Chapter 4 of 4 · 3240 words · ~16 min read

Part 4

—Luister goed. Van dit oogenblik af ben ik baas hier. Begrepen? Haal de brug op. Niemand mag er over dan met mijn toestemming.

De stomme knikte slechts.

Hij, gewoon aan zonderlinge dingen, dacht dat zijn meester weg was en dat deze vreemde heer zijn plaatsvervanger moest zijn.

Raffles en Charly gingen thans vlug naar binnen en Charly werd belast met de bewaking van La Rougière, die nog steeds wrong om vrij te komen.

Hij was evenwel zóó vastgebonden, dat hij niet eens de kans had gezien het geknoop van Raffles los te maken.

Charly nam bij hem plaats, terwijl Raffles allereerst het kasteel verder doorzoeken ging.

Hij zocht de kamers waar de dames zich moesten bevinden en trof toevallig ’t allereerst de kamer aan waar Charlotte sliep.

Nadat, op Raffles’ tikken, Charlotte „ja” geantwoord had, riep Raffles:

—Mademoiselle!

—Wie is daar dan?

—De u onbekende Pfanstehl,—riep Raffles.

—Onmogelijk!

—Geloof mij. Sta op en overtuig u.

—Vader, laat mij met rust.

—Uw vader is gevangen genomen.

Nu hoorde Raffles iemand opstaan.

—Waarschuw Mademoiselle Rochefort. De derde deur rechts op deze gang. Wij komen.

Raffles ging naar de kamer van Mademoiselle Rochefort toe en ondervond ook hier verbazing en ongeloof.

Raffles’ stem was evenwel anders dan die van La Rougière, zoodat men hem ten slotte geloofde en een kwartier later de beide vrouwen bij Raffles waren.

Deze vertelde nu kalm en waardig hoe alles gebeurd was en noodigde de dames uit om mede naar beneden te gaan.

Dit gebeurde.

En toen La Rougière de beide vrouwen zag, ging er een trilling van woede door zijn leden en werd zijn machteloosheid een reden dat hij schopte van drift.

Raffles liep op hem toe en greep hem bij de beenen.

Hoewel La Rougière absoluut geen geluid kon voortbrengen, doordat de prop nog steeds in zijn mond zat, bleek het toch dat de handen van Raffles hem ontzag inboezemden, want hij bedaarde inderdaad spoedig.

Charlotte keek haar vader verontwaardigd en toch medelijdend aan.

Raffles, die eerst eenige oogenblikken nagedacht had, zeide nu:

—Dames, zooals u ziet heb ik kans gezien u te helpen. Uw gevangenschap is geëindigd. U kunt heengaan. Wat ik u raden wil is dit: Ge moet zoo spoedig mogelijk Engeland verlaten en keert er voorloopig niet meer terug. Deze man hier zal u geen kwaad meer kunnen berokkenen, want de Staat zal hem gevangen nemen. Maakt u dus gereed. Morgen zal mijn auto u naar Londen brengen. Reist vandaar naar Dover en ga naar Frankrijk.

Mademoiselle keek Raffles vragend aan.

—U aarzelt?—vroeg Raffles.

—Wij kunnen niet onmiddellijk gaan.

—Waarom niet?

—Om een bepaalde reden.

—U zelf betreffende?

—Ons beiden.

—Reisgeld?—vroeg Raffles, die snel begreep wat de aarzeling betrof.

Mademoiselle Rochefort bloosde hevig. Zij schaamde zich. En eindelijk barstte zij in tranen uit en riep snikkende:

—Nooit!... heb ik hier mijn salaris gekregen. Wij bezitten niets!

—Morgen—hernam Raffles met waardige stem—hebt u en lady Charlotte reisgeld, èn middelen om de eerste jaren op uw gemak te komen. Denkt daarover niet na, want ik zal zorgen dat het geld er komt.

Ondanks alles grijnsde de man die dit alles teweeg had gebracht.

Hij keek den een na de ander aan en men zag ’t hem aan dat hij meende toch zeker te zijn van zijn zaak.

De dames gingen heen, blijde met de verzekering van Raffles, en Charlotte keurde haren vader—hoe was dat ook mogelijk geweest?—zelfs geen blik waardig.

Zoodra Raffles met Charly en La Rougière alleen waren, ging hij naar den wand toe en betastte deze zorgvuldig.

La Rougière volgde hem met een zekeren angst in ’t oog.

Raffles vond het contact, duwde er op en de paneelen weken van elkander, zoodat zich een kast vertoonde.

Onbeschrijfelijk was thans de woede van La Rougière.

Charly had moeite hem in bedwang, te houden en niet dan nadat Raffles La Rougière met stevige touwen, welke in de kast lagen, vastgebonden had aan een stoel, kon Raffles ongestoord verder gaan met de kast te doorzoeken.

Dit was een openbaring.

Nadat Raffles de geldkist met een „looper” zeer handig had geopend, vond hij daarin alle mogelijke bankbiljetten van verschillende landen, evenzoo goud en zilvergeld.

’t Geleek wel een internationale spaarpot, die buitengewoon gevuld was, want verscheidene duizenden, zelfs tienduizenden guldens waren daar bijeen gebracht.

Maar boven dit alles waren er onschatbare bewijzen voorhanden dat hier de zetel was van de Nihilisten, die hun werkzaamheden brachten overal waar vorsten waren.

Uren bracht Raffles zoek met het doorlezen van al die plannen, waarbij die menschen streefden naar een wereldheerschappij, waarvan La Rougière de ziel, het denkende hoofd was.

Daarenboven waren er lijsten met adressen vermeldende naam en toenaam van de leden van den Nihilistenbond, en Raffles, die toch werkelijk niet gauw ontsteld was, werd nu eigenaardig gestemd, omdat hij zooveel namen zag van families die hij allerminst gedacht had te vinden bij een zoo gruwzamen bond.

Wel waren dit geen werkende leden, maar hun geld stelden zij toch disponibel voor het doel dat door de nihilisten beoogd werd.

Raffles pakte alles zorgvuldig bijeen en toen hij gansch en al gereed was, was de morgen reeds lang aangebroken.

Daarbuiten bemerkte niemand wat op „Bartram-Haugh” voorgevallen was, want alles lag nog even doodsch en verlaten daar... als iederen dag...

Charly ging ’s morgens naar Derbyshire terug en haalde daar zonder eenig vertoon, dat misschien de nieuwsgierigheid der menschen opwekken zou, de auto, waarmede hij naar het slot kwam gereden.

Mademoiselle en Charlotte waren gereed.

Raffles zat in een kamer, en tegenover hem zaten de twee dames.

—Mijn vriend zal u wegbrengen naar Londen—zoo sprak Raffles.—Gedraag u nu geheel volgens mijne aanwijzingen, want u begrijpt dat de politie, die zich heden met deze zaak zal bezighouden, u zou aanhouden wanneer men wist dat u hier geruimen tijd gewoond had. Ik heb van La Rougière een zeer groot bedrag ontvangen dat ik in uw handen stellen zal. Leef er beter van dan hij tot heden toe gedaan heeft.

—U is al te goed—lispelde Charlotte.

—Pardon. ’t Is geen goedheid. Wanneer u wist wie u hielp dan zoudt ge misschien vreemd opzien. Want indien u nadenkt zoudt u toch wel moeten vragen, hoe of het mogelijk is dat een politie-ambtenaar zóó optreed. Het geld immers dat ik u geef behoort aan menschen, die allen strafwaardig zijn. ’t Gevolg is dus dat dit geld aan den Staat gegeven zou moeten worden.

—Dat is zoo!—antwoordde Mademoiselle.—Maar waarom doet u dan zoo?

—Omdat ik het wil! Omdat ik u beloonen wil voor al dien tijd dat gij hier leefde als in een graf. Bovendien, de Staat is rijk genoeg en later, u zult de geschiedenis in de dagbladen wel volgen, zult u begrijpen waarom ik zóó deed. Goede reis nu. Hier is de portefeuille met geld. Er zit van allerlei munt in. Bovenop ’t Engelsche, wat ge noodig hebt. Vaartwel nu.

Voordat de beide vrouwen hem konden danken was hij weg en hoorden zij Charly vragen:

—Willen de dames mij volgen? ’t Is hoog tijd.

Vier uren later waren zij in Londen.

Den anderen morgen vroeg kwamen zij doodmoe, doch zeer gelukkig te Parijs aan.

Mr. Baxter, ’t hoofd van het beroemde Politie-Bureau „Scotland Yard” genaamd, zat in zijn bureaustoel en sliep—’t was in het warmste middaguur—den slaap des rechtvaardigen.

Opeens werd de deur open geworpen en mr. Marholm, Baxter’s secretaris, die door de collega’s steeds „de vloo” werd genoemd, kwam binnen.

—Hé! Wat is dat voor een leven?—brulde Baxter ineens woedend, dat hij zoo gewelddadig uit zijn middagslaapje werd gehaald.

—Wie slaapt er nu?—vroeg „de vloo” brutaal.

—Wat zeg je, vlegel?

—Ik zèg—bromde „de vloo”—dat ’t weer wat moois is!

—Wat?—bulderde Baxter.—Ik zal het je na nòg eens zeggen. Ik verkies niet, dat mijn ondergeschikten een dergelijken toon tegen mij aanslaan. Begrepen?

—Maar, chef! daar heb ik het heelemaal niet over,—antwoordde „de vloo” lakoniek.

—Waar dan over?

—Over dit bericht in de middageditie.

—Wat is dat voor een prul?

—Iets wat ons corps beleedigt.

—Zeker Raffles weer—bromde Baxter!—Neen, kereltje, dan moet je vroeger opstaan. Ik ken die kunsten.

—’t Is niet van Raffles.

—Van wie dan?

—Leest u zelf maar.

—Jij bent m’n secretaris. Lees!—gebood Baxter.

„De vloo” las:

Men meldt ons:

De meening, die dezer dagen werd geopperd, in verband met den koningsmoord in Serbina, dat de hoofdzetel dier schurkenbende in Frankrijk of Engeland huisde, is gisteren bewaarheid geworden.

Eerst wierp men het denkbeeld, als zoude hier in ons koningsgezinde land de hoofdzetel der nihilisten verblijf houden, verre van zich. Ons ijverig politiecorps, met aan ’t hoofd Mr. Baxter, den chef van „Scotland Yard”, zou er immers wel voor zorgen dat zoo iets onmogelijk gebeuren kon in Engeland.

Helaas, het schijnt toch wel zoo te wezen. Een Amerikaansch detective, Pfanstehl genaamd, heeft op een allereigenaardigste manier een ontdekking gedaan, die wellicht leiden zal tot de ontknooping van al die geheimzinnigheden waarmede de nihilisten zich omgeven.

Het is wel zeer vreemd dat men hier te Londen bij de politie niets van het bestaan weet dier bende. En zeer zeker is het jammer dat een buitenlandsch politieambtenaar hier de sporen verdient die aan onze mannen moesten toekomen.

Doch als men den tijd verbeuzelt, komt men er niet.

Baxter had met stijgende verbazing het bericht aangehoord.

—Nihilisten?... Nihilisten zeg je? ... Maar dat is... dat is......

—Onze schuld—meende „de vloo” openhartig.

Ontzet staarde Baxter hem aan.

Was ’t waar? Was het de schuld van hèm, van Baxter, dat dit gebeurd was?

Misschien was het nog goed te maken.

Weer ging de deur open en een agent bracht een gewone dienstenveloppe binnen.

Baxter, die den brief aannam, scheurde de enveloppe open en las het volgende, nadat hij den brief had opengevouwen:

In verband met een zeer eigenaardige ontdekking, die ik heden deed, in bijzijn—helaas!—van een journalist, verzoek ik u beleefd zoo spoedig mogelijk naar Derbyshire te komen.

Ik meen een nihilisten-complot op ’t spoor te zijn.

PFANSTEHL.

Baxter sprong op.

—Ziet! De ezel heeft mij ten slotte toch noodig. Wee die journalist. Hij zal zijn beleedigende woorden van a tot z herroepen. Vooruit, „vlootje”, we moeten direct weg.

—Neemt u geen agenten mee?

—Nog niet.

—Maar......

—Zwijg. Gehoorzaam. Bestel vlug een auto.

Een uur later tufte Baxter, vergezeld van „de vloo”, naar Derbyshire.

Intusschen had Raffles, die de schrijver was van het courantenbericht en ook van het briefje aan Baxter, alle maatregelen genomen welke noodig waren voor een volledig justitioneel onderzoek.

Hij had de documenten opgezonden naar Londen, er bij meldende dat La Rougière gevangen genomen was en verblijf hield op zijn eigen slot „Bartram-Haugh”.

Tevens voegde hij er een adreslijst bij van de leden van dezen bond, opdat de justitie onmiddellijk zou kunnen beginnen met doorzending naar de regeeringen der landen waar zij verblijf hielden.

In alles wilde hij Baxter voor zijn en ’t was dan ook uitsluitend Raffles’ bedoeling, den inspecteur, dien hij in zoo langen tijd niet gezien had, weer eens te foppen.

Hij gunde hem wel eens een lesje en nu deze gelegenheid zich voordeed, wilde hij er ook een dankbaar gebruik van maken.

La Rougière zat in de vroegere kelders van „Bartram-Haugh”.

Raffles had die maatregelen genomen, die het hem doodeenvoudig onmogelijk maakten om tot een vlucht te geraken. Hij zat diep onder ’t kasteel op een plaats die hij zelf niet eens kende.

Raffles had als een echte speurder gezocht naar den geheimen uitgang en was tot de ontdekking gekomen dat een breede, doch ondiepe gang liep van het kasteel naar de rotsen, waar men onmiddellijk zee kon kiezen.

Het vermoeden lag dus voor de hand, dat de leden van den nihilistenbond hier met hun schip aankwamen en zoo met den leider van ’t geheel voeling hielden.

Meteen had Raffles zich eigen gemaakt met de reglementen en voorschriften omtrent het optreden tegenover medeleden en had de verschillende teekens geleerd die voor wettige herkenning dienden.

Hij wist nu, dat, als het eens voor mocht komen, hij zeer zeker meer succes zou bereiken dan wie ook.

Alzoo toegerust wachtte hij den loop der gebeurtenissen af.

—Zoo, is u Pfanstehl. U hebt iets zeer doms gedaan, mijnheer!—aldus begroette Baxter verwaand Raffles.

—Hoe bedoelt u?—vroeg deze.

—Het was toch veel beter geweest, om mij vooraf te waarschuwen?

—Dit kon niet gebeuren.

—En waarom niet?

—Omdat ik een vermoeden had, doch dit niet kon bevestigen.

—Ah! Dus feitelijk weet je nog niets?

—Niets definitiefs.

—Dan zal ik eens beginnen.

—Ga uw gang.

Baxter vroeg daarop aan Raffles hoe hij de ontdekking had gedaan, waarop deze hem in geuren en kleuren vertelde hoe de zaken door de inwoners van Derbyshire medegedeeld werden.

—Dat heb ik—vervolgde Pfanstehl, alias Raffles—gecombineerd en ben nu tot de conclusie gekomen dat het niet anders kan of de zaak moet met de nihilisten in verband staan.

Baxter neeg zijn hoofd zeer gewichtig op en neer en vroeg, als baarde hem dàt de grootste belangstelling:

—Bloedhonden, zegt u?

—Men vertelt het.

—Is het slot ontoegankelijk?

—Tot hedenmorgen wel.

—Is het dan nu niet meer verboden?

—De brug is neer!

—Dan zijn ze weg!—riep „de vloo”.

—Dat kan niet.

—Waarom zegt u dat?—vroeg Baxter.

—Doodeenvoudig. Alle wegen heb ik laten afzetten.

—Prachtig. Wij gaan er heen.

Met hun drieën gingen zij naar „Bartram-Haugh”.

Bij de nu neergelaten brug en openstaande poort gekomen, zette Baxter een geweldig gezicht en zeide zeer luid:

—Heidaar!

Niemand gaf antwoord. Alleen de stomme huisknecht kwam te voorschijn en naderde tot waar Baxter stond.

Raffles had dit alles van te voren al ruimschoots geregeld.

—Wie ben jij?—vroeg Baxter op gestrengen toon.

De man stiet een onverstaanbaar geluid uit en gesticuleerde hevig.

—Gekkenhuis!—bromde Baxter, terwijl hij Raffles aankeek.

—Is de weg veilig?—klonk nu weer de vraag van Baxter.

De stomme knikte van ja.

—Vooruit dan maar—gebood Raffles, die reeds vooruit liep.

Aarzelend volgde Baxter met „de vloo”.

Binnen gekomen deed Raffles precies alsof hij er voor de eerste maal kwam.

Men doorzocht de gansche omgeving en kwam ten slotte in de kamer waar Raffles La Rougière gevangen had gehouden.

Hier had Raffles overal papieren neergelegd, waarop stond:

RAADSEL.

Liefst door de politie op te lossen.

Vele misdadigers vergaderd in alle landen, Saâmverbonden door innige banden, Vonden hun „hoofd” Als begeerlijk ooft, Gebonden met touwen zoo vast, Wat gedaan had een oolijke gast. De gast ging aan ’t werk, ’t Scheen een ster aan het zwerk, En leverde zonder politie, Alles aan de justitie. Wie of dat nu wel wezen kan?

Ook Raffles had zoo’n ding in handen genomen en keek van Baxter naar „de vloo” en van dezen weer op het net beschreven papier.

Niemand keek meer iets verder, men staarde zich blind op het raadsel.

Baxter’s aderen zwollen op.

Hij gevoelde zich ontzettend beleedigd en wilde zich wreken.

Opeens hoorde men een auto wegrijden en alle drie renden naar het raam toe.

Een gesloten auto ging juist de brug over.

Raffles glimlachte onmerkbaar.

Want het was Charly, die met La Rougière ging naar Londen, om hem daar over te leveren aan den officier van justitie.

Even later kwam de stomme huisknecht met een briefje naar binnen.

Baxter, die slecht lezen kon, gaf het aan „de vloo”, die daarop voorlas:

Mijnheer de Inspecteur.

Hoe gaat ’t u? Mij gaat het bijzonder. Ik achtte het niet van belang ontbloot om u eens te laten zien dat ik ook zeer goed politiewerkzaamheden kan verrichten. Ik zal ter bevoegder plaatse mededeelen, dat u weer absoluut geen enkelen maatregel durfde nemen in zake deze nihilistenbende.

Die Pfanstehl deed iets, maar was mij te onhandig.

Als ge niet gevangen genomen wilt worden, zorg dan dat ge binnen ’t uur van „Bartram-Haugh” zijt, want binnen dien tijd vliegt ’t slot de lucht in.

RAFFLES.

Als gestoken door een insect sprong Baxter op, in de armen terecht komende van „de vloo”, die wanhopige gebaren stond te maken.

Verschrikt over deze beweging van Baxter, wierp „de vloo” den dikken inspecteur terug, waarop hij terecht kwam tegen Raffles, alias Pfanstehl.

En nu kreeg men het kostelijk schouwspel, dat Baxter, evenals een bal, eenige malen heen en weer geworpen werd van „de vloo” naar Pfanstehl en van deze weer naar „de vloo”.

Baxter vloekte, „de vloo” tierde en Pfanstehl stond als een echte Amerikaan te lachen.

Eindelijk keerde de kalmte terug en Baxter riep:

—’t Is dus weer Raffles!

—Maar dit raadsel dan?

—Dat is om ons te misleiden. Neen, die lamme kerel heeft hier gewoond en moest bij zijn vertrek weer eens iets gemeens doen. Maar wij gaan hem achterna.

—Hoe wilt u dat doen?

—Wij gaan ook per auto.

—Toch halen wij hem niet meer in.

—Dat zullen wij eens zien.

De stomme huisknecht werd door Baxter meegenomen, en niet lang daarna ging men gezamenlijk naar Londen.

ZESDE HOOFDSTUK.

ALTIJD..... RAFFLES.

Zoodra men te Londen was aangekomen, hoorde men de verschillende courantenjongens al roepen: „Opzienbarende arrestatie. Een Nihilistenbond gearresteerd door het Politieraadsel.”

Nijdig kocht Baxter een blad en zijn woede kende geen grenzen, toen hij de prachtige politiezaak las, uitgevoerd door een onbekend iemand.

Doch het eigenaardigste was dat het raadsel, dat de drie heeren op „Bartram-Haugh” gevonden hadden, ook woordelijk reeds in de couranten stond afgedrukt.

Dat was weer een nieuw raadsel.

—Of zou—zoo redeneerde Baxter,—die kerel zoo brutaal geweest zijn om zelf het bericht in de couranten te zetten?

—Dat is méér gebeurd, ook door anderen!—spotte „de vloo”.

—Wie? Anderen?—nijdigde Baxter.

—U zelf—antwoordde „de vloo”.

De drift van Baxter steeg nu ten top en ’t was maar zeer gelukkig dat men aankwam aan „Scotland Yard”, omdat het anders gevaarlijk was geworden in de auto.

Baxter gaf „de vloo” nog wel een stomp, zoodat deze voorover tuimelde.

Pfanstehl ging, na beloofd te hebben ’s avonds terug te keeren, naar de afgesproken plaats, waar hij Charly ontmoeten zou.

Deze zat al te wachten.

—Alles in orde?—vroeg Raffles.

—Uitstekend. Je moet alvast duizend pond beloning komen halen.

—Prachtig. Is La Rougière veilig opgeborgen?

—Geheel zooals je geregeld hebt is gebeurd. Den kerel heb ik overgeleverd aan den officier van justitie met jou bescheiden er bij. Verder zullen er op ’t oogenblik wel militairen zijn om het slot „Bartram-Haugh” te bewaken en te zuiveren.

’s Avonds bracht de laatste editie der Times het volgende in de kolommen:

HET POLITIERAADSEL.

Hedenmiddag schreven wij over de gebeurtenissen te Derbyshire op het slot „Bartram-Haugh”. Men herinnere zich het raadsel dat onze inspecteur Baxter vond, bij zijn komst aldaar. De oplossing daarvan werd ons heden vanwege het departement van justitie officieel medegedeeld.

De man die alles bewerkstelligde, die den leider der nihilisten gevangen nam en hem overleverde, is niemand anders dan...... Raffles, de groote onbekende.

De belooning van duizend pond, welke uitgekeerd zou worden, heeft hij, schriftelijk, voor zich persoonlijk geweigerd, met de beveling er bij dat deze som gestort moet worden in het zenuwziekenfonds voor Inspecteurs van Politie.

Nauwelijks was Baxter bekomen van zijn driftbui toen hij dit gelezen had, of bij ’t openen van een juist aangekomen telegram moest hij lezen:

Uit naam van Raffles dank ik u voor het kwartier ballen met uw lichaam. „De vloo” en ik hebben ons geamuseerd. Ook dank voor den langen autorit, die alleen wat vervelend werd, omdat u zoo snoefde Raffles te kunnen vangen. Weer is hij gevlogen.

PFANSTEHL—RAFFLES.

Dagen nadien schreven de dagbladen nog over het optreden van Raffles en voor geruimen tijd werd zijn naam gezegend door velen.

Alleen Baxter zon op wraak, en zwoer voor de zooveelste maal dat hij binnenkort een einde zou maken aan Raffles’ rijk.

AANTEEKENING

[1] Het is besloten in God’s Raad, Dat men van ’t Liefste, dat men heeft, Moet scheiden.