Chapter 3 of 5 · 4000 words · ~20 min read

Part 3

—Dan moet gij u er aan houden, Luitenant, hernam Raffles bedaard, maar inwendig rees de vraag bij hem, of hij en zijn beide reisgenooten nu nog niet aan het einde hunner beproevingen waren!

Want immers—als men hier te weten kwam dat de drie Engelschen elders door dezelfde partij reeds waren ter dood veroordeeld en slechts hadden kunnen ontkomen door aanwending van geweld, dan zag het er weder somber voor hen uit.

En toch zouden zij zich in de omstandigheden moeten schikken.

De overmacht was te groot, dan dat zij aan verzet zouden kunnen denken.

En zoo trok, juist als een paar dagen geleden, een kleine stoet over de vlakte voort, en de slede vormde wederom het middenpunt.

Henderson had opnieuw de teugels uit handen moeten geven, en keek brommend als een groote hond, wien men een been heeft afgenomen, toe, hoe de soldaat, die naast hem had plaats genomen de vermoeide paarden met vaste hand bestuurde en de slede weder op den weg bracht.

Deze bleek voor een groot gedeelte van sneeuw bevrijd te zijn en het was duidelijk dat hier reeds genie aan het werk was geweest, om den straatweg die naar de hoofdstad voerde, voor het troepenverkeer vrij te maken.

En nu begonnen reeds in de verte de lichten van Petrograd te pinken!

De vrees der Rooden was dus niet ijdel geweest!—de partij der Witten had inderdaad groote vorderingen gemaakt, en althans een gedeelte van de hoofdstad weten te bezetten.

Wie weet werd er op dit oogenblik woedend gestreden in de straten van de beklagenswaardige stad!

Inderdaad werd het vuren weder heviger en twee malen passeerde men een batterij veldgeschut, die in vollen ren, terwijl de sneeuw onder de hoeven der woest galoppeerende paarden opstoof, nieuwe stellingen gingen innemen.

—Mag ik vragen waarheen gij ons geleidt? vroeg Raffles eindelijk aan den jongen luitenant, die naast de slede draafde.

—Dat zeide ik u reeds—naar het hoofdkwartier. Generaal Judenitsch zal wel over uw lot beslissen.

Het was dus waar—de hoofdmacht van de Witten onder aanvoering van den veelgenoemden generaal stond voor de muren van de hoofdstad, het bolwerk van het Bolsjewisme en had daar op het oogenblik wellicht zijn intocht reeds gedaan!

Nog een half uur verliep en steeds meer troepen passeerden op weg naar het Oosten.

Boven Petrograd dat vlakbij scheen te liggen, hing een rossige nevel—waarschijnlijk stond een deel van de groote stad in brand.

Nu en dan klonk het gehuil der granaten, vlak boven de hoofden der mannen en even later hoorde men de losbarsting op ongeveer twee wersten afstand.

De kleine troep was een dorp binnengetrokken, waar de Witten dienzelfden dag vasten voet hadden gekregen, en waar zij hun hoofdkwartier hadden gevestigd, in afwachting, dat zij het naar Petrograd zouden kunnen overbrengen.

Het huis van den burgemeester van het dorp, die aan de zijde der Bolsjewiki streed, was tot verblijf van den staf ingericht.

Eenige korte bevelen klonken en toen moesten de drie Engelschen de slede verlaten en het burgemeestershuis binnengaan.

Zij werden naar een kleine wachtkamer gebracht, waarvan de deur gesloten werd. Voor de deur hoorden zij het regelmatig op en neder loopen van een schildwacht. Het kleine vertrek was spaarzaam verlicht door een petroleumlamp, die zacht aan een ijzeren haak heen en weder schommelde.

Dit werd veroorzaakt, omdat onophoudelijk het geheele huis dreunde van de losbarstingen eener batterij, die juist aan den zoom van het dorp was opgesteld en vandaar een der voorsteden van Petrograd onder vuur nam.

Zwijgend zaten de vrienden bij elkander.

Weliswaar was de luitenant zeer beleefd geweest, en ook de houding der soldaten had niets te wenschen overgelaten,—maar zou de generaal in dezelfde stemming verkeeren? Dat moest worden afgewacht!

Iets anders dan wachten konden zij trouwens niet doen.

Er viel niet aan te denken uit dit huis te ontsnappen waar zich een groot aantal officieren ophielden, terwijl het in de straten krioelde van soldaten, allen gewapend.

Neen, er schoot niets anders op over dan rustig te wachten.

Nog waren er geen volle tien minuten verloopen of er naderden schreden, en de deur werd geopend. De luitenant trad binnen, en verzocht de drie Engelschen hem te volgen.

Raffles zag dat de jonge militair geheel alleen was en dit dacht hem een gunstig teeken.

De luitenant geleidde de drie mannen door eenige gangen naar een vertrek waar zich vier officieren bevonden, die achter een groote tafel gezeten waren, en tot den staf van het Witte leger behoorden, dat in deze streek opereerde.

In één hunner herkende de drie reisgenooten van de portretten in de Londensche bladen en tijdschriften aanstonds generaal Judenitsch.

Het gelaat van den legeraanvoerder der Witten had een ernstige en een weinig stroeve uitdrukking, zooals hij daar onbewegelijk zat, met de kin in de hand gesteund schijnbaar zonder op het binnentreden der drie vreemdelingen te letten.

De luitenant was op de tafel toegetreden en zeide iets op eerbiedigen toon tot den generaal.

Toen hief Judenitsch het hoofd op, en de drie tochtgenooten keken in een paar staalblauwe sterke oogen, onder dichte wenkbrauwen half verborgen.

Die oogen bleven een tijdlang strak op de Engelschen gericht, en daarop wendde hij zich in het Engelsch tot Raffles dien hij blijkbaar dadelijk als het hoofd van het kleine reisgezelschap erkende:

—De luitenant heeft mij zooeven medegedeeld dat hij u en uwe metgezellen midden in de vlakte heeft aangetroffen, mijnheer de graaf. Hij heeft mij ook medegedeeld dat gij hier gejaagd hebt, en door de gebeurtenissen zijt overvallen. Ik wil dit wel aannemen, ofschoon velen u misschien op staanden voet zouden hebben gefusilleerd.

Raffles dacht aan het gevaar, hetwelk hij en zijn twee makkers nog slechts weinige dagen geleden hadden geloopen, maar hij wachtte er zich wel voor, dit avontuur aan generaal Judenitsch mede te deelen!

De legeraanvoerder wachtte even, alvorens te vervolgen:

—Ik zou uwe aanwezigheid in deze streken wellicht meer gewaardeerd hebben—... indien gij niet met drie man, maar met dertigduizend, en zoo mogelijk met drie honderd duizend waart gekomen, graaf! Ik wil u niet verzwijgen, dat het mij bitter teleurgesteld heeft, dat uwe regeering haar troepen uit Rusland heeft teruggeroepen, in stede van ons bij te staan, ons arm land van het vervloekte Bolsjewisme te zuiveren! De zaken zouden zeer waarschijnlijk heel anders staan indien de geallieerden ons de behulpzame hand hadden geboden! Wat dunkt u?

—Ik weet niet goed wat ik u hierop moet antwoorden, generaal! antwoordde Raffles. Ik denk echter, dat onze regeering is bezweken voor den aandrang van de arbeiders in ons eigen land, die aan het bloedvergieten een einde gemaakt wenschten te zien. Het is een publiek geheim, dat de regeering te Londen een gevaarlijk spel zou hebben gespeeld, indien zij den wil van een groot en machtig deel onzer natie in den wind had geslagen, en een groote legermacht hier had gelaten om aan uwen strijd deel te nemen, al wenscht zij zelve niets liever, dan een einde te zien gemaakt aan een toestand, die niet veel langer kan voortduren, zonder geheel Rusland in den afgrond te doen verzinken.

Generaal Judenitsch had zwijgend toegeluisterd, en zich nu en dan met zijn groote, gespierde hand over het voorhoofd gestreken.

Nu zuchtte hij diep en zeide op doffen toon:

—Ik kan ook niet van een vreemdeling verwachten, dat hij deze zaak uit het zelfde oogpunt zal beschouwen als wij Russen! Maar dit zeg ik u graaf, dat men er te Londen en te Parijs misschien nog wel eens spijt van zal hebben, niet aan ons verzoek om hulp te hebben gehoor gegeven!

Generaal Judenitsch trommelde even met een blauw potlood op het blad van de tafel en hernam op anderen toon:

—Laten wij hier niet verder over praten, graaf! Het Noodlot moet zich voltrekken—daar kunnen wij menschen toch niets aan veranderen. Wat uwe positie betreft—ik wil niet ontkennen, dat zij op dit oogenblik voor u zeer onaangenaam is. De slag is nog onbeslist—het is evengoed mogelijk, dat wij er in slagen, Petrograd binnen te rukken, als dat de Rooden versterkingen krijgen en ons weder terugdrijven!

De generaal wierp een korten blik op de kaart die voor hem lag uitgespreid en ging voort:

—Daar intusschen de kansen, dat wij er in slagen de hoofdstad te nemen, grooter zijn dan die, dat wij teruggeworpen worden, zoo zal ik u toestaan naar Petrograd te reizen, maar dan moet gij ook onmiddellijk vertrekken, want ik kan natuurlijk niet toestaan, dat vreemdelingen de operaties van mijn leger medemaken!

—Wij zelven verlangen niets liever, generaal! kwam Raffles haastig. Wij hebben volstrekt geen geld meer, en een vriend van mij in de hoofdstad bewaart mijn reispenningen. Er is ons dus alles aan gelegen, zoo snel mogelijk in Petrograd te komen.

—Dan zal ik u een pas en een vrijgeleide geven, hernam generaal Judenitsch. Ik kan echter volstrekt geen aansprakelijkheid voor uw veiligheid op mij nemen!

—Dat begrijp ik generaal, hernam Raffles, maar al te verheugd, dat hij en zijn makkers er zoo gemakkelijk afkwamen.

—Wat ons betreft—ik hoop dat wij binnen enkele dagen zelve in de hoofdstad zullen zijn en als gij u dan bij mij wilt aanmelden dan zal ik trachten uwe terugreis te vergemakkelijken!

Raffles boog, bij wijze van dankzegging, en de generaal maakte een gebaar waaruit de Engelschen begrepen, dat hij het gesprek als geëindigd beschouwde.

Zij verlieten het vertrek, waar misschien het lot van het onmetelijke Russische rijk werd beslist, door de weinige mannen achter hunne stafkaarten aan de groote tafel, en een uur later waren zij in het bezit van passen, welke het hun mogelijk zouden maken, Petrograd nog voor het vallen van den nacht te bereiken.

Een convooi, dat over enkele oogenblikken naar de hoofdstad zou vertrekken zou hen medenemen.

En heel wat geruster dan eenige uren geleden, trokken de drie reizigers nu opnieuw over de sneeuwvlakte, in de richting van den rossigen gloed, en van de vele lichtjes, die in de verte schenen te wenken.

Daar lag Petrograd—de stad, om welks bezit zoo heftig gestreden werd!

HOOFDSTUK IV.

FEODORA LESZINSKY.

Het was tien uur, toen Raffles en zijn makkers de hoofdstad of liever een der voorsteden binnen kwamen.

Aan alles was te zien, dat hier nog niet lang geleden verbitterd gestreden was.

Eenige huizen, half in puin geschoten, rookten nog, en overal lagen paardencadavers, overblijfselen van kanonaffuiten, geweren, uitrustingsstukken van allerlei aard.

Maar de Witten waren hier meester, dat was zeker.

Want overal ontmoette men hunne troepen, die op patrouille waren of kwartier maakten voor hen die na hen zouden komen.

Uit eenige uitroepen, welke hij opving maakte Raffles op, dat meer dan de helft van de hoofdstad in handen der Witten was en dat de Rooden zich nog met de grootste hardnekkigheid verdedigden ten Oosten van de Newa rondom het Alexander Newsky-Plein, op het Basilius Eiland, en bij het Admiraliteitsplein.

De Witten schenen echter te hopen, dat zij er binnen vier en twintig uur in geslaagd zouden zijn, de tegenpartij geheel en al uit de stad te verdrijven.

Eindelijk hield de aanvoerder van het konvooi zijn paard in en zeide tot de drie Engelschen:

—Ik heb bevel, U tot hier te begeleiden, mijne heeren! Hier scheiden zich onze wegen dus. Ik wil U nog slechts den raad geven u niet al te ver in het centrum van de stad te wagen want gij kunt hier het gedonder van het geschut hooren, en er wordt daarginds hevig gestreden. Op den linker oever van de Newa zult gij echter genoeg hotels vinden—die echter ongehoord duur zijn—daarvoor waarschuw ik u!

—De linkeroever is dus nog in handen der Witten? vroeg Raffles.

—Dat was hij althans nog een paar uur geleden!

—Dan kan ik van geluk spreken, want mijn vriend, die mijn geld in bewaring heeft, woont daar! Wij zullen er nu aanstonds heengaan!

—Ik vrees dat gij dan zult moeten loopen, mijne heeren, want gij zult wel vruchteloos op een huurslede of een rijtuig wachten!

Dat begrepen Raffles en zijn metgezellen ook—de huurkoetsiers zouden er wel niet veel voor gevoelen, naar het centrum der stad te rijden, terwijl ieder oogenblik de kansen konden keeren, en een granaat hen en hun voertuig kon verpletteren!

En zoo namen zij afscheid van den aanvoerder van het konvooi en trokken te voet de stad verder in.

—Waar gaan wij nu het eerst heen? vroeg Charly, toen zij een paar honderd meter verder waren.

—Naar den Engelschen Consul, die mijn geld in bewaring heeft, antwoordde Raffles. Wij zijn hier wel in een stad, die voor de helft nog in handen is van lieden die niets van geld willen weten, maar zonder dat aardsche slijk zouden wij toch in een uiterst onaangename positie komen. Ik zou werkelijk niet weten hoe wij naar ons eigen land zouden kunnen terugkeeren. Hij woont hier niet ver vandaan en ik denk wel dat hij op dit oogenblik thuis is, want men gaat thans werkelijk niet voor zijn genoegen de straat op!

Dat was zeker zoo want op niet al te verre afstand was de hemel rood van de vlammen, die uit sommige stadswijken opstegen, en de lucht was vervuld van het gedonder van het geschut, terwijl nu en dan vuurpijlen opstegen, zoeklichten den hemel afzochten en granaten met donderend geweld uiteenbarstten.

Na een half uur loopens hadden de drie mannen het fraaie huis van den consul bereikt, en Raffles begaf zich alleen naar binnen, toen de bediende hem op zijn schellen had medegedeeld dat zijn meester tehuis was.

Hij bleef nauwelijks tien minuten weg en keerde met een vergenoegd gelaat terug.

—Nu kunnen wij tenminste ergens onderdak krijgen! riep hij uit. Want men mag zeggen wat men wil—zelfs hier, in het brandpunt van het Bolsjewisme, is het geld nog altijd de bewegingszenuw van het geheele stoffelijke bestaan!

—Waar gaan wij heen? vroeg Charly.

—Naar een goed hotel. Ik weet er een aan het Newsky-Prospect. Het Alexander Hotel. Het is een der eerste van de stad.

—Maar ligt het in een buurt, die voor ons veilig is, dat wil zeggen, in een stadswijk, welke in handen van de Witten is? hernam Charly.

—Ja.

—Nu, dan moeten wij er maar spoedig heengaan! Ik wil wel bekennen, dat ik tamelijk vermoeid ben na al die avonturen van de laatste dagen!

—Een goed souper—voor zoover het te krijgen is!—en een goed bed zullen ons wel weder geheel doen bekomen van onze ontberingen, beste jongen! zeide Raffles. En nu snel op weg, want het wordt al laat, en ik ben er niet zeker van of men ons wel zal opnemen nu er nog zoo hevig gevochten wordt.

De drie reisgenooten begaven zich op weg en twintig minuten later stonden zij voor het groote hotel, dat thans echter een somberen indruk maakte daar bijna alle lichten daarbinnen gedoofd waren, zeker om geen doelwit op te leveren voor vijandelijke vliegers.

Het deed wel zeer zonderling aan dat er dicht bij de deur een sierlijk uitgedoste portier op post stond, alsof men zich in vollen vrede bevond, en er niet vlak in de buurt slechts weinige uren geleden verbitterd gestreden was.

De man ontving de drie reizigers zoo rustig, dat het hun een oogenblik was alsof zij al hun avonturen van de laatste dagen slechts gedroomd hadden en dat er geen sprake was van strijd tusschen zonen van één stam.

Raffles vroeg naar kamers, en het bleek dat er nog verscheidene open waren, zij het dan tegen prijzen, welke vroeger eenvoudig ondenkbaar geweest zouden zijn.

Voor twee kleine kamers moest Raffles honderd vijftig roebels per nacht betalen!

Hij vertrok echter geen spier van zijn gelaat en besprak de kamers.

—Zijn er veel reizigers? vroeg hij toen.

—Naar de omstandigheden te rekenen, vrij wat mijnheer! antwoordde de man. Er zijn veel Duitschers die hier zaken komen doen.

Raffles keek Charly glimlachend aan.

—Steeds de ouden gebleven! zeide hij zacht. Zij zouden zaken gaan doen in de hel, als het mogelijk was om daarheen te gaan—en er ook weder vandaan te komen. Intusschen—wij hebben vrede met elkander gesloten, en ik denk er niet aan ergens anders heen te gaan! Wij zouden daar trouwens zeer waarschijnlijk ook onze oude tegenstanders aantreffen!

De drie mannen begaven zich nu allereerst naar de hun aangewezen vertrekken.

Raffles en Charly zouden er een van betrekken, Henderson het tweede, aan de tegenovergestelde zijde van de gang gelegen.

Nadat zij zoo goed en zoo kwaad als het ging toilet hadden gemaakt, begaven Raffles en Charly zich naar de groote eetzaal, terwijl Henderson afzonderlijk zou avondmalen.

De brave kerel zelf bleef er onder alle omstandigheden op staan dat “de afstand zou worden bewaard” zooals hij het noemde.

Honderden malen had hij, in den loop van gevaarvolle avonturen en reizen, gezamenlijk met zijn meester de maaltijden gebruikt, en met hem in dezelfde hut, onder dezelfde tent geslapen.

Maar niet zoodra was men weder in de beschaafde wereld terug, of hij wilde weder de chauffeur van Zijne Lordschap zijn, en niets anders.

En zoo zaten dan de twee vrienden in de groote eetzaal, waarvan de gordijnen zorgvuldig waren dichtgetrokken, zoodat er geen licht naar buiten kon doordringen.

Het souper-uur had juist geslagen en de zaal was vrij goed bezet, en wel met een zoo zonderling allegaartje, als men daar in tijden van vrede zeker niet bijeen had aangetroffen.

Er zaten daar Polen, binnen enkele jaren schatrijk geworden, er waren Galicische Joden die hun voordeel hadden weten te doen met de conjunctuur, en in eens schatten hadden verdiend, er zaten militairen, thans uitsluitend Witten, en dan was er een groot aantal demi-mondaines, die eensklaps als paddestoelen uit den grond schenen te zijn geschoten.

Ten slotte kon men er wel zeker van zijn, dat er in deze zaal ook eenige Bolsjewiki zaten—maar zij pasten wel op, dat men ze niet als zoodanig zou herkennen! Er werd zeer veel wijn en champagne gedronken, die met fabelachtige prijzen werd betaald, en als men de met spijzen beladen tafels zag, dan kon men zich niet begrijpen, dat er in de buitenlandsche bladen van “ontzettend gebrek” werd gesproken—als men niet wist, dat de gewone burger zich dan ook dit voedsel onmogelijk kon verschaffen, wegens de ongehoorde prijzen.

Op dat tijdstip kostte te Petrograd, een goed middagmaal, zonder wijn evenwel, ongeveer honderd zeventig roebels!

Toen Raffles en Charly hadden plaats genomen, trad er juist een vrouw binnen op wie zich dadelijk aller blikken vestigden.

Zij was zeer schoon en van waarlijk vorstelijke gestalte.

Fluweelzwarte oogen in een ovaal, eenigszins olijfkleurig gelaat, een kleine roode mond, als met een penseel getrokken wenkbrauwen, donzen wangen, en een prachtige hals, overgaande in een weelderigen boezem, welke een Titiaan zou hebben verrukt.

Zij was in gezelschap van een kleinen zwarten man, die haar met groote eerbied scheen te behandelen.

In de sierlijk gevormde ooren schitterden twee zeer groote diamanten, en haar ver ontbloote hals was omgeven door een snoer parelen van groote waarde.

Ook haar vingers leken wel vonken te schieten zoo waren zij overladen met juweelen ringen.

Zij scheen even rond te zien, en ging toen naar een nog onbezet tafeltje, niet ver van de beide vrienden verwijderd.

—Een zeer schoone vrouw! zeide Charly op zachten toon.

—Ja, zij heeft een Poolsch type. Als de Poolsche vrouwen schoon zijn, dan zijn zij ook ware Venussen.

—Men kan wel zien, dat de Witten hier thans de overhand hebben, anders zou zij het zeker niet wagen in het publiek met zooveel kostbaarheden te pronken.

—Dat mag je wel zeggen—en ik vind het tamelijk gedurfd, want niemand kan immers weten hoe de zaken reeds morgen zullen staan. Als de Rooden het verloren terrein terugwinnen—als die vrouw dan nog hier is—en als de Bolsjewiki zich haar opschik herinneren, dan zal zij die niet veel langer meer bezitten.

—Zou dat kleine mannetje met zijn stekende oogjes haar echtgenoot zijn?

—De man heeft inderdaad het type van den echtgenoot eener buitengewoon schoone vrouw. Ik heb opgelet, dat bevallige en groote vrouwen dikwijls gehuwd zijn met kleine onbeteekenende mannen. Misschien deden zij het om hun schoonheid des te beter te doen uitkomen!

—Dat is weer juist iets voor jou, Edward! zeide Charly verwijtend.

—Laten wij dan in dit geval aannemen, dat die man haar broeder is—of haar minnaar. Voor haar vader is hij veel te jong. Hij kan ternauwernood veertig jaren zijn.

De kellner kwam aandragen met het bestelde, en de beide vrienden zetten zich aan den maaltijd.

Maar intusschen hield Raffles geen oog van de schoone vrouw, die zooeven was binnengetreden en die in hooge mate zijn belangstelling scheen te trekken.

Eensklaps bleef hij een paar seconden doodstil zitten, met zijn lepel halverwege zijn bord en zijn lippen.

Maar reeds het volgende oogenblik at hij rustig verder.

Charly had echter goede oogen, en hij had de verbazing van Raffles gezien.

—Wat was er—waar keek je zoo naar? vroeg hij nieuwsgierig.

—Ik keek naar onze schoone Poolsche, Charly, antwoordde Raffles zacht.

—Maar je zag er zoo verwonderd uit.

—Dat was ik ook, en ik hoop dat jij het alleen gemerkt hebt!

—Hoezoo? vroeg Charly, wiens verbazing toenam.

—Wel, de kellner drukte haar zooeven een papiertje in de hand!

—De onze?

—Neen, hij bedient aan haar tafeltje.

—Wat zou dat eigenlijk? Ik houd die vrouw voor een zeer welgestelde demi-mondaine—en die kellner kan wel haar amant zijn!

—Dat is niet erg waarschijnlijk, want zij verstopte eerst snel het briefje, haalde het daarna zoogenaamd uit haar zilveren beugeltasch, las het en liet het toen aan haar metgezel zien. Ik heb er wel niet veel verstand van, maar ik geloof toch niet dat dit gebruikelijk is onder minnaar en minnares!

—Wel, dan zal het iets anders zijn, hernam Charly. Misschien een briefje van iemand die buiten op antwoord wacht!

—Waarom was de kellner dan zoo bevreesd, dat anderen zouden zien hoe hij het papiertje overhandigde? Neen,—zij verwachtte dat briefje, want toen de man naderde liet zij haar hand langs de tafel afhangen en hij duwde het er vliegensvlug in.

—Nu, dan weet ik het niet! hernam Charly, die niet veel beteekenis aan het geheele voorval scheen te hechten.

Maar het was duidelijk dat Raffles er anders over dacht.

Na eenigen tijd te hebben gezwegen en de schoone vrouw van ter zijde te hebben opgenomen, vervolgde hij:

—Wat den kellner betreft, die haar het papiertje in de hand moffelde—heb je niets bijzonders aan den man gezien?

—Neen, ik vind hem alleen niet heel mooi!

—Dat is hij ook niet—maar ik meen iets anders! Die man is in het geheel geen kellner!

—Lieve hemel, Edward,—waarom denk je dat? vroeg Charly verwonderd.

—Omdat hij niet bedienen kan! Kijk hem eens onhandig omgaan met zijn schalen en flesschen! Zóó draagt geen enkele kellner zelfs niet uit een ordinair wijnhuis een schaal met gerechten en een flesch champagne!

—Misschien is hij wel pas kellner geworden!

—Dat zou dan gisteren geweest moeten zijn!

—Vertel mij eens wat er eigenlijk in je omgaat, Edward, kwam Charly. Ik begin in te zien, dat je blijkbaar aan deze zaak veel meer gewicht hecht dan ik! Wat denk je toch?

—Ik denk dat hier een klein—of wellicht een groot complot gesmeed wordt, beste Charly! Zulke opvallend mooie vrouwen, in gezelschap van zulke opvallend kleine en onbeteekenende mannen, die briefjes aannemen van kellners, die geen kellners zijn en die zulke schitterende juweelen dragen, ofschoon de Rooden op een geweerschot afstand staan—dat beteekent niet veel goeds!

Charly had zijn vork laten rusten en keek Raffles onderzoekend aan.

—Als ik niet meende, dat wij hier wel iets anders te doen hebben—namelijk zoo spoedig mogelijk heen te gaan—dan zou ik durven wedden, dat je veel lust hebt hier te blijven, alleen om te zien, wat er met die mooie cocotte, en dien kellner gaat gebeuren!

—Je zoudt je weddenschap gewonnen hebben, Charly—want dat ben ik inderdaad voornemens!

—Je drijft er zeker den spot mee? riep Charly verschrikt uit.

—Ik meen het in volle ernst!

—In deze stad die wel een vulkaan gelijkt, welke ieder oogenblik tot uitbarsting kan komen?

—Ik kan het niet helpen, dat dit interessante feit zich juist hier afspeelt, hernam Raffles bedaard.

—Maar als die vrouw werkelijk gevaarlijk is, en iets in den zin heeft, dan branden wij onze vingers, als wij er ons mede bemoeien! ging Charly voort.

—Wij kunnen oppassen!