raffles deed Charly Brand de beweging voor van het optillen van den rok.

„Steek nu je parasol op!”

Ook dat deed Charly.

Daarop liet Lord Lister hem ontelbare keeren door de kamer wandelen tot hij er warm van werd en verklaarde, eerst even te moeten rusten.

„Het is een kwelling,” zuchtte hij.

De groote onbekende scheen de zaak als een enorme grap op te vatten en sprak:

„Over een paar dagen zal je aan die kwelling gewend zijn.

„Morgen leer je trappen op en af loopen en een rijtuig in en uit stappen.

„Dat zijn kunststukjes, mijn vriend, die de dames uitvoeren, zonder zich ervan bewust te zijn.”

„Daar twijfel ik geen oogenblik aan,” gaf Charly Brand ten antwoord, „maar zou je me niet het doel willen meedeelen, dat deze maskerade beoogt?”

„Dat doel is groot, mijn lieve Charly, ik zou anders die inbraak niet gepleegd hebben.

„Wanneer je nu nog iets ontbreekt, dan kun je het de eerstvolgende dagen als dame gaan koopen.

„De eerste kleedingstukken voor je nieuwe beroep moest ik wel stelen, daar het opgevallen zou zijn als ik als heer het volledig costuum had willen koopen. Bovendien zou het misschien niet gepast hebben.

„Wij zullen nu gaan slapen en vanaf morgen zul je je hoop ik als dame zoodanig gedragen, dat ik het plan kan uitvoeren, dat ik heb beraamd.”

TWEEDE HOOFDSTUK.

HET SPOOR VAN HET WILD.

Den daaropvolgenden dag ging Raffles alleen naar Londen om, zooals hij Charly vertelde, eenige inkoopen te doen.

Inderdaad echter ging hij een bepaald plan uitvoeren.

Hij zocht als een jachthond het spoor van wild, dat hij hoopte neer te vellen.

Hij had tot nu toe steeds het blinde toeval gevolgd en dit was hem altijd gunstig geweest.

Langzaam slenterend als een nietsdoener liep hij door het drukke gewoel van de Oxfordstraat, bleef hier en daar voor een winkel staan, bekeek schijnbaar belangstellend de uitstallingen, terwijl hij in werkelijkheid de gesprekken van menschen trachtte af te luisteren.

Hij bleef voor de bekende juwelierszaak van Gebroeders Brill staan.

Een oudachtige bediende in livrei kwam er juist uit met een pakje in de hand en de uitdrukking van wanhoop op diens gelaat boezemde Raffles belang in.

Onmerkbaar volgde hij den bediende, die langzaam, bijna wankelend als een beschonkene, den weg insloeg naar het Strand, hier en daar bleef staan en zacht in zichzelf praatte.

Dikwijls hoorde Raffles, dat de bediende zei: „Ik ben een verloren man. Mijn God, wat moet ik toch doen!”

Deze woorden boezemden Lord Lister veel belang in.

Hij besloot, den man niet uit het oog te verliezen.

Met dezen man moest iets bijzonders zijn gebeurd.

Weldra sloeg de bediende een kleine zijstraat in, die naar de Theems leidde en ging een restaurant binnen, dat uitsluitend door kooplieden en ambtenaren werd bezocht.

Daar bestelde hij een flesch wijn.

Ook dit trok Raffles’ aandacht.

Hij begreep, dat die man, die overigens nuchter scheen, zich in groote ongerustheid moest bevinden, welke hij door wijn trachtte te verjagen.

Raffles, die zich een glas bier liet brengen en eenige sandwiches at, bemerkte, dat de bediende verscheiden glazen wijn snel achter elkaar leegdronk en starend voor zich uitkeek.

Eindelijk opende hij het pakket, dat hij in de hand hield en haalde een ketting te voorschijn, die schijnbaar met kleine briljanten, paarlen en robijnen was bezet en waaraan een medaillon hing.

„Aha!” dacht Raffles, „de arme kerel heeft geldzorgen. De ketting behoort niet aan hem, maar aan zijn meester. Hij wil zich het sieraad toeëigenen en zoodoende diefstal plegen.”

De bediende scheen steen voor steen te onderzoeken, nu en dan hardnekkig het hoofd schuddend en zelfs eens met de vuist op tafel slaand.

„Het sieraad schijnt hem niet genoeg waarde te hebben”, dacht Raffles, „of misschien is het niet voldoende om er het geld, dat hij noodig heeft, voor te krijgen.”

Na eenigen tijd stond de bediende op, betaalde en verliet het lokaal. Bijna op den voet volgde Lord Lister hem naar buiten, waar het reeds schemerdonker was.

Met haastige schreden snelde de man voort en sloeg den weg in naar de Theems.

Raffles dacht, dat hij òf naar huis zou gaan, òf een bank van leening opzoeken.

In plaats hiervan, liep de bediende dicht langs het hek, dat den wandelweg van de Theems afscheidt. Af en toe keek hij schuw om zich heen, totdat hij plotseling op een plaats, waar zich op dat oogenblik niemand bevond, nog eens als een krankzinnige om zich heen keek en, voordat Raffles het kon verhinderen, over het hek in de rivier sprong.

Deze wanhoopsdaad van den ongelukkige deed Raffles onmiddellijk begrijpen, dat deze man geen dief was.

Zonder zich een oogenblik te bedenken, wierp Lord Lister zijn overjas af en sprong eveneens in de Theems.

Het stroomende water had den zelfmoordenaar reeds tamelijk ver van den oever meegevoerd.

Met krachtige slagen gelukte het Raffles om den ongelukkige, die reeds den dood nabij was en wiens hoofd juist als een zwarte bal boven water verscheen, te bereiken.

Reeds wilde hij toegrijpen, toen de drenkeling wederom verdween.