Chapter 3 of 5 · 3998 words · ~20 min read

Part 3

„Er uit! Gij zijt niet waard, dat ik een kogel aan u verspil. Maar gij zult voor uw lafheid met de rijzweep gestraft worden.”

Eerst nu zag Baxter dat zijn tegenstander een dergelijk instrument aan zijn pols had hangen.

Terwijl de Lord de revolver bij zich stak, nam hij de zweep ter hand en liet die op den inspecteur neerkomen.

„Begrijp goed”, sprak Raffles, „dat gij deze zweepslagen krijgt, omdat gij het hebt gewaagd, de Lady op schandelijke wijze in den steek te laten door alle schuld op haar te laden.”

Baxter beschermde zijn gelaat met beide handen en snelde, gevolgd door Raffles, de kamer uit, de gang door en de donkere trap af tot aan de voordeur.

Raffles had moeite om niet in luid gelach los te barsten. Hij ging langzaam weer naar boven, nadat hij Baxter nog een eindweegs op straat had achtervolgd.

Toen hij tegenover Charly Brand stond, sprak hij:

„Ik heb onzen vriend nog een eindje begeleid, opdat hij het nummer niet kon opnemen van het huis waar hij is geweest.

„Hij loopt als een haas, zonder overjas, hoed en smoking. Deze zweepslagen had ik hem al lang toebedacht.

„Nu zal ik den smoking eens gaan onderzoeken.”

Uit den borstzak van het kleedingstuk haalde Raffles de portefeuille van den inspecteur te voorschijn.

Hij vond daarin zeer waardevolle documenten.

In de eerste plaats de aanstellingsoorkonde van den inspecteur en diens ambtspenning.

Dan een groot aantal minnebrieven, die Raffles bewezen, dat de inspecteur in zijn vrije uren zich zooveel mogelijk met vrouwen ophield.

„Daarom kan die man niet flink werken”, sprak Lord Lister lachend. „De politie-inspecteur is voor mij werkelijk onbetaalbaar. Voortaan zal ik nog veel rustiger slapen.”

Ook Charly Brand amuseerde zich kostelijk over de kool, die zij den inspecteur hadden gestoofd en zei:

„Ik hoop, dat het pak slaag hem goed zal bekomen.”

„Ik ook!” antwoordde zijn vriend. „Hier zijn wel een tiental brieven in zijn portefeuille, waarin vrouwen of jonge meisjes, aan wie deze Don Juan zijn liefde heeft verklaard, hem met bittere verwijten overladen.

„Hij heeft ze allen laten zitten. Wel, daarvoor is zoo’n pak slaag uitstekend.”

Den volgenden morgen kwam inspecteur Baxter niet in dienst.

De vloo moest zijn chef vervangen.

Het was reeds tegen den middag, toen de telefoonbel klonk.

„Hier politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard,” sprak Marholm door de telefoon.

„Doet mij genoegen u te spreken. Hier John Raffles,” klonk het antwoord.

„Wat wenscht gij?”

„Ik zou inspecteur Baxter graag spreken.”

„Het spijt mij, hij is ziek. Kan ik de boodschap overbrengen?”

„Ja, groet hem van mij en zeg hem, dat hij de Raffles-slagen niet moet vergeten.”

„Raffles-slagen?” vroeg de vloo verbaasd.

„Ja,” klonk het weer, „hij kreeg gisterennacht een flinke dosis van mij. Als hij ervan bekomen is, deel mij dat dan, alstublieft, mede?”

„Maar dat is al te gek,” sprak Marholm lachend tot zichzelf, „zou de inspecteur werkelijk een pak slaag van Raffles hebben gehad?”

Om zich hiervan te overtuigen, ging hij zijn chef in diens woning opzoeken.

Baxter lag te bed en had een paar dikke compressen om zijn gezicht.

„Ik zal de eerstvolgende dagen niet op kantoor kunnen komen,” sprak hij. „Ik heb den afgeloopen nacht een wanhopig gevecht gehad aan de Theems met misdadigers en heb er ternauwernood het leven afgebracht.”

„Wat hadt gij dan aan de Theems te doen? Gij hadt immers geen dienst, inspecteur?”

„Ik gebruik altijd mijn vrije uren om op eigen gelegenheid de misdadigers in Londen na te speuren. Als alle beambten zooveel plichtsbesef hadden als ik, dan zouden wij het misdrijf in Londen spoedig den kop hebben ingedrukt.”

„En Raffles gevangen,” voegde de vloo er aan toe.

„Maak mij niet zenuwachtig,” sprak de inspecteur van politie, „ik wil van dien man niets hooren.”

De vloo wist nu genoeg en ging innig vergenoegd naar het hoofdbureau van politie terug.

John Raffles was tezelfdertijd Lord Landsdale gaan opzoeken, die hem onder den naam van Lord Talhome kende.

Raffles liet zich door hem de geschiedenis met den bediende vertellen en deelde den Lord daarop mee, welke wanhoopsdaad die man uit gekrenkt eergevoel had gepleegd.

De Lord was een streng en driftig man, maar had een edel karakter.

Het deed hem leed, den ouden bediende zoo ver te hebben gedreven.

Hij sprak, na een langdurig onderhoud over het geval met zijn bezoeker:

„Zeg aan mijn bediende, dat hij bij mij terug moet komen en dat ik hem geloof. Maar wat kan ik doen om weer in het bezit te komen van den kostbaren diamanten collier van mijn vrouw?

„De juwelier zal hem niet uit handen geven.”

„In geen geval!” antwoordde Raffles. „Het valt ook niet te bewijzen, dat hij den diamanten collier heeft achtergehouden. Kunt u mij een nauwkeurige beschrijving ervan geven?”

„Jawel!” gaf de Lord ten antwoord. „Ik heb hier een photografie van mijn vrouw, waarop zij den collier om den hals draagt.”

„Mag ik die photo eenige oogenblikken behouden?” vroeg de bezoeker na deze mededeeling.

Verbaasd keek Lord Landsdale den clubvriend aan.

„Wilt gij voor detective spelen?”

„Ja”, lachte deze, „en ik geloof wel, met goed gevolg.”

VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN WELGESLAAGDE TRUC.

„Je kunt me een genoegen doen”, sprak Raffles een paar dagen later tot Charly Brand, „met te beproeven of je voor tienduizend pond sterling op de Engelsche Bank geheel nieuwe banknoten van honderd pond kunt krijgen.

„Ik verzoek je, nauwkeurig toe te zien, dat de banknoten inderdaad nieuw en door niemand gebruikt zijn. Ik hoop, dat je begrijpt wat ik wensch.”

„Zeer zeker. Maar ik weet niet, welke bijzondere waarde die nieuwe banknoten voor je kunnen hebben. Het is volgens mijn meening precies hetzelfde of ze nieuw of oud zijn; de hoofdzaak is, dat ze echt zijn.”

Een glimlach vloog over Raffles’ gelaat, zooals altijd, wanneer Charly Brand zijn bedoeling niet snapte.

„Ik hoop schitterende zaken met de banknoten te maken”, antwoordde hij.

„Hoe bedoel je dat, zijn nieuwe meer waard dan oude?”

„Zeker”, schertste Raffles, „ik zou bijna zeggen het dubbele. Je zult je daarvan zelf kunnen overtuigen. Ga nu naar de bank en haal 10,000 pond sterling van ons tegoed.”

Charly Brand stond op en daar hij in dameskleeren was vroeg hij:

„Je zult hopelijk niet verlangen, dat ik in dit toilet ga.”

„Wel neen, verkleed je en breng de zaak zoo gauw mogelijk in orde.”

Des avonds keerde Charly Brand in het vossehol terug en overhandigde Raffles een pakje fonkelnieuwe, nog niet in omloop geweest zijnde banknoten van de Engelsche Bank. De helft was in biljetten van vijfhonderd pond, de rest in biljetten van honderd pond.

Den volgenden dag ging Raffles, vermomd als een zestigjarig heer en versierd met eenige ordeteekenen, in gezelschap van Charly Brand als dame, naar Londen.

Onderweg—zij reden in de auto, die bestuurd werd door Joe, den kamerdienaar—onderrichtte hij Charly Brand.

„Ik zal nu”, sprak hij, „met je in een juwelierszaak gaan en je zult daar een diamanten collier met paarlen ter waarde van negen à tienduizend pond sterling, volgens een photographie uitzoeken.”

„Volgens een photographie?”

„Ja, naar deze”.

Raffles haalde het portret te voorschijn, dat Lord Landsdale hem had gegeven.

„Bekijk het nauwkeurig. De juwelier is een gauwdief en heeft het collier verduisterd. Je moet je best doen om het van hem te koopen”.

„Ik hoop, dat het mij gelukt”, antwoordde Charly Brand, en bekeek het collier met scherpen blik. „Waarom probeer je het echter zelf niet?”

„Wel, omdat dergelijke menschen tegenover dames niet zoo voorzichtig zijn. Ik zal niet bij je blijven, maar voorwenden, dat ik weinig tijd heb, en je dadelijk verlaten.

„Je moet het sieraad niet onmiddellijk koopen en per trein naar huis terugkeeren”.

Zij gingen den deftigen winkel van gebroeders Brill binnen.

De oude heer vergezelde zijn dochter, totdat zij in een der fauteuils had plaats genomen en nam toen afscheid.

Voordat hij wegging, sprak hij tot den juwelier:

„Ik heb weinig tijd. Wij zijn slechts voor een paar dagen uit New-York hier. Ik moet nu naar het parlement. Mijn dochter wenscht voor haar zuster een huwelijkscadeau te koopen ten bedrage van 9 à 10,000 pond sterling.

„Laat haar eens zien, wat gij hebt.”

Daarop wendde hij zich tot Charly Brand, kuste hem op vaderlijke wijze op het voorhoofd en sprak:

„Tot ziens, mijn kind.”

Met wantrouwende blikken keken de juwelier en zijn bediende naar de jonge dame, die zich kostbare diamant-colliers liet voorleggen. Geen enkele ervan beviel haar, totdat de juwelier het door Raffles bedoelde collier te voorschijn haalde. Maar ook dit beantwoordde blijkbaar niet aan de bedoeling.

Na een half uur gekeken te hebben, duidde de vreemdelinge eindelijk het diamant-collier aan als dat, wat haar het beste beviel.

De juwelier sprak:

„Het kost 14,000 pond sterling.”

„Ik zal het aan papa vertellen, tot weerziens.”

Charly Brand stond op, verliet trotsch als een dame uit den hoogsten stand het magazijn, nam een rijtuig en reed naar het station.

In het vossenhol teruggekomen, vertelde hij Raffles, dat het collier werkelijk aanwezig was.

De Groote Onbekende sprak:

„Dus je moet er morgen nog voor 4000 pond aan nieuwe banknoten bijhalen.”

Plotseling echter, alsof een nieuw plan bliksemsnel in zijn brein opkwam, riep hij uit:

„Hoe groot is ons bankconto?”

Charly Brand haalde zijn chequeboek te voorschijn, tekende eenige oogenblikken en antwoordde:

„Wij hebben nog een tegoed van 17,000 pond sterling.”

„Dus het wordt tijd, het conto een beetje te verhoogen.

„Laat je de rest van ons tegoed in nieuwe banknoten uitbetalen en koop in den winkel nog een juweelen broche en een paar ringen met diamanten.”— —

Den volgenden middag omstreeks twee uur begaf zich Charly Brand, weer als dame verkleed, naar den winkel.

„Ik moet helaas weer alleen komen”, sprak hij, „papa is ook heden naar het parlement en ik moet dus alleen handelen.”

Dit wekte het wantrouwen van den juwelier op.

Het was voor den eersten keer, dat een jonge dame een dergelijken inkoop alleen kwam doen.

„Ik wensch nog”, ging Charly Brand verder, „een juweelen broche en dito ringen te koopen. Het bedrag, dat papa mij heeft toegestaan, bedraagt 17,000 pond; wees dus zoo goed, daarmee rekening te houden.”

De juwelier boog beleefd en liet de dame het verlangde zien.

Na eenige minuten had Charly Brand zijn keus gedaan en sprak:

„Pak de voorwerpen dadelijk voor mij in, ik wil ze meenemen.”

Daarop haalde hij uit zijn handtaschje een portefeuille en begon, voor de verbaasde blikken van den juwelier, de eene banknoot van 500 pond na de andere op tafel te leggen.

Nu werd de juwelier nog achterdochtiger.

Nog nooit had een zijner klanten zulk een hoog bedrag contant betaald, maar altijd hadden zij hem een cheque gegeven.

Ook de bediende keek met verbaasden blik naar de zeldzame wijze van betalen van deze jonge dame.

„Papa gaf mij een cheque”, sprak Charly Brand, precies zooals Raffles het hem had voorgezegd, „maar daar ik het gekochte dadelijk mee wilde nemen, heb ik die onderweg op de Engelsche Bank ingewisseld.”

De verklaring stelde den juwelier gerust.

Maar toch kon hij een zeker wantrouwen niet van zich afzetten en vooral de absolute nieuwheid der banknoten verbaasde hem.

Met zijn kassier telde hij het bedrag na, verontschuldigde zich bij Charly Brand en begaf zich naar het kantoor, dat zich achter den winkel bevond.

„Wat denkt gij van die jonge dame?” vroeg hij den kassier.

„Zij komt mij verdacht voor”, antwoordde deze, „maar ik zou niet kunnen zeggen, waarom.”

„Houdt gij dit geld voor echt? Het is splinternieuw en nog niet in omloop geweest.”

De kassier nam een der banknoten van 500 pond, bekeek deze nauwkeurig en sprak:

„Ik houd ze voor echter dan echt. Er is niets verdachts aan te ontdekken.”

„Zeer vreemd! Zeer vreemd!” mompelde de juwelier, „begeef u zoo snel mogelijk met de banknoot van 500 pond naar het filiaal der Engelsche Bank hiernaast om deze in te wisselen. Zeg tegen den kassier, dat gij de banknoot niet voor echt houdt.”

„Een zeer goed idee”, knikte de kassier en verdween met de banknoot uit het bureau.

Vijf minuten later kwam hij terug en legde voor den juwelier een stapeltje vuile, gekreukte bankpapiertjes, tot een gezamenlijk bedrag van 500 pond, op tafel.

„Wat zei de kassier van de Bank?” vroeg de juwelier.

„Hij lachte mij uit, zei, dat de banknoten onberispelijk waren en vroeg, of we zulke idioten waren, dat we valsch geld niet meer van echt konden onderscheiden.”

„Zoo, zoo”, mompelde de juwelier, „berg dan het geld maar op, we hebben ons heel erg vergist.”

Met bijna onderdanige voorkomendheid ging hij naar Charly Brand terug, boog eenige malen en verontschuldigde zich over zijn wegblijven, daar een dringende zakelijke aangelegenheid hem in beslag had genomen.

Hij reikte Charly Brand de gekochte sieraden over, geleidde de deftige klant persoonlijk naar de deur, liet een rijtuig voorkomen en maakte zelf het portier open, waarna Charly Brand den koetsier, zoodat de juwelier het moest hooren, het bevel gaf:

„Naar het Parlement.”

Peinzend trad de juwelier zijn magazijn weer binnen.

Wie zou toch die voorname klant zijn? Hij had niet naar haren naam durven vragen, daar dit zeer onbeleefd zou zijn geweest.

Een vreemdeling was het in ieder geval, en daarom ook had hij haar, zonder eenige vrees, het briljanten sieraad van Lord Landsdale verkocht.

Een paar uur later hield voor den winkel van den juwelier een gesloten auto stil, waaruit twee heeren, volgens hunne kleeding blijkbaar geheime agenten van politie, de zaak binnentraden.

De oudste der twee wendde zich tot den juwelier en zei:

„Zijt gij de eigenaar van de zaak?”

De juwelier boog en knikte bevestigend.

De vreemdeling sloeg zijn overjas wat terug, en juwelier Brill herkende den zilveren ambtspenning, die de detectives in Londen als bewijs bij zich dragen.

„Ik ben de inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard”, stelde de vreemdeling zich voor, „en dit is mijn beambte Wilson. Hier is bovendien mijn diploma.”

„Zeer aangenaam,” antwoordde de juwelier, „wat verschaft mij de eer, mijne heeren?”

„Gij moogt den hemel danken, dat het mij gelukt is, na dagenlang onderzoek, een paar oplichters in hechtenis te nemen.

„Bevond zich in uwe zaak vandaag of gisteren een oudachtig heer met witten baard en gouden bril, die zich voor Amerikaan uitgaf?”

„Ja”, antwoordde de juwelier, „die heer was gisteren bij mij en weliswaar in gezelschap van zijn dochter.”

De inspecteur van politie Baxter stiet een zacht gefluit uit.

„Geef mij de juweelen eens, meneer Wilson”, wendde hij zich tot den begeleidenden detective.

De beambte opende de handtasch en overhandigde den inspecteur van politie eenige met fluweel overtrokken doozen, die de juwelier direct als de zijne herkende.

De inspecteur van politie Baxter hield de grootste doos den juwelier geopend voor.

„Heeft de oude heer met den witten baard gisteren bij u een brillanten collier gekocht?”

„Neen,” antwoordde de juwelier.

Verbaasd keek Baxter den eigenaar der zaak aan.

„Hoe moet ik dat begrijpen?”

„Pardon, meneer de inspecteur, niet de oude heer kocht het sieraad, doch de jonge dame en weliswaar niet gisteren, doch een paar uur geleden.”

„Aha,” gaf inspecteur van politie Baxter ten antwoord, „daarom droeg zij het ook bij zich, toen ik haar voor het Parlementsgebouw in hechtenis nam.”

„Dat klopt,” sprak de juwelier, „de dame ging van hier met het sieraad daar naar toe.”

„Waar ik haar afwachtte en gevangen nam,” lachte de inspecteur. „Gij moogt van geluk spreken, meneer Brill. Ik had gedacht, dat de ouwe schurk, nadat hij u de dingen afhandig had gemaakt, ze alleen aan zijn medeplichtige in bewaring had gegeven, opdat men ze niet bij eventueele in hechtenisneming op hem zou vinden.”

De juwelier verbleekte.

„Hoezoo, meneer de inspecteur, ben ik opgelicht geworden?”

„Heel eenvoudig, meneer Brill,” lachte de inspecteur van politie en haalde zijn portefeuille te voorschijn.

Langzaam opende hij deze, en haalde er een fonkelnieuwe, ongebruikte banknoot van 100 pond uit te voorschijn van de Engelsche bank.

Hij legde haar op de toonbank en zei:

„Mij dunkt, dat geld komt u bekend voor.”

„Jawel,” antwoordde de juwelier. „Is het—valsch?”

„Ik zou u op het hoofdbureau van politie eene collectie van deze banknoten tot een bedrag van verscheidene millioenen kunnen voorleggen. De bankbiljetten zijn valsch. Ze zijn weliswaar volgens de nieuwste techniek uitmuntend vervaardigd en hebben alleen de fout, dat men, in weerwil van de geniale uitvoering, met behulp van een loupe de vervalsching ontdekt in verscheidene technische fouten.

„Het zijn Amerikanen, die met speciaal ingerichte machines de biljetten vervaardigden en zich er nu op toeleggen ze door hooge inkoopen van juweelen in omloop te brengen.”

„Dat heb ik dadelijk al gedacht,” riep de juwelier luid en wendde zich tot zijn kassier.

„Ziet ge wel, dat ik gelijk had? Het was eene oplichtster. Mijn hemel, wat moeten we nu doen?”

„Ik zei u immers al,” antwoordde de inspecteur van politie, „dat u van geluk mocht spreken. Hier zijn uwe juweelen en geen steen ontbreekt er aan. Kom binnen twee uur bij mij op het hoofdbureau van politie in Scotland Yard, kamer no. 32, dan kunt ge uwe juweelen mee naar huis nemen. Tot op dat oogenblik moeten ze bij de politie in bewaring blijven.

„Ik heb ze noodig ter overtuiging, als bewijs tegen de oplichters.

„Tegelijkertijd verzoek ik u, mij het gezamenlijke valsche geld, dat u ontving, ter hand te stellen.”

„Onmiddellijk, heer inspecteur! Mijn hemel, hoe gelukkig voor mij, dat ik daar zoo goed en zonder schade afkom!”

De juwelier snelde naar zijn brandkast en nam er de aan hem betaalde 16,800 pond sterling uit.

Zonder dat de inspecteur van politie het merkte, gaf hij den kassier de ingewisselde 500 pond en fluisterde hem toe:

„Snel naar de Bank en haal, zonder dat iemand het hier merkt, de banknoot van 500 pond terug.”

Terwijl de kassier dat deed, telde de inspecteur met zijn beambte het geld zorgvuldig na en verklaarde eindelijk:

„Het bedrag klopt niet geheel en al. Volgens de aanteekening, die ik bij de juweelen heb gevonden, ontbreken nog 500 pond.

„Hebt gij dat biljet soms uitgegeven? Daaruit zouden veel moeilijkheden kunnen ontstaan.”

„Neen,” stelde de juwelier den politie-inspecteur gerust, „mijn kassier heeft dat biljet en zal het dadelijk brengen.”

Hij had dit nauwelijks gezegd of de kassier kwam reeds binnen en overhandigde zijn chef de banknoot van 500 pond.

Nu nam de inspecteur van politie het geld, bond het tot een pakje te zamen, stak het in een couvert en overhandigde het zijn beambte, die het in zijn tasch bij de juweelen legde.

Zich tot heengaan gereedmakend, sprak hij:

„Het is nu drie uur. Wees precies om zes uur bij mij in Scotland Yard, kamer 32.”

„Ik zal stipt op tijd zijn.”

Zeer beleefd opende de juwelier de deur voor den politie-inspecteur en diens ondergeschikte en hij hoorde hoe deze den chauffeur toeriep:

„Scotland Yard.”

ZESDE HOOFDSTUK.

BAXTER STAAT WEER OP HET PUNT OM GEK TE WORDEN.

Inspecteur Baxter was juist, om vier uur in den namiddag, zijn bureau binnengegaan en had den groet van zijn secretaris, detective Marholm, of de vloo, zooals hij spottend werd genoemd, met een onverstaanbaar gebrom beantwoord, daar hij vermoeid was.

Weliswaar niet vermoeid van het vele werken, maar omdat hij met verscheiden kooplieden in de city een diner had gehad, dat wel een beetje overdadig was geweest.

„Is er nieuws?” vroeg hij, zich van zijn overjas ontdoende.

„Geen nieuws van Raffles!” antwoordde de vloo.

Baxter fronste zijn voorhoofd en keek zijn secretaris met woedende blikken aan.

„Wel alle drommels! Ik heb u niet gevraagd, of ge nieuws wist van Raffles. Ik ben maar al te blij, dat hij gedurende de laatste maanden niets van zich heeft laten hooren.”

„Des te erger,” antwoordde Marholm.

„Waarom? Wilt gij mij zenuwachtig maken? Gij weet, dat de naam Raffles op mij werkt als het roode doek op een stier. Jarenlang heeft hij mij het leven moeilijk gemaakt, ik hoop, dat hij nu eindelijk zijn onzalig werk heeft geëindigd.”

„Dat geloof ik niet,” sprak detective Marholm en legde de pen, waarmee hij geschreven had, zorgvuldig naast het document, waaraan hij bezig was.

„Houd nu verder uw meening voor u en laat mij met rust. Gij schijnt mij graag in prikkelbare stemming te brengen.”

Detective Marholm onderdrukte een lachje en sprak:

„Het zou mij veel aangenamer zijn, als ik elken dag iets van Raffles hoorde.

„In de eerste plaats zorgt hij ervoor, dat de eentonigheid van onzen dienst nu en dan eens wordt verbroken.

„In de tweede plaats voel ik mij gedurende den tijd, waarin we niets van Raffles hooren, altijd onbehaaglijk.

„Tot dusverre volgde op een dergelijke pauze altijd een groote truc van hem. De een of andere daad, waarvoor gij verantwoordelijk wordt gesteld.”

„Zwijg, voor den duivel!” schreeuwde Baxter, „als er iets gebeurt, is het nog vroeg genoeg om ervan te spreken.

„Ik wil nu rust hebben en gij moogt mij alleen voor dringende aangelegenheden storen.”

Hij begaf zich naar het aangrenzende vertrek, dat voor hem als particuliere rustkamer was ingericht en dat hij speciaal voor nachtdienst gebruikte.

Hier stond een leeren chaise longue, waarop hij ging liggen en weldra insliep.

Terwijl hij rustig sluimerde en detective Marholm verder werkte, werd er aan de deur geklopt. De dienstdoende beambte meldde:

„Juwelier Brill van de firma gebroeders Brill, Oxfordstraat, wenscht den heer inspecteur te spreken.”

„De inspecteur is nu niet te spreken, breng den man bij mij!”

De beambte verdween en liet den bezoeker binnen.

Na een korte begroeting vroeg Marholm:

„Wat wenscht gij?”

„De inspecteur van politie heeft mij persoonlijk op dit uur hier besteld.”

„Zoo?” vroeg de vloo op langgerekten toon, „dan moet ik den inspecteur wekken. Is het gewichtig?”

„Zeer zeker,” antwoordde de juwelier.

De detective stond op en ging naar de kamer, waar Baxter sliep.

Eerst nadat Marholm hem herhaaldelijk heen en weer had geschud, keek Baxter zijn secretaris slaapdronken aan en bromde:

„Wat is er? Wat is er gebeurd?”

„Juwelier Brill wenscht u te spreken.”

„Hij moet mij met rust laten. Ik ken hem niet. Laat hij u vertellen, wat hij wil.”

Hij draaide zich op de andere zijde en wilde doorslapen.

Marholm stiet hem opnieuw aan.

„Gij hebt den juwelier persoonlijk hier besteld. De zaak is dringend, naar de man beweert.”

„Ik heb hem niet besteld,” sprak de inspecteur op ontevreden toon, „ik ken den man in ’t geheel niet. Vraag hem, wat er gebeurd is.”

Detective Marholm verliet de kamer en vroeg den juwelier:

„De inspecteur laat u weten, dat er hem niets van bekend is, dat gij hier zoudt komen.”

„Wat?” riep Brill, „wat bezielt mijnheer den inspecteur? Drie uur geleden heeft hij mij gezegd, dat ik mij om zes uur bij hem in Scotland Yard, kamer 32, moest bevinden.”

De vloo begreep er niets van.

Maar hij dacht, dat de inspecteur misschien ten gevolge van groote vermoeidheid de zaak had vergeten en daarom ging hij nogmaals naar zijn chef.

Baxter sliep al weer.

Marholm volgde nu een andere taktiek.

Hij boog zich over den slapende heen en schreeuwde:

„Brand!”

De politie-inspecteur, die ook chef van de Londensche brandweer was, sprong verschrikt op en vroeg, met slaapdronken oogen den detective aanziende:

„Brand? Brand? Waar is brand?”

Marholm lachte.

„Juwelier Brill wacht op u.”

„Vervloekt, laat mij toch met rust. Waar is hij?”

„Bij mij aan de schrijftafel.”

Ten gevolge van zijn gestoord middagdutje woedend als een stier, die geplaagd is, stormde inspecteur Baxter het bureau binnen en riep op barschen toon:

„Wat wilt gij van mij?”

Juwelier Brill staarde wezenloos den inspecteur aan en antwoordde:

„Van u niets! Ik ken u in ’t geheel niet.”

„Als gij mij niet kent, hoe durft gij dan op deze manier mij lastig te komen vallen en te zeggen, dat ik u persoonlijk heb besteld?”

„Pardon,” sprak de juwelier, „ik heb u niet bedoeld, ik wensch den inspecteur van politie Baxter te spreken.”

„Wel, nu nog mooier! Maar mijn naam is immers Baxter!”

Juwelier Brill staarde den inspecteur met wijd geopende oogen aan.

Eindelijk stamelde hij:

„Gij—gij—gij zijt—de—inspecteur van politie?”

„Ja!” schreeuwde Baxter. „Twijfelt gij daar soms aan? Vraag het dan mijn secretaris of mijn beambten!”

De juwelier keek herhaaldelijk van den inspecteur naar detective Marholm.

„Gij—gij—gij zaagt er echter—een paar uur geleden geheel anders uit.”