Chapter 3 of 4 · 3996 words · ~20 min read

Part 3

Zoodra zij de slotpoort binnen waren getreden, en zij de vestibule inkwamen hoorden zij de krakende stem van La Rougière, die zeer vertoornd vroeg:

—Wat is de reden van het overtreden van mijn gebod?

—Charlotte was zoo ongelukkig te struikelen, loog Mademoiselle.

—Zoo! Dat zal dan een reden wezen om u en Charlotte te verbieden voortaan een stap buiten „Bartram-Haugh” te doen. Trouwens, ’t is ook nonsens. Er is frissche lucht genoeg op de binnenplaats.

—Uw dochter kunt u beletten de hoognoodige wandeling te maken, mij niet—snibbigde Mademoiselle terug.

—U vergeet dat u in mijn dienst is.

—Dat vergeet ik nooit. Trouwens, dat ervaar ik aan den lijve door deze ellendige gevangenschap. Ik heb mij laten dreigen dat ik, wanneer ik hier wegging, vermoord zou worden. Dat houdt mij terug.

—Ah juist!—lachte La Rougière zeer valsch. Ik bemerk met vreugde dat u een goed geheugen hebt.

—Wat niet wegneemt dat ik mezelf liever vermoord dan deze gevangenschap nog langer te dulden.

—Ga uw gang. Mijn laboratorium staat te uwer beschikking. Ik weet enkele zeer goede vergiften.

—Dank u. Ik wil zelf handelen.

Dit gesprek duurde zeer lang en Mademoiselle Rochefort streed met wanhopige wilskracht tegen den man, die haar nu reeds geheel in zijn macht had.

Gedurende de enkele maanden had hij voortdurend gelet op iedere handeling van Mademoiselle. Hij had steeds weer geprobeerd om de jonge vrouw te bewerken tot een machine die Charlotte zou dwingen tot meerdere medeleving met haar vader. Doch ook steeds was hij afgestooten door Mademoiselle’s onwrikbare houding.

Toen had hij geprobeerd door een schijnvertrouwelijkheid Mademoiselle voor zich te winnen en het was hem gelukt. Mademoiselle had hiermede evenwel bedoelingen.

Zij probeerde achter de geheimen te komen van La Rougière, en op zekeren dag deed zij hem een te resolute vraag, die hem zoodanig in drift deed ontvlammen, dat hij dreigde haar dood te zullen maken.

Sinds dien dag was de toestand meer dan ooit gespannen en leefde men op voet van geheimen oorlog, waarin La Rougière betoonde een uitmuntend generaal te zijn.

Eenmaal, nog maar zeer kort geleden, had Mademoiselle geprobeerd te ontvluchten, doch de door La Rougière gedresseerde honden hadden haar zoo toegetakeld, dat zij dagen lang, van zenuwkoorts bevangen, het bed moest houden.

En nu verbood hij haar en ook die arme Charlotte, ooit weer naar buiten te gaan.

Als een lichtstraal zag zij evenwel de figuur van sir Pfanstehl. Wie weet—zoo redeneerde zij bij zichzelf—is deze ontmoeting een reden dat wij eindelijk eens verlost worden.

Zij schreef nog dienzelfden avond een langen brief, dien zij diep verborg, vast van plan deze ’s avonds te laten zakken in Pfanstehl’s boot.

Toen Raffles ’s middags den zakdoek zag wapperen, waardoor hij begreep dat de hem onbekende dame niet komen kon, keerde hij snel terug en gelastte Charly om met den meesten spoed naar Londen te gaan en daar in de „magazijnen”—zoo noemde Charly altijd de plaats waar Raffles tal van vermommingen en ander materiaal borg—de opvouwbare boot te halen.

Er werd uitgerekend hoe lang men er over deed, den weg van Derbyshire naar Londen per auto af te leggen, en indien Charly geen oponthoud kreeg kon hij in negen uur tijds heen en terug zijn.

’t Was nu ruim twee uur, dus om elf uur ’s avonds kon hij terug wezen.

Nogmaals spoorde Raffles Charly aan tot spoed, en bleef daarna alleen achter.

Hij liet zijn gedachten den vrijen loop en schrok uit zijn overpeinzing pas wakker toen de hotelier hem kwam waarschuwen, dat de nieuwe dagbladen waren aangekomen.

Raffles glimlachte.

Derbyshire lag nog niet aan den spoorweg, en het districts-postkantoor was slechts één maal per dag gedurende twee uren geopend.

Dagbladen van één, soms twee dagen oud, golden hier derhalve voor nieuw.

Raffles vouwde de „Times” open en al dadelijk viel zijn oog op een groot vet gedrukt hoofd.

KONINGSMOORD.

Zoo—dacht Raffles,—zijn de moordenaars weer eens bezig geweest? Waar nu weer?

Hedenmorgen werd bij een bommen-aanval de Koning en Koningin van Serbina doodelijk getroffen.

Een later telegram meldt, dat beide vorstelijke personen gedood zijn.

Omtrent het tragische gebeuren verneemt het Internationaal Persbureau het volgende:

Toen hedenmorgen het vorstelijk echtpaar uitreed, ten einde den dienst bij te wonen in de Hoofdkerk, werd bij het Dragaplein een groote volksmenigte aangetroffen die de Koninklijke personen luide toejuichte.

Op eenmaal, juist bij de kerk, liep een man snel door de menschenmenigte op het Koninklijk rijtuig toe, met het kennelijke doel iets zwaars, dat hij in de handen droeg, te werpen naar de vorstelijke personen. Door snel en buitengewoon tactisch optreden konden de militairen, versterkt met een groote politiemacht, den man grijpen waardoor de bom—dit was het zware voorwerp—op de straat viel en met donderend geweld uiteen spatte.

De paarden voor het koninklijk rijtuig steigerden en een aantal politieagenten liepen toe, grepen de teugels en kalmeerden de zenuwachtige dieren.

Onmiddellijk waren de dames en heeren uit het gevolg toegesneld naar het rijtuig waarin de Koning en Koningin hadden plaats genomen.

Gelukkig bleken zij nog ongedeerd te zijn.

Wel was de Koning zeer onder den indruk, wel was de Koningin zenuwachtig, doch beiden waren zonder letsel.

Toch was alles nog niet afgeloopen. Een nog jonge vrouw trad, ondanks het verbod der politieambtenaren, snel naar het nu stilstaande koninklijke rijtuig en wierp een nieuwe bom, die oogenblikkelijk uiteenspatte.

Er ontstond een geweldige paniek.

Honderden menschen geraakten onder den voet, en de eerste minuten wist niemand wat te doen om de rust en kalmte te doen wederkeeren.

Toen deze dan toch kwam, waren de Koning en Koningin reeds dood en met hen velen uit hun gevolg.

De toestand is onbeschrijfelijk en nadere berichten zijn nog te vaag om een algeheel en goed overzicht van deze gebeurtenis te verkrijgen.

Wel staat reeds vast dat de aanslag gepleegd door leden van den zoogenaamden geheimen bond tot vernietiging van alle gekroonde hoofden.

Zoo men weet heeft deze bond vertakkingen over de gansche wereld. Waar het hoofd dezer gruwzame bende zetelt is nog steeds, ondanks de ijverige nasporingen der politie, een raadsel.

Men had gehoopt dat de twee bommenwerpers meerdere inlichtingen zouden kunnen geven, doch de man is zelf slachtoffer geworden van zijn aanslag en de vrouw sneed de polsader door op het moment dat zij gevangen werd genomen. Zij riep nog luide „Mijn plicht volbracht. Rou...”

Bij het sluiten van onze kolommen kwamen nog geen nieuwere berichten in.

Raffles liet de courant zakken en dacht na. Onwillekeurig zag hij voor zich een massa menschen, allen hevig bewogen door één feit... „de Koningsmoord”.

Wie was toch ’t hoofd dier bende?

Lang dacht Raffles er over na....

„Och wat!”—prevelde hij ten slotte, „’t lijkt waarachtig wel of ik politieambtenaar ben.”

Toch liet het denkbeeld hem niet los, zoo’n bende uiteen te kunnen rukken en den meesten eens te toonen dat er nog andere machten dan de hunnen bestaan.

„Wie weet op een verloren oogenblik, als ik zoo’n vervloekten nihilist eens tegen z’n body loop of ik dat spoor nog eens niet op zoek”, meende Raffles bij zich zelf.

De uren verstreken en binnen een kwartier moest Charly, als alles was goedgegaan, aankomen.

En werkelijk reed tien minuten later Charly voor het hotel aan, sprong er uit en riep:

—Edward, er is weer een koningsmoord gebeurd!

—Weet jij er iets meer van dan de oude „Times”?

—Ik heb ’t avondblad. Laatste editie.

—Nieuws?

—De hoofdmoordenaars moeten òf in Frankrijk òf in Engeland schuilen.

—Ah! Enfin, dat gaat ons niet aan. We gaan eerst het briefje halen van onze onbekende schoone.

Charly met Raffles togen op weg naar „Bartram-Haugh” en gezamenlijk droegen zij het typische opvouwbare bootje, dat Raffles noodig had om te geraken tot den toren van het slot.

De duisternis was volkomen en geen menschelijk wezen was zichtbaar bij of om het oude slot, dat daar lag als een geheimzinnig raadsel.

Raffles naderde met Charly zeer voorzichtig de slotgracht.

Handig en vlug zetten zij het bootje in elkaar en Raffles liet het lichte ding in het water zakken.

—Heb jij ’t touw goed vast, Charly?—vroeg Raffles.

—Ja. Ga je gang maar. Pas op!—antwoordde Charly.

Raffles stapte in het bootje, dat schommelend van den walkant ging, en werd zacht voortbewogen door een kleine roeispaan, die als roer en schroef achteraan bevestigd was.

Charly hield een touw in de hand, dat, vastgemaakt aan het bootje, dienen moest om straks het vaartuigje terug te trekken.

Ademloos wachtte Charly af.

Alleen het zachte geplas der roeispaan werd vernomen en overigens heerschte er een geruischlooze stilte.

Raffles was thans bij den rechtertoren en tastte langs de steenen of hij ook een brief voelde.

Niets vond hij.

Wel zag hij daar boven een schemerig licht, maar dat was ook al.

Zat daar soms de onbekende dame?

Raffles moest het weten.

Hij had toch al deze moeite niet voor niets gedaan?

Hoe er te komen?

Even flitste het licht van een electrische lantaarn langs den muur van den toren en zie er waren uitstekende steenen, die als het ware een trap vormden, waarlangs Raffles naar boven klimmen kon.

Maar ’t was ontegenzeggelijk een waagstuk.

Met een eind touw bevestigde Raffles de boot aan den muur vast. Er zat een ring in den muur, die als het ware voor eenzelfde doel was aangebracht.

Toen dit gebeurd was, klom Raffles langzaam naar boven.

Zijn fijne handen deden hem wel pijn, maar dat gaf niet. Met wilskracht ging het „immer hooger”.

Binnen enkele minuten had hij het raam bereikt dat verlicht was.

Raffles boog zich voorover om te luisteren.

Niets vernam hij.

Alles was doodstil.

Zacht tikte Raffles op het raam... Geduldig bleef hij wachten....

Voorzichtig, aarzelend bijna, werd het gordijn opgetild en onmiddellijk weer neergelaten.

Doch dit was Raffles’ bedoeling niet.

Andermaal klopte hij aan en thans hoorde hij het raam voorzichtig op een kier schuiven.

—Wie daar?—fluisterde een stem van binnen.

—De brief!—gebood Raffles kortaf.

—Zijt ge toch gekomen?—klonk het weer van binnen uit.

—Gauw den brief!

Het raam werd iets hooger opgeschoven en een blanke hand gaf een couvert aan Raffles.

—Dank u!

Raffles had den brief in zijn jaszak geborgen en daalde nu snel naar beneden.

Zich met de handen vasthoudende, zocht hij met de voeten het bootje en na eenige tevergeefsche pogingen slaagde hij er in het kleine vaartuigje naar zich toe te halen.

Zoodra hij er in zat, trok hij aan het touw dat Charly nog steeds vasthield en dit was voor dezen een teeken om het touw naar zich toe te trekken.

Charly scheen hard te trekken, want slechts enkele minuten later lag het bootje aan den wal gemeerd.

—Ik dacht dat je niet meer terug kwam!—zoo begon Charly.

—Ik moest naar boven klimmen.

—Was de brief er niet?

—Neen. Ik heb het epistel zelf gehaald.

Raffles zette zich nu neder in ’t gras dat op den wal groeide en na een beschermkap over zijn lantaarn geslagen te hebben, las hij vlug bij het electrisch licht:

Mijnheer Pfanstehl.

Het is misschien zeer vreemd dat ik, hoewel u niet kennende, toch deze schrijf naar aanleiding van het vreemde, korte onderhoud dat wij gistermorgen met elkander hadden.

De zekerheid evenwel dat ik inderdaad te doen heb met iemand die door zijn vele ervaringen ons misschien helpen wil en kan, deed mij besluiten om, zonder dat ik u vertrouwen mag noch kan, deze te schrijven.

Eerbiedig mijn woorden, zooals ik de uwe deed, toen ik u zoo hoorde spreken op het oogenblik dat wij elkander voor ’t eerst spraken.

Want, mijnheer, deze ontmoeting heeft een beteekenis voor mij en mijn leerling.

Gedurende langen tijd zocht ik een aanknoopingspunt met de menschenwereld, doch de Ulmer dog zorgde er wel voor dat niemand mij durfde naderen. Had ik het gewaagd, de hond had mij verscheurd, want zijn meester heeft hem buitengewoon gedresseerd.

Genoeg. Ik zocht maar vond die middelen niet, welke noodig waren om tot de vrienden en kennissen die ik bezit te geraken.

Mijn brieven worden gecontroleerd, en meestal niet verzonden, zoodat ook dàt mij niets gaf.

Eindelijk kwam u.

U greep den hond aan, u dwong ons tot spreken.

Eerst dachten wij aan een berooving en hoe vreemd het ook klinken moge, wij hoopten al dat u ons gevangen nemen zou.

Dat is als u verder leest, u misschien niet vreemd.

Er heerscht hier op „Bartram-Haugh” een vloek. Een vloek der geheimzinnigheid en duisternis. La Rougière—zoo heet de slotheer—woont hier al gedurende ruim twintig jaren en voert dingen uit die niemand weet. Dagen en nachten heb ik geprobeerd den man te bespieden, maar zelfs het meest scherpzinnige vrouwenvernuft is niet in staat den man te ontmaskeren. Eén ding weet ik uit den mond van zijn eigen dochter. Hij is nihilist en uitgeweken uit het vasteland van Europa, omdat hij verschillende moorden op zijn geweten heeft.

Charlotte, zoo heet de dochter, weigerde, en weigert nog om haar vader, die reeds bij hare geboorte weg was en dien zij dus niet eens kende, hardnekkig om hem te helpen in zijn plannen.

Ook ik. En nu kunnen wij ook geen stap doen of de heer des huizes bespied ons of laat ons bewaken.

Reeds meermalen heeft hij ons met den dood bedreigd.

Levend zijn wij hier begraven en geen mensch kan ons verlossen. Het is ellendig, doch waar.

Onze eenige bedoeling is vrij te mogen uitgaan.... verlost te worden van dezen moordenaar en tyran.

Hij houdt voeling met de buitenwereld, zoo nauwkeurig, dat hij gisteren wist dat de koningsmoord in Serbina plaats gevonden had.

Hoe dit mogelijk is weten wij niet, want de enkele brieven die hier komen per postbode zijn, zoo op ’t oog gezien, te onschuldig.

Gansche nachten is de man op. Wat er dan gebeurt, weet niemand.

Doch wat baat het mij nu, of ik u dit alles schrijf? U kunt mij misschien evenmin helpen als anderen.

Het kasteel is, voor wie ook, onherroepelijk gesloten. Niemand komt er in.

Hoe zult u ons kunnen helpen?

U zoudt misschien naar de politie kunnen gaan en dezen brief als bewijs toonen, doch als de politie dan een inval deed, zou zij slechts dooden vinden, want La Rougière is zóó, dat wanneer iets zou bewijzen dat hij gevangen genomen zou worden, hij liever sterven zou en ons meesleuren dan zich over te geven.

En met geheimzinnigheden komen wij helaas niet verder.

Ik was nu bezig om den Ulmer dog met mij vertrouwd te maken. ’t Ging nog niet. Doch ik wanhoopte nooit. Nu evenwel door de ontmoeting met u, waardoor wij te laat thuis kwamen, is alles uit. Voortaan mogen wij slechts op de binnenplaats.

Vaarwel, mijnheer.

Ter wille van ons leven, doet niets, want hij zal ons stellig vermoorden.

Mademoiselle Rochefort.

Raffles wreef zich de oogen eens uit. Hij geloofde nog niet dat dit alles waar was.

Maar ’t stond daar geschreven.

Duidelijk en mooi!

Was er dan aan dit mooie, oude kasteel, het wereldberoemde „Bartram-Haugh”, zulk een vreemde, middeleeuwsche historie verbonden?

Hij mocht niets doen!

Jawel, nèt iets voor Raffles!

Er moest iets gebeuren.

Charly keek Raffles aan.

—’t Beste zou wezen de zaak te beschouwen als een droom, Edward.

—En dan?

—Weggaan. Denk aan onze rustkuur.

—Ah, loop heen! Moet je dan niet eens even bedenken dat daar een tragedie afgespeeld wordt en dat hier wereldschokkende gebeurtenissen en plannen worden gesmeed?

—Wat kan jou dat nu schelen?

—Veel.

—Dat begrijp ik niet, Edward. Jij, die absoluut buiten iedere samenleving staat, die spot met de orde en regelmaat der maatschappij, die er lust in heeft de bezittenden te berooven voor de armen, kunt toch niets gevoelen voor de ingewikkelde handelingen der nihilisten?

—Jij vergeet één ding, Charly.

—En dat is?

—Misschien doe ik, als ik probeer die dame te redden, een egoïstische daad.

—Onmogelijk. Jij koestert voor niemand der vrouwen liefde.

—Dat bedoel ik ook niet. Luister, jongen. Wanneer ik die dames red uit hun gevangenschap, kom ik wellicht of zeker met dien La Rougière in aanraking. En dan zou het wel eens kunnen gebeuren dat ik dat geheele nihilistisch krot uitroeide.

—Goed. Maar wat heeft dat met jou egoïsme te maken?

—Dit. Wij reizen veel, komen zeer dikwijls in steden waar vorstelijke personen aanwezig zijn. Het ongeluk moet nu maar eens zóó willen dat er bommen gegooid worden op ’t oogenblik dat wij in de nabijheid zijn. Ook is mogelijk dat de een of andere reactionair of heethoofd mij voor een regeerend persoon aanziet. En nademaal—vervolgde Raffles op grappigen toon—ik geen neiging heb om mij door een bom te laten treffen,—ik ga liefst gewoon dood—zal ik besluiten om die dames te redden en dien kerel eens goed te treffen.

—Onzin. Weet jij of die dames zich zelf, als zij vrij komen, kunnen behelpen?

—Financieel?

—Ja.

—En als dit niet zoo was?

—Dan zou jij er weer voor zorgen. Natuurlijk....

—Juist, Charly—viel Raffles in.—Juist. Wij zullen dan wel weer aan een kapitaaltje komen. Bovendien heb ik veel lust om eens te onderzoeken of de kerel zelf geen middelen heeft.

—Hoe wou je dat doen?

—Even op visite gaan.

—Wanneer?

—Nu!

—En je komt er niet in?

—Dat zullen wij zien. Blijf jij nu maar geduldig wachten en wees voorzichtig.

—Edward, ga niet...

Doch Raffles stevende weer naar den toren toe en klauterde opnieuw weer naar boven.

Thans ging hij niet naar het raam—dat nu duister was—doch naar den zoogenaamden eersten „ommegang” van den toren.

Even wachten.

Hij meende de bloedhonden, waarover in Derbyshire zulke wonderlijke verhalen verteld werden, te hooren.

Oppassen was hier de boodschap.

Toch, al meende Raffles het nog zoo duidelijk gehoord te hebben, naderde niemand of niets en sloop hij den muur over tot bij de poort, waar een steenen trap naar beneden op de binnenplaats leidde.

Nergens één levend wezen.

Alleen ginds op den linkervleugel zag Raffles licht in de benedenste zalen.

Daar moest hij in.

Langzaam sloop hij voort.

Het werd nu zéér gevaarlijk, want als er werkelijk bloeddorstige, gedresseerde honden waren, dan...... was zijn einde nabij.

De groote tweeloops revolver in de vuist geklemd, ging Raffles toch verder.

Hij beheerschte zich volkomen.

Geen zenuwtrilling werd bij hem waargenomen.

Het liet een zacht, zoet gefluit hooren, zooals hij de Indianen wel eens had hooren doen in de prairieën als zij op wilde-dieren-vangst uit waren, en die Raffles verschillende malen had meegemaakt.

Meestal verrieden de dieren zich daardoor, want het was een lokkend geluid.

Thans evenwel kwam niets of niemand te voorschijn en met gerustheid ging Raffles voorwaarts.

Hij was thans genaderd tot aan de verlichte vensters.

Vlak voor die vensters zag Raffles een gedrocht liggen......

’t Was een bloeddog!

Langzaam hief het woeste dier den kop op en onmiddellijk liet Raffles zacht het lokkende geluid hooren, terwijl hij zachtjes achteruit ging.

Het dier stond op... en kwam op het geluid af.

Dichterbij gekomen rook het lang in de lucht en Raffles ging onverdroten voort met het geluid voort te brengen.

Steeds naderbij kwam de buldog, nu brommend.

Raffles zag twee oogen, als vuur gloeiend, dicht bij zich.

Hij was gereed......

Schieten mocht hij niet, want dan was alles verloren spel.

Nogmaals deed hij het geluid hooren...

Het dier was zeer nabij......

Bliksemsnel bukte Raffles zich, greep met ijzeren greep den dog vast en voordat het dier den muil kon open doen, snoerde Raffles met een touw, dat hij in de hand had genomen, de keel van den hond dicht.

Spartelend, slingerend kronkelde het dier zich heen en weer, doch Raffles liep snel met den hond naar den muur toe, klom er op, en slingerde den hond met groote kracht in de gracht, het touw vastbindend aan een klimoprankhaak, die vastgemetseld was.

Daarna vlug naar de hel verlichte ramen terug.

Raffles bleef in de schaduw, maar boog zich ver voorover.

Hij zag een vijftal mannen bijeen, zittend rondom een ronde tafel en Raffles zag aan ’t bewegen der lippen dat men vrij heftig disputeerde.

Wat zij zeiden kon hij echter onmogelijk verstaan.

En toch, aangedreven door een geheimzinnige stem, ging hij probeeren vlak bij ’t raam te komen.

Ongetwijfeld, uit de weinige woorden die hij opving kon Raffles uitmaken dat men ’t had over nieuwe koningsmoorden en zag hij één hunner geld geven dat door den president—was dit La Rougière?—in ontvangst genomen werd.

Wat had dit alles te beduiden?

Hoe kwamen die kerels hier?

Een geheime uitgang?

Dit moest ook nog eens onderzocht worden.

Zij stonden op. Opgelet nu wat er verder gebeurde met de mannen.

Een deur werd geopend en Raffles zag van buiten dat een donkere gang zich vertoonde.

De mannen verdwenen daarin en het licht ging als vanzelf uit.

Raffles had gezien dat de mannen alles meenamen, zoodat het geen zin had om te probeeren binnen te komen.

Trouwens, dit had ook niet meer gekund, want plotseling keerde een der mannen terug.

Dit moest La Rougière zijn.

Hij zette zich neder en kreeg uit een verborgen paneel dat hij door een enkelen druk opende, een ijzeren kist, waarin hij het zooeven ontvangen geld zorgvuldig opborg.

—Hum!—mompelde Raffles,—dat is tenminste al iets. Daar kunnen de dames later wel van leven.

Raffles bleef nog geruimen tijd daar bij het raam, en toen de man binnen alles weer zorgvuldig sloot, volgde Raffles iedere beweging.

De man liep even peinzend rond en opende toen het raamc.

Snel bukte Raffles en was één met de dikke duisternis die alom heerschte.

La Rougière opende den mond en floot.

„Hij fluit zijn hond!”—dacht Raffles.—„Dan kan je lang wachten, vriend, want die is geworgd, opgehangen en verdronken.”

—Drommels—hoorde hij den man mopperen—Waar is die hond nu? Wat schelen die dieren tegenwoordig? Eén dood, de ander nu weer zoek, en de Ulmer deed heden ook al zoo vreemd.

Nog eens en nog eens floot hij, telkens luider, telkens langer aangehouden.

„Ik moét gaan zien”—sprak La Rougière weer hardop tot zichzelf, terwijl een reeks vloek- en scheldwoorden vernomen werden.

Onmiddellijk was Raffles’ plan gemaakt.

Hij tastte in zijn zakken en vond daar stevige boeien.

Afwachten nu maar.

Het raam werd niet gesloten, wel dichtgetrokken, doch Raffles hoorde niet dat de sluitingen werden dichtgemaakt.

Met zekerheid ging Raffles nu op zijn doel af en zoodra de man naar buiten kwam, hield hij zich gereed.

La Rougière liep de binnenplaats over en naderde de plaats waar Raffles stond.

Diep in de nissen van het gebouw had Raffles zich teruggetrokken en stond klaar om zich te verdedigen.

—Allez, Nero, kom hier—hoorde hij den man zeggen.

La Rougière was thans in het licht van het raam gekomen.

Hij keerde den rug naar Raffles toe.

Op dit moment had Raffles gewacht.

Hij sprong op den man toe en deze tuimelde vloekend op den grond.

Bliksemsnel had Raffles La Rougière een prop in den mond geduwd en voor deze bij machte was om zich te verweren, had Raffles hem de handboeien aangedaan en gekneveld.

Woest wentelde La Rougière zich heen en weer en trachtte aldus zijn vrijheid te herkrijgen.

Niets mocht evenwel baten en hij voelde zich vastgegrepen door Raffles’ ijzeren greep en deze droeg hem tot bij het raam.

Met een ruk wierp hij dit open, tilde La Rougière op het raamkozijn, sprong zelf er ook op en rolde als een tol met La Rougière onzacht de kamer binnen.

Raffles was op „Bartram-Haugh” ingebroken.

VIJFDE HOOFDSTUK.

BAXTER’S RUST WORDT VERSTOORD.

’t Eerste wat Raffles thans deed was Charly, die nog steeds als een trouwe wachter aan den grachtkant stond, te waarschuwen.

Hij liep daartoe naar de brug, die bewaakt werd door den huisknecht.

Deze keek verbaasd op toen hij een vreemde zoo gebiedend hoorde spreken, doch daar hij stom was, stiet hij slechts onverstaanbare klanken uit.

Raffles keek hem doordringend aan en zeide:

—Indien gij gehoorzaamt, zoo zal u geen leed geschieden, anders schiet ik je dood.

Meteen nam hij de revolver en hield die den stommen man voor ’t voorhoofd.

Dit hielp.

De knecht liet de brug neer, wat nogal geraas veroorzaakte in de stilte van den nacht.

Charly, die ’t gerucht gehoord had, kwam snel aanloopen en toen hij Raffles’ stem hoorde, riep hij:

—Gelukkig. Ik dacht dat gij gevangen genomen waart.

—Nog niet.

Daarop keerde Raffles zich weer tot den knecht en sprak: