Part 2
Met veel moeite kon hij zich tegenover den stomdronken kerel verstaanbaar maken en een paard van hem koopen.
Den volgenden dag begaf Raffles zich in het kamp der kolonisten, riep de ongelukkigen bijeen en sprak tot hen:
„Ik hoop, dat gij allen hebt begrepen, te zijn overgeleverd aan het noodlot. Een wisse ondergang wacht ons, want de Maatschappij heeft ons op schandelijke wijze bedrogen.
„Pas op twee dagreizen afstands van hier bevindt zich land, dat voor bebouwing geschikt is, doch dat noch aan ons, noch aan eenigen Europeaan toebehoort.
„Mocht gij u daarheen begeven, dan zouden wilde volkeren u vermoorden.
„Luistert dus naar mijn voorstel.
„Ik koop het land, dat gij meendet te bezitten, van u en neem eenige mannen als arbeiders met mij mede. Deze moeten mij gedurende een paar dagen op een onderzoekingstocht vergezellen en later breng ik u allen naar Europa terug.”
De ongelukkigen wisten niet, op welke wijze zij uiting zouden geven aan hun vreugde.
Charly Brand echter meende dezen keer werkelijk, dat zijn vriend krankzinnig was.
„Maar wat wil je hier in deze door God verlaten streek uitvoeren? Je hebt immers zelf van den kapitein gehoord en van de oude negerin in het hotel, dat, zoover de kolonie zich uitstrekt, niets te vinden is als steenen en zand.”
Lord Lister lachte en antwoordde niet.
Den volgenden morgen begaf hij zich in Zuidelijke richting op weg met een kleine karavaan van kolonisten en vergezeld door gehuwde negers, die water en eetwaren droegen.
Twee dagen lang bleef hij, tot groote verbazing der beambten van de kolonie, met zijn kleine karavaan weg uit Kilambayo.
Hetgeen hij vond, was precies zooals hij het zich had gedacht.
Een brandend heete steenbodem en woest land, dat was de vruchtbare grond, die door den directeur der Koloniale Vereeniging zoozeer was opgehemeld.
Men moest ver naar het binnenland om, geheel afgesloten en zonder een enkele verbinding met de kust, land te vinden, dat voor den akkerbouw geschikt was.
Dit grondgebied behoorde echter niet aan de kolonie.
Wilde negerstammen waren de eigenaren ervan en door hun bijlen en zwaarden waren de kolonisten, die tot dusverre steeds door de beambten der Vereeniging daarheen waren gebracht, vermoord.
De gewetenlooze schurken deelden dan de eigendommen en bezittingen der arme slachtoffers met de opperhoofden der negers, aan wie zij de Europeanen hadden overgeleverd.
Raffles vond op zijn onderzoekingstocht de beenderen van de vermoorden in het zand liggen.
Drie dagen later maakte het stoomschip zich gereed voor de terugreis naar Europa, nadat eerst eenige goederen, ivoor en gummi, waren ingeladen en de noodige kolenvoorraad was opgedaan.
Kort voor de afreis kwam Raffles aan boord en sprak:
„Kapitein, ik neem passage voor mij en mijn vriend tot aan de eerste Spaansche havenplaats.”
De kapitein was oprecht verheugd.
„Ik ben blij, dat gij verstandig zijt geworden. Waarlijk, het zou mij ook hebben verbaasd, als gij zoo dom waart geweest om in deze zandwoestijn te blijven.”
De kolonisten, die genoeg geld hadden, nu zij hun land aan Raffles hadden verkocht, wilden eveneens met de stoomboot terugreizen.
Maar de kapitein, die niet genoeg proviand aan boord had, moest hun verzoek weigeren en Raffles beloofde hun, een Engelsch stoomschip te zullen zenden.
Raffles was van de geheele strook land langs de kust tot aan de grens van Duitsch-Zuid-West-Afrika, door aankoop van de landverhuizers, eigenaar geworden en had overal kleine bordjes laten plaatsen met zijn naam.
Hij merkte zeer goed de hoonende gezichten van de beambten, toen zij zagen, dat hij bezit nam van het land. Zij amuseerden zich nog meer, toen Raffles hun vertelde, dat hij in Spanje vee en landbouwwerktuigen wilde gaan koopen.
„Waarschijnlijk”, zoo spotten zij, „wil die gekke Engelschman zijn vee met steenen voeden en het droge zand gaan ploegen.
„De man heeft het „spleen”, het is hem door de warmte in de hersens geslagen—”
Veertien dagen later landde Raffles in Spanje en nam afscheid van den kapitein.
Hij vermoedde niet, dat hij noch hem, noch een enkele plank van het schip zou terugzien.
Een storm op de Noordzee deed een week later de stoomboot der kolonie met man en muis vergaan.
Raffles dacht er echter niet aan, om in Spanje vee en landbouwbenoodigdheden te koopen. Met de eerst-vertrekkende Engelsche passagiersboot voer hij naar Southampton en een week later kwam hij weer in Engeland terug.
Charly Brand dacht, dat hiermede de reis naar Afrika was afgedaan.
Maar hoe verbaasd was hij, toen zijn vriend, nauwelijks aan land zijnde, tot hem sprak:
„Over een week hoop ik naar Kilambayo terug te keeren.”
„Dan alsjeblieft zonder mij”, antwoordde Charly Brand,
„Dat laat ik aan jezelf over”, lachte Raffles, „maar ik geloof, dat je door niet mee te gaan, een groot genoegen zoudt missen.”
„Mooi genoegen!” dacht Charly Brand.
DERDE HOOFDSTUK.
DE „STRONG-ROOM”.
Het was de volgende morgen; de beide vrienden zaten aan de ontbijttafel de couranten te lezen.
„Dat treft uitstekend”, sprak Raffles, „ik lees daar juist, dat hedenavond Mr. Sullivan, de bekende eigenaar van de Afrikaansche diamantvelden, een groote partij geeft. Ik ben van plan, eens kennis met hem te gaan maken.”
„Diamanten?” vroeg Charly Brand.
„Goed geraden”, antwoordde Raffles, „ja, ik heb edelgesteenten noodig en hoop, die bij Mr. Sullivan te krijgen.”
„Koopen?”
„Heb je wel eens hooren spreken over de gepantserde schatkamer van den diamantenkoning? Van de zoogenaamde strong-room?”
„Jawel, ik heb er weliswaar nooit over hooren spreken, doch las er onlangs een uitvoerig artikel over in een of ander tijdschrift. Die schatkamer moet steviger en solider gebouwd zijn dan een pantsertoren op onze oorlogsschepen.”
„Ik wil mij daarvan eens gaan overtuigen en de strong-room van Mr. Sullivan met een bezoek vereeren.”
„Jij wilt onmogelijke dingen gaan ondernemen.”
„Onmogelijkheden bestaan er niet in de wereld, behalve een doode weer levend te maken.”
„Ik las in het tijdschrift”, sprak Charly Brand, „dat deze zoogenaamde strong-room van Mr. Sullivan een meesterstuk van moderne techniek moet zijn. Deze brandkast schijnt eenig in zijn soort.”
„Des te meer lust heb ik om mijn plan te gaan uitvoeren.”
„In het tijdschrift las ik ook, dat er verschillende proeven zijn genomen om de soliditeit der gepantserde wanden van het vertrek te probeeren.
„Verschillende ingenieurs zijn bij de zaak betrokken geweest, doch geen hunner is het gelukt, ondanks alle moderne hulpmiddelen die zij hebben aangewend, om na twee dagen van inspanning meer dan een onmogelijk klein gedeelte van de pantserplaten los te werken.”
„Je vergeet, mijn lieve Charly, dat ik geen ingenieur ben, maar Raffles. Ik hoop het met de strong-room in twee uur klaar gespeeld te hebben.”
„Alle mogelijke moderne ontploffingsmiddelen hebben zelfs geen uitwerking gehad op de harde pantserplaten.
„Wat ben jij dan van plan te doen?”
Raffles lachte vroolijk.
Hij ging vlak bij Charly staan, keek hem scherp in de oogen en sprak:
„Weet je, oude jongen, wat een veel grooter kracht bezit dan nitro-glycerine, menoliet, dynamiet of andere ontploffingsmiddelen?”
Charly Brand dacht eenige oogenblikken na, doch schudde daarna ontkennend het hoofd en antwoordde:
„Ik zou werkelijk geen enkel middel weten, wat nog krachtiger werkt.”
„Maar ik”, lachte Raffles, terwijl hij zijn hand op Charly’s schouder legde.
„En dat is?”
Raffles tikte even zijn slanke, goedverzorgde hand tegen zijn voorhoofd en antwoordde;
„Hier, in de hersens schuilt die kracht: het menschelijk vernuft!”
De secretaris keek zijn vriend verrast aan.
„Je hebt gelijk”, sprak hij, „je hersens hebben inderdaad reeds werken uitgevoerd, waarbij de sterkste pantserplaten en de zwaarste sloten als sneeuw voor de zon verdwenen.”
„En die kracht zal mij helpen om de strong-room van den diamantkoning te openen.”
Mr. Sullivan stond in Londen bekend als een der rijkste en aanzienlijkste ingezetenen.
De feesten en partijen, die hij de Engelsche gezelschapswereld aanbood, vormden het glanspunt van het seizoen.
Hij had zijn rijkdommen te danken aan zijn diamantmijnen in Zuid-Afrika, waarin een jaar geleden de grootste diamant der wereld, de zoogenaamde Cullinan, was gevonden.
John Raffles had zich toegang weten te verschaffen in het gezelschap onder den naam van een zekeren Lord Melbourne.
Hij had zich op meesterlijke wijze vermomd als een zestigjarig heer en hij wist door zijn zeker en beschaafd optreden zoowel de bedienden als de gasten van Mr. Sullivan te doen gelooven, dat hij een intiem vriend van den huize was.
Hij bevond zich reeds een uur lang te midden der gasten, toen hij zich aan Mr. Sullivan voorstelde.
„Ik was zoo vrij”, sprak Raffles „hedenavond uw salons te bezoeken; hoewel ik geen uitnoodiging bezat, omdat ik op deze ongegeneerde wijze kennis met u kon maken.
„Ik ben eerst gisteren uit Indië teruggekeerd.”
Mr. Sullivan keek eerst met eenigen argwaan naar den hem onbekenden gast, maar omdat de naam en titel, welke Raffles had aangenomen, tot de beste van de Londensche wereld behoorden, verdween die argwaan spoedig en hij antwoordde op hoffelijken toon:
„Ik hoop, dat het u bij mij zal bevallen en ik verzoek u vriendelijk, mij in de gelegenheid te willen stellen, mijn opwachting bij u te mogen komen maken. Dit zal voor mij een groote eer en genoegen zijn.”
De beide heeren reikten elkaar de hand en Raffles kon zich nu vrij en ongestoord door de met vorstelijke pracht ingerichte zalen bewegen.
Tevergeefs trachtte hij uit te vinden, waar zich de strong-room bevond.
Het gelukte Raffles, om tot de werkkamer van den diamanthandelaar door te dringen, doch het was hem niet mogelijk, het geheim van de gepantserde schatkamer te ontdekken.
Waar kon zich de strong-room bevinden.
Het bezoek van Raffles bij den diamanthandelaar had geen resultaat.
Dit was de eerste keer in zijn leven, dat de Groote Onbekende zijn doel niet bereikte.
Een jaar geleden was in verschillende couranten en tijdschriften de strong-room van den diamanthandelaar beschreven.
Armoursche pantserplaten van tien duim dikte vormden de wanden van het vertrek. Een netwerk van electrische draden omgaf het geheel en alles, wat menschelijk vernuft slechts had kunnen uitdenken, was ter beveiliging aangewend voor deze schatkamer, die juweelen van ongekende waarde bevatte.
„Ik moet te weten komen, waar zich de strong-room bevindt, het moge kosten wat het wil”, zei Raffles den volgenden morgen tot zijn vriend en secretaris Charly.
Deze haalde zijn schouders op.
„Ik denk, dat je jezelf een onuitvoerbare taak hebt gesteld.”
„Er bestaat niets, dat onuitvoerbaar is, laat mij kalm nadenken wat ik kan doen.”
„Ik begrijp niet met welke bedoeling je de bewaarplaats der diamanten wilt ontdekken.”
Raffles lachte vroolijk.
„Ik begrijp je in ’t geheel niet in den laatsten tijd. Sinds twee dagen zijn wij uit Afrika terug zonder iets anders bereikt te hebben, dan dat jij meerdere morgen woesten grond hebt gekocht, wat ik voor totaal nutteloos houd.
„Nu houd je je er mee bezig om te ontdekken waar zich de strong-room van den diamantkoning bevindt, die, naar algemeen bekend is, hechter moet zijn dan de Tower.
„Ik geloof, dat alle moeite, die je je geeft, doelloos is. Je kunt op veel gemakkelijker manier in het bezit komen van diamanten.”
„Dat begrijp je niet, mijn jongen. De diamanten, die ik wil hebben, zijn alleen te vinden bij Mr. Sullivan. Geen enkele handelaar zou ze mij kunnen leveren”, klonk het met doodelijke kalmte uit den mond van Raffles.
„Je spreekt in raadselen!”
„In het geheel niet. Je zult de oplossing gauw genoeg vernemen.”
„Het is mogelijk. Maar ik dacht, dat het voor jou, de ongehoorde moeite die het kost om in de strong-room te komen, in aanmerking genomen, veel gemakkelijker zou zijn om in de Engelsche Bank binnen te dringen.”
„De Engelsche Bank kan mij niet verschaffen wat ik noodig heb. Ik heb diamanten noodig. En wel een bijzonder soort diamanten.”
Raffles stak een sigaret aan en ging uit.
Een uur later overhandigde de bediende van den diamantkoning dezen een kaartje met den naam:
Lord Robert Melbourne.
en eenige minuten later trad Raffles als Lord Melbourne de werkkamer van den diamanthandelaar binnen.
Nadat de beide heeren elkaar hadden begroet en de gebruikelijke beleefdheidswoorden hadden gewisseld, sprak Raffles:
„Ik ben van plan om van u uit de eerste hand eenige diamanten te koopen.”
„Het spijt mij”, antwoordde Mr. Sullivan, „ik verkoop zelfs aan den Koning niet uit de eerste hand. Dat is een onomstootelijke voorwaarde, die ik met de Engelsche juweelenhandelaars ben overeengekomen.”
John Raffles keek met een blik vol teleurstelling den heer Sullivan aan.
„Dat is jammer”, sprak hij, „ik meende bij u iets buitengewoon fraais te zullen krijgen. Met dit speciale doel zocht ik persoonlijk kennis met u te maken.”
„Het spijt mij”, herhaalde de diamanthandelaar nogmaals, „ik moet als koopman trouw blijven aan mijn principes.”
Raffles wilde opstaan, om na een beleefde buiging den diamantkoning te verlaten, toen juist de oudste bediende binnentrad en zijn chef iets meedeelde.
„Het is goed”, antwoordde de diamanthandelaar, „ik zal u de steenen dadelijk geven. Wacht maar een oogenblik.”
„Ik houd veel van diamanten, vooral van steenen van buitengewone grootte”, sprak Raffles, „maar gij staat het zeker niet toe, dat ik uw schatten eens zou mogen bewonderen?”
De Groote Onbekende zag duidelijk, hoe de diamanthandelaar eenige oogenblikken nadacht en een blik wisselde met zijn bediende.
„Om u de waarheid te zeggen, Uw Lordschap”, sprak Sullivan op beleefden toon, „is het in strijd met mijn principes om iemand mijn diamanten te laten zien, maar daar ik u tot mijn spijt reeds een verzoek heb moeten weigeren, wil ik mij gaarne revancheeren en u bij groote uitzondering toestaan, mij in mijn strong-room te vergezellen.”
„Gij doet mij een onuitsprekelijk genoegen”, antwoordde Raffles met heimelijken triomf.
„Er zijn slechts weinig menschen in de wereld, die ik een dergelijk verzoek inwillig.
„De laatste persoon, die mij in de strong-room vergezelde, was de Koning zelf.”
„Des te meer stel ik de groote eer op prijs. Ik heb eenige maanden geleden een beschrijving gelezen van de fabelachtige rijkdommen uwer schatkamer en ook las ik omtrent de veiligheidsmaatregelen, die gij hebt getroffen.”
„Gij zijt goed onderricht. Geen mensch kan, behalve in mijn tegenwoordigheid, de schatkamer binnenkomen. Zelfs niet al was hij in het bezit van mijn sleutel, want ik zelf alleen ken het geheime woord, waarop ik het slot heb gesteld.”
„Pardon heeren”, waagde de nog steeds wachtende bediende het op te merken, „onze klant wacht en hij verzocht mij, hem zoo spoedig mogelijk het gevraagde te willen geven.”
„Ja zeker, dadelijk!” antwoordde de diamanthandelaar, terwijl hij uit zijn stoel opstond.
Mr. Sullivan ging nu naar den muur tegenover de schrijftafel en drukte op een geheim knopje, dat naast een zware boekenkast was aangebracht.
Een onzichtbare machinerie werd door electrisch contact in werking gesteld en de muur draaide open.
Raffles kon een blik werpen in een lange gang die zich achter de boekenkast bevond. Electrische gloeilampjes wierpen hun licht van de zoldering neer.
Mr. Sullivan verzocht Raffles nu, hem te willen volgen.
De lucht in de gang was ijskoud.
De groote onbekende bemerkte bij het voortgaan, dat de gang als een slakkenhuis langzaam naar beneden liep.
Eindelijk bleef de diamanthandelaar voor een deur staan, die met staal was beslagen en sloot deze open.
Beide heeren traden een groot vertrek binnen, in welks midden zich een waterbassin van vierkanten vorm en tien meter middellijn bevond.
Rondom het bassin liep een steenen gang van twee meters breedte.
Het was ook hier ijskoud.
„Wij bevinden ons nu vijftien meter lager dan mijn huis,” verklaarde mr. Sullivan. „Nu moeten wij eerst eenige minuten wachten, voordat het water is weggeloopen.”
De diamanthandelaar ging naar een, voor elken oningewijde onzichtbaren hefboom, die op heel vernuftige wijze in den muur was aangebracht en draaide dezen naar rechts.
In het waterbassin moest hierdoor het ventiel van een afvoerbuis zijn geopend, want Raffles zag, hoe de waterspiegel onmiddellijk begon te dalen en hoe de inhoud van het bassin met elke seconde minder werd.
Tegelijkertijd werd een onderaardsch gebruisch vernomen.
„Het water vloeit regelrecht in de Theems uit,” sprak mr. Sullivan, „ziet gij, nu duikt mijn strong-room in de diepte op.”
In het midden van het bassin verhief zich in de diepte een uit granietsteenen opgetrokken bouwwerk.
Het was omgeven door een netwerk van zwarte draden, zoodat het er uitzag, alsof er een vischnet over was uitgespreid.
Aan de eene zijde van het bassin voerde een kleine steenen trap naar beneden en mr. Sullivan ging Raffles voor naar den nu geheel drooggeloopen bodem.
Tevergeefs zocht Raffles met de oogen naar een deur of anderen ingang.
Weer zag hij, hoe mr. Sullivan op zij van het bassin een hevel neerdrukte.
Voor Raffles verbaasde blikken zonk een der granietwanden van het bouwwerk geruischloos in de diepte en twee groote stalen deuren toonden aan, waar zich de ingang naar de schatkamer van den diamantenkoning bevond.
„Ik heb heden,” sprak mr. Sullivan, terwijl hij bezig was met het platte slot, waaraan een alphabet was aangebracht, „het hoofdslot op den naam Victoria gesteld. Ik moet dus de letters V-i-c-t-o-r-i-a neerdrukken, voordat ik met mijn sleutels de deur kan openen.
„Terwijl ik nu het slot open, weerklinken in mijn kantoren, waar mijn beambten zich bevinden en ook op de naastbijgelegen politieposten alarmsignalen. Wij moeten dus telkenmale, voordat ik mijn schatkamer binnenga, al die aangeslotenen telephonisch op de hoogte stellen.”
„Kolossaal!” riep Raffles uit, „ik denk, dat, waar het uw strong-room betreft, zelfs de geniale Raffles tevergeefs zijn kunsten zou beproeven!”
„Zeer zeker,” lachte mr. Sullivan, „ik zou elke weddenschap met hem durven aangaan, dat het hem niet zou gelukken, hier binnen te komen.”
Op dit oogenblik ging de deur open.
Electrische lampen verlichtten het inwendige van de schatkamer en werden door de blauwglanzende stalen wanden weerkaatst
In glazen kasten, welke op tafels stonden, lagen de kostbare, zeldzame steenen, om wier bezit reeds zoo oneindig veel misdaden werden gepleegd.
Hier lagen juweelen, zooals een koningin ze zich niet schooner kon denken, steenen van wonderbaarlijken glans en schitterende kleuren.
Het was een onschatbare rijkdom.
Mr. Sullivan opende een der glazen kasten en nam er een aantal steenen uit, welke aan den klant, die in het bureau wachtte, moesten worden ter hand gesteld.
„Wat zijn dit voor merkwaardige steenen?” vroeg Raffles, terwijl hij op eenige zakken wees, waarin bruingrijze of bijna zwarte steenen lagen, zoo groot als erwten of boonen.
„Dat zijn diamanten!” antwoordde mr. Sullivan, „steenen, welke nog niet geslepen zijn. De allerkleinste steenen bewaar ik bijna als waardelooze dingen in deze zakken.”
Hij wees naar twee, in een hoek staande, boordevolle zakken.
„Bijzonder interessant,” sprak Raffles, „maar veel interessanter dan alle steenen vind ik de op meesterlijke wijze ingerichte en zoo goed beveiligde schatkamer. Dat is eenvoudig een wonder van menschelijk vernuft. Is dat uw eigen vinding?”
Raffles wist, dat het werkelijk het origineele idee van den juweelenhandelaar was. Hij had dit in de courant gelezen.
Evenals alle menschen had ook mr. Sullivan zijn zwakke zijde en wel zijn trots op de strong-room.
Hij glimlachte met eenige zelfingenomenheid, toen hij antwoordde:
„Jawel, uw Lordschap, het is geheel mijn eigen vinding!”
Samen verlieten zij nu het verblijf en toen de diamanthandelaar het slot op bepaalde letters wilde stellen, sprak de pseudo-Lord:
„Sta mij toe, dat ik eens kijk en laat mij, als het u belieft, eens zien, hoe gij het slot stelt. Hoe zoudt gij het vinden om den naam Raffles eens te gebruiken?”
De diamanthandelaar glimlachte om dit grappige voorstel en voldeed met groote welwillendheid aan het verzoek van Lord Melbourne.
Daarop ging mr. Sullivan weer naar den hevel, die zich aan een der wanden van het bassin bevond.
Bijna geluidloos kwam de zware, massieve granieten muur uit de diepte te voorschijn om de met stalen, platen gepantserde deur tegen het water te beschermen. Daarop gingen beide heeren langs de kleine steenen trap naar boven.
De diamantkoning drukte op den kleinen hefboom en onmiddellijk drong met kracht het water het bassin binnen om het tot den rand te vullen.
Bijna een half uur was met dit alles voorbijgegaan, toen zij de studeer- en werkkamer van mr. Sullivan weer binnenkwamen.
„Het is intusschen laat geworden,” sprak deze tot Raffles, terwijl hij een blik wierp op zijn horloge, „ik ben van plan, met den trein van drie uur naar Brighton te reizen.”
„Zoo?” antwoordde Raffles, schijnbaar zeer onverschillig. „Ik ben dikwijls in Brighton en logeer er meestal in Hotel Continental.”
„Ik ook,” antwoordde mr. Sullivan, „het is het beste en geriefelijkst ingerichte hotel daar. Ik blijf twee dagen weg, om eens andere en zuiverder lucht in te ademen dan de Londensche. Daarna hoop ik de eer te hebben, u weer eens bij mij te zien.”
Zij gaven elkaar een hand tot afscheid en Raffles ging naar huis.
Hij moest nu in de eerste plaats in het bezit trachten te komen van den sleutel der strong-room, om zoodoende in de schatkamer te kunnen binnendringen.
Twee dagen had hij hiervoor, want slechts gedurende dat tijdsverloop kende hij het geheime woord van het letterslot.
Maar tevergeefs pijnigde hij zijn hersens, hoe hij dit ten uitvoer zou brengen.
Mr. Sullivan was een uiterst voorzichtig man.
Het zou niet gemakkelijk zijn, hem den sleutel onderweg afhandig te maken op de manier van een zakkenroller.
Hij moest er iets anders op vinden.
Nog een keer een bezoek te brengen aan mr. Sullivan, zou opvallend zijn en argwaan wekken.
En bovendien vertrok de diamantkoning binnen een uur naar Brighton.
Raffles, die te voet naar huis terugkeerde, sloeg zich bij deze gedachte met de vlakke hand tegen het voorhoofd, terwijl hij tot zichzelf sprak:
„Juist, dat is het! Brighton!”
Haastig nam hij een rijtuig, om den verderen weg sneller af te leggen.
Hij gunde zich, daar aangekomen, nauwelijks den tijd om met Charly Brand het allernoodigste te bespreken.
Binnen een kwartier had hij het uiterlijk aangenomen van een voornaam, jong koopman, terwijl Charly Brand zich als diens bediende had verkleed.
Zij haalden nog juist den luxetrein naar Brighton, dien men van het eene eind naar het andere kon doorwandelen, omdat zij slechts één klasse bevatte.
In een der afdeelingen ontdekte Raffles den door hem gezochten diamantkoning.
Om zich te overtuigen, of deze hem herkende, ging hij lang tegenover hem zitten.
Met onverschillige blikken keek mr. Sullivan hem aan.
Niets duidde aan, dat de voorname koopman eenigen achterdocht koesterde.
Eenige uren later betrad de diamantkoning de vestibule van Hotel Continental te Brighton en kreeg van den portier de sleutels van kamers 106 en 107.
Het was even voor zes uur.
Dadelijk na hem was Raffles binnengekomen en had in een der zetels, die in de vestibule stonden, plaats genomen, waar hij zich in lectuur verdiepte.
Niemand lette op hem, ieder meende, een gast van het hotel voor zich te hebben.
Mr. Sullivan hield zich niet lang in zijn kamers op, maar verliet ze spoedig weer om een wandeling langs het strand te maken.
Raffles zag, hoe hij den portier de sleutels van zijn kamers gaf, welke deze op de hiervoor bestemde plaats hing.
Een half uur later werd de dagportier door den nachtportier afgelost.
Hierop had Raffles gewacht.
Nauwelijks was de eerste heengegaan, of Raffles naderde met onverschillig uiterlijk den nachtbeambte en sprak:
„106 en 107!”
Zonder aarzelen overhandigde de portier het gevraagde en Raffles begaf zich naar de kamers van mr. Sullivan.
Slechts eenige oogenblikken hield hij zich daar op.
Op het nachttafeltje vond hij den sleutelbos in een leeren taschje.
Haastig zocht hij den sleutel van de strong-room.
Door den eigenaardigen vorm, welken deze had, herkende hij hem dadelijk en na hem van den ring te hebben gehaakt, stak hij hem bij zich.
Al het andere liet Raffles onaangeroerd.
Slechts eenige minuten duurde zijn oponthoud.
Weer begaf hij zich naar den nachtportier, gaf dezen de sleutels terug en verliet het hotel.
Op korten afstand van het gebouw passeerde hij mr. Sullivan.
Raffles herademde, toen hij bedacht, dat het weinig had gescheeld, of hij was door den diamantkoning op heeterdaad betrapt.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN ZELDZAME DIEFSTAL.
Aan het station wachtte Charly Brand op hem en beiden stegen in den trein, die even over zevenen naar Londen terugkeerde.
De secretaris vermoedde niet, met welk doel de reis naar Brighton was ondernomen geworden.
Hij had den indruk gekregen, alsof Raffles den laatsten tijd in volslagen zenuwachtigheid handelde.