Part 1
MIJN LAND III.
ZUID-HOLLAND
DOOR G. J. NIJLAND
UITGAVE JB. BUSSINK—DEVENTER
INLEIDING.
Wederom is een jaar voorbij.
Deel II van ons werk over Nederland is nu al weer een heelen tijd onder de menschen. Gelderland is—evenals Overijssel—goed ontvangen. Er zijn oplettende en vriendelijke lezers geweest, die opmerkingen hebben gemaakt. Met sommige daarvan hebben wij thans rekening gehouden. En wij hopen, dat dit derde deeltje van de reeks daardoor aan waarde zal hebben gewonnen.
Thans gaat dus deel III in zee: Zuid-Holland.
Wij verwachten, dat de plaatjes en de teekeningen, die wederom van den kunstschilder J. Godefroy zijn, een goed onthaal zullen vinden, evenals de tekst, die door den journalist G. J. Nijland, Amsterdam, is verzorgd.
De uitvoering van dit werkje werd weer opgedragen aan de Fa. Mortelmans in Den Haag.
JB. BUSSINK.
IETS OVER DEN BODEM VAN DE PROVINCIE.
Zuid-Holland behoort tot die provincies, waaraan Nederland den bijnaam: „de lage landen aan de zee” te danken heeft. Het overgroote deel der provincie ligt beneden den zeespiegel—soms meters diep—en slechts de duinenreeks en een deel der Zuidhollandsche eilanden steekt daarboven uit.
Dit overgroote deel is derhalve polderland, dat wil zeggen land, dat in den loop der laatste eeuwen door middel van indijking en uitmaling bewoonbaar en bebouwbaar is gemaakt.
Het vasteland van Zuid-Holland—om dat nu zoo maar eens te noemen—bestaat geheel uit polders, die naar het westen tegen het water van de Noordzee beschermd worden door een duinenrij en aan de zijde der groote rivieren door geweldig zware dijken. De duinenrij is hier en daar maar erg dunnetjes, zoodat men bijv. in het Zuiden het Westland door de zg. Westlandsche hoofden en bovendien nog door een slaperdijk heeft moeten beschermen.
Wie wel eens uit een vliegtuig op Zuid-Holland heeft neergezien, weet hoe eigenaardig het effect is van al die polders met hun dijken en daaromheen hun ringvaarten. Dat zijn er talloos vele, want heel het vasteland van de provincie bestaat uit feitelijk niets anders. Met daartusschen hier en daar de spiegelende vlakten der Zuidhollandsche meren, die mee de schoonheid uitmaken van dit vlakke, maar toch zoo belangwekkende landschap.
Wat den aard van den bodem aangaat het volgende:
De duinenrij in het westen bestaat geheel uit zand, met daarachter een mengsel van zand en veen, de z.g.n. geestgronden. De rest van Zuid-Holland bestaat uit laagveen of klei (rivier- of zeeklei). Sommige polders hebben naast laagveen heele stukken oude of blauwe zeeklei, uiteraard een zeer vruchtbare, hoewel zwaar te bewerken bodembedekking.
Over het algemeen zijn de polders in Zuid-Holland klein van omvang—veel kleiner dan in Noord-Holland, dat talrijke groote droogmakerijen telt—en het gevolg daarvan is wel geweest, dat de vele plaatsen in deze provincie meestal op en langs de dijken ontstaan zijn.
Een groot vraagstuk is bij al deze polders natuurlijk steeds: het water. Teneinde het overtollige water uit die polders kwijt te raken, werd daarom het land in boezemgebieden verdeeld. Het uitgebreidste daarvan is Rijnland, dat feitelijk het geheele noordelijke deel der provincie—op een klein stukje Amstellandboezem na—omvat. Verder Woerdens boezem, de boezems van den Prins Alexander- en Zuidplaspolder, de Rotte- en de Schieboezem.
De Zuid-Hollandsche eilanden zijn alle deltavormingen; aanslibbingen der groote rivieren, die later ingedijkt en, waar noodig, drooggemalen werden en die in hoofdzaak uit vruchtbare rivierklei bestaan. Ook hier is bemaling natuurlijk noodzakelijk, omdat bijna alles er onder het normale waterpeil ligt.
Heel oud is Voorne-Putten, heel oud is ook het eiland van Dordrecht, eertijds een deel van „De Groote Waard”. Dit was een uitgestrekt laagveengebied met steden als Dordrecht, Zevenbergen en Geertruidenberg en verder met tal van kleinere stedekes en dorpen, kasteelen enz. Totdat in het jaar 1421 de groote doorbraak van Strijen plaats had, die een honderdduizend menschen het leven kostte en die wel 70 plaatsen en gehuchten van den aardbodem deed verdwijnen. Toen ontstond de Biesbosch. En Dordrecht, dat gespaard bleef, kwam op een eiland te liggen.
Jonger zijn Beijerland of Hoeksche Waard en het tweelingeiland Goeree-Overflakkee, waarvan de indijking eerst uit de zestiende en zeventiende eeuw dagteekent. Nog jonger is bijv. Rozenburg, waar in de vorige eeuw nog ingedijkt werd. En het eiland Tiengemeten is als polderland het allerjongste (1860).
DE WATEREN VAN ZUID-HOLLAND.
De provincie heeft velerlei soort wateren.
Daar zijn in de eerste plaats de open wateren en de groote rivieren: de Nieuwe Maas, de Noord, Beneden-Merwede, de Oude Maas, Dordtsche Kil, Nieuwe Merwede, het Hollandsch Diep, Volkerak, Krammer, Grevelingen.
Verschillende van deze wateren, voor zoover zij niet tot de groote rivieren behooren, zijn z.g. getijde-wateren, d.w.z. dat ebbe en vloed hun invloed sterk daarop doen gelden. En de laatste drie, die ik hierboven gaf, hebben eigenlijk reeds het karakter van zeegaten.
Eigenlijke rivieren zijn feitelijk alleen de Lek, de Boven-Merwede en een stuk van den Hollandschen IJssel (van Gouda tot de Maas).
Dan zijn er natuurlijk in deze provincie een onnoemelijk aantal kanalen: deels voor de afwatering, deels voor de scheepvaart van beteekenis. Voor een deel zijn deze kanalen gegraven, voor een deel echter ook ontstonden zij uit aanwezige kleine riviertjes, die hun rivierkarakter evenwel geheel verloren hebben. Een typisch voorbeeld van dat laatste biedt de waterweg van Amsterdam naar Rotterdam, waar die geleid wordt langs Gouwe, Aar en Drecht!
Onder de kanalen, die voor de scheepvaart van beteekenis zijn, moeten ook genoemd worden in het westen de Schie, de Vliet, de Leidsche trekvaart, verder de Loosduinsche trekvaart en die van Delft naar Vlaardingen.
De Oude Rijn, dat statige oude water, dat zich kronkelt dwars door de provincie van Leiden naar Utrecht, dat kleur geeft aan het landschap en dat dit doet leven, is een typisch voorbeeld van een gekanaliseerde rivier. De oevers spreken er nog van dien ouden trots, toen deze Oude Rijn nog werkelijk rivier was. In tijden, reeds lang vergeten....
En in het oosten van de provincie is het Zederikkanaal de belangrijke verbinding van Vianen met Gorcum.
DE OUDSTE GESCHIEDENIS.
Voor zoover het bekend is, woonden in het begin van onze jaartelling, dus ongeveer twee duizend jaar geleden, in Zuid-Holland—dat toen nog een woest moeras- en boschgebied was—Kaninefaten en Friezen. Toen de Romeinen kwamen, werd er wat orde gebracht in den chaos: er werden wegen aangelegd en dijken, die beschermd werden door sterkten. Zoo werd Leiden (Lugdunum) verbonden met Utrecht (Trajectum) en met Voorburg (Forum Hadriani).
Ten tijde van de groote volksverhuizing ging wel veel verloren van wat de Romeinen aan beschaving in deze landen hadden gebracht, maar veel bleef gelukkig ook bestaan. En heel lang heeft de beschavende invloed der Romeinen doorgewerkt. De Franken overstroomden nu Zuid-Holland: de Friezen bleven, zij het dan alleen in het kustgebied.
In de Middeleeuwen en later nog in de zestiende en de zeventiende eeuw is de geschiedenis van de provincie saamgeweven met die van Noord-Holland, welke twee provincies trouwens toen—en zelfs nog tot 1840—een geheel vormden: de machtigste van de Zeven!
DE SCHOONHEID VAN HET VLAKKE LAND.
Denk niet, dat Zuid-Holland met haar groote uitgestrektheid vlak land, zonder heuvelen dan alleen in het westen, waar de duinenrij opstulpt tegen den grauw-groenen achtergrond van hei-ige zeelucht, denk niet dat dit vlakke land niet zijn bekoorlijkheden heeft.
Wie er gewandeld heeft en gefietst, maar vooral wie er gevaren heeft, die weet, dat ook dat schijnbaar eentonige vlakke land prachtig mooi kan zijn.
Ik wil er U doorheen voeren, stilstaande bij veel mooie, soms heel oude dingen en nu en dan eens omziende, om toch vooral een sterken indruk te krijgen en te bevestigen, dat dit land van polders en dijken en vaarten overal heel verschillend, maar bijna overal van een pittoreske schoonheid is.
Denk vooral niet, dat ik overdrijf.
Ga dan maar eens staan—zooals ik dat gedaan heb—op een kerktoren midden in dat lage land en overzie het geheel. Bewonder dan—want dat zult ge moeten—de oneindige vergezichten: hier langs een vaartje, dat in de wijde verte door een popperig-lijkend dorp met roodgedaakte huizekes wordt afgesloten; daar langs een dijk, die zich aller-onwaarschijnlijkst kronkelt rond zoo’n polder, waaraan Zuid-Holland ook rijk is.
Het is geen eentonig gezicht: want er is wisseling in kleur en in vorm. En de frissche boerenhuizingen, waarvan er hier zoovele honderden zijn, steken kantig af tegen het geel van den akker of gaan gedeeltelijk schuil in een krans van—meestal hooge—boomen, wier wuivende kruinen wiegen boven hun dak.
Heel ver in de wazige verte, grijs-grauw als in een sluier van mist, ontdekt ge dan de vage omtrekken van een stad.... onwezenlijke contouren tegen den horizon.
Voeg daarbij, dat gedurende den meesten tijd van het jaar de hemel hier bedekt is met een uitgelezen verzameling wolken van allerlei kleur en formatie—de „Hollandsche” lucht bij uitnemendheid—en gij kunt U levendig voorstellen, dat gij van mij niet verwachten moet het Zuid-Hollandsche landschap als niet-mooi of als eentonig te qualificeeren.
Ik zal dan bij de beschrijving van het moois en merkwaardigs, dat deze provincie biedt, allereerst de aandacht vragen voor het vasteland, om dan later over de eilanden te wandelen of te rijden, al naar gelang de schoonheid van het landschap zulks vordert.
Waar kunnen wij onzen rondgang door Zuid-Holland eigenlijk beter aanvangen dan daar waar als het ware het hart van de provincie klopt:
’S-GRAVENHAGE, DE HOOFDSTAD.
De Residentie is de derde stad—wat grootte betreft—van Nederland. Is met koopsteden als Amsterdam en Rotterdam echter in het geheel niet te vergelijken. Heeft een volkomen eigen—deftig—cachet. De regeering van het land is er gevestigd: de ministeries met den aankleve van die; de Staten-Generaal vergadert er: het is een stad der diplomatie, waar alle buitenlandsche gezanten hun zetel hebben, waar de groote conferenties gehouden worden, als Nederland wordt aangewezen om als gastheer op te treden in geval van internationale geschillen-oplossingen als anderszins.
De kern van Den Haag—zooals de stad meestal genoemd wordt—wordt gevormd door het Binnenhof met de Ridderzaal (plaatje 61), die beide nog overblijfselen zijn van het oude grafelijke slot, waar ook later de stadhouders nog verblijf hebben gehouden. Die Ridderzaal is wel een der oudste monumenten van Den Haag, dagteekent reeds uit de dertiende eeuw. De zuilengangen geven ook een sterken indruk van hoogen ouderdom en de toegangspoorten tot het Binnenhof zijn nog vrijwel in denzelfden staat, waarin zij vroeger waren.
Die oude gebouwen en poorten en gangen doen dien heelen belangwekkenden ouden tijd je voor den geest komen. Je gaat er droomen van toen, je ziet er als het ware de pralende edelen en edelvrouwen op hun scharlaken-gedekte rossen uit komen rijden.....!
Hier in de binnenstad is ook het Mauritshuis, vroeger het verblijf van Johan Maurits van Nassau, thans museum; verder de Gevangenpoort, waar eens de gebroeders de Witt werden opgesloten, aleer zij het slachtoffer werden van hun wraakzuchtige vijanden. Daar ligt de Hofvijver nog, als een vergeten water, waar zwanen in ronddrijven, maar dat vroeger de gravenburcht tegen overval beschermde.
In dat oude deel der stad staat het paleis van de Koningin—op het Noordeinde—aan het Voorhout dat van de Koningin-Moeder, terwijl Prinses Juliana daar vlak bij haar woning heeft.
Bijna in de stad nog ligt het fraaie Haagsche Bosch met zijn mooie vijvers: het „Huis ten Bosch” (pl. 69) is daar eertijds voor Amalia van Solms gebouwd.
Naar den Scheveningschen kant toe, daar waar de beroemde Oude Scheveningsche weg begint, staat het meesterwerk van den Franschen bouwmeester Cordonnier: het „Vredespaleis” (pl. 39) de zetel van het Permanente Hof van Internationale Justitie.
Links van dien Ouden Scheveningschen weg ligt het landgoed Zorgvliet (pl. 67), vroeger de woonplaats van Jacob Cats. Het is thans bestemd om villapark te worden, is dat reeds voor een deel.
Den Haag is niet meer te scheiden van Scheveningen, dat is er geheel mee samengegroeid. En alleen nog een klein deel: Oud-Scheveningen, met z’n sloppen en stegen (pl. 20) en zijn, een bijzonder dialect sprekende en nog een eigen kleeding dragende bevolking (pl. 50), staat feitelijk geheel apart.
Scheveningen, dat thans onze meest luxueuze en verreweg drukste badplaats is, ontstond als zoodanig in het begin van de negentiende eeuw. Immers in 1818 werd er een badhuisje opgericht, in 1828 kwam er reeds een groot badhuis, dat in 1883 plaats maakte voor het tegenwoordige Kurhaus, vóór hetwelk in 1901 het „Wandelhoofd Wilhelmina” kortweg Pier genaamd ontstond. (Pl. 71).
De onmiddellijke nabijheid van Den Haag, waarvan het praktisch een deel uitmaakt, is zonder eenigen twijfel mee de oorzaak geweest van den grooten bloei van deze badplaats, waar de diplomaten elkander kunnen ontmoeten en waar allerlei regeeringspersonen komen uitrusten van de vermoeienissen van hun werk.
NAAR DE BLOEMBOLLENSTREEK.
Wij zwerven nu noordwaarts door het duingebied. Nu eens langs het strand, dat hier wel niet zoo breed is, maar waarvan de wilde schoonheid een prettige tegenstelling biedt tegenover het mondaine strand van Scheveningen, dan weer langs de talrijke binnenpaden door de duinen. Er zijn er van deze nog veel meer, maar jammer genoeg hebben vele eigenaren van duingrond zich verplicht gezien hun bezittingen af te sluiten, ten einde verdere vernieling te voorkomen. Daardoor kan men van de heerlijkheid van dit werkelijk mooie landsdeel maar gedeeltelijk genieten.
Van Den Haag uit hebben wij eerst nog even een kijkje genomen—de weg er heen loopt door het Haagsche Bosch—in Wassenaar. De weg is omzoomd met een groot aantal prachtige buitenplaatsen. Het voormalig kasteel (pl. 63) is thans Hotel: het fraaie park heeft nog niets van zijn oorspronkelijke aantrekkelijkheid verloren. Rechts staan de Eikenhorst en Raaphorst, beide bezittingen van de Koningin, links is in het landgoed de Pauw het raadhuis van de gemeente gevestigd.
Daarna richten wij ons naar de duinen.
Van Den Haag af naar het noorden toe liggen in den duinrand een aantal plaatsjes, die—zoo bescheiden en stil als ze daar thans mogen liggen—in den ouden tijd soms een zeer bijzondere en belangrijke rol hebben gespeeld.
Reken maar eens met een dorpje als Rijnsburg, tusschen Leiden en Katwijk, thans een knus landbouw-dorpje: eertijds het middelpunt van de belangstelling van den adel, omdat daar—dat was in de vroegste middeleeuwen—een abdij stond voor adellijke dames: in 1133 gesticht door Petronella van Saksen.
Van dit pittoreske plaatsje hoort men thans weinig meer: de badgasten gaan naar zee en Rijnsburg ligt te veel naar binnen: toch is het een bezoekje graag waard (pl. 22).
Langs een zeer modernen verkeersweg kunnen wij Katwijk aan Zee bereiken: een eenvoudig visschersdorp, dat in de laatste jaren erg in trek is gekomen als badplaats: mogelijk wel omdat onze Koningin er zooveel belang in stelt en Prinses Juliana er woont.
De goeie ouwe Rijn mondt hier uit in zee, d.w.z. als Katwijksch kanaal met sluizen, voorzien van talrijke zware deuren. Hier wordt Rijnlands boezemwater in de zee geloosd: de werken, die dat mogelijk maken, danken wij aan koning Lodewijk Napoleon, die deze van 1804–1807 liet aanleggen.
Noordwaarts gaan wij nu naar het schoone Noordwijkerhout dat hier tusschen de duinen als gesmeten ligt en naar Noordwijk aan Zee, dat tot de meest moderne en meest bezochte badplaatsen van Nederland behoort. Met de gemeente Voorhout tezamen is dit een der schoonste gedeelten van het Zuidhollandsch duinengebied.
Noordwijk aan Zee is als het ware op en tusschen de duinen gebouwd. Vandaar de grillige loop der straten, die nu eens omhoog voeren om dan weer plotseling in een duinpan te verdwijnen. De vele buitenverblijven, groote en kleine villa’s van allerlei vorm en kleur geven aan dit dorp dien markanten indruk, waardoor Noordwijk zich van alle andere badplaatsen onderscheidt.
Wij gaan nu meer landwaarts in, komen dan op den grooten weg van Haarlem naar Leiden, en gaan via Hillegom, Lisse, Sassenheim en Oegstgeest naar de oude Universiteitsstad Leiden.
Wij zijn nu plots midden in het gebied van de bollenkweekers, hier bloeien in het voorjaar tulpen en hyacinthen en narcissen (pl. 60 en 96). Hier is de heele omgeving in dien echten bloembollentijd één kleurrijk schilderij, waarin de duinen als zacht glooiende achtergrond optreden en waarin dan de vele dorpjes en gehuchten met hun keurige huizen en scherp-gelijnde spits-torenige kerkjes, het zoo recht goed doen.
Doorsneden is dit land in allerlei richting van slooten en andere kleine watertjes, noodig voor de bevloeiing die een voornaam deel is van de zorg voor de veel-werk-vragende bollen, die Nederland tot in de uithoeken van de wereld, maar vooral in Amerika, een grooten naam hebben bezorgd.
Hillegom is een van die welvarende dorpen, omringd van bloemvelden, prachtige warmoezerijen, talrijke buitenplaatsen: een toonbeeld van welvaart in deze schoone omgeving. Lisse is almede hetzelfde: ook daar een nijvere bevolking, die geheel op landbouw, maar vooral op bollenteelt aangewezen is: een aardig dorp van vele buitenplaatsen omzoomd. Van Haarlem komend voert rechtsaf een weg van Lisse naar het schoone buitengoed Keukenhof (pl. 82). Een wandeling daarheen, ongeveer tien minuten, loont zeker de moeite.
Iets verderop komen wij dan aan Sassenheim: een heel oude plaats reeds, die in vroeger jaren Saxenheim geheeten moet hebben.
Wij naderen thans Leiden, gaan daarheen over Oegstgeest waarvan het oostelijk gedeelte reeds met de stad Leiden is samengegroeid.
Hoe heerlijk „doet” het oude met klimop begroeide kerkje van Oegstgeest het in deze toch al zoo schoone omgeving. Langs Rijngeest, Voorgeest en Endegeest gaat de weg naar den Deyl en naar Den Haag.
LEIDEN.
Alleen over deze oude stad zou een apart boekje te schrijven zijn en dan nog wel een met honderd plaatjes. Want Leiden is een der meest belangwekkende steden in deze provincie en tevens een met een merkwaardige geschiedenis, al was het alleen maar die van het beleg door de Spanjaarden in 1574 en het ontzet, waaraan nog veel in deze stad herinnert.
Na 1574, toen Leiden haar Universiteit kreeg, heeft de stad een langdurige bloeiperiode doorgemaakt: het was een der rijkste en meest invloedrijke steden van het gemeenebest.
Natuurlijk bevat een stad als deze een schat van schoone gebouwen: een der allerschoonste, het Stadhuis in de Breestraat (pl. 24) is nog niet lang geleden, in den barren winter van het vorig jaar, geheel door brand vernield. Daarbij zijn natuurlijk schatten verloren gegaan, schatten van geschiedkundige waarde vooral. Die kunnen niet worden vervangen, maar wat men wel kan doen, het stadhuis herbouwen in zijn vroegeren schoonen vorm, dat zal men misschien wel doen ook.
De Hooglandsche Kerk en de St. Pieterskerk (pl. 3) herinneren aan de middeleeuwen.
Aan de samenvloeiing van twee Rijnarmen staat de Burcht, eveneens een bouwwerk uit de vroege middeleeuwen (pl. 81). Vermoedelijk is deze Burcht op een oude Romeinsche versterking gebouwd.
De Marekerk (pl. 12) is koepelvormig en dateert uit het begin van de zeventiende eeuw.
De Universiteit—die een wereldvermaardheid bezit—is gevestigd in het voormalige Klooster der Witte Nonnen aan het Rapenburg, terwijl de Bibliotheek in de Kapel van het Bagijnhof een onderkomen gevonden heeft.
Bezienswaardig is voorts nog de Waag, die eigenlijk het Waag- en Boterhuis heet (pl. 59), een gebouw, dat eveneens uit de zeventiende eeuw stamt en dat versierd is met beeldhouwwerk van Rombout Verhulst; verder het Gemeene-Landshuis, de Meermansbrug, de Zijlpoort, de Korenbrug, het Jean-Pesijnhofje en de Morschpoort (pl. 8). Ook zal een goede Leidenaar niet nalaten U het huis te wijzen, waar onze grootste schilder Rembrandt op 15 Juli 1606 het levenslicht aanschouwde.
HET WATERGEBIED VAN HET NOORD-OOSTELIJK DEEL VAN ZUID-HOLLAND.
Ziezoo, nu wij ons hebben verzadigd aan al het wetenswaardigs, wat steden en dorpen langs en in den duinrand ons vermogen te bieden, willen wij—bij wijze van ontspanning—eens een kijkje gaan nemen in het echt Zuidhollandsch merengebied, dat zich uitstrekt ten noorden van den Ouden Rijn tot in Noord-Holland en beoosten daarvan zich voortzet tot in Utrecht.
Wanneer men Leiden aan den oostkant verlaat, door de Zijl, dan voert de weg regelrecht naar een der schoonste merengebieden, die ons land kent: de Kagerplassen, een zeer geliefd water voor zeilers, waar ook elk jaar een week lang zeer druk bezochte zeilwedstrijden worden gehouden (de Kaagweek) en waar men dan allerlei schepen van velerlei afmeting en tuigage te zien krijgt (pl. 72). In dit uitgestrekte watergebied rond te varen, er te liggen tusschen het hoogopgaande riet, er te zwemmen, te visschen, te zeilen, te roeien.... in één woord er te leven is een genot, dat geen vergelijking kent.
Deze plassen met hun talrijke eilandjes, hun schuilhoeken, onderling verbonden door nauwe geulen, in het wuivende riet als uitgesneden, die plassen zijn van een bekoring, die eigenlijk geen enkel ander landsdeel ons geven kan.
Hoe is de kleur van dit mooie waterland?
Ik weet het niet.
Ik heb wel eens geprobeerd vergelijkingen te maken, maar de wisseling was te groot en het ging te snel. Dat water is soms leikleurig, soms helderblauw, dan weer mosgroen of dof-grijs al naar gelang het waait of al naar de wolken spelen boven het spiegelend watervlak.
En zooals het water is, zoo is de heele omgeving.
Wisselend van kleur met de wisseling van het weder.
In hellen zonneschijn met helderen blauwen hemel is deze Kagerplassen-zee een paradijs van fijne schoonheid: dan trekken de rietkragen felle lijnen groen langs den horizon, waarboven, vaag een beetje, oplijnen de contouren van verafgelegen huizingen of hier en daar als felle spietsen dunne kerktorentjes hoog-opflitsen in het hemelblauw. Dan is het water lei-grijs, kabbelend in de forsche rietstengels het eeuwige lied....
Maar als dan de hemel overstapeld is met donzig-dichte wolken van velerlei kleur—van melkwit tot donker-grauw—en als dan de wind fel waait en de rietkoppen altegaar en gelijktijdig buigen in den wilden cadanz, dan is het beeld van deze plassen weer geheel anders. Dan vervloeien de omtrekken van wat er omhenen staat tot een donkere breede lijn, dan zien de kerktorentjes niet meer ijl en teer, dan wordt alles knoestig en forsch. Dan is het alsof zelfs het eeuwig lied van het dan loodkleurige water verandert. Een dof geborrel, een heftig gebrom en bonzend klotsen in den sterken rietwal....
En daartusschen liggen vele, vele momenten van overgang.
Maar het liefst is mij het sterke, het machtige. Als die echt Hollandsche wolkenhemel hangt boven het water, dan te varen op de Kaag, op Zweiland, Norremeer en Dieperpoel, dan te scharrelen tusschen al die eilanden van riet is een genot, dat alleen deze Kagerplassen kunnen geven.
De Leede voert naar Warmond, naar dat schoone dorp, waarvan de bosschen de noordwestelijke afscheiding van de Kagerplassen vormen. Een dorp met vele oude huizingen, die alle aan het water liggen en waarvan er enkele nog aan den waterkant zoon echt oud koepeltje hebben, waarin de menschen vroeger plachten thee te drinken.
Maar wij houden ons daar niet op.
Varen weer terug over de Dieper Poel naar het dorpje de Kaag, dat daar op den oostelijken oever verscholen ligt en komen daar weer in de ringvaart van de Haarlemmermeer en zoo naar Oude Wetering.
Links waart het oog over Noord-Holland. In de diepte ligt de geweldige polder. Een zeilschip komt ons tegen, de bruine zeilen bollen in den wind. De Wetering is breed: de oevers tellen vele werven. Aan den wal plassen de huisvrouwen in hun alles-overheerschende zucht naar zindelijkheid....
Dan zijn wij op de Braassemermeer.
Alweer een van die Zuidhollandsche meren, niet zoo rijk misschien aan schuilhoeken als de Kaag. Ook geen of althans weinig van die haast onvindbare geulen, zooals daar over de geheele oppervlakte aanwezig zijn. Maar toch ook niet minder mooi. Alleen anders.
Staande bij Beck’s hotelletje op den Westwal, waar een wedstrijdtoren voor het zeilen is, kan men van dien toren af een prachtig gezicht hebben op het heele meer, welks lage walle-randen bijna geheel met riet bedekt zijn (pl. 99). Aan dezen kant spitst de toren van Roelof Arendsveen omhoog boven de lage woningen. Recht voor ons ligt Rijnsaterswoude (pl. 27).
Die Braassemermeer is weer van een geheel verschillende schoonheid. Een schoonheid, die meer voorkomt uit de omgeving dan wel—gelijk op de Kagerplassen—uit het water zelf. Want de Braassemer is meer open, ronder zou ik haast willen zeggen. En de omgeving teekent zich hier gemakkelijk en duidelijk af.
Naar het Noorden toe, weer langs de Ringvaart, ligt in het uiterste noordpuntje van de provincie, het dorp Leimuiden (pl. 28). Een typisch dorp met een breed kanaal er doorheenloopend, waarover talrijke bruggetjes de verbinding met den overkant bewerkstelligen. „My home is my castle” zeggen de menschen in dit waterland terecht. En zij maken er een echt kasteel van: draaien ’s nachts hun „slotbrug” of plank over het water weg!