Chapter 1 of 5 · 3985 words · ~20 min read

Part 1

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 31 VIER VADERS.

VIER VADERS.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE BEIDE VREEMDELINGEN.

De portier van het grand hotel aan het Alexanderplein opende met groote voorkomendheid het portier van een juist voorgereden omnibus, nam zijn met goud omzoomde pet af en maakte een eerbiedige buiging voor twee elegante heeren, die uit het rijtuig stapten en die hij met geoefenden blik dadelijk herkende als Engelschen of Amerikanen.

En dit vermoeden werd bevestigd door de etiketten, welke op de koffers waren geplakt en waarop de naam Londen te lezen stond.

„Kan ik twee kamers krijgen?” vroeg de oudste, een rijzige, slankgebouwde man van ongeveer veertigjarigen leeftijd.

„Yes, Sir”, antwoordde de portier, terwijl hij de heeren naar twee, op de eerste verdieping gelegen, deftig gemeubileerde vertrekken bracht.

De vreemdeling informeerde niet naar den prijs der kamers, maar nam er zijn intrek met het optreden van iemand, voor wien geld geen rol speelt in de wereld.

Voordat de kellner de gasten verliet, vroeg hij:

„Hoe lang denken de heeren te blijven?”

„Onbepaald,” antwoordde de oudste der twee, „minstens echter drie dagen.”

Zoodra portier, kellner en huisknecht, die den pas aangekomenen logeergast in elk hotel als een zwerm vliegen omgeven, hun hielen hadden gelicht, ging de jongste der beide Engelschen naar het raam en keek naar buiten, naar het gewoel op het Alexanderplein.

De ander had den reiskoffer geopend en begon de kleeren en het linnengoed in de kasten te bergen.

„Wat is dat voor een groot gebouw aan de overzijde van het plein?” vroeg de zoon van Albion, die bij het venster stond.

Zijn reismakker kwam dichtbij hem staan, keek ook naar buiten en een spottend glimlachje vloog over zijn gelaat.

„Dat, my boy, dat is het Berlijnsche hoofdbureau van politie. Het is van veel meer beteekenis dan Scotland Yard in Londen. De beambten, die hier werken, zijn de wakkerste, de beste detectives, die ik ken. Zij hebben maar één gebrek..”

„En dat is?”

„Zij worden te slecht gesalarieerd.”

Nu lachte ook de jongste.

Na eenige oogenblikken vervolgde de oudste der twee vrienden:

„In verband met het bestaan van deze heeren ben ik niet graag lang in Berlijn, hoewel het, behalve Londen, de eenige stad is, waar ik mij op mijn gemak gevoel.

„Men leeft hier bijzonder aangenaam, maar voor langeren tijd kan men zich hier niet, zooals in Londen, onopgemerkt ophouden.

„Jij bent nu voor den eersten keer in je leven in de schoone keizerstad aan den oever van de Spree en je kent de wijze voorzorgen en maatregelen der politie nog niet, waarmee elke burger en elke vreemdeling wordt lastig gevallen.

„Langer dan drie dagen mag je niet in Berlijn vertoeven zonder je pas of andere legitimatiepapieren te vertoonen.

„Bij ons in Londen interesseert het niemand, of wij Mr. Smith of John of Soundso heeten.

„Hier echter moet iedereen bekend staan onder den naam, dien hij, niet of tegen zijn eigen wil, bij zijn geboorte heeft gekregen.”

„Ik begrijp uit je woorden,” antwoordde de jongste, „dat in Duitschland de politie iedereen onder voogdij stelt. Dat is hier dus evenals in Rusland.

„Ik begrijp alleen niet, waarom je dezen keer niet naar Parijs, maar naar Berlijn bent gegaan.”

Zijn reismakker lachte opnieuw en, terwijl hij een sigarette aanstak, sprak hij:

„Ik moet steeds denken aan de lauweren, die de hoofdman van Köpenick heeft behaald. En ik durf beweren, dat een dergelijke grap als die, welke de geniale schoenmaker tot vermaak der geheele wereld hier heeft uitgehaald, nog gemakkelijker uit te voeren is in de uniform van een luitenant van politie.

„Ik wed, dat een officier van politie nog veel meer gedaan kan krijgen dan een eenvoudige hoofdman.”

„Je hebt groote plannen! Mag ik weten welke?”

„Neen”, antwoordde de ander, „het is vroeg genoeg, als je die verneemt, wanneer ik ze ten uitvoer breng en ik denk dat reeds morgen te doen.

„Ga nu met mij, want ik ga alles, wat ik voor de zaak noodig heb, aanschaffen.”

Samen verlieten zij het hotel en schijnbaar toevallig gingen zij de Alexanderstraat in.

De oudste der beide heeren keek met onderzoekende blikken langs de huizenrijen en bleef hier en daar naar een verhuurbordje staan kijken.

Na een poosje ging hij een huis binnen, waaraan een bordje was uitgehangen, dat vermeldde, dat daar kamers werden verhuurd voor dagen, weken of maanden.

Zonder te loven of te bieden huurde de onbekende in het pension een kamer, betaalde een week vooruit en liet zich de sleutels overhandigen van huis- en portaaldeur.

„In deze pensions”, sprak hij, toen zij zich weer op straat bevonden, „zijn wij zeer ongegeneerd. Niemand let op de huurders, als zij uitgaan of thuiskomen. Als men heeft betaald, kan men, zonder door iemand te worden opgemerkt, zijn kamer binnengaan, bewonen en verlaten.”

Zij gingen eenige straten verder en kwamen eindelijk in de Rozenstraat.

Hier wonen huis aan huis kooplieden, die handel drijven in oude uniformen en gedragen kleeren.

Een dergelijken winkel gingen zij binnen.

„Wij hebben een paar uniformen noodig, die van een luitenant van politie en van een wachtmeester. Wij willen namelijk het gecostumeerde feest van de roeivereeniging mee bijwonen. Kunt gij ons aan iets dergelijks helpen?” vroeg de onbekende aan den winkelier.

„Gij kunt bij mij zooveel uniformen krijgen als gij verkiest”, luidde het antwoord.

Het duurde dan ook niet lang, of hij had voor de beide vrienden de volledige uniformen, benevens sabels en verder toebehooren, klaargelegd.

Na eenig loven en bieden betaalden zij, lieten zich het gekochte inpakken en namen het pak mee.

Op hun gemak de straten doorslenterend, liepen zij in de richting van de Linden.

Bij den hoek van de Friedrichstrasse bleven zij staan en de oudste sprak:

„Hier zie je alle rangen van de Berlijnsche politie. Die daar in het midden, die met de beambten staat te praten, is luitenant van politie en die vóór hem staat, is wachtmeester.

„De anderen zijn gewone agenten.

„Kijk nu nauwkeurig, zooals ik het ook doe, naar de manieren en wijze van doen van deze lieden, opdat wij precies kunnen optreden, zooals zij dat gewend zijn te doen.”

Bijna een half uur lang stond het tweetal onder de Linden om naar het interessante stadsgewoel te kijken.

Inderdaad echter bestudeerden zij elke beweging der politiebeambten en begaven zich eindelijk haar het café, dat zich het dichtst bij bevond, op welks balkon zij plaats namen.

Van hun zitplaatsen keken zij nog eenige uren lang naar het doen en later der beambten van politie. Daarop reden zij naar de gehuurde kamer in het pension en legden daar het pak neer.

Zij begaven zich nu naar het hotel terug om uit te rusten en brachten den avond in een schouwburg door.

Reeds vroeg in den morgen verlieten zij den volgenden dag hun hotel, om de door hen gehuurde kamer op te zoeken.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE BEDROGEN PANDJESBAZEN.

Samuel Löwenstein, de eigenaar van een groot pandjeshuis in de Frankfurterstraat, had weer, evenals elken dag, handenvol werk, toen een heer zijn winkel binnenkwam, die wenschte om hem zelf te spreken.

De koopman zag met een enkelen oogopslag, dat de vreemdeling zaken met hem had te verhandelen, die niet voor ooren van andere menschen waren bestemd.

Hij bracht hem derhalve in zijn klein kantoor en vroeg wat de bezoeker wenschte.

Als antwoord haalde de vreemdeling een leeren zakje te voorschijn, waaruit hij eenige kostbare diamanten nam, die hij op de schrijftafel van Samuel Löwenstein neerlegde.

De oogen van den pandjeshuishouder schitterden begeerig, toen hij de fonkelende steenen zag.

„Wat wilt gij ervoor hebben?” vroeg hij, nadenkend en vol aandacht de kostbaarheden onderzoekende.

De vreemdeling haalde de schouders op en antwoordde:

„Ik heb geld noodig!”

Samuel Löwenstein taxeerde de steenen op 10,000 Mark.

„Ik zal geven 2800 Mark”, sprak hij tot den onbekende.

„Ik heb 4000 noodig!”

„Kan ik er niet voor geven. De steenen hebben eenige gebreken en zijn niet meer waard.”

De vreemdeling mompelde: „Schurk!”, wat Samuel Löwenstein niet hoorde en sprak luid:

„All right! Geef mij 3000.”

„Hebt gij legitimatiepapieren?”

De buitenlander wist blijkbaar niet, wat de pandhuishouder bedoelde.

Samuel Löwenstein maakte het hem duidelijk.

Nu haalde de vreemdeling een bijna onleesbaar, maar van een stempel voorzien document uit zijn zak te voorschijn. Het was blijkbaar door de Hongaarsche politie afgegeven.

Hij overhandigde het aan Samuel Löwenstein, die er een vluchtigen blik op wierp, met het hoofd knikte en, zoo goed en kwaad als het ging, den naam van den vreemdeling spelde.

Hij las er Katzenstein uit, Siegfried Katzenstein, en vroeg, of deze naam juist was.

De vreemde heer knikte bevestigend.

Samuel Löwenstein vulde het gebruikelijke lommerdbriefje in en betaalde de 3000 Mark.

De vreemdeling ging heen.

Nauwelijks had deze het huis verlaten, of de pandhuisbezitter begon een vreugdedans uit te voeren.

Hij riep zijn compagnon bij zich en schreeuwde opgewonden:

„Ik heb daar juist een schitterend zaakje gedaan. Heb je dien fijnen heer gezien, die daar wegging? Hij moet een groote gannef (gauwdief) zijn, want hij bracht mij uitgebroken steenen en ik heb een vierde betaald. Ze zijn onder broers 15,000 Mark waard.”

Vol innig genot bekeken de twee de juweelen, sloten ze in de brandkast weg en gingen weer terug naar hun winkel.

Een half uur later speelde zich in een pandjeshuis in de Friedrichstraat een dergelijk tooneel af. Dezelfde vreemdeling verpandde tegen een bespottelijk lagen prijs losgebroken diamanten aan den eigenaar der zaak.

De man scheen een heelen zak vol ervan te bezitten.

Want dien geheelen dag besteedde hij aan dat werk en toen het avond was geworden, had hij 15 pandjeshuizen bezocht. Eerst toen was hij voor dien dag gereed met zijn werk.

Terwijl hij met een pandhuishouder onderhandelde, liep een vriend van hem voor het huis, als om de wacht te houden, heen en weer.

„Ik begrijp er niets van”, sprak deze, toen de vreemdeling zich weer op straat bij hem voegde, „hoe is het mogelijk, dat je voor zulk een belachelijk klein bedrag die prachtige steenen van de hand doet?”

Daarop gingen zij verder.

Het waren de twee Engelsche heeren, die eenige dagen geleden hun intrek hadden genomen in het Grand Hotel.

De oudste, die de steenen beleende, lachte en klopte eens op zijn portefeuille, die gevuld was met talrijke biljetten van duizend Mark.

„Ik doe reusachtige zaken, mijn beste jongen.”

„De duivel moge jou begrijpen”, antwoordde de jongste, „een zaak, waarbij men duizenden verliest, kan men toch met den besten wil van de wereld niet schitterend noemen.”

Toen bleef zijn metgezel staan, klopte hem op den schouder en antwoordde:

„Jij bent en blijft een groote domkop, mijn lieve Charly! Meen je werkelijk dat ik, de Groote Onbekende, John C. Raffles, voor wien de geheele Londensche politiemacht beeft en siddert, dat ik dien kerels ook maar een enkelen penning zal schenken?

„Neen, mijn jongen, ik zal hen een aderlaten, zoodat hooren en zien hun vergaat.”

Op hetzelfde uur ongeveer als twee dagen geleden, trad een luitenant van politie den winkel van Samuel Löwenstein binnen, vergezeld door een wachtmeester, welke laatste een portefeuille met acten en een handkoffer droeg.

Met de meest onderdanige buiging begroette Samuel Löwenstein de beambten, die met een kort „goeden morgen” binnentraden.

De pandjeshuishouder voelde zich in het geheel niet op zijn gemak bij het zien binnenkomen van twee dienaren der gerechtigheid en met een zuurzoet glimlachje vroeg hij wat mijnheer de luitenant wenschte.

Deze viel hem echter in de rede met de op barschen toon uitgesproken woorden:

„Vraag mij niet, wat ik wensch, maar wacht, totdat ik u iets vraag!

„Vertoon mij onmiddellijk uwe boeken. Ik heb geen tijd om mij lang bij u op te houden.

„Gij staat onder verdenking van een oplichter, die gisteren in hechtenis is genomen, gestolen juweelen te hebben beleend, zonder voldoende legitimatiebewijzen van dien persoon te hebben gevorderd.”

Samuel Löwenstein verbleekte.

Hij sloeg de handen boven zijn hoofd te zamen en riep uit:

„God zal mij bewaren, mijnheer de luitenant, dat ik zulk een schande zou laden op mijn hoofd, dat in eer en deugd is vergrijsd.

„God zal mij straffen, als dat waar is.

„Ik kan mij in ’t geheel niet herinneren, dat ik zonder voldoende legitimatiebewijzen juweelen in pand zou hebben genomen.

„Overtuig u zelf, heer luitenant.”

„Geef mij de akten aan!” beval de officier den wachtmeester.

„Tot uw dienst, luitenant”, antwoordde de wachtmeester, zijn hielen tegen elkaar slaand en het gewenschte te voorschijn halend.

De officier van politie nam ze aan en sprak:

„Katzenstein is de naam van den oplichter.

„Heeft een zekere Katzenstein hier juweelen in onderpand gegeven?”

Samuel Löwenstein zette een nadenkend gezicht.

Hij legde zijn vinger, waaraan een nagel met breeden zwarten rand prijkte, in een der neusgaten en toen in den mond en alsof deze versnapering hem aan een goed antwoord had geholpen, sprak hij met gefronst voorhoofd:

„Katzenstein? Katzenstein? Die naam komt mij inderdaad bekend voor. Zou hij hier zijn geweest? Of zou hij niet hier zijn geweest? Hoe kan ik bij de ontelbare klanten, die ik heb, nog weten, of een zekere Katzenstein hier is geweest?”

„Sla uw boek op!” beval de politie-officier op korten toon.

„Ken jij Katzenstein?” riep de pandjesbaas tot zijn compagnon.

„Weet ik veel!” antwoordde deze, „jij bemoeit je met de diamanten en ik bemoei mij met de ouwe kleeren.”

Intusschen had de officier het boek naar zich toegetrokken en bladerde erin. Eenige oogenblikken later maakte hij een zacht fluitend geluid, vergeleek een lommerdbriefje, dat hij uit de portefeuille haalde, met hetgeen hij in het boek zag staan en sprak:

„Juist, dat klopt! Voor 3000 Mark, zooals het briefje ook vermeldt. Dat bedrag staat ook in uw boek genoteerd.

„Ik leg beslag op de briljanten. Voor den dag met de steenen!”

Samuel Löwenstein wist, dat hem niets beters te doen stond dan te gehoorzamen.

Met bevende handen sloot hij de brandkast open, haalde de steenen te voorschijn en legde ze voor den luitenant van politie neer.

Deze telde ze na, maakte er een pakje van, liet zich een kaars en lak geven, verzegelde het pakketje en zette met een gummi-stempel, dat het opschrift droeg: „In beslag genomen door de Koninklijke politie”, een kantteekening in het hoofdboek van Samuel Löwenstein.

„Gij zult wel nader bericht ontvangen”, sprak hij tot den pandjesbaas, waarna hij met zijn wachtmeester het huis verliet.

De beide compagnons staken onmiddellijk de hoofden bij elkaar en fluisterden nog geruimen tijd met geheimzinnige handgebaren en gefronste voorhoofden.

Een dergelijk bezoek werd door de beide beambten van politie in vijftien andere pandjeshuizen afgelegd.

Toen zij eindelijk in hun kamer waren teruggekeerd, sprak John Raffles tot zijn vriend en secretaris Charly Brand:

„Die visites waren de moeite wel waard. Ik heb vandaag ongeveer 60,000 Mark verdiend.

„Nu zal ik morgen de andere inrichtingen van dien aard, welke zich hier in de hoofdstad van het schoone Duitsche Rijk bevinden, met een dergelijk bezoek vereeren.”

Twee dagen later had de Groote Onbekende weer een twaalftal pandjeshuizen bezocht en sprak hij tot Charly Brand:

„Die kerels verdienden allen, zonder een enkele uitzondering, achter slot en grendel te worden gezet.

„In de allereerste plaats, omdat zij te dom zijn om op eigen beenen te staan en dan vooral om hun geslepenheid.

„En nu ga jij naar Londen terug.

„Ik zal nog eenigen tijd hier blijven. Ik hoop nog een paar kleine, maar interessante avonturen te wagen en jij zoudt mij daarbij maar tot last zijn.”

Hij gaf Charly Brand een deel van zijn geld, bracht hem naar het station en begaf zich daarna naar Café Bauer.

De dag liep ten einde en de avondbladen waren juist uitgekomen.

De Groote Onbekende nam het Berliner Tageblatt op om de laatste nieuwtjes te lezen.

Reeds de eerste regelen, waarop zijn oog viel, schenen hem te amuseeren.

Hij las het volgende:

„Opzienbarende, ongekende bedriegerij gepleegd door een onbekend oplichter ten nadeele van de Berlijnsche pandhuizen.

Eenige dagen geleden verscheen een onbekende, blijkbaar een Hongaar, die een legitimatiebewijs bezat, ten name van een zekeren Katzenstein, in meer dan twintig pandhuizen en beleende daar diamanten.

Een dag later bracht hij aldaar een tweede bezoek, vermomd als politie-officier en in gezelschap van een als wachtmeester uitgedosten medeplichtige.

Hij wendde voor, dat hij op hoog bevel beslag kwam leggen op de diamanten, welke door een zekeren Katzenstein waren beleend.

Overal gelukte de truc en de pandhuishouders werden den door hem afgezet voor bedragen van 2000 tot 6000 Mark.

De tot dusverre onbekend gebleven bedrieger wist zich op deze wijze in het bezit te stellen van een bedrag van 80,000 Mark en dit in den tijd van een paar dagen.

Ondanks de nauwkeurige navorschingen, welke de Berlijnsche politie onmiddellijk in het werk stelde, is het tot heden nog niet mogen gelukken, den dader in handen te krijgen.

De geheele zaak doet sterk denken aan den Londenschen meester-dief John Raffles.

De bedrogen pandhuishouders hebben gezamenlijk besloten, om een bedrag van 1000 Mark uit te betalen aan dengeen, die zoodanige aanduidingen in deze zaak kan verschaffen, dat de dader in handen der politie valt.”

Raffles blies behaaglijk de blauwe rookwolkjes van zijn sigarette voor zich uit en een glimlach speelde om zijn fijnbesneden lippen.

Hij liet zich door den oberkellner van het café schrijfgereedschap brengen en schreef den volgenden brief:

„Aan de Redactie van het „Berliner Tageblatt.”

Met het grootste genoegen las ik zooeven in uw zeer geëerd blad het artikel over mijn rooftocht ten nadeele van de Berlijnsche pandjesbazen.

Gij kunt niet gelooven, hoe tevreden ik over mijzelf ben, nu deze truc mij zoo volkomen is gelukt.

Ik heb een gedeelte van het geld, dat ik dien woekeraars afhandig heb gemaakt, gebruikt om het, zooals dat mijn gewoonte is, aan de armen van Berlijn ten goede te doen komen.

En gij hebt niet ten onrechte beweerd, dat deze geschiedenis doet denken aan den beruchten John C. Raffles.

Ik ben bij dezen zoo vrij om u mede te deelen, dat ik inderdaad niemand anders ben dan John C. Raffles en dat ik mij tijdelijk in Berlijn ophoud.

Opdat gij het voor de Berlijners gemakkelijker kunt maken, de uitgeloofde 1000 Mark te verdienen, die vastgesteld zijn als belooning voor dengene, die den dader in handen der politie levert, zend ik u hierbij mijn portret, dat gij kunt publiceeren, en ik hoop, dat het mij dan gemakkelijk zal vallen, mij nog ongegeneerder in Berlijn te bewegen dan tot dusverre.

Terwijl ik u nog mededeel, dat ik reeds jarenlang abonné ben van uw blad, blijf ik met de meeste hoogachting,

JOHN C. RAFFLES.”

Met een spottend lachje op het gelaat verliet de Groote Onbekende het Café Bauer, om zijn kamer in het pension weer op te zoeken.

Dien morgen had hij zijn vertrekken in het Grand Hotel verlaten en de bagage door hotelbedienden naar het station laten brengen, vanwaar die door Charly Brand meegenomen werd naar Londen.

Zoodoende kon zijn spoor van uit het hotel niet meer gevolgd worden.

DERDE HOOFDSTUK.

TER WILLE VAN EEN LAUWERKRANS

Op een der volgende dagen slenterde John Raffles door de straten van Berlijn en keek vol belangstelling naar het stadsleven, dat daar zijn gewonen gang ging.

Onwillekeurig bleef hij staan bij een advertentiezuil, die door een troep menschen was omgeven. Hij deed moeite om over de schouders en hoofden der voor hem staanden te lezen, wat hier op zoo opvallende wijze de publieke aandacht trok.

Door zijn rijzige gestalte gelukte het hem al spoedig, te lezen wat deze opeenhooping van publiek had veroorzaakt en een guitig lachje gleed langs zijn aristocratische trekken.

In zijn schrandere oogen tintelde een met moeite bedwongen vreugde, toen hij de volgende aankondiging las:

Schouwburgzaal Köpenickerstr. 68.

Zaterdag den 22 Mei 1909 en volgende dagen: op werkdagen 8½ uur. Zondags 8 uur.

De groote Engelsche sensatie—detective—comedie: „Lord Lister” genaamd Raffles de groote onbekende.

door Curt. Matul.

Plaatsbespreking van af heden.

„Alle drommels”, sprak hij glimlachend tot zichzelf, terwijl hij zijn horloge vergeleek met de klok van de naaste kiosk, „ik heb toevallig vanavond geen dringende bezigheden en ik ben inderdaad nieuwsgierig om mijn dubbelganger op de planken te zien.”

Hij wenkte een rijtuig en liet zich naar de Köpenickerstraat brengen, nam een logeplaats en amuseerde zich kostelijk om het uiterlijk en spel van zijn dubbelganger.

Maar nog meer genoegen deed het hem te zien, hoe het publiek bij zijn streken en trucs in luide bijvalskreten losbarstte.

Na afloop der voorstelling bleef Lord Lister nog in het restaurant van den schouwburg vertoeven.

Hij had een zoodanig plaatsje uitgezocht, dat hij dicht bij het tafeltje zat, waaraan de schrijver van het stuk met den schouwburgdirecteur hadden plaats genomen.

Na een poosje hoorde hij, dat de secretaris van het theater, die naast den directeur was komen staan, tot dezen sprak:

„Mijnheer, zooeven kwam een politie-officier met agenten het gebouw binnen. Hij zegt, bericht te hebben gekregen, dat Raffles in eigen persoon zich in den schouwburg bevindt.”

„Och kom”, antwoordde de directeur lachend, „ik hoop niet, dat onze acteur in verzekerde bewaring wordt gesteld.”

Lord Lister had aandachtig en scherp geluisterd en overlegde, op welke wijze hij zich uit zijn gevaarlijken toestand zou kunnen redden.

Hij had zich niet verkleed of vermomd, daarom kon een ontmoeting met de politie hachelijk voor hem worden.

Hij zag door de glazen deur, dat de uitgang van het gebouw door politieagenten was bezet.

Nu kwam de luitenant van politie met eenige agenten het lokaal binnen, van het eene tafeltje naar het andere loopend en de aanwezige gasten met scherpe blikken monsterend.

Raffles zat zoo, dat hij den schouder van den directeur met de hand kon aanraken.

Haastig nam hij een visitekaartje, waarop hij met potlood schreef:

„Ik zou u gaarne eenige oogenblikken in uwe bureau willen spreken.”

Hij overhandigde het kaartje aan den directeur en amuseerde zich om het verbaasde gezicht van dien heer bij het lezen der door Raffles geschreven woorden.

Van het antwoord hing voor Raffles veel af.

Directeur Bitterfeld fluisterde den schrijver van het stuk eenige woorden in het oor, waarop deze als geëlectriseerd van zijn stoel wilde opspringen, zich echter wist te beheerschen en op kalmen toon sprak:

„Wees zoo goed, ons te volgen.”

Niemand lette op de heeren, toen zij door een zijdeur zich naar de eerste étage begaven.

Daar aangekomen, wierp de directeur nogmaals een blik op het hem door Raffles overhandigde visitekaartje, dat niet den naam van den beruchten Engelschman droeg, maar waarop John Hallborn te lezen stond.

Daaronder had de groote onbekende geschreven:

„Een vriend van John Raffles.”

„Wat wenscht gij van mij?” vroeg de schouwburgdirecteur vol belangstelling.

Raffles lachte hartelijk.

„U, evenals den geachten heer, die in uw gezelschap is, mijn dank betuigen voor de geniale wijze, waarop mijn persoon vanavond hier is weergegeven.”

Hij reikte beiden heeren de hand.

„Ik veronderstel, dat de uitgang der zijtrap niet bewaakt wordt door de politie?”

„Stellig niet!” antwoordde directeur Bitterfeld, „maar voor alle zekerheid zal ik u tot aan den uitgang vergezellen.”

Daar aangekomen, drukten zij elkaar nogmaals de hand en daarop verdween Raffles.

De beide heeren keerden terug naar de restauratiezaal, waar de politie nog steeds aanwezig was om naar den grooten onbekende te zoeken.

Ongeveer tien minuten later kwam een dienstman het lokaal binnen, naderde den politie-officier en overhandigde, dezen een briefje.

Deze opende het en las:

„Staak uw vruchtelooze pogingen om mij te vinden en wees zoo verstandig om op uw gemak een potje bier te gaan drinken. Ik heb het gebouw reeds verlaten.

Met hoogachting en beleefde groeten, John C. Raffles.”

De luitenant, een flinke, joviale kerel, overhandigde het kaartje aan den schouwburgdirecteur, die dichtbij hem stond.

Beide heeren barstten uit in een hartelijken schaterlach en toen de inhoud van het briefje na een korte poos ook bij de verdere aanwezigen bekend was, heerschte algemeene vroolijkheid in het lokaal.

Menig glas werd geledigd op het welzijn van den genialen meester-dief.

Den volgenden dag werd den directeur, gedurende de avondvoorstelling een prachtige lauwerkrans overhandigd, nadat hij eerst voor het voetlicht was geroepen. Op het rood satijnen lint was in groote gouden letters gedrukt:

„Als blijk van vriendschap aan u opgedragen door John C. Raffles, den Grooten Onbekende”.