Part 2
Tegelijkertijd dook ook Raffles; het gelukte hem den zelfmoordenaar in den rug te grijpen en met een krachtigen stoot boven water te brengen.
De bediende had het bewustzijn nog niet verloren en, toen hij bemerkte, dat hij gered zou worden, begon hij zich als een wanhopige te verdedigen en te schreeuwen:
„Laat mij los! Ik wil sterven.”
Maar Raffles hield hem met ijzeren vuist vast, toen de bediende hem plotseling bij de keel greep.
Lord Lister, die met de eene hand den ongelukkige vasthield en de andere noodig had om te zwemmen, kon zich niet verdedigen.
Als met stalen schroeven omspande de hand van den bediende den hals van zijn redder en sneed dezen bijna de lucht af.
Raffles begreep, dat deze strijd hem het leven zou kosten en er bleef hem niets anders over dan met een vuistslag den zelfmoordenaar onschadelijk te maken.
Reeds dreigden de krachten Raffles te begeven. De stroom had hem reeds meegevoerd tot in het midden der rivier.
Daar daagde plotseling redding op.
Van af een koopvaardijschip, dat in de Theems voor anker lag, hadden eenige matrozen de worsteling aangezien en een boot vlot gemaakt. Met snelle roeislagen waren zij naderbij gekomen en trokken nu Raffles en den bediende in de boot.
„Bravo, jongens”, riep de Groote Onbekende. „Een paar seconden later, en de visschen in den Oceaan hadden zich aan mij te goed gedaan.”
Het duurde niet lang of het tweetal lag in warme dekens gehuld in hangmatten in eene verwarmde kajuit, terwijl de matrozen hun grog brachten.
De natte kleeren werden in de machinekamer te drogen opgehangen.
Nadat Raffles en de ongelukkige op hun verhaal waren gekomen, sprak Raffles tot den stuurman, die den afwezigen kapitein verving:
„Laat ons nu eenige oogenblikken alleen, ik wil dien man iets vragen.”
Gehoor gevend aan dien wensch, verlieten de matrozen en de stuurlieden de kajuit.
„Ik geloof niet”, sprak Lord Lister tot den geredde, „dat gij mij erg dankbaar zult zijn voor uwe redding.”
„Vervloekt, Sir”, antwoordde de ongelukkige, „ik zou niet weten, waarom ik u zou moeten bedanken, want gij hebt mij voor de gevangenis uit het water gehaald.”
„Dat is nog zeer de vraag”, antwoordde Raffles, „er zijn middelen genoeg om een mensch zelfs van de galg te redden.
„Ik ben bereid, om u, zoover het in mijn macht ligt, te helpen.
„Natuurlijk moet ge mij vertellen, wat u tot den zelfmoord heeft gedreven.”
„Gij maakt mij beschaamd, Sir”, antwoordde de bediende, „maar ik stel vertrouwen in u.
„Gij hebt uw leven voor mij gewaagd, en wie dat doet, helpt den ander ook in een minder moeilijke positie.”
„Ik help u”, herhaalde Raffles, „en als gij u sterk genoeg gevoelt, vertel mij dan nu, waarom gij in de Theems zijt gesprongen.”
De bediende richtte zich een weinig op in de hangmat, keek Raffles aan en vertelde:
„Ik ben sinds een half jaar bediende van Lord Landsdale.”
„Aha”, mompelde Raffles, „de president van de Cros-Club.”
„Juist”, antwoordde de bediende, „kent gij mijn meester?”
„Zeker”, klonk het antwoord, „ik ben zelf lid van die Club.”
„Om ’s Hemels wil”, fluisterde de ongelukkige, „dan heeft een Lord mij het leven gered?”
„Yes, mijn vriend”, glimlachte Raffles, „een echte Lord sprong je na in de Theems om je armzalig leven te redden. En tot dank daarvoor heb je je vingers gelegd om den hals van dezen pear van Engeland, die blauw bloed in zijn aderen heeft en je hebt hem willen vermoorden.”
„Vergiffenis heer”, stamelde de bediende, „het was de wanhoop, die mij daartoe dreef.”
„Stel je gerust”, antwoordde Raffles lachend, „ik heb maling aan mijn Lords-titel. Ik ben precies zulk een mensch als jij. Mijn opmerking was slechts scherts en spot. Vertel nu verder.”
Met zachte stem vervolgde de bediende:
„Uwe Lordschap kent mijn meester als een uitermate driftig en zeer opvliegend mensch.”
„Jawel”, lachte Raffles, „ik weet, dat hij er met de rijzweep op inslaat, wanneer zijn bevelen niet precies worden opgevolgd.
„Had je straf te wachten?”
„Veel erger. Zijn Lordschap zond mij naar den juwelier Brill in de Oxfordstraat om een sieraad van zijn echtgenoote, dat zich daar ter reparatie bevond, terug te halen.
„Ik had deze opdracht uitgevoerd, doch nauwelijks had de Lord het étui geopend, of hij brak in een vloed van scheldwoorden los en riep in de grootste opgewondenheid:
„„Dat is niet het sieraad, dat ik den juwelier heb gegeven!”
„Hij beval mij, dadelijk terug te keeren en het juiste voorwerp mee te brengen.
„De goudsmid echter verklaarde mij het goede sieraad te hebben ter hand gesteld. Dat, hetwelk ik hem nu liet zien, kende hij in ’t geheel niet.
„Ik wist niet, wat ik daarvan moest gelooven. Ik snelde naar Zijn Lordschap terug en deelde hem mede, wat de man had gezegd.
„Daarop wierp Zijn Lordschap mij de grofste beleedigingen naar het hoofd en schreeuwde, dat ik een dief, een bedrieger was en bij Raffles thuis behoorde.”
„Dat is prachtig!” lachte de groote onbekende bij de laatste woorden, zoodat de bediende verbaasd stond, waarom zijn redder plotseling zoo hartelijk lachte.
„Gij steekt den draak met mij?” vroeg de ongelukkige bedroefd.
„In geen geval”, antwoordde de groote onbekende. „Ik amuseer mij alleen over je Lord, omdat hij je verdenkt. Ge zijt een eerlijke kerel! Wat gebeurde er verder?”
„Zijn Lordschap dreigde mij, mij aan de politie te zullen overleveren wanneer ik niet binnen het uur het sieraad terugbracht, dat, naar hij beweerde, een uiterst kostbare briljanten halsketting was van de Lady. Ik ging naar den juwelier Brill terug en bezwoer hem, mij het goede sieraad ter hand te stellen, daar ik anders in de gevangenis zou komen.
„Ik kan met den heiligsten eed bezweren, dat ik het pakket, dat de heer Brill mij gaf, niet uit handen heb gegeven of opengemaakt, zoodat ik het had kunnen verruilen.
„Maar de juwelier zette mij uit den winkel en telefoneerde tegelijkertijd aan Zijn Lordschap, dat hij mij het goede sieraad had meegegeven.
„Ik wist geen andere uitkomst dan mij van kant te maken.”
„Dat is eigenlijk geen uitkomst”, gaf Raffles ten antwoord, „het leven beneemt men zich niet, want het is het kostbaarste, wat wij bezitten.
„Daarom wordt ook op zelfmoord de zwaarste straf gesteld, namelijk eeuwige gevangenschap in een donkere cel. Maar hoe kom je tot zulke gedachten? Het eene oogenblik voelt men zich zoo ellendig en wanhopig, dat er geen andere uitweg schijnt te bestaan en het volgende oogenblik kan het leven weer in helderen zonneschijn voor ons liggen.”
„Maar wat moet ik dan doen?”
„Wel, niets!” antwoordde Raffles.
„Ik zal persoonlijk Lord Landsdale bezoeken en met hem deze aangelegenheid in orde brengen.
„De juwelier is een groote schurk, maar ik zal het hem betaald zetten, daar kun je van opaan.”
Het zou nog verscheidene uren duren, voordat de kleeren van Lord Lister weer droog waren geworden.
Daar hij echter niet zooveel tijd wilde verzuimen, vroeg hij den stuurman, of deze hem een pak kon leenen.
De stuurman stemde toe en weldra stond de groote onbekende in zeemanskleeren gereed om aan land te gaan.
Daar Raffles veel geld bij zich had, schonk hij aan de matrozen een vorstelijke gift en liet zich door eenige van hen aan land roeien.
Tegelijkertijd gaf hij hun de opdracht den bediende niet te laten vertrekken voordat hij zijn toestemming had gegeven.
Hij beloofde den stuurman, te zullen schrijven waarheen deze den ongelukkige moest zenden.
DERDE HOOFDSTUK.
EEN SANDWICHMAN. [1]
Nauwelijks was Raffles eenige schreden voortgeloopen langs het Strand, waar het op dit oogenblik druk was van schouwburgbezoekers en menschen die afleiding zochten, toen vlak bij hem politie-inspecteur Baxter met de vloo, zooals detective Marholm, de secretaris van Baxter, werd genoemd, opdoken.
Lord Lister, die zijn zeemansmuts diep over het voorhoofd had getrokken, een dikken doek om den hals had geknoopt, welken hij wegens de avondlucht zoo hoog ophaalde, dat hij zijn mond geheel bedekte, liep rakelings langs den inspecteur van politie, zoodat hun mouwen elkaar aanraakten.
Raffles lachte in stilte.
Daarop overlegde hij, of hij niet een grap met Baxter kon uithalen.
Hij ging een sigarenwinkel binnen, liet zich een groot stuk papier en blauw potlood geven en schreef daarop haastig eenige regels.
Hierna verliet hij den winkel.
De inspecteur van politie was nog niet ver weg, toen Raffles reeds weer achter hem liep.
Hij bemerkte niets van hetgeen de groote onbekende achter zijn rug uitvoerde.
Weer liep hij dicht langs Baxter heen en bleef toen op kleinen afstand voor dezen loopen, den loop van een zeeman nabootsend.
Na eenige minuten bemerkte hij, dat de voorbijgangers, die achter Baxter liepen, hartelijk lachten.
„Ik weet niet,” sprak de inspecteur tot Marholm, „wat de menschen toch te lachen hebben”.
Op dit oogenblik trad een jonge man, die naar het uiterlijk een winkelier moest zijn, naar hem toe en sprak:
„Goeden avond, Sir!”
„Wat wilt gij van mij?” vroeg Baxter op norschen toon.
„Ik wil een weddenschap met u aangaan”, antwoordde de ander lachend.
„Wat voor een weddenschap?”
„Ik weet, wie gij zijt?”
De inspecteur van politie keek zeer verbaasd.
Hij kende den koopman niet.
„Ik wed niet”, antwoordde hij met afwijzend gebaar.
„Allright!” sprak de koopman, „dan zal ik ’t u zoo zeggen. Gij zijt politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard. Hebt gij Raffles gevonden?”
Hij nam zijn hoed af, lachte en ging verder.
Nauwelijks was hij weg, of een paar jongens grijnsden den inspecteur aan en de een zei tot den ander:
„Dat is inspecteur Baxter van Scotland Yard, die John Raffles niet kan te pakken krijgen”.
„Vervloekte bengels”, bromde de beambte en wilde met zijn stok naar hen slaan, toen een luid gelach van het publiek hem deed aarzelen.
Waarheen hij keek, overal zag hij lachende gezichten.
„Ben ik betooverd?” vroeg hij aan Marholm, „laten wij het eerste café binnengaan”.
Haastig verdween het tweetal in het bierlokaal.
Maar vreemd, ook hier, toen zij bij de toonbank stonden, begonnen de bezoekers luide te lachen, wezen met de vingers naar den inspecteur, totdat een der gasten op hen toetrad en sprak:
„Goeden avond, inspecteur—hebt gij Raffles al?”
Nu was Baxter’s geduld ten einde.
„Hoe kent gij mij?” vroeg hij den bezoeker.
„Hoe?” riep deze lachend uit.
„Ik wed, dat vanavond iedereen in Londen u kent”.
„Wel alle duivels!” riep de inspecteur buiten zichzelf uit, „niemand kent mij behalve mijn beambten!”
„Dat is onmogelijk”, antwoordde de cafébezoeker, „maar ik zal u helpen. Onder den kraag van uw overjas is op uw rug een groot stuk papier vastgestoken. Lees dat eens!”
De vloo keek snel naar den rug van zijn chef, om op het volgende oogenblik een groot stuk wit papier te voorschijn te halen, dat met een hoek onder den kraag van de overjas was geschoven.
Hij hield Baxter het papier voor den neus.
Alle bezoekers van het lokaal kwamen om hem heen staan en lazen.
Met dikke letters in blauw potlood stond er op geschreven:
Let op!
Dit is mijn Sandwichman, politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard, die onbekend wil blijven! Men vrage hem naar mij.
Veel groeten van JOHN C. RAFFLES.
Terwijl de bezoekers in een luid gelach uitbarstten, draaide alles voor de oogen van inspecteur Baxter in het rond.
Daarop pakte hij als een razende stier het plakkaat beet om het in flarden te scheuren.
Maar de eigenaar van het café greep het met een snelle beweging uit Baxters hand en riep:
„Laat mij dat papier, heer inspecteur!”
Nu wendde de van woede brieschende beambte zich tot Marholm en overlaadde dezen met een vloed van scheldwoorden, omdat hij niet had gezien, hoe het plakkaat op den rug van zijn chef was gekomen.
„Raffles maakt mij gek en jouw domheid erbij!” schreeuwde Baxter.
Daarop verlieten zij het lokaal.
Eenige oogenblikken later reeds werd het restaurant bestormd door verslaggevers, die van het geval hadden gehoord en spoedig verdrong zich een dichte menschenmassa voor het venster, waarvoor de eigenaar het plakkaat had opgehangen.
John Raffles zou hebben genoten bij het zien van al die menschen, die de grootste pret hadden.
Hij was intusschen per spoor naar zijn vossenhol teruggekeerd.
Charly Brand verbaasde zich er over, hoe zijn vriend aan het zeemanspakje was gekomen en luisterde vol verbazing naar de verhalen over den schurkachtigen juwelier, den ongelukkigen bediende en den inspecteur van politie, die voor sandwichman had gespeeld.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN PAK SLAAG.
„Ik heb van mijn vroegere werkzaamheden een kistje vol prachtige damesringen overgehouden”, sprak Lord Lister, terwijl hij een zwart étui op tafel zette en het opende.
„Je moogt geen heerenringen dragen, want je zoudt wel eens in de noodzakelijkheid kunnen komen om je handschoenen uit te moeten trekken en een dergelijke kleinigheid zou je verdacht maken.
„Men moet de rol, die men speelt, tot in de geringste bijzonderheden doorvoeren. Slechts dan kan men eenig resultaat verwachten. Kies dus hier eenige uit.”
Charly Brand zocht uit de ringen eenige exemplaren, die hem bevielen en schoof ze aan zijn vingers.
Raffles bekeek de hand van zijn vriend en sprak:
„Je bent werkelijk door de natuur ruimschoots bedeeld met vrouwelijk schoon, daarom heb je ook een eenigszins week en zenuwachtig karakter.
„Hedenavond ben ik van plan met je naar een schouwburg te gaan, om eens te beproeven, welken indruk je maakt als dame.”
„Het is mij zeer onaangenaam”, sprak Charly Brand, „in deze kleeren te loopen. Ik zal blij zijn, als ik er weer van verlost ben. Ik ben al tweemaal uitgeweest en herhaaldelijk door heeren lastig gevallen.”
„Zoo, zoo”, sprak zijn vriend, „de gentlemen hebben dus een goed oogje op je. Nu, wij zullen vanavond eens zien.”
Het was tegen half elf des avonds, toen zij, uit een schouwburg komend, een deftig restaurant binnengingen en aan een klein tafeltje plaats namen, dat keurig voor een souper gedekt was.
John Raffles had zich gestoken in de uniform van een Engelsch marine-officier en zijn gelaat onkenbaar gemaakt door een zwarten, kortgeknipten ringbaard.
Charly Brand droeg een gedistingeerd avondtoilet en een grooten, modernen hoed vol struisveeren.
Zij hadden juist hun soep gegeten, toen Raffles Charly Brand onder de tafel op den voet trapte en sprak:
„Wij krijgen interessante buren.”
Charly keek in de aangeduide richting en ontdekte inspecteur Baxter met twee jongere heeren.
Zoowel hij als de beide heeren waren in avondtoilet, hadden witte orchideeën in de zijden opslagen van hun smokings en waren in uiterst vroolijke stemming.
„Zij zullen in een schouwburg zijn geweest”, fluisterde Raffles. „De inspecteur schijnt vrij van dienst te zijn en zijn tijd te besteden met eens flink te boemelen. Ik heb hem altijd voor een ouden zwierbol gehouden, maar ik betrap hem nu voor den eersten keer.”
De groote onbekende verloor Baxter geen oogenblik uit het oog.
De secretaris zag, hoe af en toe een vroolijk glimlachje over Raffles’ gelaat vloog.
„Waarom lach je?” vroeg Charly Brand.
„Ik amuseer mij over onzen vriend Baxter. Hij tracht tevergeefs een gesprek aan te knoopen met een paar opzichtig gekleede dames, die met eenige heeren dichtbij hem zitten. Luister eens, Charly, ik heb een prachtig idee!
„Wij zullen vannacht niet naar ons vossehol teruggaan, maar in ons klein kwartier in de Holbornstraat overnachten.
„Hier heb je een sleutel. Ik heb zelf een tweede exemplaar.
„En nu, let op:
„De inspecteur zoekt, naar ik merk, damesgezelschap. De gentleman vindt het vervelend om den nacht alleen met een flesch wijn door te brengen.
„Ik zal nu het restaurant verlaten en ik durf mijn gewone weddenschap aangaan: tien pond tegen een pruimepit, dat, zoodra ik ben heengegaan, onze lieve, beste vriend met je begint te praten en je het hof gaat maken. Daarvoor zal hij voorbeeldig gestraft worden.”
Charly Brand trommelde nerveus met zijn vingers op tafel.
„Is het werkelijk waar, moet ik met den inspecteur van politie coquetteeren?”
„Niet alleen dat,” antwoordde Raffles, „maar alles wat daarbij behoort en daarna laat je je door hem naar huis brengen.
„Het zal een grap worden, om nooit te vergeten. Je kunt volkomen onbezorgd zijn. Je ziet er echter uit dan alle dames, die hier zitten, en geen sterveling zoekt achter je melkgezicht, dat je iets anders bent dan een dame.
„Zelfs je stem is zeldzaam vrouwelijk.
„Misschien is dat de reden, waarom ik je zoo graag bij me heb.
„Een vrouw zou ik om haar onverstandigheid en nieuwsgierigheid nooit als vertrouwde kunnen gebruiken.
„Luister dus eens, mijn jongen:
„Ik verlaat het restaurant, laat het verdere aan den inspecteur van politie over.
„Onthoud echter nog één ding: Zeg vier keer „neen”, voordat je éénmaal „ja” zegt.”
John Raffles betaalde het souper, kuste galant de hand van Charly Brand, zooals hij het een dame zou hebben gedaan en verliet het restaurant.
Alle aanwezigen keken den rijzigen zee-officier, wien de uniform kranig stond, na.
Zoo ook inspecteur Baxter en diens vrienden.
Nauwelijks was Lord Lister verdwenen, of de inspecteur van politie sprak tot den jongen koopman Webster, die naast hem zat:
„Waarvoor houdt gij de dame, die met den marine-officier soupeerde?”
Mr. Webster keek naar het door Raffles verlaten tafeltje en, terwijl hij Charly Brand fixeerde, antwoordde hij:
„Voor een dame uit de beste kringen.”
„Natuurlijk”, antwoordde Baxter, „maar ik bedoel, of zij met hem gehuwd is?”
„Daar valt niet veel van te zeggen.”
„Gij schijnt u sterk voor die dame te interesseeren, inspecteur.”
„Dat wil ik niet ontkennen. Zij is ontegenzeggelijk een schoonheid. Ik zou dolgraag den avond met haar doorbrengen.”
„Nonsens!” meende Mr. Webster, „dat zult gij u moeten ontzeggen.”
„Oho!” lachte Baxter, „mannen zooals wij, breed van gestalte en met een knap uiterlijk, hebben bij iedere vrouw succes.
„Ik wed om drie flesschen champagne, dat het mij zal gelukken, binnen eenige minuten gehoor te krijgen bij de dame. Zij zal het prettig vinden, niet meer alleen aan de tafel te zitten.”
„Vertel toch geen nonsens”, antwoordde Mr. Webster, „als de officier terugkwam, zou het wel eens oorvijgen kunnen regenen.”
„Dat zou de vraag zijn”, sprak Baxter, „zoo gauw geeft men mij geen oorvijgen. Overigens ben ik tegen iedereen opgewassen, dat brengt mijn beroep mee.”
„Daaraan twijfel ik niet”, antwoordde de ander op drogen toon, „als gij geluk hebt, vertel mij dan morgen hoe het avontuur u is bekomen.”
Inspecteur Baxter hoorde nauwelijks nog de woorden, die de jonge man tot hem sprak.
Hij liep rechtstreeks op het tafeltje toe, waaraan Charly Brand zat, die zich blijkbaar verveelde en in een klein notitieboekje las.
„Pardon, dame”, sprak Baxter tot hem met een onberispelijke buiging, „ik bemerk reeds sinds een half uur, dat gij alleen zit. Misschien is het mij mogelijk, u den tijd, gedurende welken gij op uw gezelschap moet wachten, te bekorten.”
„Pardon, ik wacht niet”, antwoordde Charly Brand met zachte stem, terwijl een kokette blik onder den breeden rand van den struisveerenhoed naar den inspecteur werd geworpen.
„Ah, wacht gij niet?”
„Neen. Ik lijd een beetje aan slapeloosheid en ben daarom nog hier gebleven, terwijl mijn echtgenoot zich naar het departement van marine heeft begeven, waar hij nachtdienst heeft.”
„Jammer!” sprak Baxter.
„In hoeverre?”
„Staat gij toe?” vroeg de inspecteur en zonder een antwoord af te wachten, nam hij plaats op den stoel, dien Raffles had verlaten.
Hij voelde zich reeds als overwinnaar en, terwijl hij de wijnkaart opnam, vervolgde hij:
„Wat mag ik voor u bestellen, mevrouw?”
„Ik drink nog koffie.”
„Dat zal niet bevorderlijk zijn voor uw slapeloosheid.”
„Och”, antwoordde Charly Brand lachend en Baxter was in verrukking over het prachtige gebit der mooie dame, „ik ben aan koffie en sigaretten gewoon, maar als gij u iets te drinken wilt bestellen, ga dan gerust uw gang.”
„Gewonnen”, dacht de inspecteur, „zij heeft mij niet afgewezen.”
Hij keek naar zijn verlaten stoel en bemerkte, dat zijn beide vrienden over hem spraken.
„Afgunstig!” mompelde hij, „zoo zie je weer, den dappere behoort de wereld!”
Hij bestelde een halve flesch champagne en het gesprek tusschen hem en Charly Brand werd al vertrouwelijker en geanimeerder.
Zijn beide vrienden stonden net een uurtje op en namen afscheid van hem.
Baxter glimlachte vol trots, toen hij de bewonderende blikken zag, welke zij op de schoone jonge dame wierpen.
Nauwelijks hadden de beide heeren het restaurant verlaten, of Charly Brand begon te geeuwen en ging zijn handschoenen aantrekken.
„Wilt gij heengaan?” vroeg Baxter op teleurgestelden toon.
„Ja”, antwoordde Charly Brand, „ik begin vermoeid te worden en, hoe aangenaam mij uw gezelschap ook was, toch moet ik nu afscheid nemen”.
„Zou mijn verder gezelschap u niet aangenaam zijn?” vroeg Baxter met verlangenden blik.
Charly Brand sloeg koket de oogen neer, zooals hij dat dikwijls van dames had gezien:
„Ik weet het niet, ik ben bang”.
Baxter waagde het, zijn hand op den arm der mooie, jonge vrouw te leggen.
Op overredenden toon sprak hij:
„Mevrouw, voor mij behoeft geen enkele dame bang te zijn.”
„Dat komt uit”, dacht Charly Brand en hij antwoordde:
„Meent gij dat werkelijk?”
„Ik zal u het bewijs geven”, sprak Baxter. „Gij kunt bij uw echtgenoot niet onder veiliger hoede zijn dan bij mij”.
Zonder iets te antwoorden, liet de jonge secretaris zich den avondmantel om de schouders leggen, Baxter trok snel zijn overjas aan en beide verlieten het lokaal.
Het waren behaaglijke, prachtvol ingerichte appartementen, die Raffles zich in de Holbornstreet had ingericht.
Hierheen begaven zich na een korten autotocht Mr. Baxter en zijn schoone.
„Wij moeten voorzichtig zijn”, fluisterde Charly Brand tot den inspecteur, toen zij de woning binnen gingen, „opdat mijn kamermeisje niet wakker wordt”.
Op de punten van zijn teenen volgde Baxter de mooie vrouw naar een klein, in rococostijl ingericht salon, waar hij haar den mantel afnam en eveneens zijn overjas uittrok.
„Neen, mijnheer”, beduidde Charly Brand hem, „gij moogt hier niet blijven. Ik heb mij door u naar huis laten brengen, omdat ik het u had beloofd, maar nu moet gij gaan”.
Maar Baxter had door den wijn en door den betooverenden indruk, dien Charly Brand op hem maakte, alle zelfbeheersching verloren.
„Neen”, riep hij, „niets kan mij uit dit boudoir verdrijven, ik trotseer alles”.
Charly Brand, die juist zijn hoed vol struisveeren had afgezet, keek Baxter schijnbaar verschrikt aan.
„Een uurtje wil ik blijven”, sprak de inspecteur, „daarna zal ik dit heerlijke nestje verlaten. Niemand zal het bemerkt hebben.”
„Het is hier vreeselijk warm”, sprak Charly Brand, „vindt gij ook niet?”
„Ja”, antwoordde Baxter, zich het zweet van het voorhoofd vegend. „Als gij het toestaat, trek ik mijn smoking uit.”
De Engelsche dames zijn het, evenals de Amerikaansche, gewend, dat de heeren uit de beste kringen zich ongegeneerd van dit kleedingstuk ontdoen.
Zoo deed ook Baxter.
Charly Brand had in achtelooze houding op een divan, die met een ijsberenvel was bedekt, plaats genomen en liet het mooie hoofd in de hand rusten.
Nu knielde Baxter voor hem neer en met zijn rechterhand op het hart, sprak hij:
„Ik kan niet nalaten u van mijn gevoelens jegens u te spreken. Ik bemin u, schoone onbekende, ik bemin u, zooals slechts een man beminnen kan; verhoor mij en geef mij een kus van uw schoone lippen.”
Hij wilde den arm om Charly’s hals slaan, toen hij plotseling bij den kraag werd gegrepen, een paar klinkende oorvijgen kreeg en languit op het tapijt rolde.
„Ellendeling, wat doet gij hier bij mijn vrouw?” schreeuwde Raffles.
De inspecteur van politie keek met angstige blikken op naar den marine-officier.
Hij zag, dat Raffles in de eene hand een revolver hield, waarvan hij den loop op hem richtte.
„Om ’s Hemels wil, schiet niet!” schreeuwde Baxter, „ik zal onmiddellijk het huis verlaten—er is niets gebeurd.”
„Neen”, riep Lord Lister met donderende stem, terwijl hij inwendig lachte, „levend komt gij, schurk, niet uit deze kamer. Nu zullen wij afrekenen. Na u komt mijn vrouw aan de beurt.”
„Heb medelijden!” smeekte de inspecteur, „ik ben onschuldig, dat zweer ik u. Ik wist niet, dat gij getrouwd zijt, dan zou ik het niet hebben gewaagd dit huis binnen te gaan. Aan de dame alleen is het te wijten, dat ik hier gekomen ben.”
Met een minachtenden blik nam Raffles den lafaard op.
Daarop gaf hij hem een schop, wees met zijn hand naar de deur en riep: