Chapter 2 of 4 · 3990 words · ~20 min read

Part 2

Zij gevoelde dat zij tegenover dien man een rol, een comedie spelen moest, want zij vermoedde iets raadselachtigs. Iets vreeselijks. En Charlotte was het middel misschien om achter die geheimen te komen.

Dat was evenwel van later zorg. Eerst geprobeerd het vertrouwen te winnen van Charlotte, misschien was deze ook wel zeer ongelukkig.

Charlotte speelde niet slecht, maar zonder begrip.

Met gestrengheid wees Mademoiselle Rochefort Charlotte op de fouten. En dit deed zij op zulk een manier, dat La Rougière in de meening verkeerde dat tusschen deze twee dames nog absoluut, geen vertrouwen bestond en dat, mits hij daar zèlf maar zorg voor droeg, dit ook nooit komen zou.

Het muziekuur liep ten einde en Charlotte keek al met smachtende blikken naar Mademoiselle, doch deze voelde voortdurend zich bespied, door La Rougière.

Zij kon dus onmogelijk iets zeggen of eenig teeken aan haar leerling geven.

—Het is mijne gewoonte—zeide Mademoiselle, toen de les geëindigd was,—dat ik altijd een stukje naspeel. Ik wil van die goede gewoonte niet afwijken.

Zonder antwoord af te wachten, ging zijn voor den vleugel zitten en na eenige accoorden te hebben aan geslagen, speelde zij een machtig stuk van Bach, dat door haar vòl gloed en temperament werd voorgedragen. Toen, ineens opende zij haar mond en het teedere lied:

Es ist bestimmt in Gottes Rath, Das man vom Liebsten, was man hat, Muss scheiden. [1]

weerklonk, gezongen met haar zilveren sopraanstem.

Toen Mademoiselle hier was genaderd, sprong La Rougière op en riep zeer luid:

—Het is al een geweldige toegevendheid dat ik in mijn huis laat musiceeren, doch zingen verbied ik ten eenenmale voor goed. U hebt mijn toestemming afgeperst in zake de verwisseling van kamers, nu moet u mij beloven, dat eisch ik, dat u nooit zingen zult.

Mademoiselle, alsook Charlotte, waren geschrokken van dezen ruwen uitval.

Zij hief ’t hoofd op, zag met haar eigenaardig „lichtende” oogen hem strak aan en zeide op kalmen toon:

—Indien u ’t mij verbiedt... voilà! ’t Zal niet meer gebeuren. Doch u begrijpt wel dat ik mij steeds meer verbazen moet dat u zóó optreedt. Er is een spreekwoord dat zegt: „Booze menschen hebben geen liederen”... en ik beschouw u toch niet als een boos mensch!

La Rougière bromde iets met zijn krakende stem en zeide enkele minuten later:

—Daarover zullen wij nog wel eens spreken.

Het was inmiddels laat geworden en een gong kondigde met doffe slagen het uur aan waarop alles in volkomen rust moest gaan op „Bartram-Haugh”.

Ieder zocht de kamer op, welke tot slaapvertrek moest dienen en een half uur later scheen alles in diepe rust.

Doch beneden in een kamer, die er uitzag als een schamele bibliotheek, zat La Rougière, gebogen over brieven, geschreven met wonderlijke teekens, en een wreede lach lag op zijn onaangenaam gelaat.

En boven?

Het was slechts een schijnrust, die er heerschte, want èn Charlotte èn Mademoiselle zaten, ieder in hun kamer, in spanning te wachten.

Geen woord hadden de beide vrouwen kunnen wisselen. En toch, zij waren beslist van plan, elkander dien avond of nacht nog te spreken.

Hun handdruk, die blikken hunner oogen, waren te welsprekend geweest.

Langzaam verliepen de minuten.

Eindeloos scheen de tijd te duren.

Niemand bemerkte hoe een donkere gedaante langs de trappen gleed en stil bleef staan voor de deur van Charlotte.

Toen werd een zacht kloppen gehoord....

Van binnen, uit de kamer, klonk een gedruisch alsof iemand te bed lag en wakker geworden zich omkeerde.

Daarna verdween de gestalte weer naar beneden....

Niet lang daarna werd Charlotte’s deur zeer langzaam en onhoorbaar geopend en kwam het schoone hoofd van Charlotte te voorschijn.

Voorzichtig, angstig luisterende, liep zij, na enkele minuten gewacht te hebben, de gang over en klopte aan de deur waar Mademoiselle was.

De deur werd geopend.

—Vlug, st.! zacht,... volg mij... Sluit uw deur goed!

Mademoiselle vroeg niet verder, doch handelde geheel naar het zoo zacht doch gebiedend uitgestooten bevel.

Snel liepen de beide gestalten naar Charlotte’s kamer, die door deze zorgvuldig, onhoorbaar, werd afgesloten.

Rillend, als had zij koude, noodigde zij Mademoiselle uit naast haar te komen zitten.

Doch waar?

Groote Goden, het geleek hier een armoedige hut, met niets dan één stoel, een houten tafel, een smal rustbed, met enkele dekens.

’t Was afschuwelijk.

Mademoiselle nam plaats op den rand van het bed en sloeg beschermend de armen om de bevende gestalte van Charlotte.

—Vertel maar, kindje! Ik vermoed iets vreeselijks. Vertrouw mij alsof ik uwe moeder ware.

—Mademoiselle, ik dank u. Ik heb mij bij onze kennismaking onhebbelijk gedragen. Wilt u mij vergeven?

—Gaarne. Doe nu alsof ge mij al jaren kendet. Ik ben uw vriendin.

—Hoe lang zal ’t duren?

—Waarom dat gevraagd?

—Omdat vader ’t niet wil!

—Waarom niet?

—Dat is een lange geschiedenis.

—Vertel ze mij.

—Indien u ’t weet zult ge misschien ook heengaan...

—Om het uw vader te zeggen?—viel Mademoiselle plotseling in.

—Neen, dat zult gij niet doen—antwoordde Charlotte—maar u zult niet hier willen, niet kunnen blijven.

—Is ’t zóó erg?

—Vreeselijk.

—Maar waarom dan toch?

—Luister! Schrik niet wanneer er straks aan de deur geklopt wordt. Dat is vader. Hij controleert mij elk uur van den nacht. ’t Zal u duidelijk worden waarom!

Mijn vader is, zooals reeds zijn naam uitwijst, een Franschman. Hij woont hier nu al gedurende bijna drie en twintig jaren. Voor dien tijd woonde hij in Parijs en was hij president van een geheim genootschap. Ik werd geboren in den tijd dat vader voor allerlei zaken, zooals ik later hoorde, politieke, naar Rusland ging. Toen hij terugkwam van zijn reis was ik ter wereld gekomen, doch mijn lieve moeder was gestorven. Ik heb haar nooit gekend. Direct werd ik ter opvoeding gegeven aan een brave vrouw, die te Beaucamp, twee uren van Parijs af, woonde, en die tot aan haren dood toe mij uitmuntend heeft verzorgd.

Van vader, hoorde of zag ik nooit iets.

Ik wist hij was in het buitenland. Meer kwam ik nooit te weten. Mijn pleegmoeder schudde altijd het hoofd wanneer zij met mij op mijn voortdurend vragen, over hem spreken moest. Elke week kwam monsieur L’Eglai mij bezoeken, om namens mijn vader naar mij te komen informeeren. Alles was even geheimzinnig... alles even vreemd. Ik begreep er niets vanen pijnigde mijn hoofd gek.

Toen op een dag werd mijn pleegmoeder ziek en ik moest, toen L’Eglai weer kwam, met hem mede. Hij vervoerde mij naar Parijs, waar ik werd toevertrouwd aan een gouvernante, Mademoiselle Megg’.

Deze ging met mij naar hier.

Het was voor mij zeer vreemd dat tijdens de reis ook de geheimzinnigheid bij bleef.

Bijvoorbeeld, reeds in Parijs begon het. Een vreemde dame trad op ons toe, en overhandigde ons de reisbiljetten. Mademoiselle Megg’ scheen alles te begrijpen, doch gaf mij, zelfs niet na herhaald aandringen, niet de minste verklaring.

In Calais ’t zelfde. Een mijnheer zorgde voor de bagage, en bracht ons op de boot. Daarna vertrok hij weer. In Dover weer een heer die onze belangen behartigde, en die ons aan den trein naar Londen bracht.

Ook in Londen hetzelfde. Er was daar een gesloten auto, en ik werd naar hier vervoerd naar mijn vader, dien ik nooit gezien had en dus niet kende.

Ik had den vreemden man—zoo noemde ik hem bij mezelf—niet lief. Ik kon dit niet, ook al omdat de eerste begroeting koud en vormelijk was.

Dit werd nog erger toen ik de behandeling van een gevangene kreeg en ik mijn jonge idealen zag verwoest door den man die beweerde dat ik een trouwe helpster moest wezen van hem.

Ik ben geen kind meer. En al was ik niet zoo geleerd als de meisjes van mijn leeftijd die scholen bezocht hebben, toch wist ik voldoende.

Met „stoom en vliegwerk” moest ik Russisch, Poolsch, Noorsch, Engelsch en nog andere talen leeren.

Ik werd doodmoe, want het was te veel.

Vader werd heftig als ik niet deed, wat ik volgens hem noodig had om hem goed te kunnen helpen.

Het werd een scène.

Toen op een dag werd ik bij vader geroepen en deelde hij mij het volgende mede: Hij was uit Frankrijk gegaan omdat hij gezocht werd door de gerechtsdienaren, want—bijna fluisterend zeide Charlotte het—hij was voorzitter van een genootschap moordenaars, onder den naam van...

—Nihilisten!—riep Mademoiselle Rochefort.

—Stil! niet zoo luid!

Even wachtte Charlotte, en vertelde toen weer toonloos verder:

—U zeide het goede woord. Het zou te veel tijd in beslag nemen u alle details te vertellen. Dit is zeker... Vader... heeft... tal... van... moorden... op... zijn... geweten...

Even was er doodsche stilte in de kamer. Toen vervolgde zij weer:

—Ik gruwde er van en vroeg of hij—vader—nog meer deed aan dit gruwzame werk, waarop hij antwoordde dat het zijn gansche leven beheerschte. Hij zou met behulp van anderen alle gekroonde hoofden, alle regeeringspersonen, doodden. Daartoe moest ik leeren, want ook ik zou een werktuig moeten worden. Ik weigerde. Ik maakte tumult, doch van dien dag af werd mijn leven nog ondragelijker. Mademoiselle Megg’, die een dankbare trawant was van vader, is thans op weg naar een land—waar weet ik niet—doch met het doel bommen te gooien naar koninklijke personen.

—Afschuwelijk,—zeide Mademoiselle Rochefort.

—Dit heb ik ook gezegd. Vader meende dat ik dit niet wist. Hij geeft voordat ik ruzie had met Mademoiselle Megg’ doch hoofdzakelijk is dat gekomen door dit feit. Toen ik u voor ’t eerst zag, dacht ik dat u ook tot die geheime vereeniging behoorde, maar doordat u vader zóó durfde weerstaan bracht u mij tot andere gedachten. Ik weet—zoo besloot zij—niet of u met uw vertrouwelijken omgang iets goeds bedoelt. Verraad mij! Misschien doodt hij mij dan. Ik wil, ik kan niet anders.

—Wij zullen samen vluchten!

Een zacht rood van blijdschap toog over Charlotte’s gelaat.

—Wanneer?

—Dat zullen wij samen beramen.

—We zullen niet kunnen.

—Nooit den moed opgeven. Zoo donker kan de wolk niet wezen, of toch heeft zij een zilveren rand. Vrouwen kunnen soms zeer vernuftig wezen. We zullen samen probeeren die middelen te vinden welke noodig zijn tot een vlucht. Doet nu precies tegenover uw vader alsof gij mij haat. Belaster mij. Spreek kwaad. Dan houdt uw vader mij zeker.

—Moet ik dus comedie spelen?

—Onvoorwaardelijk.

—Als ik maar kan.

—’t Moet.

—Ik ben zoo dankbaar u te hebben.

—Laat dit een reden te meer zijn dat u mij helpt. Uw vader is slim. Wij moeten slimmer zijn.

—Wat kunnen wij, vrouwen?

—Zeer veel!

—Als wij in staat zijn te vluchten, dan zijn daarbuiten helpers van mijn vader die ons zullen treffen.

—Dan nemen wij ook helpers.

—Wie zou ons helpen?

—Dat zullen wij zien.

—Ik geloof niet meer aan deze dingen. Ik heb gesmeekt, doch niets hielp mij.

—Laat alles aan mij over. Steun mij met te doen zooals ik zeg en blijf hopen. Dit is noodig. Wie gelooft in succes, heeft dit eenmaal zeker.

Tweemalen had Mademoiselle Rochefort het geheimzinnige tikken op de deur gehoord... tweemalen had Charlotte zich gehouden alsof zij reeds ter ruste was, en steeds was het de gouvernante duidelijker geworden welk een treurspel hier gespeeld werd. Daar moest zij een einde aan maken voor goed. ’t Was noodig.

En nog eenmaal drukte zij het Charlotte op ’t hart, deze geheimzinnigheden te bestrijden met geheimen.

Met een hartelijken kus scheidden de beide vrouwen, die een verbond hadden gesloten.

Mademoiselle ging naar hare kamers en wentelde zich nog geruimen tijd op haar zijde omdat zij, ’t hoofd vol plannen, den slaap niet vatten kon.

DERDE HOOFDSTUK.

EEN EIGENAARDIGE ONTMOETING.

Lord Lister, alias Raffles, was bezig aan het pellen van een mooie perzik, die hij als dessert gebruikte.

Tegenover hem zat Charly Brand, zijn vriend en secretaris.

—Ik blijf er bij—zeide Charly—dat gij een frissche reis moest maken. Wij hebben de laatste weken allerlei avonturen beleefd en ’t is noodig dat gij er eens „uit” komt.

—Beste jongen—antwoordde Raffles,—je verdedigt je egoïsme heel goed, doch wat al te doorzichtig.

—Mijn egoïsme?

—Ja. Vindt je dat vreemd?

—Maar wat bedoelt ge dan?

—Charly!... Charly!!... ge doet precies alsof gij mij pas gisteren leerdet kennen. Geloof mij, hoe dankbaar ik ook ben voor de warme vriendschap en daaruit voortspruitende zorg, zoo moet ik toch zeggen dat jij meer behoefte hebt aan rust dan ik, en nu mij derhalve aanraadt er eens „uit” te gaan, wel wetende dat jij dan ook rust genieten zult. Is ’t zoo niet?

Charly zweeg wijselijk, want het was inderdaad zoo.

Hij wilde wel eenige rust genieten en probeerde daarom Raffles te overtuigen van de noodzakelijkheid van rustnemen.

—Kijk eens—zeide nu Raffles na een lange stilte—ik heb er niets op tegen een reisje te doen. Er is betrekkelijk weinig te doen hier. Baxter is vervelender dan ooit, mr. Marholm is niet actief genoeg, „Scotland Yard” is de rust zelve... ergo, misschien heb je gelijk dat wij er eens uitgaan. Maar ik blijf op ons eiland. Later gaan wij wel eens naar het vasteland toe. Ik moet in de omgeving van Londen blijven, want dit is noodig. Ik voorzie binnen korten tijd weer aardig werk.

Charly zeide niets. Hij wachtte af wat er verder gebeuren zou...

—Wij gaan onze Engelsche rotsen eens in.

—Ja! betuigde nu Charly—dat is een mooi idee.

—Prachtig, wij gaan morgen naar Derbyshire. Maak alles maar gereed.

Charly bracht dien avond alles nog in gereedheid en den volgenden morgen vertrokken de beide vrienden naar Derbyshire, waar zij hun intrek namen in het éénige hotel, dat deze plaats bezat en dat genoemd was „In het kasteel Bartram-Haugh”.

Raffles liet zich inschrijven als Sir Pfanstehl en Charly als Sir O’Neil.

De directeur-eigenaar van het hotel, dat jaarlijks zeer veel toeristen herbergde, was een minzaam en praatgraag man, die altijd met veel attentie zijn logé’s opmerkzaam maakte op de mooie plekjes die Derbyshire of de rotsen boden.

En natuurlijk kwam het gesprek dan altijd op het aloude kasteel, en even natuurlijk was het stereotiepe gezegde van den hotelier:

—Jammer dat u „Bartram-Haugh” niet bezien kan. Sinds die lamme Fransche kerel er met zijn duivelsche geheimzinnigheden woont is het precies of het een spookhol is. Niemand heeft toegang.

—Hoe heet die man?

—La Rougière.

—Woont hij er al lang?

—Ruim twee en twintig jaar.

—Woont hij er alleen?

—Neen. Met twee dames, een dienstbode en een huisknecht. Maar zeker weten doet niemand iets. De kerel is nog nooit buiten ’t slot geweest. Jaren lang heeft men hier geprobeerd iets meer te weten te komen, doch ’t is nog nooit iemand gelukt.

—Wat doet die man dan?

—Dat weet niemand.

—Is hij rijk?

—Ook daarop moet ik het antwoord schuldig blijven. Wij weten niet anders dan dit: Er woont iemand. Meer niet.

Eigenaardig vond Raffles, alias Sir Pfanstehl het. Hij liet den hotelier uitspreken, vroeg enkele dingen terloops, en peinsde daarop ernstig na.

Tegen den avond zei de Raffles tegen Charly:

—Gaat ge mee wandelen?

—Graag. Waarheen?

—Wij gaan den weg op naar het kasteel.

Zonder verderen uitleg te geven ging Raffles voort en na verloop van een groot half uur passeerde men „Bartram-Haugh”.

Niets was er te zien dan de als steeds gesloten poort, daarbij, omringende het gansche slot, de met groen begroeide muur.

—Hier woont dus die zonderling!—zeide Charly.—Zijt ge nieuwsgierig, Edward?

—Ik ben op advies van Dokter Charly—antwoordde Raffles lachende—op reis voor een rustkuur. Derhalve ben ik hier uitsluitend heen gewandeld met het doel om de verveling, die zulk een rustkuur met zich meebrengt, te verdrijven. Nieuwsgierig ben ik absoluut niet. Je weet de menschen praten graag en veel! Bovendien, wat kan mij ’t schelen wat die La Rougière doet. Alleen wilde ik dat kasteel wel eens zien, waaromtrent zulke legenden verteld worden.

Charly bewonderde voor de zooveelste maal Raffles’ kennis over algemeene zaken...

Meteen was Raffles al bezig om de geschiedenis te vertellen van „Bartram-Haugh”.

—Stel je voor!—vervolgde Raffles—dat wij leefden in die tijden toen de omgeving nog dreunde van de ridderspelen die toen in zwang waren. Je ziet de paarden op elkander toerennen,... de speren trillen... de harnassen kraken... een tuimelt er in ’t zand!... Ah! die tijden waren toch schoon! Denk je in—zeide Raffles verder, die zèlf in extase was geraakt door zijn eigen woorden—dat de ridder van Derbyshire in oorlog is met zijn buurman. De mannen rukken op. ’t Ging toen zoo heerlijk primitief. Men vocht jaren om bij zoo’n muur te komen, die meestal geramd werd. Kom daar nu eens om! Een beetje dynamiet, en de boel springt uit elkander! Vroeger was het oorlogvoeren mooi! Nu is het slechts een moorddadig spel. Zie op naar gindsche rotsen. Stel je nu eens even voor dat daar vijanden aanrukken. Hoe eenig mooi moet dat gezicht geweest zijn. En dan die goddelijke geheimzinnigheid! Je ziet boden uit en in sluipen. Het kasteel wordt belegerd, doch de meester moet een boodschap naar buiten sturen. Je ziet de kerels weggaan! Bedenk daarna, hoe de slotheer zijn gevangenen opsluit in de diepe kelders, gevangenissen optima forma, waar zij aan allerlei folteringen bloot staan...

—Zouden er nog geheime gangen bestaan?—waagde Charly nuchter op te merken.

—Wel? Hebt ge lust om er eens in te gaan?

—Waarom niet?

—Wij kunnen het eens aanvragen.

Meteen zouden wij dan dien geheimzinnigen La Rougière eens kunnen zien.

—Och, dat praatje is nonsens. Wie is nu geheimzinnig? De man heeft groot gelijk misschien, dat hij zich van niemand of niets iets aantrekt. De „men” bemoeit zich zoo graag met een andermans zaken!

Inmiddels waren de beide vrienden verderop gewandeld en bemerkten zij in de verte twee dames, vergezeld van een reusachtigen hond.

Raffles tuurde een poosje, en zeide toen peinzend:

—Waarachtig!... Gesluierd!...

—Drommels, het begint toch mijn belangstelling te vragen.

—Edward!

—Ja, wat is er?

—Pas op!

—De hotelier vertelde immers van de dressuur van dien hond?

—Wat zou dat? Hij zeide dat die hond iemand aanviel als men te dicht bij de dames naderde, hé? We zullen eens probeeren!

—Wees niet dwaas!

—Ach wat. ’t Zal best gaan!

Charly bleef wat achter, terwijl Raffles gewoon voortschreed op het pad dat naar de rotsen leidde.

De dames naderden ook.

Voorop liep de Ulmer dog als een page.

Raffles bleef rustig doorloopen.

Steeds meer en meer naderde men elkaar...

Geen voet week Raffles op zijde...

De Ulmer dog sloeg aan met diepe basgeluiden.

—Stilte!—gebood Raffles met luide stem... doch meteen rende de hond hem tegemoet.

Raffles bleef staan en wachtte af.

Juist toen de hond bij hem kwam, gereed tot den sprong, bukte hij zich, zoodat de hond een eind verder wegtuimelde.

Raffles keerde zich bliksemsnel om, trok zijn revolver, die hij altijd bij zich droeg, uit den zak en lette op iedere beweging die de Ulmer dog maakte.

Deze was pijnlijk opgesprongen en liep, thans kalmer, op Raffles toe.

Brommend en telkens de tanden toonende, kwam de hond nader.

Raffles trad naderbij, boog zich snel voorover en greep den hond bij de keel, terwijl hij de oogen onophoudelijk op die van den dog gevestigd hield.

De hond kroop sidderend aan Raffles’ voeten en toen deze met zware stem gebood:

—Liggen! Rustig!... voldeed ’t dier aan dit bevel.

Inmiddels waren de beide zwaar gesluierde dames tot de plaats genaderd waar Raffles en nu ook Charly stonden.

De dames hadden een lichten angstkreet niet kunnen weerhouden, toen de Ulmer dog den vreemden heer aanviel.

—Ik hoop—zoo zeide een der dames—dat u geen pijn hebt van dezen aanval?

—U moest uw hond bij u houden—merkte Raffles norsch op.

—Wij kunnen daar niets aan doen—sprak de tweede dame.

—Nu nog fraaier—riep Raffles.—Is het uw hond niet? Dresseer hem dan beter. U ziet toch wel dat wij geen roovers zijn?

—Wij hebben hem toch niet opgehitst—aarzelde de eerste spreekster weer.

—Dat moest er ook nog bij komen. Ik had hem gewis doodgeschoten wanneer het dier mij eenig leed had gedaan.

—Wij bieden u wel onze excuses aan—zeide de oudste der twee; want hoewel Raffles noch Charly de gelaatsuitdrukking der dames kon zien, bemerkten zij toch dat de laatste spreekster de oudste was.

—Uwe excuses neem ik gaarne aan, doch meteen waarschuw ik u. Ik ben machtig genoeg om dat gansche slot eens schoon te maken van Ulmer doggen en bloedhonden,—de hotelier had ook verteld van de bloedhonden—en het kasteel zou er door winnen aan sympathie en schoonheid.

—Als u de macht daartoe hebt—merkte de jongste op met trillende stem—waarom doet u ’t dan niet?

—Zoudt u dat willen, onbekende dame?

—Ja—kwam het aarzelend over haar lippen.

—Wij moeten naar ’t slot, Charlotte—antwoordde nu de oudste.—’t Wordt tijd.

—Neen, dames—merkte Raffles op—dat gaat zoo niet. Wanneer gij het hoofd der geheime politie Pfanstehl iets vertelt of verzoekt, komt gij zoo gemakkelijk niet van hem af.

—Deze ontmoeting is dus opzet—vroeg de oudste der dames driftig.

—Misschien wel,—antwoordde Raffles.

—Dat is laf.

—’t Is mogelijk. Maar van lafheid getuigt dan toch niet het feit dat ik uw pracht-exemplaar van een dog zoo heb afgestraft. Gij noemt het opzet? ’t Is meer een toeval. Ik houd ervan dat wij elkander zullen begrijpen. In Derbyshire, waar wij gelogeerd zijn, vertelde men mij dat „Bartram-Haugh” zeer geheimzinnig was. En waar ik uit den aard van mijn beroep zoo heel veel met geheimzinnigheden in aanraking kom, heb ik er het mijne van gedacht. Eerlijk gezegd dacht ik niet anders dan dat de menschen te Derbyshire er een praatje van hadden gemaakt. En het gevolg is dat de eigenaar van het slot zich daaraan niet stoorde en regelmatig zijn eigen eenzaam leven leidde. Nu ik evenwel zelve ervaren heb dat zelfs de honden zoo doen en de dames met dit schoone weer gesluierd loopen, begrijp ik dat hier inderdaad iets buitengewoons gaande is. Dat te onderzoeken zal ik mij tot plicht achten.

—Vergeef mij, mijnheer,—zoo sprak de oudste weer.—Ik wensch u veel succes toe, maar meteen zult ge op moeten passen.

—Waarvoor?

—Uw onderzoek zal gevaarlijk wezen.

—Voor mij zelf?

—Ja... óók voor ons!

—Bedoelt u voor u beiden of nog meerdere?

—Ons beiden. Niemand meer!

—Hum!... ’t Wordt interessant! Vertel mij dan iets meer.

—Dat kan ik niet... althans nu niet.

—Dan neem ik u gevangen.

—Ga uw gang, mijnheer. Is u Engelschman?

Raffles boog.

—Welnu—vervolgde zij—ik vertrouw mij gaarne aan u toe. Alleen vind ik het eenigszins onheusch dat u ons zoo gevangen neemt.

—Mademoiselle—hernam nu Raffles—aan uw uitspraak hoor ik dat gij een Fransche zijt. Ik wil geen ongunstigen drang op u uitoefenen. Geef mij daarom tijd en plaats op waar ik u spreken kan.

—Indien de slotheer ons heden niet al te zeer vraagt waar wij zoo lang gebleven zijn, zal ik morgenmiddag 5 uur ginds bij de rotsen wezen.

—En indien ge niet kunt?

—Zal ik uit de torenkamer een witten zakdoek hangen. Kom dan ’s avonds terug. Ik zal een briefje gebonden aan een steen naar u toewerpen.

—En als het in de gracht valt?

—Helaas!

—Welke kamer bewoont u?

—De torenkamer rechts.

—Ik zal er wezen met een boot, indien ik ’s middags uw zakdoek zie. Bindt uw brief aan een touw.

—Als wij dat kunnen bemachtigen.

—Leeft ge daar zóó gevangen?

—Ja.

—Hier is touw—antwoordde nu Charly, die gewoonlijk dergelijke dingen bij zich had, wetende dat Raffles daarop gesteld was.

—Als ’t niet lang genoeg is, rafelt u ’t maar los, en knoopt de einden aan elkander.

—Dank u.

Thans scheidde men.

Snel liepen de beide dames naar het slot toe, terwijl Raffles en Charly langzaam naar de rotsen toe gingen.

Raffles liep in gepeins verzonken en zeide na lange, lange stilte:

—Ziet ge nu wel, dat er nooit rust voor mij is? Ik zal hier weer flink moeten rooven om die twee arme wezens te helpen. Wie weet zijn het geen gevangenen, die even oorspronkelijk als fataal bewaakt worden door dien muisgrauwen Ulmer dog. Ah! Charly, ’t wordt een mooi zaakje misschien.

—Gelooft gij die dames?

—Voor ’t oogenblik wel!

Den volgenden middag hing uit de torenkamer rechts een kleine witte zakdoek.

De dames kwamen niet.

VIERDE HOOFDSTUK.

RAFFLES BREEKT IN.

Zooals de lezer ongetwijfeld begrepen zal hebben, waren de beide dames die Raffles ontmoet had, Mademoiselle Rochefort en Charlotte.