Part 1
LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 319 HET KOMPLOT TEGEN JUDENITSCH.
HET COMPLOT TEGEN JUDENITSCH.
HOOFDSTUK I.
IN HET KAMP DER WITTEN.
Het was op een vinnig kouden Decemberdag, toen een met twee krachtige paarden bespannen slede snel voortgleed over de met sneeuw bedekte vlakte die zich als een eindeloos tapijt zonder eenige afwisseling, ten noordoosten van het Onega-Meer uitstrekt.
In deze slede zaten drie personen.
De man die de paarden bestuurde was iemand van reusachtigen lichaamsbouw en hij had in het geheel geen Russisch type; men herkende in hem den vreemdeling, zelfs al was er van zijn gelaat niet veel meer te bespeuren dan de neus en de oogen, daar de rest verborgen was onder een grooten bontmuts met kleppen.
De twee andere personen zaten achter in de slede, en ook zij waren dicht in hun pelsen gewikkeld, zoodat er weinig van hun gelaat te bespeuren viel.
Deze beide mannen waren John Raffles, de gentleman-inbreker, en zijn trouwe vriend Charly Brand en de reus, die de paarden bestuurde, was James Henderson, die in zijn dagelijksch leven chauffeur was van den grooten Onbekende, wanneer deze onder den naam van Lord William Aberdeen, in zijn fraai huis te Londen woonde.
Door een zonderlingen samenloop van omstandigheden bevonden de drie mannen zich thans tusschen twee strijdende partijen in dit onherbergzame gebied van Rusland, tusschen de witten en de rooden, die hier pas kort geleden een verbitterd gevecht hadden geleverd, waarbij de Rooden de overhand hadden behouden.
John Raffles was natuurlijk onder een anderen naam en wel als graaf Finsburry, omtrent een week geleden een zijner Russische vrienden gaan bezoeken: Iwan Dobrinsky, die tot de roode partij behoorde, zooals Raffles tot zijne niet geringe verbazing bemerkt had.
Hij kwam met Charly Brand op diens landgoed om er te jagen, maar instede daarvan geschiedde er heel iets anders!
Dicht in de nabijheid werd hevig gestreden, en Dobrinsky nam als kapitein aan dat gevecht deel, terwijl Raffles en zijn reisgezel zich aanboden als geneesheer en Roode-Kruissoldaten, teneinde de gewonden te verplegen, waarbij zij er volstrekt niet op letten of deze ongelukkigen Bolsjewiki dan wel Monarchisten waren.
Maar Raffles had nog een doel, hij wilde onderzoek doen naar de verblijfplaats van een jong meisje, de verloofde van Dobrinsky, die in handen van een majoor van het Witte Leger was gevallen!
En het had hem mogen gelukken, met behulp van den trouwen Henderson, tot in de vijandelijke linie door te dringen en daar het jonge meisje te bevrijden uit het huis, waar deze eerlooze schurk, Michael Popowitch geheeten, haar had opgesloten.
Met een buitgemaakte vliegmachine hadden zij naar het legerkamp der Rooden kunnen terugkeeren en dadelijk was Ilja Sicorsky, zoo was de naam van het ontvoerde meisje, naar haar verloofde toegesneld, die bij de jongste gevechten opnieuw gewond was, hoewel gelukkig niet zwaar.
Dit alles had zich toegedragen in het kleine stadje Koloderskei, eenige wersten ten oosten van de Wodla gelegen, en waarom hevig gestreden was.
In dit stadje werd Dobrinsky verpleegd, en nu zijne genezing slechts een kwestie van tijd was en hij zijn aanstaande vrouw hervonden had, was er voor Raffles geen reden meer, om hier te blijven vertoeven, daar zijn toestand wel eens zeer onaangenaam kon worden.
Hij had daarom hartelijk afscheid genomen van Ilja en van zijn vriend Dobrinsky, en zich met Charly en Henderson op weg begeven om naar Petrograd terug te keeren, waar zij weder den trein hoopten te nemen, die hen door Westelijk Rusland, Polen en Duitschland weder huiswaarts zou voeren.
Maar er hadden zich in die acht dagen gebeurtenissen voorgedaan waarvan Raffles onkundig was gebleven en die zijne plannen zeer ongunstig zouden beïnvloeden.
Want in die enkele week had het leger van Generaal Judenitsch snelle en aanzienlijke vorderingen gemaakt en bedreigde nu Petrograd van twee zijden: uit het zuiden en uit het zuid-oosten.
Tegelijkertijd maakte de rechterflank van zijn leger, dat uit verscheidene Divisies bestond eene zeer groote omtrekkende beweging, klaarblijkelijk met het doel om aansluiting te krijgen bij eene andere afdeeling der Witten, die ten Oosten van het Onega-meer streed.
Indien deze beweging slaagde, zouden de Rooden daar ter plaatse als in een nijptang gevangen zijn, en de insluiting van Petrograd zou slechts een kwestie van tijd zijn.
De Bolsjewiki zouden zich daar spoedig moeten overgeven daar men de stad geheel zou kunnen isoleeren en den levensmiddelen-toevoer zou kunnen afsnijden.
Van dit alles wist Raffles echter nog niets, toen hij met zijn twee reisgezellen Koloderskei verliet, om de lange reis naar Petrograd te beginnen.
Het vroor sedert eenige weken fel, en het Onega-meer was met een dikke ijskorst overdekt, zoodat men den weg aanzienlijk zou kunnen bekorten en tot ongeveer vijfhonderd wersten beperken, dat is ongeveer evenveel kilometers beperken door dit meer dwars over te steken.
Als ze op geregelde tijden bij de posthuizen van paarden verwisselden zou men per dag wel honderd wersten kunnen afleggen, en als het moest zou men nog sneller kunnen rijden.
Treinen waren er in deze streken niet, en men was des winters uitsluitend op de slede als vervoermiddel aangewezen.
Raffles en Charly hadden aldus reeds twee dagen gereisd, voorzien van eene groote hoeveelheid levensmiddelen, gepekeld Berenvleesch, groenten in blik en brood, hetwelk zij aan de posthuizen nu en dan aanvulden, en er had zich nog niets bijzonders voorgedaan, ja, als zij niet pas kort geleden zelven aan den strijd hadden deelgenomen, dan zouden zij meenen, dat hier in Rusland alles rust en vrede was, en dat hier geen afschuwelijke broederstrijd werd gevoerd.
Zij waren de kleine stad Wytegra reeds gepasseerd, welke gelegen is aan den Zuid-Oostelijken punt van het Onega-meer, en reden nu door de vlakte, welke dat meer scheidt van den lagen bergketen in het Oosten, welke op zijn beurt het moeras begrenst, hetwelk zich vele tientallen wersten ver in Oostelijke richting uitstrekt, maar dat ook thans overdekt was met een korst ijs, sterk genoeg, om er de zwaarste artillerie zonder gevaar over te kunnen vervoeren.
Slechts zeer zelden waren zij eene kleine afdeeling Rooden tegengekomen, die op patrouille waren, en die hen allen ongehinderd lieten passeeren, zoodra zij hunne door den opperbevelhebber van het Roode leger geteekende passen lieten zien.
Maar nu waren zij reeds uren en uren door de barre sneeuwwoestenij getrokken zonder eenig levend wezen te ontmoeten, uitgezonderd een paar vluchtende raven, die als zwarte stippen hoog aan den hemel verschenen, die vaag blauw was, als verlepte zijde, en dan snel nederkwamen, om eenige keeren boven hun hoofden te cirkelen, om tenslotte weder te verdwijnen.
Het was omstreeks drie uur in den middag, toen Charly de hand ophief en naar iets zwarts in de verte wees, dat vrij duidelijk afstak tegen de verblindende witte sneeuw.
Dat zwarte scheen naderbij te komen en grooter te worden.
—Wat zou dat zijn? vroeg de jonge man. Toch geen Rooden?
—Dat komt mij onwaarschijnlijk voor. Ik kan niet aannemen, dat de Rooden zich zoover zuidwaarts zouden wagen, al hebben zij eergisteren groote vorderingen in Oostelijke richting gemaakt.
—Zie—de zwarte vlek beweegt zich nu snel, en komt onze richting uit. Raffles had zijn kijker te voorschijn gehaald, veegde de beslagen lenzen schoon en bracht het instrument aan zijn oog.
Hij tuurde even scherp en liet toen den kijker weder zakken.
Zijn gelaat stond ernstig.
—Wat is het? vroeg Charly nieuwsgierig.
—Een kleine troepenafdeeling—en ditmaal niet van de Rooden, maar van de andere partij! gaf Raffles ten antwoord.
—Zouden zij ons gezien hebben? ging de jonge man voort.
—Ongetwijfeld, want zij komen recht op ons aan, binnen tien minuten kunnen zij hier zijn.
—Kan eene ontmoeting met de Witten ons niet gevaarlijk worden?
—Ik wil het niet verzwijgen, dat ik hen veel liever vermeden had! zeide Raffles hoofdschuddend. Wij komen van den kant der tegenpartij, en onze passen zijn geteekend door de Rooden. En de verbittering tegen de Bolsjewiki is fel, dat weet je!
—Zouden wij hen nog kunnen ontwijken?
—Daartoe is het te laat—en bovendien: waar zouden wij dan heen moeten? Wij kunnen niet terugkeeren, want om naar Engeland te reizen, moeten wij over Petrograd gaan. De reis naar Archangel waar onze landgenooten nog zeer geringe marinetroepen hebben staan, zou in dit jaargetijde zeer gevaarlijk zijn, en wij zouden weken lang door de steppen moeten trekken, en daarenboven wordt er in die streken hevig gevochten, en men zou ons zeker daar niet zoo gemakkelijk doorlaten, als in deze buurt waar slechts sporadisch gevochten wordt.
De zwarte vlek was nu reeds veel dichterbij, en men kon al met het bloote oog ontdekken, dat daar een dertigtal ruiters naderden, op kleine, maar sterke paarden gezeten, en allen in uniform gekleed.
Zelfs al zouden zij gewild hebben, dan zouden de drie mannen niet meer hebben kunnen vluchten, want de ruitertroep was niet alleen met geweren bewapend, maar voerde ook een paar mitrailleurs op sleden mede, die door groote honden getrokken werden, en Raffles en zijn reisgezellen waren reeds eenigen tijd onder schot gekomen.
Nog tien minuten en toen konden de reizigers zelfs de distinctieven op de kragen der meerderen zien.
De kleine troep stond onder bevel van een eersten luitenant, die vooruit reed, met de vuist op de heup geleund, in een trotsche houding.
Hij hield zijn paard in en bracht het naast de slede, terwijl hij de hand ophief en bevelend riep:
—Halt! Wie zijt gij, en hoe komt gij hier?
—Wij zijn Engelschen, en wij hebben hier gejaagd!
—Gij komt uit het Noorden—gij zijt dus bij de Rooden geweest?
Daar ontkennen niet zou baten, antwoordde Raffles rustig:
—Ja, luitenant!
—Toon mij uw passen!
De papieren werden te voorschijn gehaald, en de luitenant las ze met aandacht door.
Zijn gelaat verkreeg een koude, dreigende uitdrukking, toen hij weder opkeek van het papier.
—Ik zie de handteekening van Trotsky op deze passen! zeide hij langzaam. Gij zult mij moeten volgen!
—Waarheen en waarom, als ik vragen mag, luitenant? kwam Raffles.
—Daarop behoef ik u niet te antwoorden, mijnheer! antwoordde de luitenant koeltjes. Ik tref u hier op een gevaarlijke plek aan, gevaarlijk vooral voor u, zooals u spoedig zal blijken! En gij komt uit het Noorden, van de zijde der Bolsjewiki! Ik wil u de waarheid niet verbloemen—ik houd u voor spionnen!
—Daartegen protesteer ik, hernam Raffles kalm. Ik erken, dat wij als Roode Kruissoldaten dienst hebben gedaan bij het Roode leger—maar ik verzeker u, dat wij geen seconde geaarzeld zouden hebben, den Witten onze diensten aan te bieden als het toeval gewild had, dat de vriend, dien ik hier ging bezoeken, tot de monarchisten had behoord.
—Dit is een zaak, welke de krijgsraad heeft uit te maken, mijnheer, ging de luitenant voort, terwijl hij de passen in zijn wijden mantelzak liet glijden.
—De krijgsraad! riep Raffles uit. Zoudt gij vrije Engelschen voor een krijgsraad willen en durven dagen? Bezint voor gij begint, luitenant—dat is alles wat ik u te zeggen heb!
Maar de Rus verhief zich trotsch in het zadel en riep toornig:
—Gij hebt wel recht, u op uwe nationaliteit te beroepen, mijnheer! Als uw landgenooten ons ter hulp waren gekomen, toen de tijd daarvoor gunstig was, dan zouden wij de Bolsjewiki reeds onder de knie hebben gehad, en in ons arm land zouden nu geen ellende en broedermoord heerschen! Als gij Uwe troepen niet uit vrees voor de Bolsjewiki terug had geroepen, dan zou de nederlaag van generaal Judenitsch onder de muren van Petrograd niet hebben plaats gehad, en de hoofdstad zou nu reeds in ons bezit zijn!
Terwijl Raffles naar deze bittere woorden luisterde, zwollen de aderen van toorn op zijn voorhoofd, maar hij wist zich te beheerschen en haalde de schouders op.
—Ik weet niet, of uw politiek inzicht ver genoeg strekt, om u een beter inzicht in de houding van de Engelsche regeering te geven! zeide hij. Maar hoe dit ook zij—men zal te Londen niet toelaten, dat Engelschen door Russen, wie zij dan ook zijn, ongestraft voor een krijgsraad worden gesleept!
De Rus barstte in een onbeschaamd lachen uit en riep spottend:
—Gij spreekt bout, mijnheer de Engelschman! Gij vergeet dat wij meester zijn in ons eigen land, en dat wij om ons bestaan strijden! Tijdens den grooten oorlog werden vreemdelingen die van den kant van den vijand kwamen zonder vorm van proces doodgeschoten—dat hebben Uwe landgenooten ook gedaan, en gij weet zeer goed dat dit oorlogsgebruik is.
Raffles zweeg, want in zijn binnenste moest hij den Rus gelijk geven.
Als de Franschen bijvoorbeeld gedurende een offensief burgerlijke personen hadden aangetroffen in “Niemandsland” dan zouden zij hen zeker dadelijk gefusilleerd hebben, en de Engelschen zoowel als de Belgen, de Amerikanen en de Duitschers deden desgelijks.
Een beroep op zijne regeering zou hem dan ook niet baten, dat wist hij zeer goed!
Hij had slechts eens willen zien, of zijne bedreiging wellicht indruk op den luitenant zou hebben gemaakt; deze had intusschen zijn paard weer doen wenden en gaf nu in zijn landstaal eenige korte bevelen aan zijn manschappen.
De ruiters kwamen aangalloppeeren, en één hunner steeg af, gaf de leidsels van zijn paard aan een makker, en nam naast Henderson plaats, om de teugels van de twee paarden te grijpen.
Met een grimmig gelaat wendde de reus zich naar Raffles om, en vroeg:
—Zal ik dien kerel met zijn boeventronie van de slede smijten, Milord of moet ik dulden dat hij naast mij blijft zitten en mij de teugels afneemt?
—Laat hem begaan, Henderson! beval Raffles. Iedere tegenstand is nutteloos en zou onzen toestand slechts verergeren.
Brommend gaf de reus nu de teugels aan den Rus, en hij uitte een paar krachtige echt Londensche verwenschingen, die den soldaat echter volkomen onverschillig lieten.
Deze liet een eigenaardig kleppend geluid met de tong hooren en daarop schoten de paarden vooruit, terwijl de geheele ruiterstroep rechtsomkeer maakte en de slede omringde.
De jonge Luitenant had zijn paard naast het voertuig gebracht en richtte zich nu opnieuw tot Raffles.
—Gij erkent nietwaar, dat gij bij de Rooden geweest zijt?
—Dat heb ik U zooeven medegedeeld! antwoordde Raffles kortaf.
—Dan zult gij wel op de hoogte zijn van hun plannen?
—Slechts in zeer geringe mate!
—Maar dan sympatiseert u dus met de Bolsjewiki riep de Luitenant toornig.
—Daaromtrent wensch ik mij niet uit te laten, hernam Raffles koeltjes. Ik kan u alleen zeggen, dat het met mijn begrip van eer in strijd is, als ik de geheimen verraad van lieden, die mij gastvrij ontvangen hebben, en die mijne hulp hebben aanvaard!
De Luitenant beet zich op de lippen, maar hij drong niet verder aan.
Zwijgend werd de tocht voortgezet.
De kleine stoet trok in Zuid-Westelijke richting verder, en bereikte ten slotte, toen de duisternis reeds gevallen was een klein gehucht aan de monding van de Suda gelegen.
En nu pas begon Raffles den toestand beter te begrijpen, en bemerkte hij dat de Witten een omtrekkende beweging op groote schaal hadden ondernomen teneinde de Rooden ten Oosten van het Onega-Meer in den flank te kunnen aanvallen, en hun zoo mogelijk in den rug te komen, om hun dan een vernietigende nederlaag toe te brengen.
Reeds eenige malen waren zij oprukkende kolonnes gepasseerd, die hun stellingen gingen innemen, en voortdurend in Noordoostelijke richting oprukten.
Het was duidelijk dat van de manschappen het uiterste werd gevergd, want als deze groot opgezette beweging niet snel werd uitgevoerd, dan zouden de Rooden wellicht den tijd vinden, zich uit den knellenden greep van de tegenpartij los te maken.
Het Gehucht zelf was vol artillerie, cavallerie en infanterie, en klaarblijkelijk werd het als een sterk steunpunt beschouwd.
Adjudanten op Motorrijwielen en paarden renden langs de met sneeuw bedekte straten heen en weder, waaruit Raffles terecht afleidde, dat zich in deze vlakte stafofficieren ophielden.
Voor zoover hij het kon beoordeelen moest het zelfs een divisiestaf zijn, wat niet te verwonderen was, want dit gehucht was het scharnierpunt, waaromheen de aanvallende legers hunne omtrekkende beweging zouden maken.
Nog steeds omringd door den kleinen ruitertroep gleed de slede het gehucht binnen; volgde de eenige straat, welke het rijk was, en hield eindelijk stil voor een huis, hetwelk waarschijnlijk een herberg was, want er hing een oud verveloos uithangbord boven de deur, waarop eene groote druiventros geschilderd was.
De drie Engelschen kregen bevel om uit te stappen, en werden de herberg binnengeleid, maar niet dan nadat men hen hunne revolvers en jachtmessen had afgenomen.
Een paar minuten later stonden zij tegenover Majoor Wladimir Geschoff, den chef van den divisiestaf.
HOOFDSTUK II.
TER DOOD VEROORDEELD.
De majoor was niet alleen, maar bevond zich met een aantal andere officieren in een vrij groot vertrek op de eerste verdieping van het huis dat door een petroleumlamp verlicht werd en waar een groot vuur in den haard brandde, dat een aangename warmte verspreidde.
Raffles had den majoor dadelijk vlak in het gelaat gekeken, en bij zichzelf de opmerking gemaakt, dat hij zelden zulk een onaangenaam boosaardig gezicht gezien had.
De kleine, sluwe vossenoogen, dicht naast elkander geplaatst, de breede, korte neus, aan het ondereinde opgewipt, de breede mond met de dikke lippen en de uitstekende jukbeenderen, wezen op een Mongoolschen afkomst, en het lage voorhoofd en de vooruitstekende kaken gaven hem een aapachtig voorkomen.
Van onder zijne borstelige wenkbrauwen keek hij de drie binnengebrachte vreemdelingen achtereenvolgens nieuwsgierig aan, en wendde zich toen tot den Luitenant die mede was binnengetreden met de vraag:
—Wat heeft dat te beteekenen Luitenant? hoe komt gij aan die drie snuiters?
In korte woorden, en met de hand eerbiedig aan zijn pet rapporteerde de luitenant het geval.
Terwijl hij luisterde nam het gelaat van Majoor Geschoff een dreigende uitdrukking aan en hij streek zich eenige keeren met zijn groote hand over den knevel.
Toen de luitenant zijn rapport geëindigd had, zeide Geschoff op ruwen toon:
—Zij zijn bij de Rooden geweest, wel, dan zijn het spionnen!
Hij wendde zich tot zijne officieren en vervolgde:
—Wij zullen de zaak snel even afdoen, mijne heeren, en ons als krijgsraad constitueeren....
De stafofficieren bogen zwijgend, en daarop namen zij allen plaats, zeven in getal, achter de ruw houten tafel die midden in het vertrek stond, en overdekt was met kaarten en rapporten.
Majoor Geschoff had als president in hun midden plaatsgenomen.
Achter de drie Engelschen stond een zestal soldaten met de bajonet op het geweer, de stafofficieren droegen allen de revolver en iedere poging tot verzet was dus bij voorbaat gedoemd om te mislukken.
Majoor Geschoff steunde zijn kin even in zijn hand, keek de gevangenen loerend aan, en begon:
—Gij zijt immers Engelschen?
—Ja Majoor! antwoordde Raffles voor de anderen.
—Uwe namen?
—Ik ben graaf Wilburn, deze heer is mijn secretaris Finsburry en deze man is mijn chauffeur.
Majoor Geschoff haalde de schouders op en zeide droog:
—Nu ja, men kan gemakkelijk een naam opgeven. Het doet er ook niet toe! Wat kwaamt gij hier uitvoeren?
—Ik kwam jagen bij mijn vriend Baron Iwan Dobrinsky.
Een daverende vuistslag van den majoor op het tafelblad deed hem ophouden.
—Gij durft hier dus zonder meer bekennen dat gij een vriend zijt van dien renegaat, dien vervloekten overlooper?
—Ja, en daar ben ik trotsch op, antwoordde Raffles met stemverhooging.
—En gij mijnheer? zoo wendde de majoor zich tot Charly.
—De vrienden van den graaf zijn natuurlijk ook mijn vrienden, antwoordde de jonge man eenvoudig.
—Zoo? welnu, dan zult gij er ook niets op tegen hebben, het lot van uw meester te deelen, zeide Geschoff op kouden toon.
—Daar vraag ik om! hernam Charly.
—Wat waart gij voornemens, toen de luitenant u in de vlakte aantrof?
—Wij waren op weg naar Petrograd!
Majoor Geschoff liet een verachtelijk lachje hooren.
Ik verlies mijn tijd—Uw zaak is helder als glas! Uw pas is door dien bandiet van een Trotsky onderteekend, gij zijt als burgers midden in het operatie-terrein aangetroffen—er kan geen twijfel zijn aangaande uwe bedoelingen!
Tot dusverre had Majoor Geschoff zich van de Engelsche taal bediend, welke hij met een sterk accent maar tamelijk goed sprak.
Hij wendde zich nu tot de andere officieren, en ging op fluisterenden toon voort, maar thans in de Russische taal.
—Ik geloof niet dat wij lang hoeven te beraadslagen mijne heeren, wij moeten met de uiterste gestrengheid optreden en een voorbeeld stellen.
Hij liet nu zijn stem zoover dalen dat Raffles niet meer kon hooren wat hij zeide.
Maar eenige malen had hij naar Henderson gekeken, en nu nam hij opnieuw het woord, en vroeg op luiden toon, terwijl hij zich tot den reus wendde:
—Gij zijt zeker in dienst geweest bij het Engelsche leger?
—Ja Majoor!
—Dan hebben wij u een vraag te stellen! Wij gelooven dat gij er niet op gesteld zijt om te worden doodgeschoten?
—Niet meer dan ieder ander Majoor! antwoordde Henderson.
—Welnu, gij kunt uw leven redden, als gij ons zegt wat de man, die zich voor uw meester uitgeeft bij de Rooden heeft uitgericht en wat zijn doel was.
Een oogenblik leek het of Henderson zich op den Majoor zou werpen en hij wist zich slechts met de uiterste krachtsinspanning te bedwingen.
Toen liet hij een kort lachje hooren en zeide op minachtenden toon:
—Iets dergelijks mag hier het gebruik zijn—bij ons weet men daar niet van. Ik ben een Brit, en een eerlijk man! Ik zeg u dat wij drie volkomen onschuldige reizigers zijn,—maar zelfs al kwam mijn meester hier spioneeren, dan zoudt gij toch uit mijn mond geen bijzonderheden vernemen.
Majoor Geschoff beet zich op de dikke lippen, en wierp Henderson een woesten blik toe.
Toen zeide hij:
—Het is goed! gij hebt het zelf gewild. De krijgsraad heeft vonnis geveld en veroordeelt u tot den kogel. Het vonnis zal aanstonds voltrokken worden—gij hebt nog een kwartier om de noodige schikkingen te treffen. Hebt gij nog iets op te merken?
—Niets anders, dan dat ik voor de zaak der Witten hoop, dat hun leger niet uitsluitend is samengesteld uit mannen zooals gij! Gij maakt misbruik van Uwe macht, en dit zou u wel eens kunnen berouwen!
De majoor liet een schamper lachje hooren, en wees met een bevelend gebaar naar de deur.
Hij en de andere officieren waren onder het uitspreken van het vonnis opgestaan en hij wees nu naar de deur en zeide tot den luitenant:
—Gij hebt het gehoord! Ik wensch dat die drie spionnen binnen een kwartier terecht gesteld zijn!
De luitenant, die zeer bleek was geworden, salueerde, en daarop gaf hij bevel, de drie gevangenen de handen op de rug samen te binden.
Hun zakken werden onderzocht en men nam hen hunne papieren af.
Vervolgens gaf de luitenant een kort bevel, en de zes soldaten namen de gevangenen mede, waarop zij allen de trap afdaalden.
Uit de gelagkamer werden nog twee man gehaald om het vuurpeloton aan te vullen.
De acht soldaten omringden, op straat gekomen, opnieuw de gevangenen, de luitenant riep een kort bevel, en men begaf zich op weg.
De straten waren bijna volkomen duister en slechts hier en daar pinkte een licht achter een venster.
Het was nog zeer druk van komende en gaande Colonnes, en soms had het executie-peloton moeite zich een weg door deze menigte soldaten te banen.
De jonge luitenant, die zijn sabel getrokken had, hield de gevangenen nauwkeurig in het oog, met de linkerhand aan de kolf van zijn revolver.
Toen zij de dorpsstraat ten einde waren sloegen de soldaten een soort zijweg in en hier was het veel stiller.
Op eenigen afstand waren een dertigtal paarden aan een kamplijn gebonden.
Zij behoorden zeker tot troepen, die zooeven waren aangekomen, want zij waren nog niet allen ontzadeld.
Op een tiental meters daar vandaan, verhief zich een muur, die waarschijnlijk bij het kleine kerkhof van het dorp behoorde.
En als bij ingeving begrepen de gevangenen, dat zij aanstonds tegen dezen muur zouden worden gezet om het doodelijk lood te ontvangen.
Nog tien minuten en zij zouden den muur bereikt hebben.
Het kerkhof grensde dadelijk aan het open veld dat met een dikke laag sneeuw overdekt was, met uitzondering van een tamelijk breeden weg, waarlangs pas kort geleden duizenden en duizenden soldaten waren getrokken, en die zich thans als een groezelig lint door de eindelooze vlakten slingerde.