Part 3
Hoe verbaasd was hij echter, toen zijn vriend bij aankomst in Londen—het was tegen elf uur ’s avonds—niet direct naar huis reed, maar een restaurant ging bezoeken.
Stilzwijgend gebruikte Raffles hier met Charly Brand een laat souper, betaalde en liep naast zijn secretaris door de nachtelijke straten.
Na een wandeling van een uur, het was één uur na middernacht, bleef hij voor het huis van mr. Sullivan staan.
„Wat wil je hier?” fluisterde Charly Brand, toen Raffles een raam van de benedenverdieping openmaakte en Charly Brand beduidde, hem te volgen.
„In dit huis bevindt zich de strong-room,” was het eenige antwoord, dat hij kreeg.
„Je hebt echter geen hand werktuigen bij je.”
„Zeer zeker,” lachte Raffles, „ik heb alles bij me, wat ik noodig heb. Doch spreek niet meer, wat ik je verzoeken mag. Volg me en bewaar het stilzwijgen.”
Voorzichtig, ieder geruisch zorgvuldig vermijdend, sloop het tweetal over de trappen naar de werkkamer van mr. Sullivan.
Zeer gemakkelijk opende Raffles de deur, die toegang gaf tot het vertrek; hij begaf zich naar den muur tegenover de boekenkast, drukte op het geheime knopje dat zich naast de massieve kast bevond, en onmiddellijk draaide de muur, door het electrisch contact, dat nu werd gemaakt, open.
De lange gang lag voor hen en ze ademden de ijskoude lucht in, die hier hing. Zij volgden de gang, die langzaam naar beneden liep, en na eenige minuten bevonden Raffles en Charly Brand zich in het geheimzinnig onderaardsch verblijf.
Raffles drukte op den hevel, die aan een der muren was aangebracht, het water vloeide uit het bassin en de schatkamer vertoonde zich aan hunne blikken.
Nu kwam echter het moeilijkste.
De groote onbekende moest, om veilig verder te kunnen werken, de geleidingen doorsnijden, die de strong-room als een spinnewiel omgaven, en die, zoodra het slot geopend zou worden, door electrische bellen de politie zouden waarschuwen.
Zooals het meermalen gaat bij het uitvoeren van groote werken: bij de constructie van dezen veiligheidsmaatregel was de technische kennis der makers niet geheel toereikend geweest.
Het was onmogelijk geweest om de draden door de granietplaten en gepantserde muren onzichtbaar aan te leggen.
Spoedig had Raffles de geleidingen ontdekt en met een scherp mes sneed hij de draden door.
Nu was elk gevaar voor hem uit den weg geruimd.
Hij lachte hartelijk, toen hij het slot opende, dat op zijn eigen voorstel op den naam Raffles was gesteld.
Charly Brand was sprakeloos van verbazing, toen hij dit alles zag gebeuren.
Het geheele geval kwam hem voor als een droom of als een episode uit een der sprookjes van „Duizend en één nacht”.
Raffles kwam hem niet meer voor als een mensch, maar als een machtig toovenaar, begaafd met geheimzinnige krachten.
Een kreet van bewondering ontsnapte aan Charly’s lippen.
Voor hem lag in het licht van verscheiden electrische lampen, de beroemde schatkamer van den diamantkoning.
In duizenden kleuren fonkelden en schitterden de kostbaarste steenen der wereld in hun glazen vitrines. Het was een oogverblindend schouwspel.
Raffles echter verwaardigde deze kostbaarheden nauwelijks met een blik.
Hij opende een grooten zak, die op een bank stond, en waarin zich ruwe, ongeslepen kleine diamanten bevonden.
Nadat hij een breeden gordel te voorschijn had gehaald, die eene massa kleine zakjes bevatte en dien hij zorgvuldig onder zijn kleeren verborgen had gehouden, begon hij al die zakjes met ruwe diamanten te vullen.
„Wonderlijk”, mompelde Charly, „de heele pracht laat hem onverschillig, en alleen van de ongeslepen steenen steekt hij handenvol in den zak.” (Zie het titelblad.)
Nadat hij den gordel met de kleine leelijke steenen had gevuld, sloot hij den zak weer en verliet, tot de allergrootste verbazing van Charly Brand, het vertrek.
„Is dat alles, wat je de moeite waard vindt om mee te nemen,” vroeg de secretaris vol verbazing aan zijn vriend.
Raffles lachte hartelijk.
„Ja, mijn beste Charly, de geslepen steenen hebben niet de minste waarde voor mij. Als gij er een mee wilt nemen, ga je gang, er zijn er genoeg.”
Charly Brand kon geen weerstand bieden aan de verleiding.
Hij koos een kostbaren edelsteen uit, stak hem in zijn borstzak en volgde Raffles, die hem reeds vol ongeduld bij den uitgang wachtte.
Hier overhandigde zijn vriend hem den tamelijk zwaren gordel met de ruwe diamanten en sprak:
„Ga nu weer naar boven, ik zal de strong-room sluiten.”
Na eenige minuten was de granietmuur weer naar boven gekomen en vulde het water het bassin.
Geruischloos voortloopend, verlieten de vrienden het huis langs denzelfden weg, dien ze waren gekomen.
Charly Brand ademde verlicht op, toen zij eindelijk in een huurrijtuig zaten en naar huis terugkeerden.
De handelwijze van Raffles kwam hem totaal onbegrijpelijk voor.
„Ik begrijp niet, waarvoor jij je de moeite hebt gegeven om in de strong-room van den diamanthandelaar binnen te dringen, terwijl je je tevreden stelt met dat waardelooze goedje.”
„Ik heb je al meer dan eens gezegd,” antwoordde Raffles lachend, „dat het heel goed is, dat je niet alles begrijpt. Wanneer je altijd zou weten, welk voornemen ik had, dan zou je ongetwijfeld zoo zenuwachtig zijn, dat je mij niet tot steun was en ik je voor niets zou kunnen gebruiken.
„Stel gerust vertrouwen in mij en verlaat je op mij.”
Nog denzelfden nacht reed Raffles naar Brighton terug en kwam daar tegen den morgen aan, juist op het oogenblik dat mr. Sullivan was opgestaan.
John Raffles had zich weer vermomd achter het masker van Lord Melbourne.
Hij wachtte in de gang voor de kamer van Mr. Sullivan, daar de kellner hem had meegedeeld, dat Mr. Sullivan juist bezig was, een bad te nemen.
„Dat is geen bezwaar,” sprak Raffles, „ik ben een goede kennis van mijnheer, laat mij gerust naar binnengaan.”
De kellner durfde den voornamen vreemdeling niet tegen te spreken en opende de deur, die toegang gaf tot Mr. Sullivans vertrek.
Koelbloedig stapte Raffles uit het salon, waarin de kellner hem had gebracht, in het aangrenzende slaapvertrek, vanwaar een kleine deur toegang verleende tot de daarnaast gelegen badkamer.
Raffles vernam duidelijk het proesten en plassen van den badenden Mr. Sullivan. Deze kon niet hooren, hoe Raffles den van hem weggenomen sleutel weer in de leeren tasch borg.
Nadat dit werkje was verricht ging de groote onbekende kalm naar het salon terug en wachtte tot Mr. Sullivan zou verschijnen.
De diamantkoning stond versteld, toen hij den vermeenden Lord Melbourne in zijn salon aantrof.
„Ik ben hedenmorgen vroeg in Brighton aangekomen,” zeide Raffles, „en zou zeer graag eenige dagen in uw gezelschap willen doorbrengen.
„Maar daarjuist ontvang ik een telegram, waardoor ik naar Londen word teruggeroepen. In elk geval zou ik er prijs op stellen, met u te mogen ontbijten.”
Mr. Sullivan was zeer verheugd over de voorkomendheid, die zijn voorname kennis hem toonde en in de meest opgeruimde stemming begaven beiden zich naar het ontbijtvertrek.
Zij brachten nog eenigen tijd in aangenaam onderhoud met elkaar door en toen de tijd van vertrek voor Lord Melbourne was aangebroken, bood de koopman hem zijn persoonlijk geleide aan naar het station.
Tegen het midden van den dag bevond de Groote Onbekende zich weer in zijn studeervertrek.— —De diamantkoning had niet opgemerkt, dat hij gedurende één nacht niet in het bezit was geweest van den sleutel, die toegang gaf tot zijn strong-room.—
„Morgen reizen wij naar Afrika terug,” sprak Raffles tot zijn vriend en secretaris.
„Wat zeg je?” riep Charly Brand en trok een gezicht, alsof hij plotseling voor een gapenden afgrond kwam te staan.
„Wij reizen naar Afrika terug,” herhaalde Lord Lister op drogen toon.
„Ik heb daar zeer veel te doen.
„Daar ik vermoeid ben, kun jij eenige werkzaamheden voor mij verrichten en je tegelijkertijd op de hoogte stellen, wanneer er in den loop van den dag van morgen een stoomboot vertrekt, die wij voor onzen overtocht zouden kunnen gebruiken. Ik laat het aan jou over, om het noodige te verzorgen en ga intusschen wat rust nemen.”
Charly Brand waagde het niet om tegen te spreken en nadat Raffles hem een papier had gegeven, waarop alle dingen stonden aangeteekend, die hij naar Afrika wenschte mee te nemen, verliet Charly Brand de kamer en Raffles strekte zijn vermoeide ledematen uit, die gedurende de laatste twee etmalen geen oogenblik rust hadden gekend.
VIJFDE HOOFDSTUK.
CHARLY BRAND GEVANGEN GENOMEN.
Charly Brand kwam terug met de mededeeling, dat eerst over drie dagen een stoomschip uit Engeland naar Afrika vertrok.
Zij moesten dus wachten.
De groote onbekende benutte den tijd, die nog overbleef voor het vertrek om groote inkoopen te doen van levensmiddelen en andere zaken, die hij in Kilambayo niet kon krijgen.
„Wil je werkelijk voor langen tijd in Afrika blijven?” vroeg Charly Brand.
„Het kan zijn,” antwoordde John Raffles, „ik kan nu nog niet zeggen, hoe lang mijn zaken mijn oponthoud daar zullen vorderen.”
Gedurende dit gesprek bevonden Raffles en zijn vriend zich op een wandeling en liepen tegen twee uur in den namiddag door de Fultonstreet.
Charly Brand wou juist de opmerking maken, dat het zeer onvoorzichtig van hem was, zich overdag zoo openlijk in Londen te vertoonen, toen Raffles plotseling in een portiek sprong van een groot warenhuis, waar zij juist langs liepen, zonder zich den tijd te gunnen, zijn vriend een verklaring te geven van zijn handelwijze.
Charly Brand zou deze verklaring zeer spoedig vernemen.
Twee oudachtige heeren, die Raffles blijkbaar reeds had gezien, voordat zij hem hadden ontdekt, traden op hem toe.
Het waren de inspecteur van politie Baxter en detective Marholm van Scotland Yard.
„Goddam!” riep de inspecteur van politie Baxter uit, toen hij opeens Charly Brand voor zich zag staan. „Wanneer ik mij niet heel sterk vergis, dan staat hier voor ons de bondgenoot van onzen langgezochten Raffles!”
„Zonder twijfel!” sprak detective Marholm, „hij is het. Maar helaas hij alleen!”
Charly Brand overlegde bij zichzelf, of de detectives hem nog den tijd zouden laten, in een cab te springen en weg te rijden, toen inspecteur Baxter reeds naar hem toesnelde, hem een revolver op de borst zette en uitriep:
„Gij zijt onze gevangene!”
De secretaris was zoodanig geschrokken, dat hij geen poging deed om te ontvluchten, noch trachtte weerstand te bieden. Hij zag trouwens wel in, dat dit vruchteloos zou zijn.
Zonder eenige moeite leidde de inspecteur van politie Baxter hem naar een cab en wilde hem samen met: detective Marholm naar Scotland Yard brengen.
John Raffles had van uit het Warenhuis gezien, hoe alles zich had toegedragen.
Nauwelijks waren inspecteur Baxter en detective Marholm met Charly Brand weggereden, toen hij in een tweede cab volgde.
Hij moest zich overtuigen, waar de detectives zijn vriend naar toe brachten.
Hoe verbaasd was hij echter, toen het rijtuig voor het politiebureau in de Fultonstreet stilhield en politie-inspecteur Baxter met behulp van detective Marholm den geboeiden Charly Brand naar binnen bracht.
De kapitein had onderweg bedacht, dat voor een rit naar Scotland Yard te veel tijd noodig zou zijn, daar hij het voornemen had, in deze omgeving onderzoek te doen naar het verblijf van den grooten onbekende, want het sprak bijna vanzelf, dat ook Raffles zich in de buurt moest bevinden, waar zij Charly Brand hadden ontmoet.
Hij droeg daarom den gevangene over aan den daar aanwezigen commissaris, overtuigde zich op zijn horloge, dat het ongeveer drie uur was en sprak:
„Gij kunt den gevangene om zes uur met den gevangenwagen naar het hoofdbureau van politie brengen.”
Toen Baxter en detective Marholm weer in de Fultonstreet waren teruggekomen, was Raffles reeds lang in zijn cab verdwenen.
Beide detectives begonnen nu, terwijl ieder een kant van de straat voor zijn rekening nam, de voorbijgangers scherp op te nemen, daar zij hoopten, hier den grooten onbekende te zullen ontdekken.
Zij waren bijna een uur lang op deze manier bezig en begonnen al voor de vijfde maal de Fultonstreet af te loopen, toen detective Marholm in de nabijheid van het politiebureau zag, dat kapitein Baxter door een Ierschen matroos werd staande gehouden.
„Bij den heiligen Sint Patrick!” riep de zeerob, „jij ouwe dikbuik zult al je tanden verliezen!”
Op hetzelfde oogenblik kreeg de inspecteur van politie een stomp in zijn gelaat, die hem ruggelings op den grond deed tuimelen.
Direct was detective Marholm toegesneld om zijn chef te helpen.
Tegelijkertijd had hij zich echter te verdedigen tegen de vuistslagen van den matroos, want niettegenstaande nu dronkenschap bleek de aanvaller een behendig bokser te zijn.
Alle handigheid van detective Marholm en de hulp van verscheiden voorbijgangers en politie-agenten waren noodig om den zeerob te overmannen en naar het bureau te brengen.
Als een razende tierend en vloekend liet de matroos zich naar het lokaal der beambten van politie brengen.
„Bij den heiligen Sint Patrick!” schreeuwde hij, „raakt mij niet aan, of ik sla jelui, vervloekte Engelschen, al je ribben stuk!
„Goddam! Is er dan geen zoon uit Ierland in de buurt, die een landsman te hulp kan komen?”
„Zwijg nu maar stil!” bulderde detective Marholm, „en slaap eerst je roes maar uit. Het zal je wel veertien dagen arrest kosten!”
Detective Marholm vertelde den commissaris waarom zij den matroos gearresteerd hadden en ging weer terug naar den inspecteur van politie, die in een restaurant op hem wachtte.
Op de wacht waren verscheiden politie-agenten van Iersche nationaliteit.
Ook de commissaris zelf was een Ier en toen detective Marholm het politiebureau had verlaten, sprak hij den matroos vriendelijk toe en gaf hem, in weerwil van de groote dronkenschap, waarin zich de zeerob bevond, nog een flesch brandewijn.
Met welbehagen begon de man te drinken.
Plotseling viel de flesch uit zijn handen, zijn hoofd viel zwaar neer op zijn borst en hij sliep in.
De beambten van politie legden hem op de bank in de wachtkamer, maar sloten hem niet verder op.
Tegen zes uur beproefden zij hem wakker te maken, daar de transportwagen voor de deur stilhield, die hem en de overige gevangenen naar het hoofdbureau van politie zou brengen, maar het gelukte niet, hem te doen ontwaken.
Twee politie-agenten moesten hem naar beneden dragen en in een hoek van den wagen neerleggen.
Ook hierdoor ontwaakte de arrestant niet uit zijn roes.
Hierop werden de andere gevangenen gebracht en ten slotte ook Charly Brand, die onder bijzondere voorzichtigheidsmaatregelen in een kleine cel van den wagen apart werd opgesloten.
Toen op die manier alles in orde was gemaakt, nam een der agenten van politie in den wagen plaats, sloot de deur van binnen af en het voertuig zette zich in beweging.
De gevangenwagen was nog slechts op korten afstand van het bureau van politie verwijderd toen de beschonken matroos zijn oogen opende.
Onmiddellijk sprong hij als een kat naar den agent toe en sloeg dezen, nog voor dat de man een wapen kon trekken, met een geweldigen vuistslag neer.
In het volgend oogenblik had de matroos den bewustelooze zijn sleutels afgenomen en opende hij de deur naar de cel van Charly Brand.
Dit alles speelde zich zoo bliksemsnel af, dat de gevangenen, die het geheele voorval met open mond aanstaarden, nauwelijks konden begrijpen, wat er gebeurde.
Ze zagen alleen, hoe de matroos de deur van den gevangenwagen opende en met den geboeiden, maar bevrijden gevangene naar buiten sprong en in de donkere straat verdween.
Dit voorbeeld werkte aanstekelijk.
De een na den ander sloeg denzelfden weg in en de laatste was zoo beleefd, om de deur in het slot te gooien.
Toen eindelijk de gevangenwagen het binnenplein van Scotland Yard opreed en een groot aantal detectives uit het gebouw te voorschijn kwamen, waren deze zeer verbaasd, dat de wagen niet geopend werd.
Men opende met geweld de deur van den buitenkant.
Op den bodem van het voertuig lag nog steeds de bewustelooze politie-agent en voor de rest was geen enkele gevangene te ontdekken.
Inspecteur Baxter wachtte intusschen tevergeefs in zijn bureau.
Alles wat hij tot dusverre aan de gevangenneming van Charly Brand te danken had, was een gezwollen blauwe neus.
Hij schuimbekte van woede, toen detective Marholm hem schaterend van lachen het bericht bracht omtrent den ledigen celwagen.
„Daar begrijp ik niets van”, schreeuwde hij, „hoe is dat nu weer mogelijk?”
„Heel eenvoudig,” antwoordde detective Marholm, „de beschonken matroos, aan wien gij uw dikken neus te danken hebt, was niemand anders dan onze wederzijdsche vriend John Raffles.
„Wij hebben hem gevangen genomen, zonder te weten, met wien wij de eer hadden.”
„Vervloekt, dat zal mij eene les zijn!” schreeuwde de inspecteur, van politie.
„In hoeverre?” vroeg detective Marholm lachend, „denkt ge misschien, dat voortaan iedereen, die zoo vrij is met u te gaan boksen of u omver te loopen John Raffles is?
„Ik ben bang, dat gij dan nog wel eens een enkel keertje een gek figuur zult slaan.”
Inspecteur van politie Baxter keek woedend voor zich, nam weer aan zijn schrijftafel plaats en bestudeerde met eene gewichtige houding zijne akten en papieren.
In stille zuchtte hij echter: „Dat ik dien man niet herkend heb!”
Detective Marholm verliet het bureau van zijn chef en amuseerde zich in zijn eentje om Raffles, die den inspecteur als souvenir een opgezetten neus had bezorgd.
ZESDE HOOFDSTUK.
EENE VERGEEFSCHE LANDING.
Kort voordat Raffles van Southampton naar Afrika vertrok, verscheen nogmaals in de couranten dezelfde advertentie van de Koloniale vereeniging te Brussel, eene advertentie, die eene geheele pagina in beslag nam.
Met ongeveer dezelfde woorden, zooals het prospectus had bevat, dat Raffles indertijd had gelezen, werden in de advertentie de groote voordeelen en bijzondere aantrekkelijkheden der Afrikaansche Kolonie afgeschilderd.
De groote onbekende begaf zich naar het telegraafkantoor in de Oxford street, waar hij het volgende telegram verzond:
Directeur der Koloniale Vereeniging Van Meyendorp, Brussel. Wensch driehonderd morgen land te koopen. Kan ik die krijgen? Smitson, London, Oxfordstreet.
John Raffles betaalde het antwoord meteen, en, nadat hij een uur had gewacht, kreeg hij op het telegraafkantoor een bevestigend antwoord uit Brussel.
„Dat had ik wel gedacht,” sprak hij tot zijn vriend, „zoodra die schurken in Brussel er van overtuigd zijn, dat van de vertrokken kolonisten niemand meer in leven is, verkoopen zij het land opnieuw.
„Ik verheug er mij bijzonder op, met deze heeren prachtige zaken te doen.
„Zij vermoeden niet, dat ik nog in het land der levenden ben.”
Na eene reis van drie weken landden Raffles en zijn getrouwe voor de tweede maal in Kilambayo.
Dat was eene vreugde voor de arme achtergebleven kolonisten, die reeds alle hoop hadden opgegeven uit hun ellendigen toestand verlost te zullen worden.
De Engelsche stoomboot, die de vrienden had gebracht, nam, behalve eenige jonge, sterke kolonisten, die door Raffles als arbeiders waren aangenomen, alle anderen mee naar Kaapstad.
De groote onbekende kwam met den kapitein van het koopvaardijschip overeen, dat deze op zijne terugreis, ongeveer acht dagen later, weer in Kilambayo zou landen.
Nadat het schip was afgevaren, toog Raffles aan den arbeid.
Het eerste wat hij deed, was een door hem meegebrachte, goed ingerichte tent en eene schuur voor de waren die hij had medegenomen, te laten opzetten.
Hij had zes kolonisten aangewezen om dat werk uit te voeren.
Twee paarden had hij uit Engeland meegebracht.
Intusschen was de vijfde dag zijner aanwezigheid in de kolonie aangebroken, toen Raffles op een avond tot Charly Brand sprak:
„Ik zal vannacht een onderzoekingstocht door het mij toebehoorende land ondernemen.”
Zijn secretaris keek hem verbaasd aan.
„Wil je hyena’s schieten of eenige uitgehongerde jakhalzen?”
„Dat nu juist niet!” lachte Raffles. „Ik wil menschen vangen en jij moet me helpen.”
Charly Brand begreep niets van dit antwoord. Het was hem bovendien een duistere zaak, wat Raffles gedurende de laatste weken in het schild voerde.
De maan scheen helder op hun rit en een stijve bries woei verfrisschend uit den oceaan.
Zwijgend reed Charly Brand naast Raffles over de mijlenverre woestenij.
John Raffles had aan zijn zadel een leeren zak bevestigd.
Toen ze ongeveer twee Engelsche mijlen van Kilambayo waren verwijderd, begon Raffles een melodie uit een bekende operette te fluiten en gaf zijn paard de sporen.
Af en toe greep de groote onbekende in de leeren zak en Charly Brand, die zijn vroolijk fluiten aanhoorde en hem iedere paar seconden een eigenaardige handbeweging zag uitvoeren schudde bedenkelijk het hoofd en begon zijn vriend nu voor werkelijk krankzinnig te beschouwen.
Nadat Raffles volle drie uur op deze zeldzame manier was bezig geweest, riep hij tot Charly Brand:
„Nu zullen wij naar huis terugkeeren!”
„Zou je mij niet eens willen uitleggen”, sprak deze, toen hij met zijn paard dicht naast Lord Lister reed, „wat je zonderlinge manier van doen eigenlijk beteekent?”
Raffles antwoordde glimlachend:
„Ik heb mijn velden verzorgd en als een goede landbouwer mijn zaadkorrels uitgestrooid.”
„Ik begrijp er niets van”, zuchtte Charly Brand. „Jij wordt langzamerhand voor mij een raadsel.”
De dag begon reeds aan te breken toen zij in de kolonie terug keerden. Raffles verdeelde nu zijn tijd zoodanig, dat hij overdag sliep en des nachts zijn geheimzinnige ritten herhaalde.
Charly Brand pijnigde zijn hersens, maar begreep niets van het doen en laten van zijn vriend.
Zoo onverklaarbaar had Raffles, volgens zijn overtuiging, nog nooit gehandeld, hoewel het toch reeds herhaaldelijk was voorgekomen, dat Charly geruimen tijd noodig had gehad om de bedoelingen van zijn vriend te begrijpen.
„Sir, een stoomboot nadert de haven!”
Met deze mededeeling wekte op zekeren dag de man, die de wacht hield, den grooten onbekende uit zijn rustigen slaap.
John Raffles verliet zijn rustplaats en keek eenigen tijd aandachtig door zijn verrekijker.
Weldra had hij onderscheiden, dat de stoomboot, die inderdaad de havenplaats naderde, een schip van de Koloniale Vereeniging was, daar het de vlag der vereeniging voerde.
„Hallo jongens!” riep Lister, „we krijgen gezelschap. Kom, wij zullen ons op alles voorbereid houden, Wie weet, wat deze boot ons brengt!”
Hij liet eenige kisten, die met geweren, revolvers en patronen waren gevuld, openen, wapende zijn mannen en sprak tot hen:
„Ik hoop, dat gij mij in alles, wat ik nu van u zal verlangen, zult gehoorzamen. Men zal wellicht beproeven om mij hier van mijn eigen grond, dien ik heb gekocht, te verdrijven. Gij allen weet evengoed als ik, dat de Koloniale Vereeniging geen land meer hier aan de kust bezit en dat ik van u en van de weer vertrokken kolonisten het land heb gekocht.”
„Zeker, dat is waar,” antwoordden de arbeiders en uit hun oogen sprak oprechte verontwaardiging, toen zij zich herinnerden, op welke schandelijke wijze zij door de koloniale vereeniging bedrogen waren.
John Raffles liet aan een vlaggestok naast zijn tent de Engelsche vlag ophijschen.
Twee uur later was de stoomboot aangekomen en een honderdtal kolonisten, onder begeleiding van zes beambten, maakte zich gereed om den bodem van Kilambayo te betreden.
Hoe verbaasd waren allen, toen zij, die in het eerste roeibootje aan land werden gebracht, werden begroet door Raffles, aan het hoofd zijner gewapende manschappen, die hun toeriep:
„Wat wenscht gij? Zonder mijn voorkennis zet niemand hier een voet aan wal.”
„Wie zijt gij?” klonk het terug.
„De eigenaar van dit land. Ik zal elke poging om deze kust te betreden met de wapens in de hand verhinderen.”
John Raffles zag, hoe de beambten de hoofden bij elkaar staken en geheimzinnig samen fluisterden en na eenige minuten gaven zij bevel om het bootje naar het schip te laten terugkeeren.
Bijna een half uur verliep.
Toen vertrokken vier booten tegelijkertijd van het stoomschip, waarin Raffles gewapende matrozen zag zitten.
„Het komt er nu op aan, mannen,” riep hij zijn kameraden toe, „zij willen ons met geweld verdrijven. Laten wij ons verdekt opstellen. Zoodra ik het eerste schot heb gelost, moet ook gij mikken op de zijkanten der booten.”
Hij ging met zijn manschappen achter rotsblokken liggen, die zich op het strand bevonden, zoodat het voor de matrozen in de booten een onmogelijkheid was om hen te treffen.
Zoodra het Raffles voorkwam, dat de eerste boot dicht genoeg bij was gekomen, nam hij zijn geweer op, waaruit hij ontploffingsmateriaal kon schieten, mikte kalm en bedaard op den zijkant van het naderende bootje, onder de waterlinie, en vuurde.
Duidelijk kon Raffles volgen, hoe de kogel in de boot drong.
Het duurde slechts eenige seconden, of reeds moesten de matrozen in het bootje hun best doen om het binnendringende water uit te scheppen.