Chapter 2 of 5 · 3980 words · ~20 min read

Part 2

Met gebogen hoofd liepen de drie Engelschen voort. Alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat zij half verbijsterd waren, en hun gedachten schenen beneveld.

Nog vijf minuten.........

Dof kraakte de sneeuw onder de voeten der marcheerende soldaten en de loopen van de geweren glansden zwakjes in het maanlicht, evenals de sabel van den Luitenant.

Nu hadden zij den muur van het kerkhof bereikt.

Weer klonk een op korten toon gegeven bevel en de drie gevangenen werden tegen den muur geplaatst.

De soldaten maakten rechtsomkeer, teneinde zich op eenige meters afstand van den muur te plaatsen.

Maar juist op dat oogenblik rukte Henderson met een geweldige krachtsinspanning de touwen stuk die zijn polsen omkneld hadden.

Met één sprong als van een tijger was hij bij den vleugelman van het executiepeloton, dat juist met den rug naar den muur stond gekeerd en ontrukte hem zijn geweer.

Hij greep het wapen bij den loop en zwaaide het als een knots om zich heen. En dit alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan dat er drie soldaten met verbrijzelde ledematen of een zware hoofdwonde waren neergestort, vóór de anderen goed en wel begrepen wat er gaande was.

De Luitenant slaakte een woesten kreet en trok zijn revolver, maar vóór hij van het wapen gebruik had kunnen maken was de kolf van Henderson’s geweer met kracht op zijn schedel neergedaald en hij stortte bewusteloos voorover met het gelaat in de sneeuw.

De andere soldaten wilden vuren, maar zij waren te dicht bij, en Henderson gaf hun geen gelegenheid hun geweer aan den schouder te brengen.

Hij hanteerde het geweer alsof het een rieten wandelstokje was en het gevecht scheen hem zelfs veel vermaak te geven want hij lachte nu en dan luidkeels terwijl hij op de koppen en lijven der vier soldaten beukte.

Raffles en Charly wendden wanhopige pogingen aan om zich op hunne beurt te bevrijden en den dapperen kerel ter hulp te komen maar zij beschikten niet over de ontzettende lichaamskracht van den reus.

Maar toch hielpen zij door toe te snellen en hun voet tusschen de beenen der soldaten te steken zoodat deze struikelden en tijdelijk weerloos waren.

Toen was de strijd binnen enkele oogenblikken beslist!

Henderson zwaaide het geweer nog enkele malen, liet het als molenwieken om zijn hoofd wentelen en sloeg den laatsten soldaat met een welgerichten slag neer.

Toen trok hij de bajonet uit de schede van een der soldaten en sneed vliegensvlug de touwen door welke de polsen van zijn beide metgezellen gebonden hielden.

Dadelijk maakte Raffles zich meester van de revolver van den Luitenant en diens patroontasch, terwijl Charly en Henderson zich ieder van een geweer en van munitie voorzagen.

Tot hun groot geluk hadden de oppassers van de cavalleriepaarden eenige minuten te voren hun arbeid beëindigd en zich verwijderd. Naar de paarden, mannen! beval Raffles op zachten toon, het is onze eenige kans!

Zoo snel hun beenen hun wilden dragen, ijlden de drie Engelschen naar de plek waar de paarden bijeen gebonden stonden.

De dieren droegen allen een wollen dek, op een paar na, die nog gezadeld waren—waarschijnlijk ordonnancepaarden.

Terzijde stond een slede, die zooeven was afgespannen en nog wat verder lagen de tuigen. Zoo snel zij maar konden spanden de vluchtelingen, die zooeven aan den dood ontkomen waren drie paarden voor de slede en daarop wierpen Raffles en Charly zich op den rug van de twee gezadelde paarden terwijl Henderson in de slede plaats nam om de paarden te besturen.

In vliegende galop joegen zij weg, juist toen een paar Russchische soldaten aan wie de zorg voor de paarden was toevertrouwd, terugkeerden. Zij hadden zich zeker zooeven met een glas Wodka versterkt.

De slede vloog als een stormwind over de bevroren sneeuw en Raffles en Charly spoorden hun rijdieren tot den hoogsten spoed aan.

Zij begrepen maar al te goed dat hun lot beslist was, als zij weder in handen vielen van Majoor Geschoff.

Intusschen bleef hun toestand zeer gevaarlijk want ieder oogenblik konden zij op troepenafdeelingen stuiten die hen zeker zouden aanhouden nu zij in het geheel geen passen meer bezaten en stellig als spionnen zouden worden behandeld.

Zij vermeden dus zorgvuldig den grooten weg die in de richting van Petrograd liep en trachtten dekking te zoeken achter een reeks lage heuvels die zich van het Oosten naar het Westen uitstrekte.

Zoo bleven zij voortsnellen tot de vermoeidheid der paarden hen wel dwong om die snelheid te matigen.

Ook de honger begon zich nu te doen gevoelen, maar zij zouden zich tegen dat gevoel moeten verzetten want zij konden hun honger onmogelijk bevredigen. Het zou nog vele uren duren voor zij weder een bewoonde plaats aantroffen en dan was het nog de vraag of zij zich daar niet zorgvuldig verborgen zouden moeten houden.

Zij hadden nu bijna zes uren aan één stuk door gereden en zij streden uit alle macht tegen de vermoeidheid die hen bekroop daar zij wel wisten dat zij onherroepelijk ten doode gedoemd waren als zij zich met deze vreeselijke koude in deze sneeuw ter ruste legden en dat zij nimmer weer zouden ontwaken.

Het was ongeveer vier uur in den morgen en de hemel begon zich in het Oosten lichtrood te kleuren toen Henderson in de slede overeind ging staan, zijn hand boven de oogen legde en scherp in de verte tuurde.

Raffles en Charly hadden hun doodelijk vermoeide paarden ingehouden daar zij begrepen dat Henderson met zijn scherpe blik iets moest hebben ontdekt wat zijn aandacht trok.

Raffles reed op de slede toe en vroeg:

—Zie je iets Henderson?

—Ik zou zeggen dat ik daar licht zie, Mylord—daar op een paar kilometer voor ons uit, kan daar een dorp zijn?

—Ja, als ik mij niet vergis ligt daar een dorp, Henderson, maar wij weten volstrekt niet of het door de Witten of door de Rooden bezet is.

—Ik voor mij geloof dat dat er weinig toe doet, Mylord, hernam Henderson droogjes. Wat ik tot dusverre van die heeren Russen gezien heb heeft mij geen grooten dunk van hen gegeven!

—Wij zullen er toch op af moeten Henderson, en trachten wat voedsel te vinden en versche paarden te krijgen, zeide Raffles. Wij zouden anders zeker om het leven komen.

—Zijn wij op dit punt nog ver van Petrograd verwijderd? vroeg Charly.

—Hoogstens honderd kilometer, Charly, iets meer dan negentig wersten! Ik denk dat gindsch dorp het laatste is voor wij Petrograd bereikten, als wij er tenminste levend afkomen. Want met deze paarden zullen wij zeker geen tien kilometer per uur kunnen afleggen.

De drie Engelschen hadden hun vermoeide paarden weder aangespoord en het leek wel of de dieren de nabijheid van een stal en van voedsel rooken, want zij waren met nieuwe kracht bezield en vlogen over de bevroren vlakte alsof zij vleugels hadden.

Een half uur later was de zon in heerlijke pracht boven den horizon gerezen en de lichtjes van het dorp waren verdwenen.

Maar in plaats daarvan konden zij nu duidelijk de donkere omtrekken der huizen waarnemen.

Het was een tamelijk groot dorp en daar was zeker wel het noodige te krijgen en de drie Engelschen waren voornemens zich het noodige te verschaffen, want zij zouden niet lang meer zonder voedsel kunnen blijven in deze hevige, met iedere beschrijving spottende, koude.

Naarmate zij naderbij kwamen matigden zij hun snelheid, want niemand kon zeggen wie er meester was in dit dorp.

Voorzichtig kwamen de drie reizigers naderbij.

Maar eensklaps wende Charly het hoofd om en schreeuwde:

—Zij zitten ons op de hielen!

Het was maar al te waar—daarginds over de vlakte naderde een troep ruiters van bijna zestig man sterk en hun paarden joegen in vollen galop over de sneeuwvlakte.

De drie Engelschen waren dus tusschen twee vuren geraakt! Achter hen kwamen de achtervolgers, en voor hen lag het dorp—en daar zou de ontvangst wel niet veel beter zijn! Zij moesten echter voor ditmaal het onzekere voor het zekere nemen want in ieder geval bleef de kans bestaan dat dit dorp nog in handen der Rooden was, of dat de bevolking zich in ieder geval gewapenderhand tegen de naderende ruiters zoude verzetten.

Raffles aarzelde dus niet, maar riep:

—Vooruit vrienden! Wij moeten naar het dorp, anders leven wij over een half uur niet meer!

—Maar de paarden zijn uitgeput! kreet Charly.

—Dan zullen wij hen snel voor de slede spannen, dan trekken zij met z’n drieën!

De twee vrienden stegen ijlings af en spanden hun paarden met de hulp van Henderson voor de slede.

Maar toen zij hiermede gereed waren hadden de achtervolgers snelle vorderingen gemaakt en juist toen zij in het voertuig stapten, kraakten schoten en vlogen de kogels hen om de ooren!

Henderson bukte zich zoo diep mogelijk, en legde de zweep over de paarden, terwijl Raffles en Charly ieder een geweer grepen, vast besloten, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.

Zij knielden achter in de slede neder, legden den loop van hun geweer op de rand van het voertuig en vuurden.

Twee der achtervolgers stortten van hun paarden, die ruiterloos voort ijlden.

De drie paarden voor de slede hijgden van inspanning en vermoeienis maar de arme dieren deden al hun best, en trokken de slede pijlsnel over de sneeuw.

Reeds waren de eerste huizen van het dorp duidelijk zichtbaar geworden—en daar verschenen ook eenige menschen, die haastig heen en weer schenen te loopen, achter de huizen verdwenen en dan weder te voorschijn kwamen.

Henderson spoorde de paarden tot de uiterste krachtsinspanning aan, en Raffles en Charly hadden hunne geweren opnieuw schietvaardig gehouden.

Onder het rijden vuurden de soldaten der Witten onophoudelijk op de vluchtelingen en verscheidene kogels drongen door het hout van de slede.

Eén er van nam een stuk van Charly’s mouw mede en een tweede raakte Raffles licht aan de wang.

Weer vuurden zij, en weer stortten twee mannen in vollen ren van hun paarden en bleven roerloos in de sneeuw liggen.

Maar eensklaps kwam er een groot aantal mannen uit het dorp rennen, die met geweren gewapend waren en de slede tegemoet snelden.

Blijkbaar had men daarginds het schieten gehoord.

—Het zijn Rooden! schreeuwde Henderson opgewonden. Het dorp is in hun handen.

De reus had goed gezien—inderdaad kwamen daar een paar honderd man der Roode troepen aansnellen, die zich dicht voor de slede in de sneeuw wierpen, en dadelijk een moorddadig vuur op de Witten openden.

Deze waren verreweg in het nadeel, omdat zij bereden waren en dus veel minder nauwkeurig konden schieten en voorts, omdat zij veel geringer in aantal waren.

Zij geraakten in wanorde, schenen te aarzelen—en eensklaps maakten zij rechtsomkeer, wendden den teugel en renden weg, zoo spoedig zij konden, terwijl de slede het dorp binnen stoof, waar zij stil hield voor een logement op het kleine marktplein.

De met schuim overdekte paarden die van vermoeidheid op de beenen trilden werden afgespannen, en naar den stal gevoerd, terwijl de drie Engelschen zich naar de gelagkamer haastten, waar zij dadelijk omringd werden door een aantal soldaten die alle tegelijk door elkaar schreeuwden, en wilden weten, hoe de vreemdelingen hier kwamen en hoe het stond bij de Witten.

Raffles liet hen kalm praten en begon met een maaltijd te bestellen voor zich en zijn vrienden.

Dit ging lang niet gemakkelijk, maar tenslotte wist hij toch een stuk roggebrood, wat boter, rijst en een stuk paardenvleesch machtig te worden—een delicatesse in dezen tijd, en op deze plek, zoo dicht bij de hoofdstad, waar de grootste nood heerschte.

Een der soldaten had een officier gehaald en nog terwijl de drie reisgenooten om den maaltijd zaten, kwam er een kapitein binnen met een streng maar open gelaat, die den vreemdelingen eerst verlof gaf hun honger te stillen, en daarop zijn ondervraging begon.

HOOFDSTUK III.

NAAR PETROGRAD!

Raffles deed een omstandig verhaal van zijn wedervaren en de kapitein viel hem geen oogenblik in de rede, maar luisterde met aandacht, het hoofd een weinig gebogen.

Toen Raffles gereed was, zeide de officier:

—Ik kan de waarheid van uwe beweringen gemakkelijk controleeren, want ik heb gisteren een paar vliegers naar de stellingen van Kolodoserskoi gezonden, en verwacht die ieder oogenblik terug. Daar zal men van hen zeker wel een en ander omtrent uw tocht naar het vijandelijke kamp gehoord hebben. Gij zult echter wel begrijpen dat wij U hier onmogelijk kunnen houden, al zouden wij de medische hulp van een bekwaam geneesheer en de sterke armen van twee menschlievende mannen zeker wel kunnen gebruiken. Ik heb echter juist gisteravond strenge orders gekregen, onder geen beding vreemdelingen in onze gelederen aan te nemen,—wij hebben daar juist treurige ervaringen mede opgedaan—er liepen vurige verraders onder!

—Wij zelven verlangen niets liever dan weder naar ons land terug te keeren, kapitein! hernam Raffles. De toestand is hier echter zoo verward, dat ik geen uitkomst zie! Ik meende hier stellig Witte troepen te zullen vinden!

—Misschien zullen zij hier spoedig genoeg zijn! zeide de kapitein der Bolsjewiki op somberen toon. Generaal Judenitsch staat voor de poorten van Petrograd, en misschien is hij de stad wel reeds binnengetrokken, terwijl ik hier met U spreek.

—Wat raadt gij mij aan te doen, kapitein? ging Raffles voort. Ik wensch tot iederen prijs naar de hoofdstad terug te keeren, want een mijner vrienden heeft daar mijn geld in bewaring, hetwelk ik dringend noodig heb, daar de Witten mijn zakken op even doeltreffende als volledige wijze hebben leeggehaald!

De kapitein dacht even na en zei toen:

—Ik kan niet anders doen dan U een vrijgeleide te geven tot Petrograd. Is de stad nog in onze handen, dan zult gij geen moeilijkheden ondervinden—maar als Judenitsch is binnengerukt, dan sta ik voor niets in! En gij behoeft er niet aan te denken met een trein naar Duitschland te kunnen reizen, want op alle lijnen en op het geheele spoorwegmateriaal is door de militairen beslag gelegd.

—Maar hoe komen wij dan weder weg? riep Charly uit.

—Er zou maar één middel zijn, Mijnheer! antwoordde de kapitein. Gij zoudt van hier per slede tot Nygyrska, aan de spoorlijn van Petrograd naar Wiborg, aan de Finsche grens kunnen gaan. Van de eerstgenoemde plaats af loopen er nog op ongeregelde tijden personen-treinen, ofschoon het de grootste moeite kost, daarin een plaats te krijgen. Van Wiborg zoudt gij dan verder per trein naar Abo aan den Finschen golf kunnen reizen, en daar wachten, tot zich een scheepsgelegenheid naar Engeland, Frankrijk of Scandinavië voordoet!

—Nu, ik zal mij in ieder geval dit jachtavontuur nog lang herinneren! zeide Raffles glimlachend. Als dus alles medeloopt, zouden wij over eenige weken in Engeland terug kunnen zijn—en als dit eens niet het geval was—dan zou het maanden kunnen duren! Laat mij u mogen zeggen, kapitein, dat dit geenszins strookt met mijn plannen! En daarom zouden ik en mijn vrienden het zeer op prijs stellen indien gij ons passen tot Petrograd zoudt willen geven.

—Zooals gij wilt, Mijnheer, hernam de kapitein.

Op dit oogenblik kwam een depecherijder het vertrek binnen, die in de militaire houding voor zijn chef bleef staan, en salueerde.

—Wat is er, Michael? vroeg deze.

—De beide vliegers zijn teruggekeerd, kapitein!

—Mooi zoo, zeg dat zij op mij wachten!

De koerier vertrok en de kapitein wendde zich weder tot Raffles met de woorden:

—Ik zal u moeten verzoeken, hier te blijven, tot ik het rapport van mijn luitenants heb aangehoord. Gij zult mijn houding billijken, daar ben ik zeker van!

Raffles boog, zonder te antwoorden en de kapitein verliet het vertrek.

—Hij mag dan een Roode zijn, maar hij is althans heel wat beleefder dan die oude schurk van een majoor der Witten, die ons had willen laten fusilleeren! bromde Henderson.

Daarop keerde hij zich tot Charly en vervolgde:

—Het moet mij van het hart, Mijnheer Brand, ik heb voorloopig meer dan genoeg van Rusland. Het kan dan vroeger heel belangwekkend geweest zijn, maar het reizen op dit tijdstip is geen pleiziertje!

—Ik ben het volkomen met je eens, Henderson! antwoordde Charly glimlachend. Ook ik zal den hemel danken als wij weder goed en wel in Engeland terug zijn!

De drie mannen moesten geruimen tijd wachten, bijna een uur, maar toen keerde de kapitein terug, stak Raffles en zijn metgezellen met een spontaan gebaar de hand toe en zeide:

—Alles is in orde, Mijne heeren. Ik heb van de beide vliegers vernomen, dat alles zich inderdaad zoo heeft toegedragen, als gij mij hebt medegedeeld. Thans blijft mij niets anders over, dan u de passen ter hand te stellen, welke de generaal van onze divisie zoo even voor u heeft laten opstellen en onderteekenen.

Hij nam een drietal passen uit de portefeuille, welke hij bij zich had, en overhandigde ze aan de Engelschen.

—Daarmede kunt gij naar Petrograd komen, zonder te worden lastig gevallen. Natuurlijk geldt dit slechts voor zooverre de stad nog in onze handen is. De berichten luidden gisteren helaas zeer ongunstig, en ijlboden wisten zelfs te verhalen dat een vooruitgeschoven troepenafdeeling van Judenitsch tot in de voorste stadswijken van de hoofdstad was doorgedrongen. Alle risico blijft dus voor uwe rekening, bedenk dat!

—Dat spreekt van zelf, kapitein! zeide Raffles. Ik dank u, ook namens mijne reisgezellen voor uwe bemoeiingen en verzoek u, ons in staat te stellen onze reis te vervolgen, door ons de slede en de paarden af te staan, welke ons hier hebben gebracht en welke wij aan de Witten hadden ontnomen. Als gij dit wenscht zullen wij één en ander te Petrograd achterlaten en in handen van de Roode troepen daar stellen, die ze dan als oorlogsbuit kunnen beschouwen.

—Onder deze omstandigheden kunt gij er over beschikken, mijnheer! zeide de kapitein. Wanneer wilt gij vertrekken?

—Zoodra de paarden en wij zelven zijn uitgerust, antwoordde Raffles.

—Gij zult er goed aan doen, zoo spoedig mogelijk de hoofdstad te verlaten! hernam de kapitein. Weliswaar zijn de verhalen omtrent de hongersnood, die er zou heerschen en welke in de buitenlandsche bladen blijkbaar gretig worden opgenomen sterk overdreven, maar toch heerscht er gebrek en als de stad eens werkelijk werd ingesloten, dan zou zij zich binnen enkele weken, ja misschien binnen enkele dagen moeten overgeven! En nu moet ik afscheid van u nemen, mijnheer! Mijn plicht roept mij en wij moeten eene verkenning in Oostelijke richting ondernemen. Het feit, dat de Witten het gewaagd hebben, u tot hiertoe te achtervolgen, baart ons veel zorg—ik vrees, dat zij eene omtrekkende beweging uitvoeren, welke ons, als zij slaagt, in groot gevaar zou brengen.

Hij salueerde voor de drie vreemdelingen en had het volgend oogenblik de gelagkamer verlaten.

Langzamerhand kwamen de reizigers weder bij van de ondervonden vermoeienissen, bij het knappende houtvuur en een goed glas heete wijn.

Zij voorzagen zich van eenige levensmiddelen, betaalden met geld, hetwelk Henderson in zijn zak bleek te hebben en dat aan de aandacht van de Witten ontsnapt was, en laadden deze in de slede, die hen hier had gebracht.

Toen de paarden geheel en al waren uitgerust en goed gevoederd waren, spande Henderson de dieren opnieuw voor de slede, en de reizigers namen weder in het voertuig plaats.

Het was toen omstreeks tien uur in de morgen.

Het was nog altijd bitter koud, maar gelukkig was de wind een weinig gaan liggen, en de zon schitterde aan den wolkeloozen hemel, van een pastelblauwe, aan de kim donker wordende kleur.

Nadat de geweren waren nagezien, en de revolvers waren geladen, begaven de drie Engelschen zich weder op weg.

Indien zij er in slaagden, vijftien wersten per uur af te leggen, hetgeen niet te veel berekend was, daar de paarden volkomen uitgerust waren, en de sneeuw een harde, gladde oppervlakte vormde, dan konden zij voor het vallen van de duisternis Petrograd bereikt hebben.

Maar het Noodlot scheen zich ditmaal wel met hardnekkigheid tegen de reizigers te hebben gekeerd!

Want toen zij reeds heel in de verte de vage omtrekken van de hoofdstad meenden te ontwaren, zagen zij tegelijkertijd dichte, zwarte colonnes over de sneeuw naderen.

Het geschut had den geheelen dag geklonken, maar nu kwam het merkbaar naderbij.

—Zouden de Rooden retireeren? vroeg Charly, terwijl hij met gespannen aandacht door den kijker tuurde.

—Ik vrees het, antwoordde Raffles ernstig. En daardoor komen wij weder in een zeer gevaarlijken toestand. Wij zouden nu tusschen twee vuren geraken, en ditmaal zou er geen ontkomen meer aan zijn—tenminste als wij onzen weg in dezelfde richting wilden voortzetten. Wij zouden door het mitrailleur-vuur onherroepelijk worden gedood. Klaarblijkelijk zijn de Rooden gedwongen, Petrograd, of tenminste een deel ervan te ontruimen.

—Daar naderen tenminste troepen, die onordelijk oprukken, hernam Charly.

—Houdt links aan, Henderson! beval Raffles. Wij zullen trachten de stad meer in het Zuiden te naderen.

—Maar dan moeten wij een grooten omweg maken! riep Charly uit.

—Dat is minder erg, dan dat wij tusschen twee vuren zouden geraken! hernam Raffles.

Henderson had intusschen het gegeven bevel reeds opgevolgd, en de slede week nu af van den tot dusverre gevolgden weg.

Het geschutvuur werd hoe langer hoe heviger, en plotseling konden de reizigers, door den kijker, een batterij gewaar worden, die stelling had genomen ten Noord-Oosten van een lagen heuvelkling, en vandaar de Witten onder vuur nam die echter voor de drie Engelschen onzichtbaar waren.

De Rooden schoten zoo snel zij konden, en het gedonder klonk als een aanhoudend gerommel van een onweder.

Een half uur later trokken de retireerende troepen op eenige wersten voorbij, juist langs den weg, die de slede tot dusverre gevolgd had.

Het geschutvuur werd minder hevig, en het was duidelijk, dat de hoofdstad reeds voor een deel in de handen der Witten moest zijn.

—Ik geloof, dat het tijd begint te worden, ons maar weder te ontdoen van onze door de Rooden geteekende passen, zeide Raffles na eenigen tijd. Als niet alles bedriegt, zullen wij wel in een Petrograd aankomen, dat door de troepen van Judenitsch bezet is. Wij zullen echter tot het laatste oogenblik wachten met het vernietigen van die passen, welke ons reeds eenmaal aan den rand van het graf hebben gebracht.

—Maar zouden de Witten zich hier wel kunnen handhaven? vroeg Charly. Zonder den steun van Judenitsch en zijn legers zullen zij vroeg of laat terug moeten want de Rooden zijn hier zeer sterk!

—Je kunt gelijk hebben, maar voor het oogenblik moeten wij er toch rekening mede houden, dat wij met de Witten te doen krijgen!

De slede gleed intusschen met onverminderde snelheid over de bevroren vlakte en Raffles verbaasde er zich over, dat het gevecht zich niet tot hier uitgebreid had.

Misschien was het plan der Witten, zich eerst van geheel Petrograd meester te maken en dan snel in Oostelijke richting op te rukken.

Wel kwamen zij nu en dan kleine afdeelingen Rooden tegen, die hen echter ongemoeid lieten, nadat de passen vertoond waren.

De duisternis begon reeds te vallen en de paarden begonnen opnieuw teekenen van vermoeidheid te geven, en nog moesten er twintig wersten afgelegd worden alvorens men de hoofdstad bereikt zou hebben, welke de reizigers thans van uit het Zuid-Oosten naderden.

Maar eensklaps, nadat zij in geruimen tijd geen, Rooden meer hadden zien voor bijgaan, naderde er over de sneeuwvlakte een afdeeling bereden manschappen, die aan de uniformen aanstonds als Witten te herkennen waren.

Voor de reizigers goed en wel wisten wat er gebeurde, had deze kleine ruitertroep zich uit de duisternis losgemaakt en omringden zij de slede.

—Wij zijt gij en waar gaat gij heen? zoo luidde de gewone, reeds zoo vaak gehoorde vraag.

—Wij zijn Engelschen en wij wilden naar Petrograd gaan! antwoordde Raffles.

—Waar komt gij vandaan?

Daar loochenen niets zou helpen antwoordde Raffles:

—Wij komen van de zijde van het Onega-meer, waar gestreden is tusschen Uwe troepen en de Rooden.

—Wat deed gij daar?

—Wij kwamen daar om te jagen en zijn door de gebeurtenissen verrast.

—Wat waren uw plannen te Petrograd?

—Geen andere, dan ten spoedigste naar ons eigen land terug te keeren!

De Luitenant die deze vragen gesteld had keek Raffles en zijn metgezellen aandachtig aan en zeide toen:

—Ik zal u naar het hoofdkwartier moeten brengen, al doet het mij leed. Mijn instructies zijn formeel.