Part 2
„Tracht u eens in mijn geval in te denken, bedenk, dat mij niets heiliger is dan mijn liefde voor deze aangebeden vrouw—en gij zult het verzoek dat ik tot u wil richten, niet verkeerd opvatten!
„Om kort te gaan, Lord Lister, mijn verzoek is dit:
„Wees mijn plaatsvervanger!”
Een oogenblik was Raffles stom van verbazing.
De zaak had een zeer grappigen kant, vooral wanneer hij aan de vrouw dacht, die door den vorst werd bemind.
Nog begreep hij niet precies, wat de vorst eigenlijk bedoelde. Hij bedwong een glimlach en sprak:
„Hoe bedoelt gij dat, Uwe Hoogheid?”
De vorst stak een nieuwe sigaret aan en antwoordde:
„De zaak is eenvoudig. Ik ontving zooeven van mijn hofmaarschalk Von Bücklingsburg gewichtige tijdingen, welke in verband met verschillende regeeringszaken mijn onmiddellijke terugkomst noodig maken.
„Eigenlijk zijn het geen regeeringszaken, doch slechts een quaestie van aanwezig zijn.
„De Keizer van Siam heeft namelijk in de onmiddellijke nabijheid van mijn vorstendom een kasteel en is van plan, zich daar gedurende de eerstvolgende weken op te houden.
„Hij neemt die gelegenheid te baat om mijn residentie te bezoeken, er wordt dan een kleine inspectie over de troepen gehouden, ik dineer met hem en de zaak is afgeloopen.
„Het geheel is niet meer dan een tooneeleffect, zooals ik u vertelde, niets anders dan eenvoudig een quaestie van aanwezig zijn.
„Ik speel in deze comedie de rol van een pop met mechaniek.
„In plaats van klein tenue trekt men ’s morgens groot tenue aan, ontvangt dan in een rijtuig met tien paarden bespannen zijn machtigen neef neef Achter-Indië.
„De voorgeschreven broederkussen op linker- en rechterwang worden gewisseld, daarbij eenige innige handdrukken, eenige beminnelijke woorden, men laat een paar regimenten voorbij defileeren, spreekt over Zeppelin en de laatste vlootrevue, spreekt op beleefden toon tegen elkaar, vermijdt uit principe elk ernstig gesprek, gaat aan tafel zitten, eet wat de hofkeuken opdischt, houdt een toast op den machtigen neef, krijgt een toast terug en vergezelt hem tot aan de deur der eetzaal.
„Dan omhelst men elkaar zooals dat is voorgeschreven, drukt elkaar nogmaals de handen en gaat naar bed met het aangename bewustzijn, zijn plicht als een trouw vader te hebben vervuld voor de welvaart van het land.
„Ziet gij, mijn beste Lord, voor die ceremoniën wensch ik u als plaatsvervanger.
„Dat wil zeggen, alleen wanneer gij mij gaarne dezen grooten dienst bewijst.
„Ik zou nu niet graag afscheid willen nemen van het voorwerp mijner liefde. Wilt gij het uitstapje voor mijn rekening maken?
„Gij weet niet, welk een genoegen gij mij doet door het inwilligen van mijn verzoek. Wanneer u iets gelegen is aan een orde van mijn vorstendom, zoek dan uit mijn koffer die uit, welke u het best bevalt.”
John Raffles glimlachte.
„Hebt gij uw orden in uw koffer, evenals men overhemdknoopjes en dergelijke dingen meeneemt, Hoogheid?”
„Ja”, lachte de vorst, „soms vergelijk ik mijzelf bij een handelsreiziger.
„Elke kellner, commissaris van politie of andere officieele persoon van groot gewicht kan zoo’n ding uit mijn koffer krijgen.
„Als ze op zijn, bestel ik weer nieuwe.”
John Raffles dacht eenige minuten na, rookte zijn sigaret op en sprak toen:
„Uit vriendschap voor u, Hoogheid, en omdat ik mij geheel in uw toestand kan verplaatsen, wil ik u gaarne van dienst zijn en u voor eenige dagen in uw vorstendom vertegenwoordigen.
„Natuurlijk moet ik nauwkeurig door u worden ingelicht, opdat ik niet uit mijn rol val, vooral bij inspectie van de troepen.”
„Als er een oogenblik mocht komen, waarin gij niet weet, wat gij moet doen, laat gij de kerels eenvoudig aantreden en sneller marcheeren, dat is mijn methode altijd en daarmee heeft men altijd succes.
„En wees voor het overige onbezorgd, ik wil u namelijk eerlijk bekennen, dat ik zelf zelden weet, wat ik te doen heb.
„Daarvoor is mijn hofmaarschalk er, die kerel is wonderlijk goed op de hoogte!
„Ik zeg u, Lord Lister, gij zult verbaasd staan over alles wat hij weet.
„Te beginnen met de uniformen welke gij te dragen hebt, tot aan de orden, waarmee gij u moet tooien, van de hoofdbedekking tot aan de laarzen, wanneer gij moet opstaan en om hoe laat gij moet eten, hij weet het allemaal precies.
„Bovendien is er ook mijn minister van staat, dr. Von Thorn, die alle mogelijke speechen in elkaar zet. Mensch, gij behoeft u om niets te bekommeren.
„Die man komt ’s morgens bij u en zegt:
„Uwe Hoogheid! Vandaag moet gij dat en dat zeggen, hij leest u den inhoud van uw rede voor en legt die dan meteen, keurig met de schrijfmachine geschreven, voor u op de schrijftafel neer.
„En zoo gaat het den geheelen dag door.
„De dokter komt en zegt: Uwe Hoogheid moet een rijtoer gaan maken.
„De kamerdienaar meldt: Uwe Hoogheid, het bad is gereed!
„Kort en goed, gij hebt verder niets te doen, dan u door al die menschen, die er voor zijn, als een uurwerk te laten opwinden, te laten kleeden en opvoeden.”
John Raffles lachte zoo hartelijk, dat de vorst er mee instemde.
„Maar zeg eens, Uwe Hoogheid”, begon hij weer, „hoe wordt het echter, als uwe gemalin mij wenscht te spreken?”
„Heel eenvoudig”, antwoordde de vorst, „dan wendt gij regeeringszaken voor.
„Ik heb bijvoorbeeld de gewoonte om het licht te laten branden tot ’s morgens drie of vier uur.
„Ook laat ik achter de ramen, waarvan de gordijnen dan zijn gesloten, een kamerdienaar heen en weer loopen, zoodat zijn schaduw op de gordijnen valt.
„Tegenover de vensters van mijn werkkamer bevinden zich namelijk de slaapkamers mijner hooge gemalin.
„Op die manier toon ik haar, hoe ik, overladen met regeeringszaken, tot in den morgen door moet werken.
„Dat is namelijk de hoofdzaak bij ons, vorsten. Men moet de kunst verstaan, zich altijd zeer gewichtig voor te doen en nooit uit zijn rol te vallen.”
„En hoe is het met de financiën?” vroeg Raffles, „als ik betalingen moet doen?”
„Onzin!” lachte de vorst, „gij hebt geen betalingen te doen; betalingen worden alleen aan u gedaan. Dat wil zeggen, gij ziet daarvan niets.
„Maar het is goed, dat gij mij daaraan herinnert, want de eerste, die bij u zal verschijnen en u zijn diensten zal komen aanbieden, is de financier Stern.
„Dat is mijn vertrouwde.
„Een uitstekend mensch, een kolossale kop, alleen houdt hij de duiten een beetje te zeer vast.
„Meestal klaagt hij, dat hij geen geld heeft, maar dat moet gij niet gelooven. Hij wil altijd het voordeel van den Staat.
„Elk oogenblik zucht hij: Uwe Hoogheid, gij verlangt te veel geld. Uwe Hoogheid, ik begrijp niet, wat gij met al dat geld doet!
„Kort en goed, deze Stern is mijn portemonnaie, van hem leef ik en hij kent mijn wenschen beter dan ik zelf.
„Hij legt mij altijd quitanties voor, die ik dan onderteeken en dat is alles, wat ik aan financieele zaken doe.”
„Een prachtige inrichting, ik wou, dat ik ook zoo’n geheimen financier had”, lachte Raffles.
„Bijna had ik nog iets vergeten”, sprak de vorst, „er is een persoon aan mijn hof, dien ik zooveel mogelijk uit den weg ga. Dat is de hofpredikant.
„Ziet gij, Lord, ik ben geen godloochenaar, maar zijn sluwe manieren stuiten mij tegen de borst. Hij is mij onsympathiek.”
„Nu”, sprak Raffles, „ik zal hem op zijn eksteroogen trappen.”
„Doet dat!” sprak de vorst, „ik kan hem namelijk niet kwijt raken.
„Alleen het idee, dat die man eindelijk eens zijn meerdere zou hebben gevonden, zou voldoende zijn om u als mijn plaatsvervanger naar huis te zenden.
„En nu zal ik u dit cheque-boek op de Duitsche Bank geven en dan verzoek ik u, al uw uitgaven op reis te trekken op de Duitsche Bank.”
„Gij schenkt mij een groot vertrouwen”, sprak Raffles, „maar omdat ik eenmaal „ja” heb gezegd, zal ik beproeven, mijn uitgaven, die gewoonlijk vrij aanzienlijk zijn, niet hooger te maken dan uw middelen dat veroorloven.”
Samen zaten zij nog een half uur aangenaam te babbelen bij een snel opgediend ontbijt. De vorst gaf Raffles nog eenige documenten en papieren, benevens zijn zegelring en den kleinen koffer met ordeteekenen.
„Als ik de ordekist nu eens leeg maak?” vroeg Raffles.
„Hindert niets!” antwoordde Zijne Hoogheid. „Als ze op zijn, worden er weer nieuwe gemaakt”
Daarop maakte de vorst snel een einde aan het gesprek. Hij haastte zich naar de deur om te informeeren, of zijn geliefde klaar was.
„Wanneer ontmoeten wij elkaar weer, Uwe Hoogheid?” vroeg Raffles bij het afscheid nemen.
De vorst dacht eenige seconden na en antwoordde:
„Ik had mij voorgenomen, een huwelijksreis van zes weken te maken.
„Drie zijn er reeds om. Wij zien elkaar dus over drie weken terug in hotel Kaiserhof te Berlijn, waar ik weer zal opduiken als vorst Von Plessenheim.”
Zij namen afscheid en Raffles verliet met het leeren valies in de hand de kajuit.
Charly Brand verwachtte hem in hun gemeenschappelijke hut.
Hij zag aan het lachende gelaat van zijn vriend, dat dezen iets bijzonder amusants moest zijn overkomen.
„Kom eens hier, mijn jongen”, sprak Raffles, „jij hebt immers al zoolang naar een orde verlangd? Ik zal je aan eentje helpen.”
Charly Brand wist eerst niet, wat hij van die woorden moest denken.
Hij geloofde, dat Raffles hem voor den gek hield.
Maar hoe verbaasd was hij, toen Lord Lister het leeren valies opende en er eenige dozijnen kleine doosjes uitnam, waarin, in watten gehuld, allerlei medailles, kruisen en met steenen versierde ordeteekenen lagen, terwijl ook allerlei gekleurd ordelint te voorschijn kwam.
Dit laatste liet Raffles door zijn vingers glijden en sprak:
„Hoeveel meter heb je noodig om over de borst te dragen? Je ziet, dat hier genoeg voorradig is om je er mee te tooien.”
Charly Brand keek met groote verbaasde oogen naar het koffertje met orden en dacht, dat Raffles ze gestolen had.
„Ik bid je, sluit dien rommel weer weg, of liever, gooi het over boord. Wat wil je met dien boel doen? Als de eigenaar bemerkt, dat hij bestolen is, laat de kapitein alle kajuiten doorzoeken en ik zou hier geen enkel plaatsje weten waar je dat waardelooze tuig zoudt kunnen verbergen.”
„Domkop!” lachte Raffles, „deze orden zijn mijn eigendom!
„En opdat je alles weet, ik ben niet meer Charly Schmidt, maar Zijne Hoogheid vorst van Plessenheim en jij bent mijn adjudant baron Charly von Brand.
„Ga nu naar de kajuit van den heer Otto Muller en laat je daar den koffer met de uniformen, sabels en andere dingen geven, zooals ik dat met hem heb afgesproken.”
„Wat moet ik doen?” vroeg Charly, wien het geheele geval als een flauwe grap voorkwam.
John Raffles herhaalde nogmaals langzaam en duidelijk:
„Ga naar de kajuit van den heer Otto Muller en laat je daar den koffer geven met de kleedingstukken, zooals ik dat met hem heb besproken.”
Hoofdschuddend ging de secretaris heen.
Hij begreep van de zaak niet veel en nog minder, toen de zoogenaamde heer Otto Muller hem een grooten leeren koffer, benevens twee stuks handbagage, welke laatste, naar den vorm te oordeelen, helmen en mutsen moesten bevatten, meegaf.
„Ik verzoek u,” sprak de vorst, „let er op, dat gij door geen steward wordt verrast. Dat moet vermeden worden.”
Charly Brand had geluk op den korten weg, dien hij moest afleggen, want het was juist vóór het diner en nergens een steward te zien.
„Het duurde vrij lang, eer je terugkwam,” merkte Raffles op, „ik wilde je juist tegemoet gaan.”
Met de sleutels, die Charly ook meegekregen had, opende hij den uniformkoffer en nam er de klein-generaalsuniform uit, welke gewoonlijk door vorsten wordt gedragen.
Charly Brand hielp zijn vriend om zich te kleeden en daar deze hetzelfde figuur had als de vorst, paste alles hem als aangegoten.
„Het staat je prachtig!” riep Charly vol bewondering uit, „ook de helm past!”
„Zoo!” sprak Raffles, „ga nu naar den kapitein en deel hem mede, dat de vorst Von Plessenheim hem wenscht te spreken.”
De kapitein meende eerst, dat Charly dronken was.
Hij lachte hartelijk, toen deze den wensch van den vorst Von Plessenheim te kennen gaf en ook de bij hem staande officieren lachten mee.
„Neem mij niet kwalijk!” sprak Charly Brand op scherpen toon, „gij hebt zeker gehoord, wat ik u zei:
„Zijne Hoogheid de Vorst von Plessenheim wenscht u te spreken en ik verzoek u, mij te volgen.”
„Mijnheer!” riep de kapitein uit, „houdt gij mij voor krankzinnig of zijt gij het zelf! Ik heb geen vorst Von Plessenheim aan boord!”
„Gij hebt hem aan boord zonder het te weten,” antwoordde Charly Brand, „Zijne Hoogheid staat op uw passagierslijst ingeschreven als de heer Charly Schmidt.”
Nu zette de kapitein een verbaasd gezicht.
Hij wendde zich tot zijn eersten officier met de woorden:
„Deze man maakt toch niet den indruk alsof hij onwaarheid spreekt. Misschien is het een feit, en is Zijne Hoogheid hier werkelijk aan boord. Ik zal den gentleman volgen.”—
Eenige minuten daarna stond hij zwijgend en verbaasd tegenover Raffles en groette op militaire wijze.
„Kom naderbij, kapitein,” sprak Lister, „ik wil u over dienstzaken spreken.
„Ik verzoek u, daar ik mijn reis moet afbreken, de eerste stoomboot, die passeert, door vlagge-signaal te roepen en mij door een boot te laten overbrengen.”
„Zeer goed, Uwe Hoogheid!”
„Als u dit mocht gelukken, dan zal ik zoo vrij zijn, u voor dezen dienst een onderscheiding toe te kennen,” sprak Raffles.
„Ik dank Uwe Hoogheid onderdanig. Ik zal mijn uiterste best doen in den koers te blijven van de Hamburger Lloydbooten, opdat uw wensch kan worden vervuld.”
Raffles gaf door een handbeweging te kennen, dat het gesprek was afgeloopen. De kapitein salueerde en verliet de kajuit.
De passagiers waren nog niet voor het diner bijeengekomen, toen het gerucht als een loopend vuurtje de rondte deed:
„Zijne Hoogheid de Vorst von Plessenheim is aan boord.”— — —
Aan tafel werden voor den vorst, alias Raffles en voor den nieuwbakken baron Von Brand bijzondere eereplaatsen ingericht en niemand vermoedde, dat de zich onder de passagiers bevindende Otto Muller de vorst was en dat op zijn eereplaats de plaatsvervanger, de veel gezochte Lord Lister, alias John C. Raffles zat.
Reeds des namiddags gelukte het den kapitein, een stoomschip door vlaggensignalen zijn wensch te kennen te geven.
Tegen zes uur verliet Lord Edward Lister het schip en begaf zich op een stoomsloep naar de Duitsche boot.
In eerbiedige houding, met ontbloote hoofden, keken de mannelijke passagiers hem na, terwijl de dames met zakdoeken wuifden.
De kapitein echter stond in militair salueerende houding aan de valreep en had een nieuwe decoratie op de borst. Een zalig glimlachje lag op zijn gelaat. Hij wilde wel, dat hij elken dag een vorst incognito aan boord had.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Toen het schip de haven van Napels binnenliep, verscheen er dadelijk een politieboot.
Een Italiaansche officier van politie met een dozijn detectives kwamen aan boord en de officier wendde zich tot den kapitein.
„Wij hebben uit Londen van den inspecteur van politie Baxter bericht gekregen,” sprak hij, „dat zich hier aan boord de veelgezochte avonturier Lord Edward Lister moet bevinden. Ik moet alle passagiers om hun identiteitsbewijzen verzoeken.”
De Italiaansche beambten doorzochten het schip.
De passen van alle reizigers, ook die van majoor Muller en echtgenoote, werden in volkomen orde bevonden.
De detectives konden geen verdachte personen ontdekken.
Als laatste passagier, die geen pas had, werd de Parijsche stille agent van politie Margotte door de Italiaanschen politieofficier aan een verhoor onderworpen.
„Gij komt mij uiterst verdacht voor,” sprak de Italiaan.
„Spreek toch geen nonsens,” antwoordde de politieagent, „ik ben een collega van u.”
„Dat kan iedereen zeggen,” lachte de Italiaan, „bewijs het mij door uw papieren.”
„Ik heb geen papieren bij mij,” sprak de agent. „Ik ben in opdracht van mijn regeering hals over kop aan boord van dit schip gezonden, om den vorst Von Plessenheim, die wij van spionnage verdenken, in het oog te houden.
„Mijn regeering heeft zich helaas vergist.
„Hij, dien ik voor den vorst moest houden, is een eenvoudig majoor, terwijl de werkelijke vorst Von Plessenheim, dien ik niet kende, gistermiddag het schip heeft verlaten.”
„Wie heeft het schip gistermiddag verlaten?” vroeg de Italiaan.
„Ik zei het u reeds”, antwoordde de Franschman, „de vorst Von Plessenheim met zijn adjudant.”
De kapitein, die het gesprek bijwoonde, mengde er zich nu in en vertelde den officier van politie het voorgevallene.
De Italiaan vloekte en beweerde, dat dit geen zuivere koffie was.
„Ik geloof”, sprak hij, „dat de vogel mij ontsnapt is. Merkwaardig, zooveel geluk als die kerel heeft. Maar misschien zal het mij toch lukken en ik zal dadelijk naar Londen telegrafeeren. Misschien kan inspecteur Baxter met zijn beambten den avonturier in Londen vangen.”
„Haal uzelf geen onaangenaamheden op den hals! Het is geen avonturier geweest, dien ik aan boord had, maar inderdaad de vorst Von Plessenheim. Overtuig u zelf!”
Hij wees naar de orde op zijn borst.
„Deze onderscheiding heb ik van Zijne Hoogheid gekregen. Een avonturier kan geen decoraties verleenen!”
„Ik zal het aan mijn collega’s in Londen overlaten, zich onaangenaamheden op den hals te balen”, antwoordde de Italiaansche officier van politie.
„Voorloopig moet ik dezen heer”, hij wees naar den Franschen beambte, „voor gevangen verklaren, daar hij geen papieren betreffende zijn persoon bij zich heeft.”
„Nu, ik denk”, lachte de Franschman, „dat u juist op dit oogenblik het ontbreken mijner papieren mijn identiteit als detective het beste moest bewijzen.”
„Eigenlijk hebt gij gelijk!” antwoordde de Italiaan, „iemand die geen papieren bij zich heeft, en niet kan bewijzen wie hij is, zou best een detective kunnen zijn.
„Maar ik kan niet anders handelen. Ik moet u, totdat ik de bevestiging uwer opgaven uit Parijs heb ontvangen, in hechtenis nemen. Volg mij in naam der wet.”
Zoo geschiedde het, dat de eene politiebeambte den anderen gevangen nam, inplaats van Raffles.— —
Inspecteur Baxter had zooeven een telegram ontvangen en de vloo, secretaris Marholm, sloeg hem in het geheim gade om te zien, welken indruk het telegram op den machtigen chef maakte.
De vloo kon tevreden zijn, want Baxter glimlachte vergenoegd, wreef zich de handen en sprak op luiden toon:
„Fameus! Nu heb ik hem eindelijk in de val!”
„Wien hebt gij in de val?” vroeg de vloo. „Onzen vriend Raffles soms?”
„Goddam! De duivel hale je grootmoeder!” vloekte Baxter, „wat gaat het jou aan, als ik in mezelf spreek?”
„Dat gaat mij inderdaad niets aan!” antwoordde Marholm en hij legde de pen op tafel, een teeken, dat hij graag een langdurig gesprek met zijn chef wilde houden.
„Welnu dan!” snoof de inspecteur, „zwijg dan en antwoord mij, als ik u wat vraag!”
„Dat ben ik met u eens!” antwoordde de vloo kalm, haalde zijn kort pijpje uit den zak, benevens een pakje tabak en begon langzaam als een philosoof en zoo nauwkeurig mogelijk zijn pijp te stoppen.
Daarna streek hij aan zijn broek een lucifer aan en begon te rooken.
Hij wist, dat inspecteur Baxter al zijn bewegingen volgde als de kat een muis, daarom deed hij zijn best om zich zoo weinig mogelijk te haasten.
Hij had zich reeds den geheelen morgen over zijn chef geërgerd, omdat deze hem, zooals herhaaldelijk voorkwam, achterstallig werk, dat hij zelf reeds twee dagen geleden had moeten afdoen, had opgedragen.
Nu moest Marholm maar zien, hoe hij het klaarspeelde.— —
Daar lagen spoedzaken en andere dingen, die door de nonchalante onverschilligheid van den inspecteur het grootste onheil konden aanrichten, als zij niet werden behandeld.
Marholm had zich na vier uur lang ingespannen te hebben gewerkt, door den hoop acten heenworsteld en kon zich nu gerust de weelde van een pijp tabak veroorloven.
Hij wist, dat Baxter den rook niet kon verdragen, maar dat liet hem koud.
Al kon de inspecteur den tabaksrook niet verdragen, toch was hij genoodzaakt om Marholm, die al zijn werk in orde maakte, in zijn bureau te dulden, want de vloo had hem eens voor altijd verklaard, dat hij zonder zijn pijpje het niet in het bureau kon uithouden.
Baxter wierp hem een giftigen blik toe en sprak:
„Waarom rook je toch geen sigaren?”
„Ja”, antwoordde de vloo, „zoo gaat het nu eenmaal in de wereld. Ik kan uw sigaren niet ruiken en gij mijn shagpijpje niet. Dat is wederzijdsche antipathie! Ik zeg er u ook immers niets van, als gij rookt?
„Als ik iemand zie met een sigaar in den mond, denk ik altijd aan een zuigeling met een speen.”
„Zijt gij eindelijk uitgesproken?” vroeg Baxter, „wij hebben wel wat anders te doen! Kijk eens na in het koersboek, hoe de beste aansluiting is naar Cuxhaven.”
„Wilt gij op reis gaan?” vroeg de vloo.
„Ja! En gij met verscheiden andere beambten zult mij vergezellen!”
„Dus naar Duitschland? Wat is daar aan de hand? Moeten wij soms verbieden, dat zij hun vloot uitbreiden?”
„Klets niet! Kijk het koersboek na! Wij moeten ons haasten opdat de schurk ons niet ontsnapt.”
„Een schurk?” vroeg de vloo. „Ik weet niet, dat er in Engeland, de koloniën of ergens anders ter wereld een groote misdaad is gepleegd.”
Hij nam zijn grooten reisgids van zijn schrijftafel, keek dien in en antwoordde:
„De beste verbinding is via Vlissingen en dan verder per spoor.
„De trein vertrekt om zes uur van hier naar de haven.”
„Allright!” antwoordde de inspecteur van politie. „Zeg tegen sergeant Thomson en ook tegen detective Schmidt, dat zij zich hier om 5 uur in het bureau moeten gereed houden voor de reis naar Duitschland.”
„Wilt gij mij niet vertellen, mijnheer de inspecteur, waarom het handelt?”
„Gij hebt alleen te doen wat ik beveel!”
„Ik vraag u ook niet als beambte, heer inspecteur, maar gij weet, dat ik u reeds dikwijls een goeden raad heb gegeven, die u voor allerlei onheil zou hebben behoed, als gij hem hadt opgevolgd en alleen daarom ben ik zoo vrij, deze vraag tot u te richten.”
„Neen”, antwoordde Baxter, „in dit geval heb ik uw raad niet noodig en ik kan mij ook niet herinneren, ooit goeden raad van u te hebben gekregen!
„Ik was altijd heel dom...”
„Dat ben ik met u eens”, lachte de vloo.
„Wat zegt gij?” vroeg Baxter woedend, omdat hij niet wist, waarom de vloo lachte.
„Ik zeg niets!” antwoordde de vloo. „Gij hebt zooeven zelf gezegd, dat ik in uw tegenwoordigheid er geen meening op na mag houden. Beveel slechts en dan zal ik doen, wat gij wenscht. Ik zal nu mijn collega’s berichten, dat zij zich gereed moeten maken.”
Met den zes uurstrein vertrokken de inspecteur van politie Baxter, de vloo, de politiesecretaris Thomson en de detective Von Schmidt naar de haven, maar alleen Baxter wist, met welk doel.
Hij vermeed het, gedurende de geheele reis, meer te spreken dan hoog noodig was.
De vloo, die voor zijn vermaak de eene pijp na de andere rookte, kon het idee niet van zich afzetten, dat Baxter weer op weg was, een groote domheid te begaan.
„Ik ben nieuwsgierig wat deze reis weer te beteekenen heeft!”
Zonder oponthoud reisden zij naar Cuxhaven en daar begaven zij zich onmiddellijk naar de aanlegplaats der stoombooten.
Reeds over een paar uur zou een schip der Middellandsche Zeelijn binnenkomen.
De vloo hoorde dit uit een gesprek tusschen Baxter en een douaneofficier.
„Ik ben werkelijk nieuwsgierig,” fluisterde Marholm tot sergeant Thomson, „wien wij verwachten.”
Intusschen hadden Baxter en zijn beambten zich verzekerd van de hulp van den Hamburgschen commissaris van politie voor de arrestatie.
Deze beambte zorgde voor de hulp van twintig manschappen aan den steiger. Deze waren aangekomen en twaalf van hen hadden zich op de kade opgesteld, toen de boot langzaam, door de loodsen gestuurd, de landingsplaats naderde.