Chapter 4 of 5 · 4000 words · ~20 min read

Part 4

Een tweede schot van Raffles volgde, en nu moesten de matrozen in allerijl trachten hun leven te redden.

Hun kameraden kwamen hun ter hulp en konden nog juist, met inspanning van al hun krachten, de matrozen uit het snel zinkende bootje redden.

Haastig roeiden zij naar het stoomschip terug.

Zij gaven hun pogingen op, om met geweld aan land te komen.

Een luid „hoera!” van Raffles en zijn mannen weerklonk over het water, toen de matrozen aan boord terugklauterden.

Omdat het water hier zeer ondiep was, moest de stoomboot op een afstand van een halve Engelsche mijl van de kust verwijderd blijven.

Bijna een uur verliep, voordat opnieuw een boot werd uitgezonden, waarin Raffles, behalve twee matrozen, den kapitein van het schip en een beambte der koloniale vereeniging ontdekte, welke een witte vlag hadden geheschen.

„Zij komen nu om met ons te onderhandelen,” sprak Charly Brand.

Raffles liet de boot landen en ging, omringd door zijn lieden, de aankomenden tegemoet.

„Met welk recht”, zoo begon de kapitein, „ontvangt gij ons op vijandelijke wijze?”

De groote onbekende keek hem met trotsche blikken aan.

„Oplichters en bedriegers ontvangt men niet op fatsoenlijke manier.”

„In hoeverre hebben wij ons dat aan te trekken?” vroeg de kapitein.

„Wel,” antwoordde Raffles, „dat is heel eenvoudig, zou ik denken. Gij hebt daar aan boord een groot aantal kolonisten, die van de koloniale vereeniging land hebben gekocht.”

„En ik zou denken, dat dit iets is, waar gij niets mee te maken hebt. Het verkoopen van grondgebied is immers het doel der vereeniging?”

„Gij vergist u, kapitein, want de koloniale vereeniging heeft hier geen land in eigendom.

„Zooals ik u met mijn officieele stukken kan bewijzen, ben ik eigenaar van al het land en ik verbied ieder, die niet mijn particuliere toestemming heeft, hier een voet aan wal te zetten.”

De kapitein wendde zich tot den beambte der vereeniging, die met een verlegen lachje naar het gesprek had staan luisteren:

„Wat hebt gij hierop te antwoorden?” vroeg de kapitein.

„Die heer vergist zich.”

„Ik zal u bewijzen, dat dit niet het geval is!” riep Raffles uit. „Ik kan mij onmogelijk vergissen, want ik ben in het bezit van de gezegelde en onderteekende koopcontracten, betrekking hebbende op dezen grond.

„Maar uw vereeniging bestaat uit bedriegers en oplichters.

„Zij verkoopen deze kolonie zoo dikwijls als zij kunnen.

„Tot dusverre ben ik de eerste kolonist, die noch door honger of dorst is omgekomen, noch door de negers werd omgebracht.

„Maar nu keert gij naar huis terug. Vertel uw directeur, dat hij, die een kuil graaft voor anderen, er dikwijls zelf invalt. Zeg hem, dat ik meer dan tevreden ben over den goedkoopen aankoop van deze kolonie, want— —” Raffles zweeg even en haalde met glimlachend gelaat een klein katoenen zakje te voorschijn, „ik zal u iets meegeven voor uw directeur.”

Hij opende het zakje en nam er eenige kleine, bruine steentjes uit, die als ongezuiverde suikerkorrels in de zon glinsterden.

Eén daarvan gaf Raffles aan den kapitein en vroeg:

„Weet gij, wat dat is?”

„Neen,” antwoordde de ander in gespannen aandacht.

Hartelijk lachend vervolgde de groote onbekende:

„Die zaadjes groeien op mijn landerijen. Zoover als gij kunt kijken in zuidelijke richting, is de grond als bezaaid met deze steentjes. Men behoeft er niet eens naar te graven, zij liggen dadelijk aan de oppervlakte.”

De kapitein bekeek het steentje in zijn hand en wist niet, wat hij er mee moest beginnen. De beambte der vereeniging echter, die lang in Zuid-Afrika had gewoond, keek ernaar met schitterende oogen, waarin hebzucht te lezen stond.

Raffles zag dit alles en amuseerde zich kostelijk.

Daarop nam hij een tweede steentje, zoo groot als een erwt, uit zijn linnen zakje en, terwijl hij het aan den beambte gaf, sprak hij:

„Ik schenk u ook een dergelijk souvenir, bewaar het goed. Als gij het aan uw directeur laat zien, zing dan eens voor hem:

„Behüt’ dich Gott, es wär’ zu schön gewesen, „Behüt’ dich Gott, hast mein nicht sollen sein!” [1]

„Wat beteekenen die steentjes nu eigenlijk? Ik begrijp er nog niet veel van, om u de waarheid te zeggen!” sprak de kapitein tot den beambte.

„Een diamant!” fluisterde deze, en een koude rilling van zenuwachtigheid liep langs zijn rug.

„Jawel, het zijn diamanten,” herhaalde de groote onbekende, „en ik hoop binnen eenige weken zooveel gevonden te hebben, dat wij inderdaad dat zijn, wat gij in uw blufferig prospectus hebt betiteld met het woord: millionnairs.”

In groote opgewondenheid keerden de beambten met den kapitein aan boord van de stoomboot terug.

Charly Brand echter stond tegenover Raffles in diens tent en wist niet, wat het onbedaarlijke lachen van zijn vriend beteekende. Het duurde meerdere minuten voordat Lord Lister zijn lachbui in zooverre meester was, dat hij zijn zilveren sigarenkoker te voorschijn kon halen en, zich behaaglijk neervlijende, de blauwe, geurige rookwolkjes om zich kon blazen.

Op het stoomschip werd intusschen door de aanwezige beambten der maatschappij een beraadslaging gehouden. Nadat zij het groote nieuws hadden vernomen, hadden zij met algemeene stemmen besloten dadelijk naar België terug te keeren, teneinde met den directeur der Koloniale Vereeniging de zaak te bespreken.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE BESPREKING.

De directeur der Koloniale Vereeniging, de heer Van Meyendorp, bevond zich in een toestand van zenuwachtige opgewondenheid over de berichten, die de kapitein en de teruggekeerde beambten hem uit Afrika hadden gebracht.

Onmiddellijk riep hij een algemeene vergadering zijner bestuursleden bijeen, om te overleggen, wat in zake deze buitengewone gebeurtenis moest geschieden.

O, hij kon zichzelf wel met de vuist tegen het voorhoofd slaan, als hij over den loop van het gebeurde nadacht!

Hij voelde den bodem onder zijn voeten wankelen, als hij overwoog, dat hij den grond, die millioenen waard bleek te zijn, voor zoo weinig geld had verkocht.

Steeds weer opnieuw onderzocht hij de twee diamanten, die de beambte en de kapitein hem hadden overgebracht.

Hij liet een der voornaamste diamanthandelaren uit Brussel bij zich komen.

Henri Villard heette de man.

Zorgvuldig en behoedzaam opende de directeur der Koloniale Vereeniging het cartonnen doosje, waar de beide onooglijke, bruine steentjes in lagen en gaf ze den deskundige in handen.

Met gespannen aandacht keek hij naar het gelaat van den kenner, terwijl deze de steenen onderzocht met een loupe.

Het duurde eenige minuten, voordat deze antwoordde:

„Heer directeur, deze beide steenen blijken mij na nauwkeurig onderzoek, zonder eenigen twijfel, diamanten van zuiver gehalte!”

Dikke zweetdroppels verschenen op het voorhoofd van den directeur en met zijn zijden zakdoek veegde hij eerst eenige keeren over zijn vuurrood gelaat, voordat hij kon vragen:

„Vergist gij u niet?”

„Vergissing is ten eenenmale onmogelijk. Ik ben zeer gaarne bereid om de steenen te koopen,” luidde het antwoord.

Weer haalde de directeur zijn zakdoek te voorschijn, verkoelde hiermee zijn verhitte wangen en sprak met heesche stem:

„Dus werkelijk diamanten!”

Hij keek bij deze woorden den diamanthandelaar aan, alsof hij door een groot onheil was getroffen en deze verbaasde zich uitermate over de vreemde houding van den directeur.

„Mag ik vragen, heer Van Meyendorp, vanwaar deze diamanten komen?”

„Zeker,” antwoordde de ander, „zij zijn gevonden in onze Afrikaansche kolonie.”

In het volgende oogenblik had hij reeds berouw over deze mededeeling; het was een groote onvoorzichtigheid van hem geweest.

Niemand, behalve de vereeniging zelf, moest iets van deze vondst weten.

De oogen van den diamanthandelaar schitterden, hij reikte den directeur de hand en sprak op opgewonden toon:

„Sta mij toe, dat ik u van harte geluk wensch met deze waardevolle gebeurtenis. Dat zal een opschudding te weeg brengen in de diamantwereld!”

„Zwijg! Zwijg!” riep de directeur der Koloniale Vereeniging uit, terwijl hij een smeekende handbeweging maakte. „Niemand mag nog iets van de zaak weten! Eerst moet het feit werkelijk zijn vastgesteld en moeten wij er ons persoonlijk van hebben overtuigd, van hoe groote waarde het gevondene is, dat aan een onzer beambten in de kolonie is te beurt gevallen.”

„Dat zal niet lang een geheim kunnen blijven”, antwoordde de juwelier, „waar deze steenen gevonden zijn, daar zijn er veel meer!”

„Meent gij dat inderdaad?”

„Ongetwijfeld! Ik wil u gaarne een raad geven, die voor u van groot belang zal zijn, mits gij mij in de winst wilt laten deelen.”

„Later, later!”

„Dan zou het wel eens te laat kunnen zijn, mijnheer Van Meyendorp!”

„Spreek dan!”

„Geef mij het monopolie van den aankoop der steenen van uw vereeniging, dan wil ik met u de helft van de winst bij verkoop deelen.”

De directeur der Koloniale Vereeniging glimlachte, het was het sluwe lachje van een vos.

De diamanthandelaar begreep de bedoeling ervan en sprak:

„Gij denkt misschien, dat ik mijzelf wil bevoordeelen, ten koste van u. Neen, dat is in ’t geheel niet het geval. Gij zoudt van geen enkelen diamanthandelaar een hoogeren marktprijs per karaat krijgen, dan wat ik u betaal en niemand zou de steenen voor u slijpen.”

„Waarom niet?”

Nu gleed over het gelaat van den handelaar in juweelen de sluwe lach van een vos.

„Hebt gij wel eens gehoord van den Engelschen diamantkoning Sullivan en diens diamant-trust?”

„Neen.”

„Nu dan. Die trust koopt of liever bezit het volledige materiaal aan ruwe steenen. De trust bepaalt de prijzen en beheerscht de markt.

„Zoodra die diamant-trust iets zal vernemen omtrent de nieuw-ontdekte velden, zal hij met alle middelen, welke hem ten dienste staan, beproeven, de steenen, of beter gezegd de mijnen, in zijn bezit te krijgen, opdat geen concurrent den prijs zal kunnen vaststellen.”

„Ik begrijp u”, antwoordde de directeur der Koloniale Vereeniging, „gij wilt met mij te zamen concurreeren tegen den trust.”

„Juist, mijnheer.”

„Goed, wij zullen dat samen in orde maken. Nu moet gij mij echter verontschuldigen. Ik hoor, dat in de bestuurskamer de heeren reeds op mij wachten.

„Wij spreken elkaar morgen wel nader.”

Hij nam afscheid van den diamanthandelaar en begaf zich naar het aangrenzende vertrek.

De zaal was schitterend verlicht, hoewel het nog dag was.

Alle ramen waren goed gesloten en met zware gordijnen behangen.

Het maakte den indruk, alsof het daglicht geen getuige mocht zijn van de geheime besprekingen, welke gehouden werden door de leden van de Koloniale Vereeniging, die daar hadden plaats genomen aan de met groen laken bekleede tafel.

Met de ernstige deftigheid, die hij had overgehouden uit den tijd, toen hij nog zendeling was, kwam de directeur der Koloniale Vereeniging de zaal binnen en begroette de verzamelde, in vollen getale verschenen medeleden met een zalvend lachje.

Daarop nam hij plaats op den presidentszetel aan het hoofd van de tafel.

Een bediende in rijke livrei plaatste een zwaren, zilveren, drie-armigen kandelaar met brandende kaarsen voor den president en legde een groote portefeuille van bruin leer voor hem op het groene laken.

„Zorg ervoor”, sprak de directeur der vereeniging tot den bediende, „dat niemand, wie het ook mocht zijn, in de nabijheid komt van de gesloten deur van onze vergaderzaal!”

De bediende maakte een diepe, eerbiedige buiging en ging heen.

De heeren, die den raad van toezicht vormden, de aandeelhouders en de onderdirecteuren der Koloniale Vereeniging, die allen hier aanwezig waren, wachtten vol aandacht op de dingen, die komen zouden.

Te oordeelen naar het bevel, dat de voorzitter daar juist aan den bediende had gegeven, moest er zeker iets buitengewoons te behandelen zijn.

Nu liet de voorzitter een zilveren bel weerklinken.

Een algemeene, spannende stilte ontstond.

Ieder was vol groote belangstelling.

De directeur der vereeniging stond met bijzondere plechtigheid uit zijn zetel op, maakte een buiging voor de aanwezigen en sprak:

„Hooggeachte heeren, leden van den raad van toezicht, heeren aandeelhouders. Ik heb u voor een buitengewone vergadering bijeen moeten roepen.

„Het verheugt mij en ik ben er u dankbaar voor, dat gij allen in zoo grooten getale zijt verschenen.

„Als een herder, die zijn trouwe kudde om zich heen heeft verzameld, zoo sta ik hier voor u en als een trouwe herder zal ik u den hemelschen zegen mededeelen, die mij is geopenbaard.”

Hij nam het voor hem staande kleine kartonnen doosje en hield dat eenige oogenblikken in de hoogte.

Met een zoetsappigen glimlach, de oogen opgeslagen naar den hemel, vervolgde hij:

„De hemel moge geven, dat de inhoud van deze kleine papieren doos ons tot vorsten der aarde maakt!”

De aanwezigen wisten niet, of de directeur der Koloniale Vereeniging op dat oogenblik krankzinnig of dronken was.

Hier en daar fluisterde men elkaar zijn opmerkingen daaromtrent in het oor.

Wat kon dat doosje bevatten?

Een bestraffende blik van den directeur trof hen, die zoo oneerbiedig waren om te durven fluisteren.

En de directeur vervolgde op denzelfden lijmerigen, zoetsappigen toon:

„Ik verzoek den geachten aanwezigen, door geen enkele profane uitlating dit gewichtige, onvergetelijke oogenblik te willen ontheiligen. Waarlijk, deze vergadering zal met gulden letters gegrift kunnen worden in de geschiedenis onzer schoone vereeniging.

„En het vaderland zal met ons onschatbare voordeelen van dit uur genieten.

„Het vaderland zal onze namen vereeuwigen en wij allen zullen voortaan mannen van beteekenis zijn voor den bloei van het ons zoo dierbare vaderland!

„Hooge eereteekenen en ridderorden zullen onze borst versieren, de wereld zal zich vol eerbied voor onze macht buigen.

„Staat allen op, mijne heeren, en luistert staande naar dat, wat ik u nu mede te deelen heb.”

Als één man stonden alle aanwezigen op.

Niemand van hen waagde het, een opmerking te maken.

De nieuwsgierigheid had haar toppunt bereikt.

Al die heeren met hun vette, weldoorvoede gezichten, met glimmende kale schedels of gepommadeerde haren, zware, gouden horlogekettingen en breede ringen met fonkelende steenen, allen wachtten nu bijna bewegenloos en in groote spanning op de openbaring, die zij van den directeur zouden vernemen.

Met plechtig handgebaar nam deze het deksel van het cartonnen doosje af.

Alle halzen werden zoo ver mogelijk uitgerekt.

Met de punten zijner vingers haalde de directeur een bruin, glinsterend steentje eruit te voorschijn en hield dat dicht bij de brandende kaarsen.

Niemand begreep, wat dit moest beteekenen.

Een geheimzinnige glimlach trok over het gelaat van den directeur en op een toon, alsof hij een gebed uitsprak, vervolgde hij:

„Gij, mijn lieve vrienden, buigt uwe hoofden neer in het stof en heft uw handen dankend op naar den hemel.

„Heft allen tezamen een lofzang aan, want de hemel heeft een groote weldaad aan ons bewezen.

„De hemel heeft ons meer dan mild gezegend!

„Ziet, mijn lieve vrienden, deze kostbaarheid is in onze kolonie gevonden. Een deskundige heeft mij reeds bevestigd, dus ik deel het u hierbij mede als een onomstootelijke waarheid: Het is een diamant!”

De directeur der Koloniale Vereeniging zweeg.

Niets werd in het vertrek vernomen dan de zware, hijgende ademhaling der aandeelhouders.

Het duizelde hun en met hun geestesoog zagen zij fabelachtige schatten voor zich.

Het onooglijke bruine steentje veranderde in een schitterenden diamant, ter grootte van een kanonskogel.

De groene tafel werd een reusachtige gouden staaf en hun vingers woelden in de onmetelijke schatten, die hen allen tot meer dan millionnairs zouden maken. Bergen gouds werden voor hun oogen opgestapeld. Zelfs de wonderbare sprookjes uit de Duizend-en-een Nacht verloren hun beteekenis, vergeleken bij hun toekomstbeelden.

Plotseling gaf één der heeren aan zijn bijna bovenmenschelijke opwinding lucht door het uiten van een onverstaanbaren kreet.

Dit was het teeken tot een algemeen vreugdegeschreeuw.

De ter vergadering samengekomenen liepen en sprongen, met hun handen en armen gesticuleerend, als waanzinnigen door elkaar heen.

„Diamanten! Diamanten!” riepen zij elkaar toe.

Als razenden schreeuwden, dansten en lachten zij.

Zij waren aangegrepen door een waren dorst naar goud.

Zelfs de directeur, die zooeven vol zalvende plechtigheid en ernst voor hen had gestaan, had zijn waardige houding vergeten.

Hij was op een stoel geklommen, zwaaide onophoudelijk met zijn bel en schreeuwde:

„Lang leve onze vereeniging. Hoera! Hoera voor de diamanten! De diamanten!”

Daarop tilden twee leden van de commissie van toezicht hem van den stoel en droegen hem zoo lang in galop door de zaal, totdat zij alle drie uitgeput en naar adem hijgend op den grond neervielen.

Bijna een kwartier duurde het, eer de diamantkoorts uit de verhitte hersenen week en de rust in zooverre weer intrad, dat de directeur der vereeniging weer aan het woord kon komen.

Ieder bekeek nu aandachtig de beide steentjes; als een bende waanzinnigen verdrongen zij zich om den directeur.

De voorzitter der vergadering moest de kleine, bruine, op kiezelsteentjes gelijkende bewijsstukken beschermen tegen de begeerig ernaar uitgestrekte handen.

Het kostte den directeur ontzettend veel moeite om weer stilte te krijgen en toen hem dit eindelijk was gelukt, vervolgde hij zijn rede:

„Geliefde vrienden! Gij ziet, dat ik u niet te veel heb beloofd.”

„Neen! neen!” viel men hem in de rede.

„En laat ons er nu eens over nadenken, op welke wijze wij het geluk, dat zich aan ons voordoet, kunnen vasthouden. Het land, waarop deze steenen zijn gevonden, is verkocht!”

Een drukkende stilte volgde op deze mededeeling.

Daarop stond consul Thibaud, de eerste onderdirecteur, van zijn stoel op en sprak:

„Wij hebben den grond der kolonie reeds veertien maal verkocht. Telkenmale zijn de kolonisten gestorven en luidens de overeenkomst verviel de grond dan weer aan onze vereeniging.

„Zijn de kolonisten, die wij dezen keer naar Afrika hebben gezonden, nog in leven?”

De directeur der vereeniging vouwde de handen over zijn buik, zette een bedroefd gezicht, alsof hij plotseling kiespijn had gekregen en antwoordde:

„Helaas, ja!”

„Allen?”

„Allen! En zelfs nog eenige kolonisten van onze voorlaatste expeditie!”

Een luid „vervloekt!” en andere zegewenschen weerklonken uit de monden van deze achtenswaardige heeren.

„Maar hoe is dat mogelijk?” vroeg de eerste onderdirecteur weer, „hebben onze agenten zoo slecht hun plicht gedaan en het kolonievee niet verder de binnenlanden ingedreven?”

„Helaas, neen!”

„Zijn deze kerels nog in onzen dienst?” vroeg een der aandeelhouders.

„Dadelijk naar de hel jagen!” schreeuwde een ander.

„Zij zijn dood,” antwoordde de directeur der vereeniging. „Gij herinnert u wel, welk vreeselijk ongeluk kapitein Möller een maand geleden in de Noordzee overkwam, toen hij op de terugweg was uit Afrika?

„Zij zijn dood en ons kostbaar schip ligt op den bodem van den Oceaan. Een groote schadepost voor ons!”

„Nu ja,” mompelde een der aandeelhouders, „het schip was immers zeer hoog verzekerd, wij hebben daar goede zaakjes mee gemaakt.

„Maar wat kunnen wij doen, welke middelen kunnen wij in het werk stellen om onzen grond weer in handen te krijgen?”

„Een negeropstand organiseeren!” riep de consul uit. „De zwarte bandieten kunnen dan de blanke honden doodslaan!”

„Ja, uitstekend! Een magnifique idée!” schreeuwden de aandeelhouders.

„Dat zal geen gemakkelijk werk zijn, mijn vrienden,” bracht de president in het midden. „Ik heb verontrustende tijdingen vernomen van onzen teruggekeerden agent en ook van kapitein Stolkenborg.

„Een Engelschman, een zekere Webster uit Londen—ik herinner mij hem nog zeer goed; hij was persoonlijk bij mij, toen hij land bij ons kocht—heeft van de andere kolonisten het land gekocht en is nu alleen heer en bezitter van onze kolonie!”

„Naar den duivel met hem! Vervloekte Engelschman!” schreeuwden en raasden de aandeelhouders, terwijl zij hun vuisten schudden tegen den afwezigen grondeigenaar. Moordlust was in hun oogen te lezen.

„Onze agenten hebben reeds beproefd, met gewapende matrozen in Kilambayo te landen. Maar de Engelschman belette hun aan land te komen en verbood hun, nu of ooit een voet op zijn bodem te zetten.”

„Wat!” schreeuwde een der heeren, „heeft men ooit van een dergelijke schandelijke brutaliteit gehoord? Is die kerel, die Engelschman, dan krankzinnig? Wat wil de schurk in onze kolonie?”

„Drommels!” riep een andere, „ik reis zelf desnoods naar Afrika en schiet den spitsboef, die ons den toegang tot onzen eigen grond verbiedt, neer!”

„Het is op het oogenblik ons eigendom niet!” sprak een onvoorzichtige aandeelhouder, met welke woorden hij zich een storm van verontwaardiging op den hals haalde.

Maar met al hun ruzie maken en vloeken kwamen zij niet veel verder.

Zij trokken als geketende slaven tevergeefs aan hun boeien.

Zij moesten wel inzien, dat zij inderdaad niet meer de eigenaren waren van de kolonie en dat mr. Webster uit London door eerlijken aankoop zijn rechten kon laten gelden.

Zij sloegen nu tot een ander uiterste over en stelden zich aan als wanhopigen.

Maar hoe dan ook, er moest een uitweg gevonden worden.

De Engelschman mocht niet de eigenaar blijven van het kostbare stuk land.

Door geweld of door list—dat kwam er niet op aan—maar hij moest tot elken prijs verjaagd worden.

Eindelijk luidde de directeur der koloniale vereeniging zijn voorzittersbel om zich stilte te verzekeren.

„Mijn lieve vrienden,” zoo begon hij weer, „ik heb er al ernstig over nagedacht en ik hoop, deze zaak tot ons aller tevredenheid in het reine te brengen.

„Mijn plan is reeds opgemaakt.

„Ik zal met den diamanthandelaar Villard, dien gij allen kent, en met de heeren der commissie van toezicht reeds morgen naar Afrika afreizen!”

„Wij gaan allen mee!” riepen de aandeelhouders.

De directeur antwoordde glimlachend:

„Uitstekend, mijn lieve vrienden, reist allen mee!”

„Bravo! Bravo!”

Opnieuw klonk de bel van den voorzitter.

„Wij zullen met den Engelschman in onderhandeling treden betreffende het terugkoopen der kolonie en door Villard en nog twee deskundigen op dit gebied uit Amsterdam de plaatsen laten onderzoeken, waar de steenen gevonden zijn.”

„Ik ben eveneens bereid om als deskundige op te treden,” sprak een der aandeelhouders, die van beroep professor in de geologie was.

„Aangenomen,” antwoordde de spreker, „onze deskundigen moeten natuurlijk in ons eigen belang het werkelijke resultaat van hun onderzoek alleen aan ons mededeelen en moeten indien hun bevindingen gunstig luiden, den Engelschman een ongunstig rapport uitbrengen, opdat wij het land tegen lagen prijs kunnen terugkoopen.

„Vindt dit plan uw instemming?”

Weer klonk een luid „Bravo!” uit den mond der aandeelhouders.

Allen verklaarden het plan van den directeur, uitstekend te vinden en met een „lang zal hij leven!” was de vergadering afgeloopen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

LIST TEGEN LIST.

Raffles had intusschen niet stilgezeten.

Met behulp zijner arbeiders en aangeworven negers had hij in Kilambayo een soort fort laten bouwen, dat er uitzag als een militaire vesting.

Hekken van planken, voorzien van stevig prikkeldraad, omgaven de wallen en een uit steenen opgetrokken huis met schietgaten bevond zich als een citadel in het midden.

Op dit gebouw wapperde aan een langen stok de vlag der Engelsche natie.

Van een voorbijvarend koopvaardijschip, dat aan de reede versch drinkwater en vruchten aan boord had genomen, was Raffles in het bezit gekomen van twee stukken scheepsgeschut.

Deze had hij op het platte dak van de citadel achter de borstwering geplaatst.

Dreigend hielden de twee kanonnen hun vuurmondingen naar de haven gericht.

„Als ik er nu lust in had,” sprak John Raffles glimlachend tot Charly Brand, „dan zou ik mij, naar het voorbeeld van den keizer der Sahara, kunnen kronen tot koning van Kilambayo.

„Maar ik wil dit genoegen gaarne gunnen aan den directeur der koloniale vereeniging.”

„Ik begrijp niet, wat je hier wilt beginnen,” antwoordde de aangesprokene, „er heerscht hier een tropische hitte, waarbij een fatsoenlijk mensch het nauwelijks uit kan houden en het is hier zoo vervelend, dat men er bijna krankzinnig van zou worden.”

„Je hebt niet geheel ongelijk, mijn beste jongen,” lachte Raffles, „maar ik hoop, dat alles spoedig anders zal worden. Vooral ook, omdat mijn voorraad sigaretten weldra uitgeput zal zijn.

„Hoe jammer, dat inspecteur Baxter, onze vriend van Scotland Yard, niet hier is.

„Hij zou onze verveling zeer zeker spoedig verdrijven en de vermakelijkste kluchtspelen opvoeren.”

Het tweetal stond gedurende dit onderhoud op het dak der citadel en de groote onbekende bestudeerde door een verrekijker af en toe den horizon.

Aan de poort van het steenen gebouw werd juist de wacht afgelost. Raffles had militaire orde en tucht onder zijn manschappen ingevoerd en liet elken dag een troep van twintig man exerceeren buiten de vesting.

Al deze manschappen droegen dezelfde uniform van Engelsch kaki.

Zijn lieden zouden voor hem door een vuur zijn gegaan.

„Zie je iets op zee?” vroeg Charly Brand, toen hij bemerkte, dat zijn vriend den kijker niet van de oogen afhield.

Maar deze wenkte hem om te zwijgen.

Met groote aandacht bestudeerde hij den horizon.

Ook de secretaris keek nu met scherpe blikken over den Oceaan en na verscheiden minuten ontdekte hij daar, waar hemel en aarde elkaar schenen aan te raken, een dunne, smalle rookwolk.

Geen van hen beiden sprak nog een enkel woord.