Chapter 4 of 5 · 4000 words · ~20 min read

Part 4

„Hiermede verklaar ik aan graaf di Salvatore, eerevoorzitter van de Vereeniging ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het vaderschap erken.

Ik verplicht mij mijn buitenechtelijke dochter, mejuffrouw Elvira Manthé, voortaan volgens de eischen van mijn stand te onderhouden.”

Toen de rechter zweeg, gleed over de gezichten der aanwezigen, behalve dat van den minister een glimlach.

De beklaagde was eerst rood en daarna bleek geworden.

„Men heeft mij bedrogen!” riep hij uit, „ik zette mijn handteekening op een stuk, dat een anderen inhoud had.”

De rechter en de andere ambtenaren keken den beklaagde met spottende blikken aan.

„Het is toch niet aan te nemen,” sprak de rechter, „dat een man van uw positie iets zal onderteekenen, waarvan hij den inhoud niet eerst nauwkeurig heeft doorgelezen.

„Of wilt gij misschien beweren, dat dit stuk vervalscht is?”

„Ja”, antwoordde de minister, „het moet vervalscht zijn.”

De rechter bekeek het document met alle aandacht, maar niet het geringste spoor was te ontdekken, niets wees op een vervalsching.

De rechter liet de beschermelinge van Raffles, de onechte dochter, voor zich komen.

Iedereen werd getroffen door de opvallende gelijkenis tusschen het jonge meisje en beklaagde.

De rechter nam deze omstandigheid te baat en op Elvira Manthé wijzend, sprak hij:

„Uwe Excellentie schijnt een slecht geheugen te hebben waar het documenten betreft, maar dit levende bewijs, dat hier voor u staat, en dat gij eveneens betwist, bewijst ons allen zeer duidelijk, dat het evengoed van den minister afkomstig is als het geschreven stuk.”

„Ik erken niets van dit alles!” riep de beklaagde opnieuw uit.

Met welwillenden blik keek de oude, ervaren rechter naar het jonge meisje.

Daarop sprak hij het vonnis uit: de eischeres werd in het gelijk gesteld en de minister veroordeeld, om aan zijn buitenechtelijke dochter een jaarlijksche toelage voor haar levensonderhoud uit te betalen ten bedrage van 3000 Mark.

Hiermede was het proces afgeloopen, en ziedend van woede stormde de man, die na zooveel jaren eindelijk ter verantwoording was geroepen, de gerechtszaal uit.

Vervuld van innige dankbaarheid, wilde het jonge meisje, toen zij met Raffles in een rijtuig wegreed, hem de handen kussen.

Maar hij verhinderde haar dit en sprak:

„Het is de plicht van iederen mensch om zijn naaste behulpzaam te zijn zooveel hij kan.”

Reeds den volgenden dag ontving de advocaat van het meisje een brief van den minister, waarin deze hem een minnelijke schikking voorstelde en een bedrag ineens van 20,000 Mark aanbood.

John Raffles, die den advocaat dienzelfden avond in het consult-uur een bezoek bracht, zei, toen hij den inhoud van den brief had vernomen:

„Vraag 50,000 Mark en bovendien aanspraak op een gedeelte der nalatenschap; gij zult zien, dat de minister daarop ingaat.”

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN INBRAAK.

Den volgenden avond kwam Charly Brand te Berlijn aan.

John Raffles haalde hem van het station, gekleed in de uniform van een zee-officier.

Het was reeds over negenen, toen Lord Lister het station bij den Dierentuin bereikte.

Charly Brand die, gehoorzaam het telegrafische bevel, dat Raffles hem had gezonden, daar uitstapte, liep zijn vriend achteloos voorbij en verschrikt keek hij om, toen men hem plotseling op den schouder klopte.

„Hallo! Charly! Waar ga je zoo haastig naar toe? Herken je je ouden vriend en leermeester niet eens meer?”

Met een verbaasd gelaat keek de jonge man den marine-officier aan.

Maar nu herkende hij hem en met een stevigen handdruk sprak hij:

„Heb je voor uitbreiding van de Duitsche zeemacht gezorgd?”

„Ja”, antwoordde Raffles lachend, „en ik verzeker je dat ik, als ik admiraal was, in een enkelen nacht de mooiste oorlogsschepen van Engeland uit de havens zou stelen.”

„Is er iets belangrijks voorgevallen, dat je mij uit Londen hebt teruggeroepen?”

„Ik heb verschillende dingen beleefd. Ik vond bijvoorbeeld een jong meisje, dat vijf vaders heeft en een minister, die heden werd veroordeeld om haar vader te zijn.

„Ter wille van dien man heb ik je hierheen laten komen.”

Al pratende waren zij uit het stationsgebouw naar buiten gegaan en daar Charly Brand geen zware bagage bij zich had, alleen een klein handtaschje, gingen zij een café in de buurt binnen om daar hun gesprek voort te zetten.

„Bij dien minister,” vertelde Raffles, „heb ik een ontdekking gedaan, die mij verschillende dingen laat vermoeden, waarvan ik graag meer zou willen weten.”

„Wat heb je daar ontdekt?”

„Wij zullen er ons vannacht samen eens van gaan overtuigen. Maar eerst zullen wij in den omtrek van het station een paar kamers in een hotel huren, opdat jij rust kunt nemen en met mij aan den arbeid gaan.”

Tegen twee uur verlieten zij het hotel.

Zij vertelden den portier, dat zij van het Berlijnsche nachtleven wilden profiteeren.

Deze glimlachte geheimzinnig en vond dat zeer begrijpelijk.

Hij verstrekte hun zelfs een paar adressen van dansgelegenheden, waar zij zich kostelijk zouden amuseeren.

John Raffles bedankte den man, nam dicht bij het hotel een auto en reed naar het Grunewald.

In de buurt van de Hagenstraat, waar zich de villa van den minister bevond, liet Raffles de auto stilhouden, hij stapte met Charly uit en beval den chauffeur, wien hij 40 Mark ter hand stelde, daar geduldig te wachten.

„Met alle genoegen”, sprak de motorbestuurder op vergenoegden toon.

Daarop ging het tweetal de stille, rustige villastraat in, waar zich op dat uur niemand op straat vertoonde.

Alle vensters van de villa van den minister waren donker.

Door zacht te fluiten overtuigde de Groote Onbekende zich ervan, dat er zich geen wachthond in of bij het huis bevond.

Een hoog ijzeren hek scheidde den voortuin der villa van de straat. Hier klommen zij over en samen begaven zij zich naar den achterkant van het gebouw.

Raffles, die een klein, bruin handtaschje droeg, opende dit en haalde er een kunstig bewerkte zijden ladder uit te voorschijn, aan welks uiteinde een ijzeren haak was bevestigd.

Dat met ijzer bezwaarde eind slingerde hij nu met groote behendigheid naar een balkon op de eerste verdieping en werkelijk bleef de ijzeren haak in het hek van het balcon vastzitten.

Door meerdere malen eraan te trekken, beproefde hij, of de ladder stevig genoeg vast zat, waarna beiden als katten naar boven klommen en eenige oogenblikken later stonden de twee mannen op het balkon.

Een poosje bleven zij daar luisterend staan.

Maar alles bleef rustig in huis.

Niemand had eenig geluid vernomen.

Nu opende Raffles met behulp van een kleinen looper de balkondeur en zij traden het vertrek binnen.

Bij het licht van een kleine electrische zaklantaarn zagen zij, dat zij zich in de eetkamer van den minister bevonden,

„Volg mij”, fluisterde Raffles tot zijn vriend. Daar hij zich bij zijn eerste bezoek goed georiënteerd had, viel het hem niet moeilijk, den weg te vinden.

Nadat zij verscheiden kamers waren doorgeloopen, bevonden zij zich in de studeerkamer van den minister. Zijn slaapvertrek moest een verdieping hooger liggen en daardoor had de Groote Onbekende het voordeel, ongestoord te kunnen werken.

Met een smal breekijzer opende Raffles de schrijftafel, maar hij vond niets, dat voor hem eenige waarde kon hebben.

Daarop ging hij naar de kleine brandkast, die in een hoek der kamer stond.

Hij boorde rondom het slot gaten en kon zoodoende eindelijk met weinig moeite het slot indrukken.

Op dezelfde wijze brak hij ook de binnendeur open.

Charly Brand, die zijn vriend hielp, gaf dezen plotseling een waarschuwend teeken.

Dadelijk werd het licht der electrische zaklantaarn uitgedoofd en beiden luisterden aandachtig.

Duidelijk hoorden zij in de kamer, die aan het studeervertrek grensde, voetstappen.

„Maskers voor!” fluisterde Raffles, „wij moeten ons verbergen!”

Als een schaduw gleed hij achter de gordijnen, terwijl Charly Brand languit op het tapijt onder de schrijftafel ging liggen.

De deur der studeerkamer werd geopend en een heer in overjas en met een cylinder op, trad binnen, streek een lucifer aan en draaide de kraan eener gaslamp open.

Op het oogenblik, waarin hij den arm ophief om het licht te ontsteken, werd zijn arm gegrepen, naar achteren gedraaid, een slag kwam op zijn schedel neer en half bewusteloos viel de minister, want deze was het, die nu pas thuis was gekomen, op den vloer neer.

Als in een nevel zag hij twee mannen met zwarte maskers, die hem bonden en hem een samengevouwen doek in den mond stopten.

Hij kon geen enkele beweging maken, noch geluid geven.

Nu begaf John Raffles zich weer naar de brandkast, nam al de aanwezige contanten, die zich daarin bevonden en die eenige duizend Mark bedroegen, eruit en ging daarna een stapel papieren doorzoeken, die alle het stempel droegen van het Fransche ministerie van oorlog.

Toen Raffles deze stukken bij zich stak, deed de minister wanhopige pogingen om zich van zijn boeien te bevrijden en ondanks den prop, dien hij in den mond had, slaakte hij een kreet van woede.

Maar de groote onbekende ging kalm zijn gang.

Hij ging aan de schrijftafel zitten en begon de brieven door te lezen.

Charly Brand keek over zijn schouder naar den inhoud der papieren en bemerkte, dat zij hier een waardevolle en zeer belangrijke vondst hadden gedaan.

De brieven bewezen duidelijk, dat de minister een spion was in dienst van de Fransche regeering en reeds jarenlang zijn positie van vertrouwen misbruikte door schurkenstreken uit te halen.

Raffles keek met fonkelende oogen naar den man, die aan alle leden beefde en sprak:

„Het zou mij eigenlijk verwonderd hebben, als iemand, die zijn eigen vleesch en bloed verloochent en die als een hartelooze schurk handelt, in zijn zaken een man van eer zou blijken te zijn.

„Gij zult nu wel weten, wat u te doen staat.

„Gij hebt hedenavond een schrijven ontvangen van den advocaat van uw onwettige dochter, betreffende een afkoopsom van 50.000 Mark.

„Ik zie in uw chèqueboek, dat gij op de Duitsche Bank een vermogen van bijna twee millioen Mark liggen hebt. Dat is veel te veel voor een man, die vrouw noch kinderen heeft.

„Dit vermogen zult gij morgen laten verschrijven op naam van uw dochter.

„Wanneer gij dat niet doet, of de een of andere list tracht te gebruiken, dan kunt gij er zeker van zijn, dat ik gebruik zal maken van de papieren, die ik hier heb gevonden en dan zijn uw uren geteld. Neem hem nu den knevel uit den mond.”

Deze laatste woorden werden tot Charly Brand gesproken en deze deed wat Raffles wenschte, zoodat de minister weer kon spreken.

Het klamme angstzweet stond hem op het voorhoofd en liep in straaltjes langs zijn gelaat.

„Wie waarborgt mij, dat gij uw woord houdt?” mompelde hij met gesmoorde stem.

Bij het hooren van die woorden richtte Raffles zich vol trots op, nam zijn masker af en met een kreet herkende de minister zijn geheimzinnigen bezoeker van eenige weken geleden, den voorgewenden eerevoorzitter van de Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid, den pauselijken geheimen kamerdienaar, graaf di Salvatore.

De Groote Onbekende amuseerde zich eenige oogenblikken over het verbaasde en ontstelde gelaat van den schurk en sprak toen:

„Ik houd ervan, mijn afspraken zwart op wit in den zak te dragen.

„Ik zal daarom onze overeenkomst op dit stuk papier, dat hier op de schrijftafel ligt, neerschrijven. Gij zult het daarna onderteekenen. En opdat gij weet, met wien gij te doen hebt, ben ik zoo vrij, u tevens mijn werkelijken naam mede te deelen.

„Ik heet Lord Lister, bijgenaamd Raffles, de Groote Onbekende.

„Maak de boeien los!”

Charly Brand knoopte de touwen los en de minister staarde den genialen man, die hem in alle opzichten de baas was geweest, met wijdgeopende oogen aan.

Raffles ging aan de schrijftafel zitten, nam pen en papier en schreef.

Nauwelijks had hij een paar regels neergezet, of de minister bracht schijnbaar onwillekeurig zijn hand naar zijn zak, haalde een revolver te voorschijn en legde in het volgende oogenblik op Raffles aan.

Maar hij had niet op Charly Brand gerekend.

Voordat hij kon afdrukken, had deze zijn hand weggeslagen en hem met een flinken vuistslag neergeworpen.

„Vervloekte schurk!” siste de jonge man.

Raffles had slechts even opgekeken.

Koelbloedig, zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, schreef hij verder.

Toen hij gereed was, was de minister weer opgestaan en tandeknarste van woede.

„Gij zijt krankzinnig, man,” sprak Raffles. „Gij wilt uzelf waarschijnlijk aan de galg brengen.

„Bedank mijn vriend, dat uw schot de bedienden niet wekte. Mijn dood zou uw schurkenstreken ongetwijfeld aan het licht hebben gebracht.

„Wie weet, of gij mij wel doodelijk hadt gewond. Denkt gij, dat mijn vriend of ik gezwegen zouden hebben?

„En luister nu naar wat ik hier heb neergeschreven:

„Bij dezen beken ik, dat ik jegens de Duitsche Regeering verraad heb gepleegd aan Frankrijk en Lord Edward Lister heeft het recht, de mij toebehoorende en in zijn bezit zijnde papieren aan de Duitsche Regeering kenbaar te maken, wanneer ik mijn belofte, om mijn vermogen te laten overschrijven op het hoofd van mijn buitenechtelijke dochter Elvira Manthé, niet nakom.

„Onderteeken dit, Excellentie.”

Met bevende handen zette de schurk zijn naam onder het document.

John Raffles droogde het stuk.

„Gij zijt er goed afgekomen. Dit document is niet alleen millioenen, het is zelfs een menschenleven waard. En nu wensch ik u wel te rusten.”

Lord Lister maakte een buiging, alsof hij zich in een salon bevond en afscheid nam van een aangenaam gezelschap.

Charly volgde zijn voorbeeld en daarop verdween het tweetal langs denzelfden weg, waarlangs zij waren gekomen.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN ZELFMOORD.

Elvira Manthé had juist haar hotel verlaten en ging de Leipzigerstrasse in, om zich naar haar advocaat te begeven, toen bij den hoek van een zijstraat iemand haar arm greep en tot haar sprak:

„Eindelijk tref ik je zonder je nieuwen beschermer.”

Bleek van schrik bleef zij staan en keek bevend van angst in het hoonlachende gelaat van den zwartharigen jongen man.

„Kom eens mee om den hoek, dan kunnen wij rustig een woordje met elkaar spreken. Iedereen behoeft niet te hooren, wat wij met elkaar te behandelen hebben.”

Bijna willoos volgde het meisje den zwartharige en toen zij de stille zijstraat insloegen, floot de jonge man en uit een der portieken kwam een vriend van hem te voorschijn, die daar had staan wachten.

„Heb je haar eindelijk gesnapt?”

„Dat duifje heb ik en nu zullen wij met haar afrekenen. Laat eerst eens kijken, wat je aan geld bij je hebt.”

Met een ruwe beweging ontnam hij het jonge meisje het handtaschje, waarin zich verscheiden goudstukken bevonden.

„Ik zie, dat het je goed gaat,” lachte de zwarte spottend, terwijl hij het goudgeld in zijn zak liet glijden. „Maar dat is niet genoeg. Wie zoo’n kerel als Raffles tot minnaar heeft, kijkt niet op een paar duizend mark.”

„Beleedig een edel mensch niet!” riep het jonge meisje uit.

Beide mannen lachten luidkeels.

„Heb je zoo iets ooit meer gehoord?” riep de zwartharige tot zijn kameraad. „Nu vertelt ze waarachtig, dat Raffles, die gauwdief, een edel mensch is. Achter de tralies hoort hij voor minstens vijftien jaar en daarvoor kan jij zorgen.

„Als hij mij vandaag niet duizend mark stuurt, zal ik er voor zorgen, dat de politie hem inpikt.

„Je kunt hem zeggen, dat ik weet, waar hij uithangt. Een van onze lui heeft meer verstand in zijn kop dan die kerels op het Alexanderplein en verbeeld je vooral niet, dat je zoo gemakkelijk van mij afkomt.

„Ik vind je steeds weer terug en als je niet doet, wat ik je zeg, zal ik de zedelijkheidspolitie inlichten, wat voor eentje jij er bent en dan—je weet het, dan laten ze je niet meer los.”

Het jonge meisje was te bevreesd voor de twee ruwe kerels dan dat zij kon beseffen, hoe ongegrond de bedreigingen waren, die hij tegen haar uitte.

„Vanmiddag om zes uur kom je hier terug op dezelfde plaats, waar wij nu staan en dan breng je mij het geld. Kom je niet, dan laat ik den edelen man om zeven uur gevangen nemen.

„Ga nu maar heen en groet hem namens mij.”

Als een opgejaagd wild snelde het jonge meisje heen.

Zij wist niet, wat zij moest doen.

Radeloos liep zij de straten door en tegen vier uur kwam zij weer in het hotel terug.

De portier deelde haar mede, dat de heer Von Treuenfells—onder dien naam had Raffles zich in het hotel bekend gemaakt—om zes uur bij haar zou zijn.

Zij begaf zich naar haar kamer en schreef een brief.

Op haar zwerftocht door de straten van Berlijn had zij niet gemerkt, dat de zwartharige haar had achtervolgd.

In de buurt van het hotel bleef hij staan om te zien of zij het gebouw weer zou verlaten, of dat Raffles misschien zou verschijnen.

Even voor zes uur zag hij, dat zij uit het hotel naar buiten trad om het plein over te steken.

Een oogenblik later stond hij naast haar, hield haar tegen en sprak:

„Heb je het geld?”

Maar nu geschiedde iets, wat hij niet had verwacht.

Elke aarzeling en vrees was van het jonge meisje geweken. Met van toorn flikkerende oogen antwoordde zij:

„Waag het niet, mij nog eenmaal aan te raken, of ik lever u oogenblikkelijk over aan de politie.”

Stom van verbazing keek hij het jonge meisje met groote oogen aan.

Voordat hij iets kon antwoorden, had zij hem den rug toegekeerd en was in het hotel teruggekeerd.

Hij zag niet, dat zij het gebouw door een anderen uitgang weer verliet.

Hij floot met een spottend lachje op het gelaat en in zijn oogen lichtte een gevaarlijke gloed.

„Wacht maar!” siste hij, „dat zal je den nek breken!”

Op dit oogenblik ontwaarde hij een auto, waaruit Raffles stapte, gevolgd door Charly Brand, welke laatste den zwartharige onbekend was.

Een oogenblik keek hij hen na; hij zag, hoe zij het hotel binnentraden en zoo snel als zijn beenen hem konden dragen, rende hij naar het politiebureau, dat zich in het stationsgebouw bevond.

John Raffles was intusschen naar den portier gegaan en vroeg deze, of juffrouw Manthé te spreken was.

„Het spijt mij, heer baron,” antwoordde de portier, „de juffrouw is een kwartier geleden uitgegaan en liet dezen brief voor u achter.”

De groote onbekende nam den brief en verliet met zijn vriend het hotel.

Zij staken samen het plein over en namen plaats aan een tafeltje in den tuin van een café.

Juist had Raffles den kellner een bestelling gedaan, toen hij zag, dat op eenigen afstand van het café eenige politie-agenten, voorafgegaan door den zwartharigen jongen man, naar het hotel snelden.

„Dat is om ons te doen,” fluisterde Raffles, terwijl hij Charly Brand de beambten wees.

„Wij zijn geen minuut te vroeg heengegaan. Als een muis zouden wij in de val hebben gezeten. De zwarte, dat is de kerel, uit wiens macht ik mijn beschermelinge heb gered, heeft haar verblijf ontdekt en moet hebben gezien, dat wij het hotel binnen gingen.

„Kom, wij zullen dit plaatsje verlaten.”

Hij legde een geldstuk op tafel en toen de kellner, met het bestelde kwam, zag hij tot zijn verbazing, dat de beide gasten verdwenen waren.

Raffles had met Charly Brand in een auto plaats genomen en was weggereden.

Eerst nu nam hij den brief uit zijn zak om te lezen wat Elvira hem te vertellen had.

De brief luidde:

JOHN C. RAFFLES.

Ik heb elken dag den Hemel gedankt voor de groote diensten en de onbaatzuchtige vriendschap, die gij mij hebt bewezen, hoewel gij niet hebt kunnen weten of gij met uw edel hart misschien een onwaardige de behulpzame hand hadt geboden.

Ik heb heden ingezien, dat ik u als loon voor uw vriendschap slechts in groote moeilijkheden kan brengen en heb begrepen, dat iemand, die zoo diep is gezonken als ik, het recht niet heeft, met eerlijke, fatsoenlijke menschen om te gaan.

Ik smeek u daarom, mij te vergeten.

Ik heb ook niet de minste hoop, dat mijn leven ooit anders zou kunnen worden.

Leef wel! De Hemel zal u rijkelijk beloonen voor al het goede, dat gij over hebt voor de armen en ongelukkigen.

Vergeet een rampzalige, die niet anders kan handelen en wees niet boos op mij.

Mijn laatste gedachte zal een zegewensch voor u zijn.

ELVIRA MANTHÉ.

Toen Raffles den brief tot het einde gelezen had, zuchtte hij, streek meermalen met de hand over het voorhoofd, sloot zijn oogen en gaf den brief zwijgend aan Charly Brand.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN DOOD MAN.

Den volgenden morgen, terwijl Raffles met Charly Brand aan de ontbijttafel zat, keek hij de brieven en documenten in, die hij den minister had afgenomen.

Verschillende der stukken waren in cijferschrift geschreven.

Raffles bestudeerde ze, om het schrift te ontcijferen. Dit gelukte hem ook; na een half uur had hij de oplossing gevonden en kon hij de brieven van het begin tot het eind lezen.

Het was juist zooals hij had vermoed.

De minister was inderdaad een schurk, die aan de Fransche Regeering allerlei geheimen betreffende vestingplannen had meegedeeld.

Geërgerd door den inhoud der documenten, sloot Raffles ze weg en nam een courant op.

Nauwelijks had hij deze eenige minuten ingezien, of hij sprong op en antwoordde op den vragenden blik van Charly Brand:

„Vraag nu niets! Maak je gereed, je moet dadelijk met mij mee naar het Ziekenhuis la Charité.”

Charly Brand had moeite, zich zoo snel te kleeden als zijn ongeduldige vriend dat wenschte.

Toen hij met Raffles in een auto zat en naar la Charité reed, gaf Raffles hem de courant, die hij nog steeds in de hand hield en sprak:

„Lees!”

Charly Brand las het volgende:

„Stadsnieuws. Een zekere Elvira Manthé trachtte gisteravond om zes uur zelfmoord te plegen. Voorbijgangers zagen, hoe zij plotseling van de Wilhelmsbrug in het kanaal sprong. De reddingsboot, die dadelijk werd losgemaakt, nam het levensmoede jonge meisje, ondanks haar hevigen weerstand, op. Zij werd naar la Charité overgebracht.”

Dit bericht had Raffles tot zoo grooten spoed aangezet.

Toen zij in het ziekenhuis aankwamen en naar het jonge meisje informeerden, kregen zij ten antwoord, dat zij reeds hersteld was en de inrichting over een half uur zou verlaten.

Er bleef Raffles dus niets anders over dan voor de deur af te wachten totdat het jonge meisje zou verschijnen.

Het duurde bijna een half uur, voordat zij naar buiten trad.

Lord Lister gevoelde een diep medelijden in zich opkomen, toen zij met vermoeide, langzame schreden en met een bleek, droevig gelaat naar hem toekwam. Hij snelde haar tegemoet en geleidde haar naar de auto, daarop gaf hij den chauffeur het adres op van zijn pension en bracht haar daarheen.

Zij mocht nu niet alleen gelaten worden, want al haar wilskracht was gebroken.

Raffles hield zich met haar bezig, alsof zij een jongere zuster van hem was. Het duurde niet lang of hij vernam van haar, dat de bedreigingen van den zwartharige haar tot de wanhopige daad hadden gebracht.

„Hoe hebt gij zoo dwaas kunnen zijn!” sprak Raffles, „door eenige waarde te hechten aan de woorden van dien deugniet. Wees nu niet meer beangst, mijn kind, alles komt in orde.

„Gij zult, vergezeld door een gezelschapsjuffrouw, een reis naar het zuiden maken om volkomen te herstellen. Uw vermogen zal op een soliede bank worden vastgezet en van de rente zult gij ruim kunnen leven.”

Zij wist niet, hoe zij hem kon danken.

De groote goedheid, die hij jegens haar aan den dag legde, overweldigde haar zoodanig, dat zij in een krampachtig snikken losbarstte.

Reeds dienzelfden avond kreeg John Raffles bericht van den advocaat, dat de minister het verlangde bedrag had uitbetaald en dat het geld op naam van het jonge meisje bij de Duitsche Bank was gedeponeerd.

Lord Lister wreef vergenoegd zijn handen.

Daarop begaf hij zich naar den advocaat en stelde dezen in het bezit van een aanklacht tegen zijn collega.

„Ik zal dien lichtzinnigen heer,” sprak Raffles, „een flinke straf bezorgen.”

Hij zocht nog een anderen rechtsgeleerde op en droeg dezen het proces tegen den bankier op. Eenige dagen later konden de advocaten hem mededeelen, dat, wijl de omstandigheden bijzonder gunstig waren voor het jonge meisje, de heeren zich bereid verklaarden, haar een flinke schadeloosstelling uit te keeren.

De bankier zoowel als de advocaat betaalden ieder 20,000 Mark en waren blij, op deze wijze van de zaak af te zijn.