Chapter 1 of 5 · 3975 words · ~20 min read

Part 1

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 53 EEN HUWELIJKSREIS.

EEN HUWELIJKSREIS

EERSTE HOOFDSTUK.

DE DUBBELGANGERS.

Het groote stoomschip „Rotterdam” was juist van Havre vertrokken, waar het de Fransche passagiers had opgenomen.

Het was nacht en de reizigers, die reeds te Rotterdam hun intrek op het schip hadden genomen en uit België, Nederland, Duitschland of Rusland kwamen, sliepen reeds.

Het stoomschip maakte een Middellandsche Zeereis naar Spanje, Monte Carlo en Egypte.

Het waren allen pleizierreizigers, die den kouden winter in het Noorden wilden ontvluchten.— —

Reeds den volgenden dag, toen de passagiers wakker werden, had het koude weer, waarvan zij nog te lijden hadden gehad aan de kusten van Frankrijk, plaats gemaakt voor het warmere Spaansche klimaat en in plaats van een grijzen hemel zagen zij de zon, die met haar warme, koesterende stralen het schip bescheen.

Een jonge man in een donkerblauw pak en met een sportmuts op het hoofd, zat op het promenadedek in een der gemakkelijke, lange stoelen te lezen.

Plotseling richtte hij zijn oogen van het boek naar twee passagiers, een heer en een dame, die bij de verschansing stonden en mompelde:

„Nu zou ik wel eens willen weten, wat dat voor een dame is, waarmee Edward daar staat te praten.”

Vol belangstelling keek hij naar het tweetal en verbaasde zich er over, dat zijn vriend, hoewel hij vlak bij hem stond, er in het geheel geen plan op scheen te hebben om hem bij zich te roepen en hem aan de dame voor te stellen.

„Sapperloot”, vervolgde hij tot zichzelf, „een merkwaardigen smaak legt mijn vriend en meester daar aan den dag. Het is ongetwijfeld een ordinair persoontje, dat, ondanks haar diamanten, welke zij op opvallende wijze draagt, en haar nieuwste Parijsche toilet, toch niet de dame is die zij wil schijnen.

„Daar is iets niet in den haak!

„Een avonturierster is zij niet, daarvoor beweegt zij zich niet gemakkelijk genoeg. Zij ziet er meer uit als een gewezen modiste, die door een rijken aanbidder aan toiletten en diamanten is gekomen.

„Het moet een rare kerel zijn, die aanbidder! In elk geval—in mijn smaak valt zij niet.”

Hij verdiepte zich weer in zijn lectuur.

Toen hij een hoofdstuk had uitgelezen, bemerkte hij, dat het tweetal nog op dezelfde plaats stond en dat de heer zijn arm om den hals der dame had geslagen en zeer innig tegen haar deed.

„Wel alle duivels!” vloekte de jonge man, zijn boek dichtslaande, „is Edward gek geworden? Ik begrijp er niets van!”

Plotseling bemerkte de dame, dat de jonge man hen gadesloeg en daar dit haar onaangenaam scheen te zijn, trok zij haar cavalier mee weg en maakte een wandeling met hem over het dek.

De jonge man stond op, legde het boek op zijn stoel, als teeken, dat de plaats bezet was en begaf zich naar de rooksalon.

Toen hij daar binnentrad, bleef hij verschrikt staan. Alsof het een spook was, wat hij zag, zoo staarde hij zijn vriend aan, dien hij nog zoo juist op dek had gezien en die nu hier in een der clubfauteuils zat, de beenen over elkaar geslagen, een sigaret rookend en de Parijsche „Figaro” lezend.

Hij moest kunnen tooveren, want in plaats van het lichtgrijze costuum, dat hij zooeven had gedragen, had hij nu een marineblauw aan.

Een uitroep van verbazing deed hem opkijken. Hij keerde het hoofd om naar den binnentredende en sprak, terwijl hij de asch van zijn sigaret afwipte:

„Aha, Charly, ben jij het? Waarom staar je mij zoo eigenaardig aan? Is er iets gebeurd?”

„Ja”, antwoordde zijn jonge vriend, „er is zeer zeker iets gebeurd!

„Daarjuist zie ik je boven, op dek in een lichtgrijs costuum met een mij onbekende jonge dame, die mij absoluut niet beviel en waarmee je amours stond te maken en een paar oogenblikken later— —zit je hier— — —een—twee—drie—in een ander toilet en sigaretten rookend je krant te lezen!”

De ander lachte.

„Heb je eenige glazen port gedronken of wat mankeert je, Charly?

„Ik ben niet met een jonge dame, die niet in jouw smaak valt, wezen wandelen en ik bezit evenmin een lichtgrijs costuum. Neen, ik zit hier reeds minstens een uur op je te wachten.”

„Dat is onmogelijk!” antwoordde de secretaris, „ik heb portwijn noch iets anders gedronken en ik geloof niet, dat de thee, die ik aan het ontbijt heb gehad, mijn hersens van streek heeft gebracht!

„Ik heb je ongeveer drie kwartier lang op dek met de dame gadegeslagen en je was niet verder van mij af dan hoogstens twee meter.”

„Steward!” riep de toegesprokene in plaats van te antwoorden.

„U wenscht, mijnheer?”

„Deze heer”, sprak hij, „die in de clubfauteuil zit, beweert, dat ik zooeven op dek ben geweest. Vertel hem eens, hoe lang ik hier al zit.”

„Een uur, Sir.”

„Een uur?” herhaalde Charly Brand op verbaasden toon. „Dat kan ik bijna niet gelooven! Dan heb ik een spook gezien!”

„Pardon!”, sprak de steward nu, „ik heb uw gesprek gehoord. Het vertrek hier is klein en zoodoende werd ik getuige van uw onderhoud, zonder het te willen.

„Maar gij hebt volkomen gelijk. Er bevindt zich hier aan boord een heer met een dame, die opvallend op mijnheer hier gelijkt.

„Men zou kunnen meenen, dat het tweelingbroeders zijn, in elk geval zijn zij dubbelgangers.”

„Het geval is interessant”, sprak Lord Lister, „en nu begrijp ik het misverstand.

„Dus ik heb hier een tweelingbroer”, vervolgde hij, „drommels dat zou aanleiding kunnen geven tot de meest wanhopige verwikkelingen. Hoe heet die heer?”

„In de passagierslijst”, antwoordde de steward, „staat hij ingeschreven als Otto Muller, particulier, en echtgenoote. Ik geloof, dat het paar zich op de huwelijksreis bevindt.”

„Zoo, zoo, dan zou ik dus heel gemakkelijk voor den echtgenoot kunnen spelen”, lachte de Groote Onbekende.

„Neen”, antwoordde Charly hoofdschuddend. „Dat is niets voor jouw smaak. De jonge vrouw ziet er zoo onhandig en dom uit, dat je al van te voren voor het groote genoegen zoudt bedanken.

„Ik zou je raden, om niet met haar echtgenoot te worden verwisseld, het een of andere uiterlijke kenteeken, zooals bijvoorbeeld een vuurroode das, te dragen. Anders omhelst de jonge vrouw je op een goeden dag per abuis.

„Ik durf wedden, dat die liefkozingen je niet zouden bekoren.”

„Dat kan werkelijk heel aardig worden”, meende de ander. „Ik ga nu op dek en zal mijn tweelingbroer eens nauwkeurig opnemen.”

Beide heeren verlieten nu de rooksalon en begaven zich naar het dek.

Op eenigen afstand van hen wandelde de bewuste passagier in het lichtgrijze costuum, de zoogenaamde heer Otto Muller, met zijn jonge vrouw.

Toen de beide heeren hun tegemoet kwamen, verscheen op het gelaat der dame een uitdrukking van schrik.

Daarop begon zij te lachen en alle vier keken elkaar hartelijk lachend aan.

Daarop stak de heer in het lichtgrijze costuum den oudste der beide vrienden, zijn dubbelganger, zijn gehandschoende hand toe en riep uit:

„Wel fameus, Lord Lister, dat wij elkaar na twee jaar weer ontmoeten! Om ’s hemels wil, doe mij een groot genoegen en laat ons dezen keer door uiterlijke kenteekenen onzen geachten medemenschen duidelijker te kennen geven, dat wij niet een en dezelfde persoon zijn dan toenmaals in Ostende, waar de meest ingewikkelde verwarringen ontstonden door de aanwezigheid van ons beiden.”

Lord Lister lachte:

„Die tijd behoort tot mijn aangenaamste herinneringen, Uwe Hoogheid.”

„Psst!”— — —viel de heer Otto Muller hem in de rede. „Ik reis volkomen incognito.”

Hij wierp een veelzeggenden blik op de jonge dame aan zijn arm, waarop Raffles met een glimlachje antwoordde.

„Ik heb mij dan ook in de passagierslijst ingeschreven als Otto Muller, particulier”, vervolgde de heer Muller. „Wees zoo vriendelijk, Lord Lister, mij om ’s hemels wil niet aan te spreken als Hoogheid, maar mij Muller te noemen.”

„Ik zal mij naar uw wensch schikken”, sprak Lister, „en die naam behoort niet tot die welke men moeilijk onthoudt. Bij deze gelegenheid zou ik u willen verzoeken, ook mijn naam te veranderen. Ik reis eveneens incognito en heet Schmidt.”

„Aha, zijt gij iemand op het spoor?”

„Zeer zeker”, antwoordde Raffles, „ik maak jacht op den beruchten bedrieger, die op zoo ongehoorde wijze misbruik maakt van mijn naam.”

„Ik kan begrijpen, dat het minder aangenaam is, dat zulk een kerel als die Engelsche oplichter onder uw naam allerlei schurkenstreken pleegt. De man is toch zeker geen familie van u?”

„Wel neen!” lachte Lord Lister, „gij hebt groot gelijk, Uwe Hoogheid—pardon—mijnheer Muller, als gij veronderstelt, dat ik, om geen onaangenaamheden te krijgen met de politie, reis als Charly Schmidt.

„Sta mij toe, u mijn vriend voor te stellen.”

Hij maakte een handbeweging naar zijn vriend:

„Charly Brand uit Parijs.”

Aangenaam babbelend wandelden zij samen over het dek en de passagiers, welke zij tegenkwamen, bleven verbaasd staan en amuseerden zich kostelijk om de merkwaardige gelijkenis, welke er bestond tusschen de beide heeren Muller en Schmidt.

Den volgenden dag liep de stoomboot de haven van Lissabon binnen en de passagiers namen de gelegenheid waar om, gedurende het oponthoud in de haven, de stad te bezoeken en de beroemde vorstengraven te gaan zien.

Als in een panopticum werden daar de gebalsemde Portugeesche koningen vertoond.

Het maakte een onaangenamen indruk, dat de lijken van Don Pedro en diens zoon waren ten toon gesteld. Het gelaat van den koning was, tengevolge der verwonding, griezelig om aan te zien.

Zonder eenige piëteit vertelde de Portugeesche grafbewaker de levensgeschiedenis en het einde van den door moord om het leven gekomen koning.

Verlucht ademden de bezoekers op, toen zij weer aan boord van het schip waren.

Het diner smaakte den meesten van hen niet.

Even voordat de stoomboot zich weer in beweging zette, verscheen een expresse besteller van de Portugeesche post in een klein bootje. Hij scheen voor iemand aan boord gewichtige stukken mee te brengen.

Eenige oogenblikken later klonk de stem van den persoon, die aan boord de postzaken behandelde; deze riep:

„Expressebrief voor den heer Otto Muller! Mijnheer Otto Muller!”

Eindelijk verscheen deze en de postbode kon hem de brieven overhandigen.

Daarop zette zich de stoomboot in beweging, om koers te nemen naar Napels.— —

Terwijl de heer Otto Muller zijn brieven las, zaten Lord Lister en Charly Brand in een beschut hoekje op dek te rooken.

„Wij zullen te Napels het schip verlaten”, sprak Lord Lister tot Charly Brand, „ik ben van plan, naar Rome te gaan en daar den winter door te brengen.”

„Mij is elke plaats aangenamer dan Londen”, antwoordde de secretaris. „Het scheelde weinig, of men had ons kort voor ons vertrek, ondanks al onze voorzorgsmaatregelen, toch nog gevangen genomen.

„Politie-inspecteur Baxter wordt langzamerhand slimmer!”

„Nonsens!” lachte Raffles, „ik vind, dat hij van week tot week dommer wordt.

„Zijn onhandig optreden, toen hij slechts een hand had uit te steken om mij in hechtenis te nemen, en in mijn plaats weer een verkeerde pakte, getuigt niet van groote volmaaktheid zijner geestesgaven.

„Als ik mij niet vergis, bevindt zich hier aan boord een meer gevaarlijk mensch dan Baxter en wel een detective, Margotte genaamd.

„Hij schijnt den een of ander te vervolgen en heeft, geloof ik, niet het flauwste vermoeden van mijn aanwezigheid hier aan boord.”

Een hoorbare zucht ontsnapte aan de lippen van Charly Brand en hij antwoordde:

„Ik heb meer dan genoeg van dat eeuwige vervolgd worden door detectives! Maar zeg eens, ik heb het je al eerder willen vragen, wie is eigenlijk die Otto Muller?”

John Raffles lachte vroolijk:

„Een der lichtzinnigste en meest ondoordacht levende menschen, die ik ooit hebt leeren kennen!

„Hij heeft een klein vorstendom en regeert in zijn land als een souverein.

„Ik leerde hem kennen als lid van de Ostender speelclub. Wij waren toentertijd goede vrienden en tevens het voorwerp van algemeen amusement.

„Wij gelijken zoo fabelachtig veel op elkaar, dat toen in Ostende de merkwaardigste vergissingen plaats hadden.

„Wij verschillen alleen wat ons karakter betreft.”

„Wat zou dat voor een dame zijn?” vroeg Charly Brand verder, „waarmee de vorst reist onder den naam van Muller en echtgenoote?”

„Wie?” antwoordde Raffles schouderophalend, „volgens mijn meening een onbeduidende gewezen modiste, waarop de vorst op het oogenblik verliefd is.

„Weet je, beste Charly, mannen die over de vijf-en-dertig zijn, zooals de vorst en ik, verbazen hun medemenschen af en toe door onbegrijpelijke afwijkingen van het normale. Je zult deze opmerking nog meerdere malen kunnen maken.”

Op dit oogenblik kwam een steward naar hen toe en sprak:

„Pardon! Ik moet u even storen! De heer Otto Muller laat den heer Charly Schmidt verzoeken, bij hem in de kajuit te willen komen. Mijnheer had een gewichtige zaak met u te bespreken.”

Raffles stond op en volgde den steward.

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN MEESTERSTUK.

In Scotland Yard ging weer alles verkeerd.

Politie-inspecteur Baxter raasde, vloekte en tierde, secretaris Marholm, bijgenaamd, de Vloo, Baxter’s rechterhand, deed hetzelfde; de dienstdoende commissarissen van politie en de inspecteurs vloekten, tierden en raasden, de agenten zelfs raasden, vloekten en tierden, want de Lord-Mayor had den politie-inspecteur een uitbrander gegeven, Baxter had die verder gegeven aan de vloo, de vloo aan de sergeanten, de sergeanten aan de politie-agenten en verder werd de booze bui van den Lord-Mayor gekoeld op de echtgenooten van de Engelsche politie-beambten en eindigde in stukgegooid huisraad en verbrand eten.

Als een lawine was de uitbrander van den Lord-Mayor op Scotland Yard gevallen.

En waarom?

John C. Raffles had het gewaagd, op een zitting van de rechtbank in Oxford-Street een zijner meesterstreken uit te voeren, waarover geheel Londen zich amuseerde.

Maar de politie-beambten vloekten, raasden en tierden, want de president van deze rechtbank was de broer van zijn lordschap den Lord-Mayor.

Hij was een zeer pedant en weinig intelligent heerschap, en vooral om zijn onverbiddelijk strenge uitspraken zeer gevreesd in Londen.

Een arme werkman stond dien morgen voor het gerecht en moest zich wegens diefstal van een pond sterling verantwoorden, die hij zijn werkgever had ontstolen.

De geschiedenis, welke aanleiding had gegeven tot het gebeurde, was zeer droevig en zou elken anderen rechter mild gestemd hebben.

Alleen den broer van zijn lordschap niet.

De werkman, die slechts een armoedig inkomen had, had een vrouw en acht kinderen, waarvan vier tegelijk ziek lagen aan diphteritis.

Deze ziekte verslond spoedig de weinige spaarpenningen, welke de man bezat en de dokter had hem gezegd, dat hij alleen door uiterst sterke voeding, wijn en vruchten, de zwakke kinderen in leven kon houden.

De werkgever van den armen man had hem zijn verzoek om voorschot eenvoudig geweigerd.

Hij behoorde, evenals de rechter, tot de hardvochtigen, die hun medemenschen alleen beoordeelen naar hetgeen zij als werkkracht presteeren.

Hij toonde niet het minste medegevoel voor den nood en het lijden zijner arbeiders.

In een aanval van wanhoop had de arme kerel toen diefstal gepleegd en uit het geldkistje van zijn werkgever, dat op de schrijftafel stond, een goudstuk—ter waarde van een pond—genomen.

Met tranen in de oogen bekende hij den rechter zijn schuld en smeekte om een milde uitspraak.

Op de publieke tribune werd af en toe het onderdrukte snikken van dames vernomen en men besloot een collecte te houden voor den armen man en vader.

Maar Zijn Lordschap, die zich fier de strengste rechter van geheel Engeland noemde, dacht er anders over.

Hij verhief zich in het ambtscostuum, zooals men dat in Engeland draagt; hij had de witte pruik op het hoofd en om den hals den kraag ter grootte van een wagenrad, die den zwarten mantel van boven afsluit en sprak:

„De daad van beklaagde bewijst een buitengewone verdorvenheid.

„Wanneer een mensch die geen werk heeft steelt, wanneer een mensch die een misdadiger van beroep is een dergelijke daad pleegt, dan verdient hij een milde uitspraak, want dan wordt hij eigenlijk door de omstandigheden gedwongen om te stelen.

„Wanneer echter een man op wien tot dusverre niets te zeggen viel, een eerzaam, fatsoenlijk burger, die werk heeft, zich tot diefstal laat verleiden, dan verdient dat een strenger oordeel.

„Maar nog scherper moet dit oordeel worden, wanneer hij er zelfs niet voor terugdeinst den man, die hem slechts weldaden heeft bewezen, doordat hij hem werk en dus brood geeft, wanneer hij zulk een man besteelt!

„Zijn werkgever te bestelen, is de grootste brutaliteit!

„Het allerergste, mijneheeren, is het echter, wanneer zulk een mensch ook nog meent de mildheid der rechters te mogen inroepen!

„Zijn verdediger wees zooeven op het feit, dat beklaagde acht kinderen heeft.

„Mijneheeren, deze acht kinderen zijn geen verontschuldiging, integendeel, zij getuigen slechts van het buitensporige, zedelooze leven van beklaagde.

„Ik vraag u, mijneheeren, is het te verdedigen, dat men, onder dergelijke geldzorgen levende, zich de weelde permitteert, er acht kinderen op na te houden?

„Neen, mijneheeren, dat is niet noodig!

„Die weelde mag zich een millionnair nauwelijks veroorloven!”

Op dit oogenblik trad een man in werkmanskleeren de rechtszaal binnen, liep achter de rechterstafel, nam een stoel en tilde de aan den muur hangende klok van haar plaats.

Daar het volgens Engelsch gebruik zeer vrij toegaat in het gerechtslokaal, wekte zijn verschijnen geen verwondering op.

Alleen vroeg een der rechters, die het dichtstbij zat, wat hij met de klok ging doen.

„Ik moet de klok hiernaast in orde maken, ik ben uurwerkmaker,” antwoordde de werkman en verdween.

De rechter had intusschen zijn rede verder gehouden en juist toen de werkman de zaal wilde verlaten, sprak hij:

„En daarom moet op beklaagde de volle straf worden toegepast en deze is drie jaar gevangenisstraf, welke onmiddellijk zal ingaan.”

Snikkend viel de arme man voorover met het hoofd op de bank der beschuldigden, terwijl in het publiek luide kreten van ontstemming werden vernomen.

Plotseling verhief zich vol waardigheid de griffier en sprak tot den rechter:

„Ik maak er uw Lordschap opmerkzaam op, dat ik het tijdstip van het begin der straf voor beklaagde niet kan vaststellen, daar de officieele klok niet aanwezig is.”

De Lord-mayor keek naar den muur, waar de tijdmeter had gehangen.

De rechters eveneens.

Geen hunner wist, wat hij moest zeggen, want volgens de Engelsche wet moet de aanvang der straf nauwkeurig worden geregistreerd volgens de klok, die achter de rechterstafel hangt!

Maar die was verdwenen!

Nu stond de verdediger op.

„Ik stel voor, de uitspraak van Zijn Lordschap voor ongeldig te verklaren, omdat de tijd niet kan worden vastgesteld.”

„Ik zal den tijd volgens mijn horloge vaststellen!” antwoordde de rechter op scherpen toon.

„Dat zou in strijd zijn met de wet, Uw Lordschap!” sprak de verdediger. „Uw horloge is niet de bij de wet bedoelde officieele klok en daar iedere minuut kostbaar is in het leven van een mensch, kunnen wij reeds nu niet meer aangeven, hoeveel minuten verstreken zijn na de uitspraak.

„Ik stel de ongeldigheidsverklaring voor.”

Op dit oogenblik trad een der gerechtsdienaren binnen en legde een briefje voor den verdediger neer.

Deze opende het haastig en las het.

Met gespannen aandacht keek het publiek naar hem.

Men was nieuwsgierig, hoe het merkwaardige geval met de klok opgehelderd zou worden.

Een hartelijke lach van den verdediger klonk en op zoo duidelijken toon, dat ieder het kon hooren, sprak hij:

„Mijne heeren, ik krijg hier het volgende bericht:

Zeer geachte heer advocaat! Wees zoo goed, den rechter mee te deelen, dat ik de klok heb gestolen, opdat mijnheer de rechter voortaan niet meer zulke wreede vonnissen velt als hij heden doet.

Groetend, JOHN C. RAFFLES.”

Het bulderend gelach, dat den gestrengen rechter, den broer van den Lord-mayor, vanuit de publieke tribune in de ooren klonk, zal hij waarschijnlijk zijn heele leven niet hebben vergeten.

Des avonds las men het geval in alle kranten, maar reeds eerder wist de Lord-mayor van Londen het en onmiddellijk ontving politie-inspecteur Baxter een brief van vier zijden met een geweldigen uitbrander, omdat het hem nog steeds niet was gelukt, John C. Raffles te vangen.

Den volgenden dag ontving Baxter van een zijner agenten bericht, dat twee heeren, op wie ontegenzeggelijk het signalement van John C. Raffles en Charly Brand paste, zich te Havre aan boord van de Nederlandsche passagiersboot „Rotterdam” hadden ingescheept.

Dadelijk stelde hij zich in verbinding met het scheepsagentuur te Rotterdam en kreeg bericht, dat het schip Lissabon aandeed en zich van daar naar Napels zou begeven.

Waarschijnlijk was het reeds weer uit de haven van de Portugeesche hoofdstad vertrokken.

Men wachtte elk oogenblik het telegraphische bericht daaromtrent.

„All right!” vloekte Baxter, „dan zal ik de beide heeren door de Italiaansche politie in Napels laten gevangen nemen. Ik hoop, dat ik ze eindelijk in handen krijg.

„Raffles zal niet voor een tweeden keer een klok uit de rechtszaal stelen!”

DERDE HOOFDSTUK.

DE PLAATSVERVANGER.

Zijn Doorluchtigheid de vorst Von Plessenheim zat in zijn kajuit, welke hij op het schip bewoonde, voor de sierlijke mahoniehouten schrijftafel en trommelde nerveus met de slanke, aristocratische vingers op het spiegelglad gepolijste tafelblad.

Af en toe luisterde hij naar een aangrenzende kajuit, waarvan de deur in de zijne uitkwam, maar die gesloten was.

Daar was de hut van zijn beminde, of, zooals men veronderstelde, van mevrouw Amanda Muller.

De steward trad binnen en kondigde aan:

„Mr. Schmidt!”

Onmiddellijk stond de vorst op en ging Lord Lister, alias Charly Schmidt, eenige schreden tegemoet.

Hij stak hem beide handen toe en riep:

„Ik dank u, mijn beste Lord,—pardon, Mr. Schmidt, dat gij zoo vriendelijk zijt, mij op te zoeken. Maar wat ik tot u te zeggen heb, kan alleen geschieden in een gesloten kajuit.”

„Gij maakt mij nieuwsgierig, Mr. Muller”, lachte Raffles, „welke gewichtige dingen kunt gij met mij te verhandelen hebben?”

De vorst bood John Raffles een der gemakkelijke leeren fauteuils aan, schoof hem een zilveren sigarettenkoker toe en bediende ook zichzelf, toen de Groote Onbekende er een uit had genomen.

Nadat beide heeren hadden opgestoken, haalde de vorst den expresse-brief, dien hij eenige uren geleden had ontvangen, te voorschijn en sprak:

„Ik heb een zeer vriendelijk verzoek aan u, beste Lord. Een verzoek, dat ik alleen daarom durf uit te spreken, omdat ik mij vanuit Ostende nog uw groote beminnelijkheid herinner.

„Gij waart voor mij sinds dien tijd het type van een volmaakt gentleman en ik vlei mij met de gedachte, dat ik mij u als voorbeeld heb genomen, sinds ik u heb leeren kennen.”

„Om ’s hemels wil!” riep Raffles met een afwerende beweging, „neem mijn persoon toch niet als voorbeeld! Gij zoudt u daar niet goed bij bevinden.”

„Nu, nu,” antwoordde de vorst, die meende dat Raffles alleen uit bescheidenheid zoo sprak.

„Het is zooals ik zeg. Ik heb groote achting voor uw beminnelijkheid, mijn vriend, ik zie in uw geheele wezen het beeld van den volmaakten edelman, slechts één ding verbaast mij: gij schijnt weinig belangstelling te hebben voor het schoone geslacht.”

Hij keek zijn bezoeker met vorschenden blik aan en hoopte eenig antwoord te zullen krijgen.

Maar Raffles zat met onveranderde gelaatsuitdrukking, met het eene been over het andere geslagen en keek den rook zijner sigarette na.

Na eenige oogenblikken sprak de vorst weer:

„Ik bedoel namelijk, dat ik u nog nooit aan de zijde van een schoone vrouw heb gezien.

„Heeft dit een bepaalde reden?”

De Groote Onbekende klopte de asch van zijn sigaret af en sprak:

„Zeer zeker, Uwe Hoogheid! De vrouwen, die werkelijk schoon en geestig zijn, de vrouwen, die een man van karakter, zooals ik mij verbeeld er een te zijn, in werkelijkheid slechts kunnen bekoren, deze vrouwen, Uwe Hoogheid, zijn helaas niet meer vrij.

„Ik heb tot dusverre altijd het ongeluk gehad, een beetje te laat te komen. En voor andere vrouwen bedank ik.”

„Wel”, sprak de vorst, „dan ben ik gelukkiger. Kijk eens hier!”

Hij maakte een handbeweging naar de deur en hij wierp een hartstochtelijken blik in die richting, alsof zijn geliefde vóór hem stond.

„Daar heb ik de bekoorlijkste vrouw van de wereld, naar wie mijn hart jarenlang heeft gesmacht en toch ben ik door vreeselijke banden geketend. Slavenketenen van stand en geboorte—de boeien van een gedwongen huwelijk, zoodat ik als een misdadiger onder een valschen naam met mijn geliefde op reis moet gaan, om het noodlot eenige uren van geluk af te persen.