Chapter 3 of 5 · 3984 words · ~20 min read

Part 3

„Gij vergist u,” riep de kastelein, „die man is geen speurhond of spion, hij is meer waard dan honderd van jelui met elkaar!”

„Hoe, ken je hem dan?” vroeg een roodharig jongmensch, „heb je soms met hem te zamen in de nor gezeten?”

„Dat juist niet,” antwoordde de waard, „maar als jelui vandaag het ochtendblad hadt gelezen, dat daarginds op tafel ligt, dan zou je zijn portret hebben gezien.

„Die man is Raffles!”

Deze naam had een uitwerking, alsof olie op de woeste golven werd gegoten; de oogen, die zooeven nog schitterden van wraak en bloeddorstigheid, kregen een schuwe en nieuwsgierige uitdrukking.

De handen, die reeds voor den aanval waren opgeheven, zonken naar beneden en de wapens werden weggeborgen.

Nu vroeg Raffles op kalmen toon aan de aanwezigen:

„Wie van jelui nu lust heeft om mij te verraden, moet vlug naar den dichtstbijzijnden politiepost gaan, wie dat echter niet wil, dien noodig ik uit om een flesch wijn met mij te ledigen.”

De bende, die zooeven nog den grooten onbekende in stukken had willen scheuren, brak uit in een luid hoera.

Allen staken Raffles de hand toe en ieder van hen was er op gesteld een handdruk te krijgen van den beroemden en door hen allen zoozeer vereerden meesterdief.

Eenigen tijd daarna verliet Raffles het lokaal, nadat hij den waard honderd mark had gegeven als tegemoetkoming in de onkosten der gemaakte vertering.

Met zijn beschermelinge ging hij de Charlottenstrasse door. Daar het meisje netjes gekleed was, kon hij, zonder opzien te verwekken, een groot koffiehuis binnengaan.

Toen zij daar aan een tafeltje in een der hoeken hadden plaats genomen en het jonge meisje tijd had gehad om weer geheel op haar verhaal te komen, vroeg hij naar haar naam.

„Ik heet Elvira Manthé,” luidde het antwoord.

„Leven uw ouders nog?”

Een smartelijke trek vertoonde zich op het mooie gezichtje.

„Ik heb alleen een moeder gehad, maar zij is een jaar geleden gestorven. Wij voorzagen samen in ons onderhoud door het naaien van linnengoed.

„Na den dood van moeder verloor ik mijn werk in het groote magazijn, omdat de chef meer van mij verlangde, dan ik hem als fatsoenlijk meisje kon toestaan.

„Toen werd ik ziek en had geen werk meer.

„Eenigen tijd later leerde ik een jongen man kennen, die mij door mooie woorden en bedreigingen maakte tot dat, wat ik nu ben.

„Maar zooals gij zelf hebt gehoord, ik wil dit leven niet langer leiden. Ik wil trachten als dienstmeisje mijn brood te verdienen.”

Het was de gewone geschiedenis, zooals bijna al deze ongelukkige schepsels doormaken.

„En leeft uw vader nog?” vroeg Raffles.

„Zeer zeker,” antwoordde het jonge meisje, „en ik ben uit papieren, die mijn moeder heeft nagelaten, te weten gekomen, dat hij een der aanzienlijkste inwoners van Berlijn is en in een villa in het Grunewald woont.”

Raffles spitste de ooren.

Nu begon de zaak belangwekkend te worden.

„Hebt gij uw vader wel eens opgezocht?”

„Ja, kort na moeders dood!”

„En wat antwoordde hij u?”

„Hij wees mij de deur en zei, dat mijn moeder waarschijnlijk wel meer minnaars zou hebben gehad dan hem en dat het in ’t geheel niet vaststond, dat hij mijn vader was.

„Ik zelf echter merkte, zoodra ik hem zag, dat wij zeer veel op elkaar gelijken.”

„Heeft deze beschuldiging eenigen grond?” vroeg Raffles. „Antwoord mij onomwonden. Gij kunt mij gerust uw volle vertrouwen schenken.”

Het jonge meisje bloosde.

Eerst zweeg zij eenige oogenblikken, maar toen haar blik viel op het nobele, eerlijke gelaat van den man, die zijn leven voor haar had gewaagd, antwoordde zij:

„Mijn moeder had destijds, zooals zij mij heeft verteld, uit wanhoop getracht, iemand voorgoed aan zich te binden, opdat zij niet ongetrouwd zou blijven en haar kind een vader zou hebben.

„Daarom had zij toen verschillende minnaars.”

De oogen van den Grooten Onbekende schitterden, wat altijd het geval was, als hij bliksemsnel een plan maakte voor een van zijn groote werken.

„Kent gij de adressen van die heeren?”

„Ja”, fluisterde het meisje, „ik ben in het bezit van brieven van hen allen, welke ik vond in de nalatenschap mijner moeder. Het zijn allen voorname lieden.

„Er is een professor uit Charlottenburg bij, een advocaat, die in de Friedrichstrasse woont, een dokter, een bankier en een predikant en dan in Grunewald....”

Raffles kon niet nalaten, in een hartelijk lachen uit te barsten.

„Maar kind,” riep hij uit, „dan hebt gij een zeer ingewikkeld vaderschap. U kan het nooit slecht gaan in de wereld. Een dokter, een bankier, een advocaat, een dominee, en een hooggeleerd professor. En wat is de heer die in het Grunewald woont?”

„Minister!”

„Dus ook nog een minister! Wel, wel, de voorzienigheid heeft het goed met u voor gehad, uw weg zal langs rozen gaan”.

Het jonge meisje begreep niet, waarom haar beschermer lachte. Zij meende, dat hij zich ten koste van haar amuseerde en eene bedroefde uitdrukking verscheen op haar bleek gelaat, toen zij sprak:

„Het is heel treurig voor mij, dat, waarom gij lacht.”

De groote onbekende streelde geruststellend haar hand en antwoordde:

„Neen mijn kind, het is in het geheel niet treurig voor u, maar integendeel voor u zoo voordeelig mogelijk. Er was alleen een mensch noodig zooals ik ben, om u de voor u gesloten geldbeurzen te openen, en dat zal ik doen zoo waar ik Raffles heet. Ik zal die zaak voor u in orde brengen.

„Ik zie nu, dat ge vermoeid zijt, en daarom wil ik u een voorstel doen. Waar woont ge?”

De tengere gestalte van het jonge meisje beefde bij deze vraag.

„In de Invalidenstraat,” sprak zij. „Maar ik kan daarheen niet terugkeeren. Hij zou mij daar vinden en de kostjuffrouw, een oude hartelooze koppelaarster, is zijne vriendin. Ik zou dan onmiddellijk weer in zijn macht zijn.”

„Dat veronderstelde ik reeds,” antwoordde Raffles, „en daarom zal ik u onder dak brengen in een fatsoenlijk hotel.”

„Maar ik heb geen geld,” antwoordde het meisje.

„Ik echter wel,” antwoordde Lord Lister lachend, „gij zult mij zeker wel toestaan, mejuffrouw, dat ik voorloopig alles betaal totdat gij het mij terug kunt geven.

„Kijk eens, neem alvast deze honderd Mark.”

Hij opende zijn beurs en drukte haar, zonder dat de andere aanwezigen het merkten, een biljet van honderd Mark in de hand.

Zij bloosde opnieuw.

„Ik kan dat geld niet aannemen, want ik weet niet, wanneer ik het u terug kan geven.”

Raffles lachte.

„Pijnig daarmee uwe hersens niet. Uwe vaders zullen u het geld verschaffen.

„Maar laat ons nu gaan! Gij begrijpt zeker wel dat ik het goed met u meen. Ik verwacht dus van u, dat gij mij wel zult willen gehoorzamen.”

Hij betaalde, hielp haar haar mantel aantrekken, nam op straat een rijtuig en bracht haar naar een rustig, hotel aan het Potsdammer Plein.

Hij zelf huurde daar een eenvoudige kamer, nam afscheid van haar en beloofde, dat hij haar den volgenden dag tegen den middag zou komen opzoeken.

Raffles echter had zich naar zijn kamer in het pension begeven en dacht er lang over na, in welke vreemde omstandigheden het toeval hem had gebracht.

Voordat hij insliep had hij een plan vastgesteld, en toen hij daarover nadacht, moest hij weer hartelijk lachen, omdat de zaak hem bijzonder grappig voorkwam.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE MINISTER.

Minister von Jensen, een vijftigjarig heer met verboemeld uiterlijk, zat in de studeerkamer van zijn weelderig ingerichte villa in het Grunewald, en was bezig brieven te schrijven.

Hij hoorde bijna niet het kloppen van zijn kamerdienaar, die binnentrad en hem een visitekaartje overhandigde.

Vluchtig las hij het kaartje, dat een wapen droeg en waarop gedrukt stond:

Graaf di Salvatore, Pauselijk geheim kamerheer.

Dadelijk stond de minister op en sprak tot den bediende:

„Breng den graaf in het salon, ik kom onmiddellijk.”

Daar hij een zeer ijdel mensch was, bracht hij voor een spiegel zijn toilet en haar in orde, draaide zijn snor op en trad daarna het salon binnen.

Een buitengewoon voornaam gekleed heer, die misschien veertig jaar kon tellen, stond bij zijn binnenkomen op, maakte een korte buiging en mompelde zijn naam.

„Waarmee kan ik u van dienst zijn, heer graaf?” vroeg de minister, terwijl beide heeren op de met zware damastzijde overtrokken stoelen plaats namen.

De graaf bestudeerde met een gelegenheidsgezicht zijn onberispelijke parelgrijze handschoenen en antwoordde:

„Ik ben tijdelijk eerevoorzitter van de Internationale vereeniging ter verspreiding der zedelijkheid.

„Wij hebben het plan om uwe Excellentie, in verband met uwe uitstekende reputatie, tot eerelid te benoemen, en wij hopen, dat gij het zegenrijke werk van onze vereeniging door uwe toetreding tot het eerelidmaatschap zult willen ondersteunen.

„De eereleden van onze vereeniging worden telken jare aan verschillende Europeesche vorsten ter decoratie voorgedragen.”

De oogen van den minister schitterden toen hij deze openbaring hoorde.

Hij was, evenals veel menschen, welke hooge betrekkingen bekleeden, zeer eergierig, en inplaats van de aanvankelijke koele houding, die hij tegenover den graaf had aangenomen, riep hij nu een allerbeminnelijkst glimlachje op zijn gelaat te voorschijn en sprak:

„Ik ben u zeer dankbaar voor de eer, lid van uwe vereeniging te mogen worden, ik verzoek u beleefd de formaliteiten, die daaraan verbonden zijn te willen uitvoeren.”

De graaf maakte een buiging en haalde uit zijn borstzak een document te voorschijn, dat hij openvouwde en den minister voorlas.

Het was van den volgenden inhoud:

„Hiermede verklaar ik aan den graaf di Salvatore, eerevoorzitter van de Vereeniging ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het lidmaatschap erken.”

De minister dacht eenige oogenblikken na en vroeg:

„Brengt dit lidmaatschap bepaalde verplichtingen met zich mee?”

De graaf glimlachte.

„Alleen die plichten, welke ieder nobel denkend mensch uit eigen overtuiging heeft te vervullen.

„Geldelijke opofferingen uwerzijds zijn niet noodzakelijk. De kas onzer Vereeniging wordt in stand gehouden door liefdadige inzamelingen en collecten.”

„Mag ik u vriendelijk verzoeken, mij naar mijn studeerkamer te willen volgen?”

De minister ging den graaf voor naar zijn werkkamer.

Toen zij daar binnenkwamen, had de bediende juist de laatst aangekomen post op de schrijftafel gelegd.

Bovenop den stapel brieven lag een enveloppe met een zegel, dat de graaf, zonder dat de minister het bemerkte, met scherpen blik bekeek.

De graaf zag, dat het stuk afkomstig was van het Fransche departement van oorlog.

De minister nam aan zijn schrijftafel plaats, las het hem zooeven overhandigde document nogmaals door en onderteekende het.

Hierna babbelden beide heeren nog een poosje onder het genot van een fijne sigaar, toen geleidde de minister zijn voornamen bezoeker persoonlijk naar beneden tot aan den uitgang der villa, waar een auto stond te wachten.

Nogmaals drukten zij elkaar vriendschappelijk de hand, daarop reed de graaf heen.

Zoodra hij in zijn auto wegsnorde, lachte hij luidkeels.

Hij haalde het document te voorschijn, bekeek nogmaals de onderteekening en mompelde:

„Gij zijt leelijk in de val geloopen, Uwe Excellentie! Hier heb ik duidelijk en klaar uw onderteekening onder een document, waarin gij jegens mij, den vermeenden eerevoorzitter der Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid, het vaderschap over uw buitenechtelijke dochter erkent.

„Binnen eenige uren zal het woord lidmaat, dat ik met mijn geheimen inkt heb geschreven, verdwenen zijn en in plaats daarvan met den inkt, waarmede ik de rest van het document schreef, het woord „vader” komen te staan.

„Zoodoende luidt dan de inhoud van het stuk dat gij uw vaderschap erkent.

„Ik heb ervoor gezorgd dat boven uw onderteekening plaats genoeg is open gebleven, om er nog een kleinigheid aan toe te voegen en wel den volgenden zin:

„„Ik verplicht mij, mijn buitenechtelijke dochter, mejuffrouw Elvira Manthé, voortaan volgens de eischen van mijn stand te onderhouden”.

„En nu zal ik mijnheer den professor gaan opzoeken.”

Het was niemand anders dan Raffles, die den Minister op deze wijze de door hem opgestelde verklaring had laten onderteekenen.

Met den professor had hij een gansch ander plan.

Deze was een bejaard heer van ruim zestig jarigen leeftijd en, naar John Raffles vernam, zeer angstig van natuur.

Hij scheen bovendien, zooals Raffles op een informatiebureau te weten kwam, diep in de schulden te steken,

Hier viel dus niets te halen voor zijn beschermelinge, hoogstens een naam.

Maar toch wilde Raffles in elk geval van ieder der heeren in het belang van het jonge meisje zooveel mogelijk partij trekken.

Hij sprak tot den professor:

„Ik ben een Amerikaan en heb een zuster gehad, die hier woonde en in wier nalatenschap ik eenige brieven vond.

„Hierin doet gij haar de schoonste en welsprekendste liefdesverklaringen, en ik neem dus aan, dat het u wel degelijk ernst is geweest, mijn zuster te trouwen.

„Gij hebt dit echter niet gedaan. Wel! Mijn zuster liet een dochter achter en deze beweert, dat gij haar vader zijt. Wilt gij dit bekennen?”

Den professor stond het klamme zweet op het voorhoofd.

Hij beefde over al zijn leden en fluisterde:

„Spreek zacht, opdat mijn vrouw, die zich in de kamer hiernaast bevindt, niets hoort. Ik weet niet, welke dame gij bedoelt. Meent gij soms Marie?”

De oude heer zag er niet meer uit als een Adonis, maar hij scheen nog steeds den Don Juan te spelen.

John Raffles moest hartelijk lachen.

„Dat zal u wel hetzelfde zijn bij den grooten voorraad dameskennissen, welke gij bezit, heer professor.

„Gij moet mij een briefje ter hand geven, waarin gij verklaart, de vader te zijn van mejuffrouw Elvira Manthé”.

„Is de juffrouw—ik bedoel, het kind—ik bedoel de jonge dame... al volwassen?”

„Ja zeker, heer professor. De jonge dame heeft den aanvalligen leeftijd van 22 jaar bereikt en verlangt niets liever dan den naam van haar vader te mogen aannemen.

„En daartoe heb ik uw verklaring noodig.”

„Om Godswil,” zuchtte de professor, „als mijn vrouw dat eens te weten kwam! Ik heb zelf zes kinderen en moet nog voor verscheidene andere zorgen.”

„Gij zijt een bijzonder net heerschap! Maar enfin, dat is uw zaak. Maak u verder niet ongerust over geldelijke aangelegenheid, waar het mijn nicht betreft, op dat gebied zullen wij u nimmer lastig vallen.”

Bij het hooren van deze woorden klaarde het gelaat van den professor merkbaar op.

„Dan is het goed. Ik dacht, dat gij mij om geldelijken steun zoudt komen vragen. Maar ik bezweer u, dat ik tot over mijn ooren in de schulden zit en dat ik nauwelijks weet, hoe ik al mijn verplichtingen na zal komen.”

„Hoe hoog is uw inkomen, als ik vragen mag?”

„Zesduizend Mark per jaar.”

„En hoeveel kinderen onderhoudt gij daarvan?”

„Zes kinderen, drie jongens en drie meisjes en bovendien nog, in vertrouwen gezegd, betaal ik voor drie andere.”

Raffles lachte.

Die man beviel hem wel. Hij was in elk geval openhartig en eerlijk.

„Ik twijfel geen oogenblik aan uw woorden, heer professor en om u te bewijzen, dat ik uw eerlijke principes huldig, dat ik uw fatsoenlijk optreden respecteer en eerbied voor u heb, omdat gij u zoo dapper heenslaat door de omstandigheden, die gij aan uzelf hebt te danken, ben ik zoo vrij om u uit naam van uw voor u onbekende dochter een bedrag van 5000 Mark te geven als bijdrage in de onkosten der opvoeding van haar zusters en broers.”

De professor wist niet of hij waakte of droomde.

Het kwam hem voor, alsof hij in een draaimolen zat.

Met wijd geopende oogen staarde hij naar het bankpapier, dat Raffles op de schrijftafel voor hem uittelde.

Opeens sprong de grappige oude heer op en voordat Raffles het kon beletten, omhelsde hij dezen, terwijl hij uitriep:

„Gij zijt de beste mensch, dien ik ooit heb leeren kennen. Ik heb altijd gezegd: hoe meer kinderen hoe meer zegen. Geef hier, ik zal het document onderteekenen, zooals gij het wenscht. Ik ben ten allen tijde, bereid om voor een dochter, die mij op zoo onbekrompen wijze ondersteunt, te doen, wat in mijn vermogen is.”

John Raffles maakte nu een eind aan het onderhoud en verliet, 5000 Mark armer, de woning van den professor.

Maar hij gevoelde, dat hij het geld niet aan onwaardige handen had toevertrouwd. De man zag er niet naar uit, alsof hij het op verkeerde wijze zou uitgeven.

Nu begaf hij zich naar den advocaat in de Friedrichstrasse.

Daar maakte hij kennis met een geheel ander soort mensch.

Ook deze was iemand van diep in de vijftig, maar hij had het type van een echten zwierbol.

Met ironischen blik monsterde hij den grooten onbekende door zijn monocle, toen deze hem vroeg, of hij zich zijn verhouding van twintig jaar geleden nog herinnerde met de moeder van mejuffrouw Elvira Manthé.

„Wel neen”, antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik zou wel een hoofd als een ijzeren pot moeten hebben, als ik mij nog alle vrouwen herinnerde, met wie ik een relatie heb gehad.

„Wat wil die dame van mij? Wil zij mij soms aansprakelijk stellen voor het een of ander?”

De advocaat maakte een beweging alsof hij geld uitbetaalde.

„Geenszins,” antwoordde de bezoeker, „integendeel, zij is overleden en heeft door een gelukkig toeval jaren geleden een hoofdprijs in de loterij gewonnen.

„Het erfdeel, dat de dame heeft nagelaten—ik ben de uitvoerder van het testament—moet op zekere voorwaarde aan u worden ter hand gesteld.”

Nu liet de advocaat zijn monocle uit zijn oog vallen en met een blik vol hebzucht keek hij den spreker aan.

„Hoeveel bedraagt het?”

„250,000 Mark”.

„Drommels!” riep de oude boemelaar uit, „als die voorwaarde niemand het leven kan kosten, zal ik er aan voldoen.”

John Raffles dacht eenige oogenblikken na, toen sprak hij:

„Ik heb naar u geïnformeerd, heer advocaat en vernomen, dat gij getrouwd zijt met een dame, die meerdere millioenen bezit en dat gij geen kinderen hebt.

„Het verbaast mij, dat een voor u zoo gering bedrag u zoodanig interesseert.”

„Neem mij niet kwalijk, 250,000 Mark is geen kinderspel, die kan men altijd gebruiken.

„Hoe luidt de voorwaarde? Ik ben bereid aan deze te voldoen.”

„Niet anders, dan dat gij de dochter van uw toenmalige geliefde als uw kind erkent en haar na uw dood als uw erfgename laat optreden.

„Wilt gij hieraan voldoen?”

De advocaat klemde zijn monocle weer in zijn oogholte.

„Maar dat spreekt van zelf!

„Een dochter, die iemand 250,000 Mark meebrengt, neemt men desnoods elken dag aan!

„Als gij het wenscht, zal mijn compagnon, die notaris is, deze overeenkomst onmiddellijk officieel opmaken.”

„Uitstekend”, antwoordde Raffles, „het is het beste om de aangelegenheid dadelijk in orde te maken”.

Een half uur later was aan de formaliteiten voldaan.

Toen Raffles met het document wilde vertrekken, vroeg de advocaat:

„Wanneer hoor ik nader over deze zaak?”

„Reeds over een paar dagen.”

„En wanneer wordt mij het geld uitbetaald?”

„Nadat gij aan uw verplichtingen jegens uw dochter hebt voldaan!”

Met verbaasde blikken vroeg de advocaat:

„Aan welke verplichtingen?”

„Gij zijt uw dochter de kosten verschuldigd voor haar levensonderhoud tot op haar 21e jaar. Gij weet zelf zeer goed, dat de wet dit voorschrijft!”

„Vervloekt!” riep de advocaat uit, „dat hadt gij mij wel eerder kunnen zeggen, aan die bijomstandigheid had ik niet gedacht.”

„Maar ik wel, mijnheer”, antwoordde Raffles, „en ik denk niet dat gij er goedkoop af komt.

„Mijn tijd is heden beperkt en het verdere zal mijn advocaat u wel mededeelen.”

Toen Raffles de huisdeur achter zich hoorde dichtvallen, kwam een vroolijke lach op zijn gelaat;

„Mijnheer de advocaat zit in de klem!”

Nu begaf hij zich naar den bankier.

Ook deze was een oude zwierbol.

„Ik ben van plan, uw dochter te trouwen,” sprak Raffles tot hem.

„Wat zegt gij daar?” riep de bankier uit. „Mijn dochter? God moge mij straffen, als ik een dochter bezit. Zijt gij krankzinnig?”

„Ik hoop het niet”, antwoordde de bezoeker. „Ik ben, evenals gij, mijnheer, ook bankier, maar kom uit Engeland. Ik bezit Australische en Amerikaansche goudmijnen. Men schat mijn vermogen op twee millioen pond sterling.

„Ik zou wel genegen zijn, uw zaak met de mijne te vereenigen, als gij, naar ik u zooeven zeide, mij uw dochter tot vrouw wilt geven.”

De bankier antwoordde lachend:

„Wilt gij mij voor ’t lapje houden? Ik zweer u, dat ik geen dochter heb. Het spijt mij intusschen zeer, een man als gij zijt, niet tot schoonzoon te kunnen krijgen. Maar gij moet u in het adres vergist hebben.”

„Ik vergis mij nooit en ik zou op het oogenblik niet bij u zijn, als gij niet inderdaad in het bezit waart van een dochter.

„Herinnert gij u niet, dat gij twintig jaar geleden in een zekere verhouding hebt gestaan tot een juffrouw Manthé?”

„Een actrice?”

„Dat weet ik niet”, antwoordde Raffles.

De bankier dacht na en Raffles zag, dat hij zich plotseling iets herinnerde.

„Ja juist!” riep hij uit, „een mooi meisje. In een confectiezaak werkzaam. Maar hoe weet gij dat? Ik herinner het mij nauwelijks nog.”

„Uit de brieven, die gij haar hebt geschreven en van uwe dochter.”

Nu werd de bankier zenuwachtig.

„Ik verzeker u nogmaals, dat ik geen dochter heb. Of zou soms— — —”

„Ja”, antwoordde Raffles. „Zoo is het. Misschien begrijpt gij mij nu, als ik zeg, dat gij een dochter bezit. En die dochter heb ik leeren kennen, ik wensch haar te trouwen, op voorwaarde echter, dat gij het arme meisje eindelijk dat geeft, waarop zij recht heeft, uw naam!”

„Wilt gij haar inderdaad huwen?”

„Anders zou ik hier niet voor u staan.”

„En gij wilt uw zaak met de mijne associeeren?”

„Zeer zeker.”

„Prachtig!” lachte de bankier. „Ik zoek reeds lang naar goede relaties in Engeland. Ik ben bereid, het meisje als mijn dochter te erkennen. Hoe kan die zaak geregeld worden?”

„Bij een notaris. En daar ik morgen voor de verdere afwikkeling der aangelegenheid naar Londen moet, zou het het beste zijn, als wij er dadelijk werk van maakten.”

„Afgesproken”, sprak de bankier, zette zijn cylinder op en begaf zich met Raffles naar zijn notaris, waar de noodige papieren in orde werden gemaakt.

Ook met dit document in den zak ging hij nu zijn beschermelinge opzoeken en met een vroolijk lachje sprak hij tot haar:

„Nu hebt gij de keus, mijn lieve juffrouw, hoe gij wilt heeten. Gij kunt kiezen uit vier vaders.

„Voor alles zullen wij ons door middel van een advocaat in verbinding stellen met den minister, dien ik inderdaad voor uw vader houd.”

Onderweg ging Raffles een telegraafkantoor binnen en seinde zijn vriend Charly Brand, onmiddellijk naar Berlijn te komen.

Toen de notaris het document had gelezen, dat John Raffles reeds in den vereischten vorm had opgesteld, sprak hij:

„De minister zal ongetwijfeld het proces verliezen. Ik zal hem dadelijk schrijven en van hem eischen, zijn verplichtingen na te komen door aan mij een bedrag te zenden van 20.000 dollars, zijnde de tot dusverre verschuldigde kosten voor levensonderhoud der jonge dame.”

Het speet Raffles, dat hij het lange gezicht van den minister niet kon zien, als deze het schrijven zou ontvangen.

Het geschiedde, zooals Raffles dit had verwacht.

In een onbeleefden brief weigerde de minister iets te betalen voor een hem geheel vreemd en onbekend persoon, in dit geval de voorgewende onechte dochter.

Er bleef dus niets anders over, dan een proces tegen den man te beginnen.

Veertien dagen later had de eerste termijn plaats.

John Raffles, die zich vermomd had en den indruk maakte van een zestigjarig heer, was in de rechtszaal aanwezig, om zich te overtuigen van den indruk, dien het document zou maken.

De minister wilde reeds den eed afleggen, toen de pleitbezorger den rechter het document overhandigde met de woorden:

„Zijne Excellentie schijnt een slecht geheugen te hebben. Ik ontving dit document van den voorzitter der Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid. Herinnert gij u dien heer, Excellentie, of ontkent gij misschien hem te hebben ontmoet?”

„Welneen,” antwoordde deze, „ik ben er trotsch op kennis met hem te hebben gemaakt.”

„Zoo, zoo,” glimlachte de rechter. „Is dit uwe handteekening, mijnheer?”

De minister keek naar het papier en herkende het onmiddellijk.

„Zeker, dat is mijn handteekening, mijnheer de voorzitter.”

„Kan die onderteekening door niemand anders geschreven zijn?”

„Onmogelijk, ik zelf zette ze eenige weken geleden.”

„Dan begrijp ik niet,” sprak de rechter, „waarom gij nog blijft ontkennen.

Hier in dit document staat het volgende te lezen: