Part 2
Om dezen krans te bestellen, had Raffles zich in den middag naar een bloemenwinkel in de Friedrichstrasse begeven en toen hij weer naar buiten trad, merkte hij tot zijn groote verbazing, dat hij door een persoon gevolgd werd.
Toen hij den man met een scherpen blik monsterde, ontdekte de groote onbekende, dat het een van de pandjesbazen was, die door hem bij den neus was genomen.
In de ochtendbladen had een reproductie gestaan van het portret en den brief van John Raffles en daarom had hij zijn gelaat nu voorzien van een vollen bruinen baard.
Ondanks deze voorzorg moest de pandjesbaas hem herkend hebben.
John Raffles, die het zeer onaangenaam vond om achtervolgd te worden, nam een huurrijtuig en reed daarin verder.
Toen hij zijn hoofd buiten het portierraampje stak, bemerkte hij, dat zijn vervolger met een anderen man in druk gesprek was en dezen, met heftige gebaren in de richting van het zich verwijderende rijtuig, iets vertelde.
Nu kwam het er op aan, om zijn vervolgers vóór te blijven.
Lord Lister haalde eenige goudstukken uit zijn zak te voorschijn en sprak tot den koetsier:
„Hier hebt gij geld, koetsier, en rijd nu zoo hard als het paard kan loopen, men vervolgt mij.”
De koetsier, een echt Berlijnsch type, begreep dadelijk, waarom het te doen was. Hij ranselde het paard en het rijtuig vloog als een pijl uit den boog de straat langs.
Maar ook de vervolgers deden hetzelfde en toen zij zagen, dat het rijtuig, waarin Raffles zat, niet in te halen was, omdat hun paard niet zulk een flink draver was als dat van den vluchteling, verlieten zij hun rijtuig bij de eerstvolgende gereedstaande auto, betaalden hun koetsier en namen plaats in den motorwagen.
De chauffeur riep wel op verontwaardigden toon: „Deze auto is bezet!”, maar de persoon, die den pandjesbaas vergezelde, hield den man een penning voor zijn verbaasde oogen, waaruit bleek dat hij beambte van politie was en sprak:
„Dienstzaak! Ik ben aansprakelijk voor de schade!”
„Nu, vooruit dan maar”, antwoordde de chauffeur, „waarheen?”
De politiebeambte wees den chauffeur het rijtuig, dat reeds in de verte verdween.
„Wij moeten het huurrijtuig, dat daar ginds rijdt, inhalen. Rijd snel, gij kunt een tienmarkstuk extra verdienen.”
„Dien sneltrein zullen wij in een oogenblik hebben achterhaald”, sprak de chauffeur en voort ging het met groote snelheid.
Als de bliksem zoo snel stoof de auto door de stille straat, waarin zich bijna geen enkele voetganger vertoonde en binnen eenige minuten was het rijtuig, waarin Raffles zat, ingehaald.
De politiebeambte, die Bender heette en een van de meest bekende vervolgers van Berlijnsche misdadigers was, schreeuwde, toen de auto, die niet snel genoeg tot stilstaan kon worden gebracht, tot den koetsier van het huurrijtuig, dat zij voorbijstoven:
„Blijf staan! In naam der wet!”
De koetsier, die wel inzag dat het een nuttelooze moeite zou zijn om niet te gehoorzamen, hield onmiddellijk de teugels van zijn paard in.
Op hetzelfde oogenblik sprong Raffles uit het rijtuig en verdween een seconde later in het eerste het beste huis.
Zoodoende had hij ongeveer twee minuten voor op zijn vervolgers, die eerst uit de auto moesten stappen, voordat zij hem konden nasnellen.
Raffles was langs de trap van het huis, dat vier verdiepingen telde, naar boven gevlogen en had met een kleinen looper de zolderdeur geopend.
Haastig sloot hij haar weer achter zich dicht en door een dakvenster klom hij naar buiten.
Hij snelde nu over de daken met evenveel gemak, alsof hij zich op den beganen grond voortbewoog.
De beambte van politie had zonder een oogenblik te aarzelen denzelfden weg genomen als de vluchteling.
Toen hij door het dakvenster naar buiten klom, zag hij, dat de Engelschman blijkbaar niet verder kon.
Met meesterlijke behendigheid snelde Bender langs den ongewonen weg, die over de daken leidde, voort, terwijl hij uitriep:
„Geef u over!”
Maar hij had moeten bedenken, dat Raffles tot dusverre nog door geen enkelen detective ter wereld gevangen genomen was.
De Groote Onbekende kwam naar den politiebeambte toe en Bender meende hieruit te mogen begrijpen, dat hij zich gewonnen gaf.
Maar voordat hij Raffles pols kon beetpakken, kreeg hij een vuistslag, die hem op het dak deed neertuimelen.
Bewusteloos bleef hij liggen.
Op dit oogenblik verscheen de pandhuishouder met eenige politie-agenten, die hij ter hulp had geroepen, eveneens op het dak.
Tevergeefs keek Lord Lister om zich heen, op welke manier hij zijn vlucht zou kunnen voortzetten.
Vóór hem ging de muur loodrecht naar beneden en had geen enkel steunpunt. Deze muur sloot aan een der zijden een binnenplaats af, die ongeveer tien meter breed kon zijn.
Op eenigen afstand hoorde hij reeds de stemmen van zijn nieuwe vervolgers.
Toen nam hij een overmoedig besluit.
Hij ging op zijn rug liggen en liet zich zoo langs het tamelijk steile dak aan den straatkant neerglijden tot in de dakgoot.
Voorzichtig kroop hij langs den rand, totdat hij aan de plek kwam, waar de waterpijp langs het huis naar beneden ging.
Eenige minuten bleef hij in geknielde houding in de goot liggen, daarop eerst liet hij zich langzaam afglijden langs den rand van het dak. Eindelijk hing hij geheel vrij, zich alleen met de handen aan de goot vasthoudend, boven de enorme diepte.
Om dit waagstuk uit te voeren, waren stalen zenuwen noodig.
Nu liet hij met de eene hand de dakgoot los en omklemde hiermede de naar beneden leidende looden waterbuis.
Op straat stonden eenige vrouwen naar de doldrieste klimpartij te kijken. Zij stieten luide kreten van ontzetting uit.
Intusschen was John Raffles ter hoogte van een balkon gekomen.
Maar tot zijn schrik bemerkte hij, dat het een onmogelijkheid voor hem zou zijn, om dit te bereiken.
Het gemetselde balkon was op meer dan een meter afstands van hem verwijderd.
Hij durfde het ook niet te wagen met een zijner handen de goot los te laten, want hij had geen steunpunt voor zijn voeten en moest dus beide handen gebruiken om zich stevig vast te houden.
De Groote Onbekende doorleefde vreeselijke oogenblikken.
Zijn vingers weigerden bijna hun dienst tengevolge van het krampachtige vastgrijpen en reeds dacht hij niet anders te kunnen doen dan langs de pijp verder naar beneden te glijden, toen de deur van het balkon geopend werd.
Een man trad naar buiten, maar ging verschrikt achteruit, toen hij iemand boven zich zag hangen. (Zie het titelblad.)
Met een enkelen oogopslag begrijpend, in welken gevaarlijken toestand deze vermetele waaghals zich bevond, riep hij:
„Wacht een paar seconden, ik zal u helpen!”
Haastig snelde hij in de kamer terug, om dadelijk daarna met een waschlijn terug te komen.
Hij bevestigde het eene uiteinde aan het raamkozijn en bond zich toen het andere gedeelte om zijn lichaam.
Nu klom hij over den rand van het balkon, hield zich met de rechterhand vast en greep met de linker Raffles onder den arm beet.
„Laat u nu los!” riep hij.
De Groote Onbekende sprong, terwijl hij gebruik maakte van het hem aangeboden steunpunt, met een handigen zwaai op het balkon en eenige seconden later stonden de beide mannen tegenover elkaar in de kamer.
Lord Lister dronk haastig een glas water, om zijn zenuwen te sterken en sprak daarna, terwijl hij zijn redder de hand reikte:
„Gij hebt mij het leven gered, beste vriend, en ik ben ten allen tijde bereid, het mijne voor u te wagen.”
„Dat was een gevaarlijke toestand, waarin gij u zooeven bevondt! Wilt gij mij niet vertellen, hoe gij aan die waterpijp terecht zijt gekomen?
„Uw waaghalzerij lijkt verduiveld veel op die van den dief en moordenaar Hennig.
„Ik hoop niet, dat gij een dergelijk sujet zijt. Gij ziet er ten minste niet naar uit.”
„Zoudt gij mij geholpen hebben, als ik een dief-moordenaar ware geweest?” vroeg John Raffles.
„Wel ja, waarom niet. Het zou jammer zijn, als de rechters niets te doen hadden.”
„Nu, een moordenaar ben ik niet”, antwoordde Lord Lister, „ik ben Raffles!”
Met open mond en verbaasde oogen staarde de bewoner der balkonkamer den Grooten Onbekende aan. Daarop riep hij uit:
„Raffles? Zijt gij Raffles, de man, wien het gelukt is, de pandjesbazen te bedriegen?”
De ander knikte bevestigend.
Met uitgestoken hand vervolgde de hulpvaardige man:
„Laat mij u de hand drukken. Ik ben dubbel blij, dat gij het zijt geweest, dien ik ervoor heb kunnen bewaren om den nek te breken. Het zou meer dan jammer zijn, als gij op dit oogenblik daar beneden moest liggen met verbrijzelde hersenpan.
„Maar ik begrijp nog steeds niet, hoe gij op die dakgoot zijt gekomen.”
„Heel eenvoudig, men achtervolgt mij,” antwoordde Raffles, „en er bleef mij geen andere keus over dan langs de goot en de waterpijp naar beneden te komen.
„En ook hier zal ik niet veilig zijn.”
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen op de gangdeur werd geklopt.
Beiden luisterden een oogenblik aandachtig.
„Daar zijn zij al!” fluisterde de groote onbekende.
De man, in wiens woning hij zich bevond, keek radeloos om zich heen.
„Gij zijt verloren. Ik weet geen enkel plekje, waar ik u voor de oogen der politie zou kunnen verbergen.
„Wat zullen wij doen?
„De beambten zullen de geheele woning doorzoeken.”
John Raffles keek aandachtig in de kamer rond en bemerkte, dat de keuken, waarvan de ramen op de binnenplaats uitkwamen, onmiddellijk aan het vertrek grensde.
De huisbewoner ging intusschen naar de deur en vroeg:
„Wie is daar?”
„In naam der wet, doe open!” klonk het op energischen toon.
„Een oogenblik, ik moet mij eerst even kleeden!” riep de bewoner van het huis, om tijd te winnen.
Opnieuw werd op de deur geklopt.
John Raffles had intusschen de waschlijn genomen en bevestigde deze aan het kozijn van het keukenvenster.
Nadat hij er zich van had overtuigd, dat niemand zich in de schemering op de binnenplaats bevond, sprak hij tot zijn redder:
„Zoodra ik daar beneden ben aangekomen, moet gij het touw afsnijden. Kijk eens, mag ik u dit als schadevergoeding geven voor de onkosten van het touw?”
Hij wierp den man een banknoot van honderd mark toe en was in het volgende oogenblik verdwenen.
Het duurde slechts eenige seconden of reeds had de groote onbekende de binnenplaats bereikt en met een zucht van verlichting sneed zijn redder het touw los.
Lord Lister ving het op, rolde het haastig tot een kluwen en wierp dit in de vuilnisbak.
Daarop ging hij kalm en bedaard door de gang van het huis naar de straat, waar wel twintig menschen naar de ramen van het gebouw stonden te gapen.
Zij hadden hem daarboven zien hangen en wilden nu, met begrijpelijke nieuwsgierigheid, het verdere verloop van deze interessante zaak meemaken.
Zij waren het ook geweest, die tot den politiebeambte Bender, toen deze uit zijn bewusteloozen toestand was ontwaakt, van de straat hadden toegeroepen, langs welken weg de onbekende waaghals was gegaan.
Nu stonden zij nog steeds naar boven te kijken, hun halzen uitrekkend en in de vurige hoop, elk oogenblik te zullen vernemen, dat de vluchteling gegrepen was.
Zij letten in hun groote opgewondenheid niet op den man, die zich nu bij hen voegde en met even groote belangstelling als zijzelf het huis aankeek.
„Wat is daar boven gebeurd?” vroeg hij aan een vrouw, die vlak naast hem stond.
„Zij vervolgen een dief en moordenaar,” antwoordde het oudje, „het is een van de handlangers van Hennig. Langs de waterpijp heeft hij zich naar beneden laten glijden. Toen is hij een vreemde woning binnengedrongen. Nu, zij zullen hem wel gauw hebben.”
„Als hij maar niet schiet!” sprak een andere vrouw, die met de handen in de zij druk had staan redeneeren met een paar opgeschoten fabrieksmeiden, doch nu vond dat zij hier ook een duit in het zakje moest doen.
„Als hij maar niet schiet, want ik kan dat ellendige knallen niet verdragen!”
„Kom, kom, hij zal ons hier beneden niet raken,” stelde de oude vrouw haar buurtje gerust. „Denkt u ook niet,” wendde zij zich tot Raffles, „dat wij hier wel veilig staan?”
Deze antwoordde met eenige vriendelijke woorden en het oudje richtte den blik uit haar kleine, bruine oogjes weer naar boven.
Intusschen stonden de beambten van politie nog steeds voor de deur te wachten.
Maar de bewoner van het huis scheen het er op aan te laten komen, dat zij op gewelddadige wijze zich toegang verschaften.
En reeds stonden de dienaren der heilige Hermandad op het punt om de deur open te trekken, toen de man deze voor hen ontsloot.
„Waarom hebt gij niet eerder geopend?” vroeg Bender.
„Daarvan ben ik u in het geheel geen rekening en verantwoording schuldig! Dat gaat u niets aan, mijn waarde!” antwoordde de huisbewoner, die fabrieksarbeider was. „Vertoon mij, voordat gij hier verder zoo brutaal optreedt, eerst uw hondenpenning, opdat ik kan zien dat gij inderdaad het recht hebt op deze wijze mijn woning binnen te dringen.”
De beambte vertoonde zijn politiepenning, waarop de man hem liet binnenkomen.
„Bij u verbergt zich een misdadiger, dien ik vervolg.”
De fabrieksarbeider hield de hand aan zijn oor, alsof hij niet goed verstond wat de ander zei.
„Wat bedoelt gij? Misschien één van de wassen beelden, die uit het panopticum is weggeloopen?
„Nu, ga uw gang dan maar, maar dat zeg ik u, dat gij elk meubelstuk weer precies zoo neerzet als gij het vindt!”
De agenten van politie doorzochten de geheele woning, terwijl de fabrieksarbeider met een spottend lachje naar hen keek.
„Zijt gij ook politie-agent?” vroeg hij den pandjesbaas, die in zenuwachtige onrust naast Bender stond.
De gevraagde keek den ander woedend aan.
„Probeer niet mij voor den gek te houden. Mijn naam is Löwenstein. Ik ben houder van een bank van leening.”
„Nee maar, die is goed! Die mijnheer voelt zich beleedigd, omdat ik hem aanzie voor een stillen agent van politie!
„Neem hem maar dadelijk in hechtenis, heer wachtmeester, wegens beleediging van een beambte!”
Bender was zenuwachtig geworden.
Hij had de geheele woning doorgezocht, doch niets gevonden.
„Zijt gij nu haast klaar?” vroeg de fabrieksarbeider. „Misschien wilt gij de kraan van de waterleiding nog even opendraaien, daar kon hij wel eens uit te voorschijn komen, of misschien uit de kachel.”
„Ik heb met eigen oogen gezien en niet ik alleen, dat de misdadiger zich eerst op uw balkon en daarna in uw woning heeft begeven.”
De fabrieksarbeider lachte.
„Welnu, dan moet hij ook nog hier zijn. Gij zult hem echter niet bij mij vinden.”
De beambte zag wel in, dat verder zoeken hier vruchteloos zou zijn en dat de vluchteling zich op de een of andere raadselachtige wijze uit de voeten had gemaakt.
„Ik wil u met genoegen een kleine aanwijzing geven,” vervolgde de fabrieksarbeider eindelijk, bij zichzelf overleggende, dat zijn beschermeling zich nu wel in veiligheid zou bevinden.
„Hebt gij in het Circus Busch wel eens den man gezien, die van een hoogte van veertig meter met het hoofd naar beneden naar omlaag springt?
„Als gij dat nog niet hebt gezien, dan hadt gij dat genoegen een kwartier geleden bij mij kunnen hebben.
„Het kereltje, dat gij zoekt, sprong als een aap, of liever als een vloo uit mijn keukenvenster, met een prachtigen zwaai precies in dien vuilnisbak daar beneden en weg was hij!”
Met een vloek verlieten de beambten de woning, terwijl zij op de trap nog het luide lachen van den fabrieksarbeider hoorden— —
Raffles had intusschen de schaar nieuwsgierigen verlaten en aan de eerste zijstraat een rijtuig genomen, waarmee hij zich naar de Linden liet brengen.
Bij den hoek der Wilhelmstraat betaalde hij den koetsier en te voet begaf hij zich naar een café, waar hij avondeten bestelde.
Toen hij op zijn gemak had gegeten, slenterde hij als een rondwandelend rentenier de Friedrichstraat langs naar zijn pension.
Hij lachte in stilte, als hij bedacht, welke gevaren hij had moeten trotseeren voor den lauwerkrans van den schouwburgdirecteur.
VIERDE HOOFDSTUK.
IN DE MISDADIGERSKROEG.
Het was reeds bijna elf uur in den avond en het gewone nachtleven van de Friedrichstraat had een aanvang genomen.
Op den hoek van de Schuttersstraat stond Lord Lister naar een kleinen volksoploop te kijken.
Toen hij er dichterbij kwam, zag hij, hoe een agent van politie een jong meisje bij den arm vasthield en haar wilde wegbrengen.
Eenige mannen met echte misdadigerstronies volgden den politiebeambte.
Toen deze zich op eenigen afstand van het samengeschoolde volk bevond, sprong plotseling een der mannen naar hem toe en sloeg hem met een looden stok den helm van het hoofd.
De agent liet het meisje los en wilde zijn wapen te voorschijn halen.
Voordat hij echter zoover kwam, had een ander der kerels, een groote, zwartharige man, die volgens zijn uiterlijk over reuzenkrachten moest beschikken, hem met een gummistok, dien hij uit zijn mouw te voorschijn haalde, een geweldigen slag op de hersens gegeven, zoodat de agent bewusteloos neerviel.
In het volgende oogenblik hadden de kerels het meisje beetgepakt en liepen met haar de Charlottenstraat door tot aan de Jonkerstraat.
John Raffles, die het interessant vond om eens het intieme leven der Berlijnsche misdadigers gade te slaan en te keren kennen, was hen gevolgd en zag, dat de mannen met het meisje in een kelderlokaal in de Jonkerstraat verdwenen.
Lord Lister begreep dadelijk, dat dit lokaal een misdadigerskroeg was.
Vol belangstelling daalde hij de donkere, smalle keldertrap af en keek eens rond in de vuile, verwaarloosde ruimte.
Aan ongedekte houten tafeltjes zaten jonge mannen met vrouwspersonen van verschillenden leeftijd; zij speelden kaart en dronken bier.
Van het jonge meisje en de drie mannen, die hij op straat had gezien, ontdekte Raffles echter niets.
Zij moesten zich in het andere vertrek bevinden, dat door een katoenen gordijn van het eerste was gescheiden.
De waard, die achter een toonbank, die zich dicht bij het katoenen gordijn bevond, glazen spoelde en bier tapte, nam Raffles met onderzoekende blikken op en wilde hem beletten, het achtervertrek binnen te gaan.
Maar een goed gekleed heer, die een cylinder op het goedverzorgde hoofd droeg, en die Raffles ook met een scherpen blik had opgenomen, wendde zich tot den waard en sprak, terwijl hij naar Raffles wees:
„Alles in orde!”
Dus begaf de Groote Onbekende zich naar het achterste vertrek.
De bezoekers, die zich daar bevonden, waren allen stamgasten van den boevenkelder, die hier geregeld bij elkaar kwamen.
Raffles zag, dat het meisje met de drie kerels in een hoek zat.
Schijnbaar toevallig ging hij ook naar die zijde van het vertrek, nam plaats op een der stoelen vlak bij het groepje en bestelde een flesch wijn bij den herbergier, die door zijn gasten nooit anders dan „Ratel-Max” werd genoemd, omdat hij altijd te veel sprak.
Alsof hij niet het minste belang stelde in hetgeen om hem heen voorviel, zoo begon Raffles zijn wijn te drinken.
Intusschen merkte hij op, dat de man met het zwarte haar, die het meisje uit de handen van den politieagent had gered, op driftigen toon tot haar sprak en blijkbaar iets van haar verlangde, waarmede zij het niet eens was.
De zwartharige, wiens kleeding betere dagen had gekend, maar toch van eenigen opschik getuigde, keek met zijn schuwe, fonkelende oogen woedend naar het meisje.
Plotseling sprong de jonge vrouw op en riep uit:
„Ik wil het niet langer doen. Ik heb je reeds twintig keer gezegd, dat ik morgen een betrekking als dienstmeisje ga zoeken. Ik heb genoeg van het leven, elke hond heeft een beter bestaan dan ik.”
„Ik sla je alle ribben stuk! Is dat je dank, dat ik je uit de klauwen van dien politieploert heb gered?” klonk het brutale antwoord.
„Als jij me niet de straat op had gejaagd als een beest, om mij daar mijn schandelijk bedrijf te laten uitvoeren, zou ik niet in hechtenis zijn genomen.
„Ik zeg je nu voor de laatste maal, laat mij met rust! Morgen verhuur ik mij als dienstmeisje.”
Bij het hooren van die woorden was de zwartharige kerel van zijn stoel opgesprongen.
„Je wilt dus niet meer werken voor je brood? Geen profijt trekken van je mooie snuitje? Ik zal je eens flink op je hersens trommelen, zoodat hooren en zien je vergaat.”
Het jonge meisje, dat een merkwaardig fijn en interessant kopje had, en in wier oogen een bijna kinderlijke naïeve uitdrukking lag, keek als om hulp zoekend om zich heen.
Maar aan alle kanten zag zij grijnzende hoonende tronies.
„Wil je doen, wat ik je beveel, of wil je dat niet?” brulde de zwartharige met gebalde vuist.
Met angstig afwerend gebaar hief het meisje, als om mededoogen smeekend, haar handen op en riep met een vastberadenheid, die Raffles niet bij haar had vermoed:
„Neen!”
Zij kroop weg voor de neerdalende vuist van den woesteling als een angstig vogeltje.
Maar voordat de vuistslag haar kon treffen, was een redder voor haar komen opdagen.
John Raffles was met een ruk van zijn stoel opgesprongen, had de vuist van den zwartharigen jongen man beetgepakt, zijn pols met een handige beweging omgedraaid en had den kerel tegen den muur gesmeten, waar hij met een harden plof neerviel.
Een woest geschreeuw weerklonk uit de monden der andere gasten van den boevenkelder.
Raffles had, onbevreesd voor alle dreigementen, die hem naar het hoofd werden geslingerd, het meisje bij den arm gegrepen en het naar zijn tafeltje gebracht.
„Vervloekte hond!” riep een van de makkers van den zwartharige, „dat zal je nog niet zoo glad zitten.”
De Groote Onbekende zag, dat de schreeuwer een scherp mes in de handen hield.
„Maak appelmoes van hem!” brulde een der anderen.
De zwartharige was weer opgesprongen.
Het witte schuim stond hem van woede op de lippen.
Maar hij had den moed niet, Raffles aan te vallen.
Hij had ontzag gekregen voor de kracht van dezen onbekende, die hem zooeven maar al te duidelijk was getoond.
Maar deze houding viel niet in den smaak der kroeggasten; zij begonnen hem voor den gek te houden.
„Wat!” schreeuwden zij, „de mooie Adolf durft den fijnen meneer niet aan! Wat een held!”
„Ik steek hem dood!” riep de zwartharige woedend en wilde zich met opgeheven mes op zijn vijand werpen.
John Raffles liet hem kalm naderbij komen. Hij hief niet eens zijn hand op om zich te verdedigen.
Alleen zijn ijskoude, scherpe blik scheen den ruwen kerel te willen doorboren.
Met een luiden gil wilde het jonge meisje haar beschermer behoeden voor een messteek van den misdadiger, maar Lord Lister weerde haar vriendelijk terug.
Brullend en schuimbekkend van woede hief de zwartharige den arm op om Raffles het mes in de borst te stooten, maar in het volgende oogenblik, nog voordat hij in staat was om zijn plan ten uitvoer te brengen, had Raffles hem een trap in de maagstreek gegeven, die hem als een bal door het lokaal deed rollen.
Deze nieuwe nederlaag van den makker maakte diens vriend bijna zinneloos van woede.
Als een krankzinnige stortte ook hij zich met opgeheven mes op Raffles, die nu een stoel opnam en met dezen zoo bliksemsnel om zijn hoofd rondzwaaide, dat het niemand mogelijk zou zijn geweest om hem te naderen.
Op dit oogenblik kwam de waard met den heer met den cylinder het lokaal binnen.
Eén der kerels, die toch nog de brutaliteit had, om op Raffles los te stormen, kreeg zulk een geweldigen slag met een stoelpoot, dat deze in splinters uit elkaar vloog en den aanvaller op den grond slingerde.
Dit was het teeken voor alle aanwezige gasten, om Raffles aan te vallen. Een waar oproer ontstond onder de aanwezigen.
Met stoelen en flesschen, bierglazen, messen en bordjes wilden de schavuiten den vreemdeling te lijf trekken.
Op dit oogenblik kwam de waard tusschenbeide, hij plaatste zijn reusachtige, gespierde gestalte voor Raffles, haalde een revolver te voorschijn en schreeuwde:
„Als iemand van jelui lust heeft om een blauwe boon te krijgen, laat-ie dan maar opkomen!
„Hier moet en zal rust heerschen!”
„Help dien spion naar de andere wereld! Sla den hond de hersens in!” klonk het als antwoord uit de menigte.
Als een bende wilde dieren, met de hoofden in de schouders, en oogen, die van wraaklust en bloeddorst fonkelden, stonden de kerels rondom Raffles en den waard.