Chapter 1 of 5 · 3994 words · ~20 min read

Part 1

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 30 DE DIRECTEUR DER KOLONIALE VEREENIGING.

DE DIRECTEUR DER KOLONIALE VEREENIGING.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE DIRECTEUR DER KOLONIALE VEREENIGING.

John Raffles hield een prospectus in de handen en sloeg met de vuist op het blad van zijn schrijftafel.

Charly Brand, die rookend bij den haard zat, sprong verschrikt op.

„Wat is er gebeurd?” vroeg hij.

„Daar is weer een ongehoorde boevenstreek uitgehaald”, stoof Lord Lister op, zenuwachtig in de kamer op en neer loopende.

„Ik begrijp je niet”, sprak de secretaris, terwijl hij zijn vriend met de oogen volgde.

„Lees dit prospectus. Het is een ellendige schurkenstreek. De directeur van een Belgische maatschappij schildert met de verleidelijkste kleuren de een of andere woestenij, die de Vereeniging in Afrika bezit.

„Alles groeit daar, zonder dat het geld of moeite kost, men behoeft slechts vijftig pond te betalen om millionnair te worden. Niemand behoeft te werken, dat doen de zwartjes. Een vervloekte schurkentroep!

„En er zullen weer honderden onnoozele arme drommels gevonden worden, die in Afrika millionnair denken te worden.”

Charly Brand had nu ook gelezen.

Ook op zijn gelaat vertoonde zich een uitdrukking van ergernis en mismoedigheid. Hij legde het blad papier voor Raffles neer en vroeg:

„Geloof je werkelijk, dat er menschen gevonden zullen worden, die 50 pond sterling aan die kerels in Brussel zullen betalen voor een stuk land, dat zij niet kennen?”

„Och kom”, antwoordde Raffles, „vertel den menschen vandaag, dat zij voor een dollar in veertien dagen door een speculatie op de Beurs twintig dollar zullen verdienen, adverteer dat met vette letters en de post zal je wagenvrachten postwissels van een dollar in huis bezorgen.

„Je kunt in ’t geheel niet gelooven, hoeveel domme menschen er bestaan, die vlug en zonder moeite rijk willen worden, als zij er maar niet voor behoeven te werken.

„De hemel is echter in dit opzicht rechtvaardig en laat deze lieden als straf voor hun vermetelheid, om zonder te werken geld te willen verdienen, de paar guldens verliezen, die zij misschien met veel moeite bijeengespaard hebben.

„Geef mij alsjeblieft eens de kaart van Afrika uit mijn boekenkast.”

Charly Brand haalde het gewenschte te voorschijn en legde de opgevouwen kaart voor zijn vriend op de schrijftafel neer.

Raffles spreidde de kaart uit en bestudeerde ze eenige minuten vol attentie.

Daarop nam hij een blauw potlood en maakte een streep om een stuk land aan de Westkust van Afrika, hetzelfde, dat was aangeduid op het prospectus van de Koloniale Vereeniging en dat zich uitstrekte tot dicht bij de grenzen van de Duitsche koloniën.

„Elke Afrikaan weet, dat deze landstreken tot de onvruchtbaarste gedeelten der wereld behooren”, sprak Raffles. „Rotsachtige, harde bodem, afgewisseld door woestenijen of zoogenaamd „Veld”, dat zijn uitgestrektheden onvruchtbaar, dor land, waarop niets anders groeit dan een soort gras, dat hard en stekelig is.

„Muildieren en kameelen kunnen het ternauwernood eten.

„Water is er in ’t geheel niet. Het moet ver uit het binnenland naar de kuststreek worden overgebracht.

„Ik voel er veel voor, om met deze oplichters in onderhandeling te treden. Ik zal den directeur der Koloniale Vereeniging in Brussel een bezoek gaan brengen.”

Hij nam een blad papier en schreef het volgende telegram:

„Directeur der Koloniale Vereeniging Van Meyendorp, Brussel.

Bericht, wanneer ik u in Brussel kan spreken.

A. WEBSTER.

London, Fultonstreet 14.”

„Bezorg dit telegram, beste Charly.”

De secretaris nam het blad papier op en maakte zich gereed om naar het telegraafkantoor te gaan.

„Wat doe je vanavond?” vroeg hij zijn vriend, toen hij reeds in de deuropening stond.

Raffles dacht eenige oogenblikken na, daarop nam hij een courant op en keek de lijst der openbare vermakelijkheden door.

Aandachtig bestudeerde hij de verschillende aankondigingen en sprak:

„Ik zal een bezoek gaan brengen aan de Royal Club en ga nu gauw het telegram bezorgen.

„Misschien komt het antwoord nog voordat wij uitgaan.”

Twee uur later kwam het antwoord werkelijk. Het luidde:

„Mr. Webster, Londen.

Reis dadelijk hierheen, breng koopsom mee, daar zeer sterke navraag.”

„All right!” sprak de Groote Onbekende lachend, „wij zullen nog hedenavond met de boot van elf uur naar Calais varen, zoodat wij morgen in den voormiddag in Brussel zijn.” — —

De Koloniale Vereeniging te Brussel bezat een groot, uit zandsteen opgetrokken gebouw, bij welks hoofdingang twee vergulde olifanten in natuurlijke grootte de wacht hielden als een paar reuzenbewakers.

Het was tegen den middag van den volgenden dag, toen John Raffles en Charly Brand, in eenvoudige kleeren gestoken, het gebouw binnentraden.

Beiden zagen er uit als lieden uit den kleinen burgerstand.

Zij moesten bijna een uur wachten, voordat een rijk gegaloneerd bediende hen door een reeks kantoorlokalen naar den directeur der Vereeniging bracht.

John Raffles nam den man met een snellen, scherpen blik op, toen hij het kostbaar ingerichte vertrek binnentrad.

Hij zag voor zich een klein, gezet persoon met slappe, maar brutale gelaatstrekken, wiens dikke lippen zinnelijkheid verrieden. De groote haviksneus daarentegen getuigde van wilskracht en een eigenaardige trek om den mond duidde sluwheid aan.

Door een gouden bril keek de president naar de binnentredenden met halfgesloten oogen.

Een welwillend glimlachje speelde om zijn mond. Met een beschermende handbeweging begroette hij de beide heeren, wees op twee stoelen naast zijn schrijftafel en sprak:

„Treedt nader mijn lieve vrienden en neemt plaats.”

John Raffles lachte in stilte om den zalvenden toon, welken de directeur aansloeg.

„Gij komt waarschijnlijk,” vervolgde hij, „inzake onze nieuwe kolonie en gij wenscht zeker mee te doen aan de uitbreiding der cultuur aldaar. Een hoogstaand en grootsch werk, mijn beste vrienden, dat gij voorstaat.

„Er is niets schooners, dan de zegen der cultuur onder de onbeschaafde zwarten te verbreiden.

„Dit werk der menschlievendheid, dat gij steunt, loont zichzelf op prachtige wijze. Elk pond sterling, dat gij besteedt voor dit doeleinde, vermenigvuldigt zich en brengt u honderden procenten winst op.

„De hemel zegent zijn zendelingen!”

„Amen,” sprak John Raffles tot zichzelf en luid voegde hij er bij:

„Sta mij toe, dat ook ik een paar woorden spreek.”

„Gaarne, mijn vriend.”

„Fijne vriendschap,” dacht Charly Brand, „als de vent eens wist, met wien hij te doen heeft. Ik ben nieuwsgierig, hoe die twee het samen zullen klaarspelen.”

„Zoudt gij mij uw verdere voorwaarden willen meedeelen?” klonk het opnieuw uit Lord Lister’s mond.

„Die zijn heel eenvoudig,” antwoordde de directeur. „Wij verkoopen u een morgen land in onze kolonie, de plek kunt gij zelf uitkiezen, voor vijftig pond sterling. Het is een belachelijk lage prijs voor dezen maagdelijken bodem.

„Hoeveel morgen land wenscht gij, mijn waarde vriend?”

„Voorloopig tien morgen.”

„Hebt gij het geld bij u, dan kunt gij in mijn bureaux dadelijk het verkoopcontract laten opmaken.”

„Ik kan u dadelijk betalen.”

„De zegen van den Allerhoogste leidt uw schreden. Ik houd veel van menschen zooals gij zijt, die een kort besluit nemen en zoodoende het geluk, dat zich voordoet, vasthouden. De hemel zegene u!”

„En jou moge hij bijstaan!” dacht Charly Brand in stilte.

„Welke zijn de verbindingsmiddelen naar deze kolonie, ik bedoel: hoe en langs welken weg kan ik er komen?” vroeg John Raffles.

„Zeer eenvoudig,” antwoordde de directeur der koloniale vereeniging. „Elke veertien dagen zenden wij vanuit Amsterdam met onzen agent op onze eigen stoombooten de kolonisten naar Afrika en wel op onze eigen kosten.

„Alle mogelijke werktuigen, die gij voor den landbouw noodig hebt, ook het vee, dat gij wenscht aan te schaffen, kunt gij bij ons agentschap in Kilambayo, zoo heet onze havenplaats aan de Afrikaansche kust, voor billijke prijzen koopen.”

„Zeer goed,” antwoordde Raffles, „want ik heb mijn hoofd al gebroken met de vraag, op welke wijze ik voor mijn boerderij het benoodigde materiaal naar Afrika zou kunnen overbrengen.”

„Wij zorgen op alle mogelijke manieren voor onze kolonisten en gij krijgt alles van ons: vrije overtocht, vrije kost en het land bijna voor niets. Ik zorg als een vader voor onze kolonisten. Niets ontbreekt hun.”

„Behalve alles!” dacht Charly Brand.

„Ik verzoek u,” sprak Raffles nu, „mij een bewijs te willen geven, dat ik recht heb op tien morgen land en dan ben ik bereid om u vijfhonderd pond sterling te betalen.”

De directeur drukte op den ivoren knop van een electrische bel. Een zijner beambten kwam binnen en bleef met een buiging bij de deur staan.

„Mijn allerbeste secretaris”, sprak de directeur der vereeniging op vaderlijken toon, „hier zijn twee jonge, hoopvolle, dappere en door den zegen des hemels begunstigde nieuwe vrienden van onze kolonie.

„Deze eene heer wenscht tien morgen land te koopen. Maak als ’t u belieft, het stuk van den verkoop in orde en bezorg het overige.”

Hierop vervolgde hij, zich tot John Raffles wendende:

„Ziet gij, mijn waarde vriend, twintig jaar geleden begon ik mijn loopbaan als arm zendeling in Afrika.

„In dit wonderland schenkt de hemel zijn allerbesten zegen aan de armsten zijner kinderen. Gij ziet, tot welke invloedrijke en machtige betrekking ik mij heb opgewerkt.

„Ga ook daarheen en breng het even ver als ik.”

Hij stak Raffles zijn met ringen beladen, vleezige hand toe en zag er uit, alsof hij, evenals de paus, een handkus verwachtte.

Daarop verlieten de nieuwbakken kolonisten de werkkamer van den directeur der koloniale vereeniging.

Toen de groote onbekende een uur later in zijn hotel aankwam, belde hij haastig den kellner en riep dezen toe:

„Whisky en sodawater! Zoo snel als je kunt!”

Nadat de zwartgerokte het gewenschte gebracht had, goot John Raffles, geheel tegen zijn gewoonte in, een glas van den scherpen drank naar binnen, waarna hij Charly Brand de flesch voor hetzelfde doel toeschoof.

„Oef!” zuchtte hij, „deze man is de eerste in mijn leven die op mijn zenuwen heeft gewerkt. Zooveel hemelsche zegen kan er eenvoudig niet bestaan, als waarmee deze kerel om zich heen gooit. Ik zeg je, Charly, die man moet de gemeenste schurk zijn die erop de wereld rondloopt.

„Ik ben alleen maar nieuwsgierig, welke dingen wij in Kilambayo zullen beleven.”

„Het zal ons aan niets ontbreken,” lachte de secretaris, terwijl hij de stem van den directeur der koloniale vereeniging nabootste.

„De hemel zal ons zijn allerbesten zegen schenken en ——”

„Breekijzers en verstand,” viel Raffles hem in de rede, „zullen ons naar Afrika vergezellen.

„Geef mij nog een whisky!”

TWEEDE HOOFDSTUK.

IN KILAMBAYO.

Veertien dagen later traden Raffles en Charly Brand in Amsterdam bij den agent der Belgische koloniale vereeniging binnen, gereed om naar Afrika af te reizen.

Zij werden naar een houten loods geleid, die in den tuin van het gebouw stond.

Hierin bevonden zich reeds verscheiden gezinnen en alleen reizende kolonisten, in het geheel ongeveer veertig personen, die allen den hemelschen zegen deelachtig moesten worden. Zij wachtten reeds twee dagen op het vertrek van de stoomboot.

De agent had hen hier in deze loods, waar het verbazend vuil was, onder dak gebracht.

Op onzindelijke bundels stroo, opeengeperst als een kist Kieler sprot, zelfs zonder de geslachten afzonderlijk te houden, huisden de kolonisten hier.

De agent vertelde, dat de boot eerst den volgenden dag zou vertrekken en bood ook Raffles hier onderdak aan.

„Wij zijn steeds ijverig bezig om voor het welzijn onzer kolonisten te zorgen,” sprak de agent. „Gij behoeft voor het verblijf in deze loods slechts een gulden te betalen, terwijl men in het minste hotel nog het dubbele van dat bedrag eischt.”

„Ik dank u zeer voor uw bemoeiingen, waar het mijn persoon betreft,” antwoordde de groote onbekende.

„Ik ben gewend om mij tegenover iedereen erkentelijk te betuigen, die mij van goeden raad dient en daarom ben ik zoo vrij om u voor de brutaliteit waarmee gij mij een varkensstal voor een gulden als verblijfplaats aanbiedt, den hemelschen zegen voor u in te roepen.”

Voordat de agent wist, wat er met hem gebeurde, had Raffles hem een oorvijg gegeven en zonder zich verder te bekommeren over het verbaasde gelaat van den ander, verliet hij het bureau.

Den volgenden dag om twee uur lag de stoomboot voor het vertrek gereed.

„Een zielverkooper,” fluisterde de Lord tot zijn vriend, toen zij het oude vaartuig bestegen.

„Men zou bang zijn, aan boord van dit wrak het kanaal over te steken, hoeveel te erger is dus een reis naar Afrika. Maar ter wille van het goede doel zullen wij het kalmpjes wagen en ons aan deze halfvergane planken toevertrouwen.”

De agent had uit woede over de oorvijg den kapitein en de bemanning tegen Raffles in het harnas gejaagd.

Het ellendigste verblijf op het schip, een waar rattenhol, werd hun beiden als zoogenaamde hut aangewezen.

Lord Lister keek met een spottend glimlachje in het hok rond en amuseerde zich om Charly Brand die mompelde:

„Zeg, ik wil nog liever elken dag in Londen ruzie hebben en vechten met inspecteur Baxter en door hem worden nagezeten, dan in deze armzalige menschenval naar Afrika te varen.”

„Er zal je niets anders overblijven dan de vaart mee te maken, want de boot is al op weg,” lachte zijn vriend, terwijl zij zich samen naar het dek begaven.

De kust was reeds uit het gezicht verdwenen en de boot bevond zich in volle zee. Nauwelijks was het tweetal eenige oogenblikken boven of de etensbel luidde.

In een laag, onzindelijk vertrek zaten de kolonisten aan houten tafels, waarop kommen stonden en beproefden een slecht riekend, vloeibaar gerecht, dat hun door de matrozen werd gebracht, naar binnen te werken.

Toen een matroos Raffles een dergelijke kom aanbood, sprak deze:

„Hoor eens, boy, hier is vijf shilling, die je kunt verdienen, als je mij het genoegen doet, in mijn plaats deze portie soep op te eten.”

„De matroos wist niet, wat hij zou antwoorden. De vijf shilling had hij o, zoo graag gehad, maar de inhoud van de blikken kom....!”

„Neen, mijnheer,” antwoordde hij na eenige minuten, terwijl hij zich achter het oor krabde, „voor vijf shilling kunt gij dat niet verlangen. Aan dat eten bederf ik voor twee dagen mijn maag.”

„Mooi,” sprak Raffles, „ik houd van een eerlijk antwoord. Hier heb je de vijf shilling en ga nu heen om den kapitein het bocht, dat hierin is, over zijn hoofd leeg te gieten.”

„Mijnheer,” fluisterde de matroos, angstig rondkijkende, „laat de baas u maar niet hooren, hij zou u aan een ketting leggen!”

Raffles lachte en ging naar de kajuit, waar de manschappen hun middagmaal genoten.

„Hier ruikt het fatsoenlijker,” sprak hij tot Charly Brand, die hongerig de lucht van het een of andere gebraad opsnoof.

„Gebraden varkensvleesch!” riep Raffles lachend uit. „Kom, nu gaan wij ook eens kijken, wat de heeren officieren eten.”

Hij ging met zijn vriend verder naar de kleinere eetzaal, waar aan de kapiteinstafel eenige van de beambten der Maatschappij zaten, die door den hofmeester werden bediend.

De kapitein en de officieren keken vol verbazing naar Raffles en Charly Brand, die zonder te vragen aan de tafel plaats namen.

„Eten!” beval Raffles kortaf.

„Voor den duivel!” brulde de kapitein, „je vreten staat beneden, maak dat ge wegkomt!”

John Raffles stond op, ging naar den spreker toe, keek hem met doordringende blikken aan en sprak:

„Gij vergist u, heer kapitein! Want uw matrozen zelf zijn niet in staat, om, zelfs voor vijf shilling, dat „vreten” naar binnen te werken. Zij wagen er hun maag niet aan.

„Ik verlang van u, dat gij mij en mijn reisgezellen spijzen zult laten voorzetten, die geschikt zijn om gegeten te worden door menschen en niet door honden!

„Mocht gij dat niet willen doen dan hebt gij de gevolgen af te wachten.”

De kapitein keek den vermetelen spreker met groote oogen aan.

Iets dergelijks was hem nog niet overkomen.

„Vervloekt!” brulde hij, „wat valt u in, om mij hier aan boord van mijn schip de wetten te willen voorschrijven? Hier ben ik heer en meester en ik beveel, wat gegeten wordt.”

„Gij vergist u,” antwoordde Raffles, „gij kunt uw matrozen en officieren bevelen geven, maar niet ons, passagiers.

„Gij hebt gehoord, welke eischen ik stel en ik verwacht uw antwoord binnen een uur.

„Willigt gij mijn verzoek niet in, dan zal ik uw gedrag aan den eersten Engelschen consul rapporteeren.”

De bedreiging met den Engelschen consul maakte indruk.

Tot dusverre waren als kolonisten slechts Polen, Russen of Duitschers vervoerd, Engelschen waren nog niet naar de kolonie verhuisd.

John Raffles en Charly Brand waren de eerste onderdanen van het Britsche Rijk, die de kapitein naar het andere werelddeel moest overbrengen en hij begreep, dat deze twee hem in moeilijkheden zouden kunnen brengen.

„Het is goed”, mompelde hij, „ik zal opdracht geven aan den hofmeester, dat voor u en uw vriend andere spijzen worden opgediend.”

„Neen,” antwoordde Raffles, „niet alleen voor mij en mijn vriend, maar ook voor mijn reisgenooten. Denk daaraan!

„Verder neem ik aan, dat gij van de maatschappij niet meer dan een vast bedrag ontvangt voor het voedsel der landverhuizers, zoodat gij niet in staat zijt, daarvan mij en mijn lotgenooten een betere tafel te geven en daarom ben ik bereid, honderd pond sterling bij u te deponeeren. Ik geloof wel, dat dit bedrag voldoende is om alle onkosten te bestrijden.”

Dit aanbod van Raffles snoerde den kapitein volkomen den mond.

Geld was ook in dit geval de sleutel, die alle deuren opent.

„Is het eten dan werkelijk zoo slecht?” vroeg de kapitein nu op zeer beleefden toon.

„Overtuig er u zelf van.”

De kapitein liet door een der matrozen een schaal met het door Raffles afgekeurde eten brengen. Toen dit voor hem op tafel stond, sprak Raffles:

„Ik wed om twee flesch champagne, dat gij mij niet kunt vertellen, waaruit die soep bestaat.

„Het kunnen evengoed afgekookte zeilen zijn of houtspaanders of schoenzolen. Blijkbaar bevinden zich de gezamenlijke overblijfselen van de haringen, die de bemanning misschien gisteren heeft gegeten, als heerlijke aanvulling in de soep.

„Misschien zijn gekookte haringkoppen een bijzondere lekkernij in België?”

De kapitein riep een matroos toe:

„Breng den kok bij mij!”

Toen deze verscheen, nam de kapitein de schaal soep op, goot den inhoud over het hoofd van den kok en schreeuwde:

„Vervloekte hond, je schijnt het geld, dat men je geeft om levensmiddelen in te koopen, voor jezelf te gebruiken. Ga dadelijk naar de keuken terug en maak voor de passagiers gebraden varkensvleesch, aardappelen en pruimen gereed. En wee, als ik nog een enkele klacht hoor!”

De kok, die volmaakt onschuldig was, durfde geen antwoord geven en ging heen.

John Raffles echter legde glimlachend tien banknoten van tien pond voor den kapitein neer, welke deze met een grijnslach in zijn broekzak liet verdwijnen.

Vanaf dat oogenblik was alles in de beste orde.

De medereizigers van den grooten onbekende vermoedden niet, dat de persoon, die een wijziging had gebracht in de keukenvoorschriften—en wel tot algemeene tevredenheid—niemand anders was dan John Raffles.

De welwillendheid van den kapitein ging nog verder.

Hij had een dekhut voor Raffles en Charly Brand laten inrichten en beiden waren tevreden. Zij voelden zich zeer behaaglijk, behalve het bewustzijn, zich aan boord van een zoogenaamden „zielenverkooper” te bevinden, die als een volgezogen spons elk oogenblik met man en muis op den bodem der zee kon verdwijnen.

Maar het geluk diende hun, want het was gedurende de geheele reis goed weer. Na drie weken naderde de stoomboot in het vroege morgenuur de plaats van bestemming.

Gewapend met een verrekijker stond John Raffles op het dek en bestudeerde de kust, die als een door de zon verbrande, boomlooze gele streep in onafzienbare uitgestrektheid voor hem lag.

„Ik geef je honderd pond sterling,” sprak de groote onbekende tot Charly Brand, „als je mij daar ginds ergens een groen plekje kunt aanwijzen, waar, zooals de directeur van de koloniale vereeniging in zijn prospectus beweert, tienmaal per jaar wordt geoogst.”

Voordat zij aan land gingen, kwam de kapitein, met wien Raffles gedurende de reis nader bevriend was geworden en die in zijn hart een wel is waar ruwe, maar toch goedhartige zeeman was, naar hem toe en klopte hem op den schouder.

„Wilt gij werkelijk aan land gaan, mr. Webster?”

„Ja zeker, kapitein, waarom niet? Ik ben blij, dat ik het oude wrak kan verlaten.”

„Daar hebt gij gelijk in”, antwoordde de kapitein. „De oude kast is voor mij ook geen al te prettig verblijf!

„Maar als gij vierentwintig uur aan land zijt, aan deze kust, die door God en de menschen is verlaten, dan zult gij hartelijk blij zijn, als gij uw voeten weer aan boord kunt zetten van dezen teringachtigen romp, om Afrika weer den rug toe te draaien.”

„Ik wil het toch probeeren”, antwoordde Raffles, „de bodem kan toch niet overal in een dergelijken toestand zijn als hier aan de kust.”

De kapitein lachte even.

„Het is de tiende reis, die ik nu maak en telkenmale bracht ik een vijftigtal kolonisten naar deze havenplaats.

„Geen enkelen heb ik tot dusverre teruggezien. De duivel mag weten, wat er van hen geworden is.”

„Wij zullen elkaar terugzien!” antwoordde Raffles.

„Ik wensch u het beste, sir. En luister naar een goeden raad: volg niet de beambten der maatschappij, die met ons mee zijn gekomen. Dat zijn letterlijk doodgravers!”

Des middags betraden de Groote Onbekende en zijn vriend den Afrikaanschen bodem.

De havenplaats Kilambayo bestond uit eenige barakken met zinken golfbedekking en een dozijn vuile, verwaarloosde negerhutten.

John Raffles richtte zijn schreden naar een der eerste, waarop de particuliere vlag van de koloniale vereeniging was geheschen en boven welks deur het opschrift prijkte:

„Hotel de Directeur der Koloniale Vereeniging”.

Daaronder bevond zich een klein schild, dat nog vermeldde:

„Deftig verblijf voor alle reizigers”.

Het meubilair van dit „deftige verblijf” was gemaakt van tonnen en ledige kisten en een dikke, oude negerin, de eigenares van het hotel, begroette Raffles op vertrouwelijke wijze, terwijl zij hem dadelijk een groot glas brandewijn als welkomstdronk aanbood.

De groote onbekende bedankte evenwel met beleefde woorden voor den drank en vroeg, of hij een kamer kon krijgen voor zich zelf en zijn vriend.

Een dergelijke vraag scheen de eigenares van het hotel nog nooit te hebben gehoord.

Toen Raffles zijn woorden herhaalde, antwoordde zij met een vriendelijk glimlachje:

„O, mijnheer, wij slapen allen bij elkaar.”

„Heel netjes,” lachte Raffles, die pleizier begon te krijgen in het geval. „Wijs mij dan maar eens waar men kan slapen.”

„Heel eenvoudig”, grijnslachte de oude negerin, „ik heb hangmatten, worden deze opgehangen aan haken en mijnheer slapen als God in Frankrijk.”

Deze verklaring stelde Raffles volkomen tevreden.

„Kosten vijf gulden per dag,” voegde de negerin er nog aan toe.

Nu moesten Raffles en Charly Brand hartelijk lachen.

Voor dezen zelfden prijs hadden zij steeds in een Londensch hotel een kamer, naar de eischen des tijds ingericht, met badkamer gehad.

Vanuit het „hotel” begaf Raffles zich naar den agent der Maatschappij.

Maar deze was door de beide beambten van de Vereeniging die met de stoomboot waren meegekomen, omtrent de twee Engelschen ingelicht en Raffles vond hem dus niet.

Alleen een kleurling, de zoon van een blanke en van een negerin, die in dienst was van de vereeniging, vroeg Raffles, wat deze wenschte.

„Ik wilde landbouwwerktuigen en vee koopen. Men vertelde mij in Brussel, dat ik dit hier allemaal zou kunnen krijgen.”

De kleurling staarde Raffles aan, alsof deze krankzinnig was.

Hij had in zijn geheele leven nog nimmer van landbouwwerktuigen of vee hooren spreken, dat hier te koop zou zijn.

Hieruit bleek dus al dadelijk, dat de directeur der maatschappij met den zegen des hemels in zijn mond schandelijk had gelogen.

Raffles dacht na, wat hem nu te doen stond.

Bijna twee uur lang zat hij stil en peinzend aan het strand naar de branding te kijken.

Op eenigen afstand van hem waren kolonisten druk bezig, van kisten en dekens een zeer primitief nachtverblijf in elkaar te zetten.

De vrouwen en kinderen, die mee waren gekomen naar het vreemde werelddeel, jammerden en klaagden en zelfs de mannen zagen in, dat zij in een wanhopigen toestand verkeerden.

De agenten hadden getracht, hen gerust te stellen en verteld, dat zij den volgenden dag verder het land in gebracht zouden worden.

In een land, vanwaar nog geen enkele kolonist, zooals de kapitein had gezegd, was teruggekomen!

Tegen den avond gelukte het Raffles eindelijk, den agent der Vereeniging, een ouden, doorloopend beschonken Portugees, te spreken te krijgen.