Part 3
„Let op, mannen”, sprak de Hamburger commissaris van politie, „de boot voert in top een vorstelijke vlag. Er is een of andere Hoogheid aan boord.”
Nauwelijks legde de boot aan of de beambten van politie met Baxter aan het hoofd, begaven zich aan boord en de laatste sprak tot den verbaasden kapitein:
„Wijs mij de passagiers, welke gij in de Middellandsche Zee van boord der „Rotterdam” hebt overgenomen.”
Hij moest zijn bevel tweemaal herhalen, want de kapitein vertrouwde zijn ooren niet en keek zeer verbluft.
Eindelijk sprak hij:
„Gij bedoelt toch niet Zijne Hoogheid den vorst Von Plessenheim?”
„Nonsens!” antwoordde Baxter, „ik bedoel een der slimste oplichters, dien wij sinds lange jaren vervolgen, een zekeren John C. Raffles!”
„Mooi, Sir!” sprak de kapitein, die nu over de eerste verbazing heen was, „zoekt hem dan maar!
„Ik heb behalve den vorst en diens adjudant geen passagiers aan boord genomen.”
De passagiers begonnen reeds ongeduldig te worden en begonnen reeds aan wal te gaan.
Zoodoende bleef Baxter niets anders over dan met zijn beambten het schip te verlaten, daar de kapitein geen onderzoek veroorloofde.
Hij nam plaats aan den voet der landingsbrug, welke de stoomboot met den wal verbond, om ieder der passagiers nauwkeurig op te nemen, zoodra hij over de brug aan land ging.
De stewards kwamen het eerst met de handbagage der passagiers, daarop volgden de reizigers zelf.
Bijna het laatst kwam John C. Raffles in klein generaalstenue, dat hij als plaatsvervanger van den vorst Von Plessenheim droeg.
Nauwelijks had Baxter hem opgemerkt, of een gejoel van blijde verrassing maakte zich van hem meester.
Hij herkende zijn vijand, ondanks de schitterende uniform. Zijn hart klopte hoorbaar van vreugde!
Eindelijk had hij John Raffles!
Aan ontsnappen viel niet te denken. De brug was slechts zoo smal, dat twee passagiers er tegelijkertijd naast elkaar op konden loopen en aan het eind stond Baxter met zijn beambten en daarachter de Hamburger politiecommissaris met twaalf agenten.
„Aha!” riep Baxter zacht tot Marholm, „ook zijn trouwe vriend en helper, de beruchte Brand! Dat is een goede vangst!”
„Bega geen dwaasheden!” fluisterde de vloo terug.
„Ik waarschuw u! Wie weet, of het inderdaad John C. Raffles is?”
„Vergissing is onmogelijk!” sprak Baxter. „Hij is het—hij is het! En nu zal ik hem gevangen nemen!”
De groote onbekende was langzaam de landingsbrug afgekomen en stond nu op een armlengte verwijderd van den inspecteur van politie.
„In naam der wet, John C. Raffles, verklaar ik u voor gevangen!” sprak Baxter, den heer in generaalsuniform naderend.
Verbaasd keek de commissaris van politie naar zijn Engelschen collega. Hij wist niet, wat hij van het geval moest denken.
Daar klonk helder en duidelijk van de landingsbrug, als een Pruisisch commando, de stem van Raffles:
„Wachtmeester, arresteer dezen man! Hij waagt het, mij te beleedigen!” (Zie het titelblad.)
Handig sprongen de commissaris en agenten naderbij. Nog voordat Baxter een woord verder kon spreken, voelde hij zware handen op zijn schouders, werd hij van de brug weggetrokken en hoorde hij den commissaris van politie zeggen:
„Gij hebt den vorst zwaar beleedigd, ik verklaar u voor gevangen!”
Snel boog zich een der beambten over hem heen en deed hem boeien aan.
„Laat mij los!” riep Baxter en hij trachtte te vergeefs zich uit de vuisten der agenten los te werken.
Maar deze waren gewend, dat, wat zij vastpakten, niet weer los te laten, behalve wanneer een hunner meerderen het beval.
Hun chef echter stond in militaire houding tegenover den vorst Von Plessenheim.
„Commissaris!” sprak de vorst, „het is een ongehoorde brutaliteit mij, die generaalsuniform draagt en die dus niet verwisseld kan worden met een persoon in civiel, te willen arresteeren.”
De commissaris verontschuldigde zich en na een toestemmende handbeweging van den vorst commandeerde hij zijn manschappen:
„Brengt den man weg!”
„Hij is het! Hij is het! Het is John Raffles!” schreeuwde de wanhopige Baxter, terwijl hij een laatste poging deed om zich los te rukken.
Maar te vergeefs.
„Als je niet dadelijk stil bent, dan sla ik je met mijn vuist in het gezicht, zoodat je je tanden wel uit kunt spuwen. Wij maken hier in Hamburg weinig complimenten,” dreigde een der agenten en een andere riep:
„Je moogt blij zijn, dat je er zoo gemakkelijk afkomt! Ge schijnt niet te weten, dat, als een particulier zijn hand opheft tegen een officier, deze hem aan zijn sabel mag steken, zoodat hij daaraan spartelt als een kever aan een speld. Ik geloof, dat je dronken bent!”
Zij brachten Baxter naar de wacht, terwijl de vloo met zijn collega’s stond te praten.
„Jongens,” sprak hij, „dat is de mooiste grap, die ik ooit heb beleefd.
„Daar heeft onze inspecteur zich weer eens terdege de vingers gebrand.
„Goddam, als de Londenaren dat gewaar worden, lachen zij zich half dood! Het was een schitterend tooneeltje, toen Baxter door de politieagenten in hechtenis werd genomen— — — —
„Ik had groote moeite om mijn lachen te verbergen.
„Let eens op, dat wordt een amusant zaakje! Ik verzeker u, wat alle kranten te zamen niet kunnen klaarspelen, oorlog uit te lokken tusschen Engeland en Duitschland, dat zal onzen Baxter in zijn domheid nog wel gelukken.
„Wel mijn hemel! Dat is een ontzettende misslag, een vorst in generaalsuniform aan te zien voor John C. Raffles!”
„Nu,” sprak sergeant Thomson, „de vorst leek vervloekt veel op John Raffles!”
„Dat is waar,” antwoordde de vloo, „maar wanneer hier in Duitschland iemand een uniform draagt, al is hij de grootste schurk, dan is hij onder dat kleed veiliger dan achter de gepantserde wanden van een dreadnought.
„Hier moet men altijd tegenover de uniformen staan met de pinken op de naden van den broek!
„Dat is immers het ideaal van Baxter, dat hij ook bij ons in Scotland Yard wil invoeren.—
„En nu ben ik werkelijk zeer nieuwsgierig, of dat John C. Raffles dan wel inderdaad de vorst Von Plessenheim is.”
Zij gingen naar het station en keken naar het vertrek van den sneltrein.
Zij zagen, dat voor den vorst Von Plessenheim een extra wagon werd aangehaakt en dat de stationschef en diens beambten in groot tenue hem de noodige eer bewezen.
Tot den volgenden dag moesten zij op de invrijheidstelling van hun chef wachten.
Meterlange telegrammen werden eerst gewisseld tusschen Hamburg, Cuxhaven en Londen.
Toen Baxter eindelijk des avonds om 6 uur werd vrijgelaten, vloekte hij:
„Als gij weer grijnst, Marholm, dan sla ik u, zoo waarachtig als ik Baxter heet, de ribben stuk!”
„Wie grijnst er?” vroeg de vloo. „Gij schijnt hallucinaties te hebben; ik vind, dat de zaak meer om te huilen is!
„Den vorst Von Plessenheim verwisselt gij met Raffles en mijn doodbiddersgezicht met grijnzen.”
„Gij schijnt er bijzonder veel pleizier over gehad te hebben, nietwaar?” vervolgde Baxter. „Ik ken u immers.”
„Daarin vergist ge u weer,” sprak de vloo. „Vraag mijn collega’s. Dat is werkelijk geen pleizier, wat wij sinds gisteren hebben doorgemaakt. Ik ben er ziek van geweest.—Vooral, omdat ik bijna in mijn lachen was gestikt!”
Deze laatste woorden sprak Marholm echter niet luid.
„Maar dit zeg ik u, lieden,” snoefde Baxter, „ondanks mijn ellendigen toestand heb ik daar in de gevangenis veel geleerd.
„Daar mag niemand tot zijn superieur spreken zonder de hakken tegen elkaar te slaan en de pink op den naad van den broek te doen. Hij mag verder niets anders zeggen dan: „Tot uw dienst, ja!” of: „Tot uw dienst, neen!”
„Ik zal een nieuw reglement voor Scotland Yard in elkaar zetten en zal jelui drillen, dat geheel Londen er pleizier van zal hebben.—
„Alleen het eten is vervloekt slecht in de gevangenis.
„Ik heb een reuzenhonger,” voegde hij er aan toe.
Hij ging met Marholm naar een restaurant en at als een slootgraver.
Daarop sprak hij, nadat hij zich verzadigd had:
„Zoo goed heeft het mij in mijn geheele leven nog niet gesmaakt.”
Na het diner maakten zij een wandeling en begaven zich daarop naar hun hotel.
„Ik ben op een prachtig idee gekomen,” sprak Baxter plotseling.
„Nu, nu,” bromde Marholm, „houd uw prachtige invallen liever voor u.”
Baxter’s oogen rolden woest.
„Wilt ge mij alweer tergen, Marholm? Als ik zeg, dat ik een prachtig idee heb, dan is dat zoo. Morgen zullen wij met den vroegtrein naar Bücklingsburg reizen. Daar zal ik mij er van overtuigen, of dat Raffles dan wel de vorst Von Plessenheim was.
„Als het werkelijk de vorst was, dan zweer ik, dat ik mijn ontslag indien.
„Maar ik durf er mijn hoofd op verwedden, dat de commissaris te Hamburg een vriend is van Raffles.”
„Wel,” sprak de vloo, „dat vind ik niet erg voor de hand liggen. Gij schijnt grooten lust te hebben u nog meer te blameeren.”
„Wat?” riep Baxter uit, „wat zegt gij daar? Ik zou mij geblameerd hebben? Mijnheer! Gij schijnt niet te weten, met wien gij spreekt. Ik blameer mij in het geheel niet! Ik ben in dienst en— — — —”
Hij hijgde naar adem, omdat hij verder geen woorden kon vinden. Daarop vervolgde hij, zonder zijn zin te kunnen eindigen:
„Maar in Bücklingsburg zal ik alles te weten komen. Gij kunt morgenochtend per boot naar Engeland terugkeeren. Uw collega’s kunt gij meenemen, ik zal de verdere reis alleen maken.”
„Goddank!” zuchtte de vloo.
„Wat bedoelt gij?” riep Baxter, „beweerdet gij nog iets? Voortaan hebt gij mij alleen te antwoorden: Tot uw dienst, ja! Tot uw dienst, neen! Begrepen?”
„Dat kan vermakelijk worden,” lachte de vloo, „ik geloof niet, dat de Lord-mayor met deze nieuwe schikking genoegen zal nemen.”
„Ik vind mij zelf precies een hoofdfiguur uit een operette”, sprak Raffles, even voordat de trein, die hem naar de hoofdstad Bücklingsburg bracht, het station binnenliep.
„Ja”, antwoordde Charly Brand, „het gaat zeer komiek toe in de wereld en vooral de dingen, die met jou gebeuren, hebben in de meeste gevallen een zeer vermakelijk tintje.”
„Pas nu eens op, mijn lieve jongen”, vervolgde Raffles, „nu zal je de menschen in al hun kleinheid leeren kennen!
„Voortaan zal je niets dan gebogen ruggen te zien krijgen.
„Aan de eene zijde gebogen ruggen van mannen, die wel zooveel karakter bezitten, dat zij zich over hun gebukte houding schamen en aan den anderen kant kromme ruggen van hen, wier hersenen totaal verstompt zijn.
„Zulke lieden, mijn beste Charly, vormen het grootste gedeelte van hen, met wie wij te doen zullen krijgen.
„Ik zeg je, Charly, het slechtste gepeupel, dat je in het Oosten van Whitechapel en in de Berlijnsche achterbuurten kunt ontdekken, heeft nog meer menschelijk gevoel dan deze lieden.
„Well, daar zijn wij in Bücklingsburg!”
Hij begaf zich naar het open venster en keek naar het perron waar een eere-wacht en een muziekkorps waren opgesteld.
De geweren werden gepresenteerd, terwijl de muziek het volkslied aanhief.
Adjudanten en hofdienaren snelden als door elkaar krioelende mieren naar het salonrijtuig en nu moest Raffles al zijn verstand, voorzichtigheid en koelbloedigheid aanwenden, om de hem omringende beambten niet met elkaar te verwisselen.
Het eerst kwam de hofmaarschalk zijn coupé binnen.
Hij geleek op een dikken kikker, die de oogen verdraait en met keelgeluid zijn kwak, kwak roept.
Daar hij kortademig was moest hij telkens zijn zin afbreken, voordat hij verder kon spreken.
Met een diepe buiging kwam hij nader en sprak:
„Ik ben gelukkig— — — —Uwe Hoogheid, innig gelukkig ben ik— — —Uwe Hoogheid weer in Zijn schoon land te kunnen begroeten.”
„Ik ben zeer vermoeid”, antwoordde Raffles met een genadig knikje, „de reis heeft mij aangegrepen. Ik hoop niet dat er veel formaliteiten voor de ontvangst zijn mee te maken.”
„Slechts de allerkleinste. Wil Uwe Hoogheid zoo vriendelijk zijn, de eerewacht te inspecteeren?”
„Natuurlijk”, antwoordde Raffles. „De plichten, welke wij moeten vervullen, zijn helaas niet te vermijden.”
Hij volgde den hofmaarschalk, liep door een haag van dienstdoende hofbeambten, de muziek zette sterker in, de officier van de eerewacht riep met donderende stem:
„Geeft acht! Presenteert het geweer!— — —”
Met een hoorbaren ruk vlogen de hoofden der brave grenadiers naar links en met een enkele beweging ploften de geweren loodrecht voor het lichaam neer.
John Raffles liep vriendelijk groetend, de hand aan zijn uniformpet, langs de mannen heen om daarop, door den hofmaarschalk geleid, in het achter het station staande hofrijtuig plaats te nemen.
De hofmaarschalk was op een uitnoodigende handbeweging van hem mee in het rijtuig gaan zitten en, verblijd over deze onderscheiding, aan deze zijde van zijn vorst te zitten, en zich zoo aan het publiek te mogen vertoonen, keek hij om zich heen als een pauw.
„Nu, wat is er voor nieuws?” vroeg Raffles gedurende den rit.
De hofmaarschalk snakte naar lucht, en terwijl Raffles onophoudelijk de hand aan zijn hoofddeksel hield en voorbijgangers groette, begon hij te vertellen:
„Hare Hoogheid de vorstin is sedert eenige dagen ongesteld, daar Hare Hoogheid op eene wandeling een lichte verkoudheid heeft opgeloopen.— — —
„Hare Hoogheid zal daardoor verhinderd zijn Zijne Hoogheid te kunnen ontvangen.
„Dan heb ik, hoewel Hare Hoogheid— — —het niet wenschte— — — —de kleine barones Brenkenhaus in den hofdienst aangesteld.”
„Brenkenhaus?” herhaalde Raffles.
„Jawel, Hoogheid.— — —Uwe Hoogheid herinnert zich misschien, indertijd bij het bezoek op slot Brenkenhaus te hebben gezegd, dat de kleine barones zeer in uw smaak viel, en daarom meende ik— — —mij de genade van Uwe Hoogheid te verzekeren— —als ik de kleine barones aan het hof bracht.
„Hare Hoogheid de vorstin is hierover niet zeer gesticht!”
„Dat begrijp ik”, lachte Raffles, en de hofmaarschalk stemde onmiddellijk, zooals dat was voorgeschreven, met lachen in.
„Verder hebben burgemeester en wethouders verzocht— — —nog heden bij Uwe Hoogheid te worden ontvangen, opdat zij de wenschen van Uwe Hoogheid betreffende de feestelijkheden ter ontvangst van Zijne Majesteit den Keizer van Siam vernemen.”
„Ja, ja, zeer juist”, antwoordde Raffles, „de menschen kunnen vanavond komen.”
„Vanavond?” herhaalde de hofmaarschalk, en hij vervolgde: „Ik vraag excuus, Uwe Hoogheid.— — —Ik had vanavond— — —voor de officieren van het garnizoen en de hoogere ambtenaren van het hof een klein souper vastgesteld.— — —Maar, als Uwe Hoogheid het beveelt, dan kan er om zes uur thee worden geserveerd!”
„Zorg voor de thee! Het zou mij overigens zeer aangenaam zijn”, ging Raffles voort, „als ik bij de ontvangst van den burgemeester ook eens eenige andere stemmen van burgers mijner hoofdstad kon vernemen. En niet alleen van mannen, ook van vrouwen.
„Noodig beslist voor hedenavond honderd burgers van verschillende standen met hunne vrouwen uit in het slot te komen en laat al het andere aan mij over.”
Als door een bliksemstraal getroffen, zoo verschrikt keek de hofmaarschalk op, toen hij dit bevel van zijn vorst vernam, om honderd burgers uit te noodigen.
„Pardon, Uwe Hoogheid— — —” begon hij, „adellijke of burgerlijke— — —”
Raffles trok de wenkbrauwen samen, bij welk teeken van misnoegen de hofmaarschalk als een mishandeld insect in een hoek van het rijtuig wegkroop.
„Ik bedoel burgerlijke! Hebt gij mij niet begrepen?” sprak hij scherper dan te voren.
„Jawel, Uwe Hoogheid!”
„En weliswaar”, ging Raffles door, „niet de heeren pastoors, leeraren, post- en politie-ambtenaren, maar ik wensch de heel eenvoudige burgerij, kleermakers en schoenmakers, bij mij te zien.”
De mond van den hofmaarschalk ging machinaal eenige keeren open en dicht. Hij snakte naar lucht.
Doch in plaats van te spreken, stamelde hij slechts:
„Hoog— — —Hoog— — —Hoog— — —”
„Wel”, zei Raffles, „wat zit u toch zoo hoog? Voor den dag er mee!”
„Uwe Hoogheid houdt van een grapje!” lachte de hofmaarschalk vleiend. Daarna wierp hij een scherpen blik op Charly Brand, die op de achterbank van het rijtuig zat, en zich tot Raffles wendend, sprak hij:
„Uwe Hoogheid vergeve mij, dat ik u met een vraag kom lastig vallen. Zou ik den naam en den stand van uwen begeleider mogen weten, opdat ik en de overige beambten der hofhouding Uwen begeleider overeenkomstig rang en stand kunnen aanspreken.”
„Zeker”, antwoordde Raffles, „deze meneer is baron Von Brand en zal mij voorloopig persoonlijke diensten bewijzen. Hij is mijn reisgezel.”
De hofmaarschalk maakte een diepe buiging voor Charly.
Juist op dit oogenblik reed het rijtuig het slotplein op. De paarden stonden door een ruk aan den teugel opeens stil.
De hofmaarschalk sprong er uit, boog opnieuw, zette zijn hoed af, en langs een nieuwe haag van roode uniformen wandelde Raffles over de purperen looper naar het slot van den vorst Von Plessenheim.
Hij hield zich, om geen fouten te begaan, geheel aan de voorschriften van zijn vorstelijken vriend. Hij deed niets, dat hem niet door den hofmaarschalk werd voorgeschreven.
Aldus wekte het bij niemand achterdocht, dat Raffles, hoewel hij de vertrekken niet kende, zich onder leiding van den hofmaarschalk, die met alles vertrouwd was, naar de vorstelijke vertrekken begaf, waar hij zich door de kamerdienaren liet bedienen.
Een half uur later zat hij in de werkkamer op een met een tijgervel overdekte chaise-longue uit te rusten van de vermoeienissen der reis.
Terwijl Raffles sliep, was de hofmaarschalk naar de kanselarij gegaan om met de aanwezige hofdignitarissen een gewichtige conferentie te houden.
Hier was uit het kruipend insect, uit den opgeblazen kikvorsch een geweldige, forsche natuur gegroeid.
„Mijne heeren”, begon hij, toen allen bijeen waren. „Het is de wensch van Zijne Hoogheid, de burgers van zijn land te leeren kennen.
„Zijne Hoogheid heeft deze wijze van ontvangst aan het hof van den Koning van Engeland leeren kennen, en wenscht die hier in te voeren.
„Zend door middel van boden invitaties aan honderd personen in de stad, en weliswaar aan eenvoudige lieden, ambachtslui en wat daartoe behoort.
„De ontvangst heeft plaats om 6 uur. De uitgenoodigde gasten moeten om 5 uur in de kleine groene zaal bijeenkomen, waar ik zelf de noodige aanwijzingen zal meedeelen.”
De hovelingen stonden verbaasd.
Zoolang zij in dienst waren, was hun zooiets niet overkomen.
Doch de wensch van den vorst was bevel; dus begaven zij zich weer naar hun secretarissen en deelden dezen de opdracht van den Vorst ter verdere uitvoering mee.
Deze beambten stelden zich daarna in verbinding met de politieoverheid om de namen en adressen te vragen van menschen, die waardig waren door den Vorst van het land te worden ontvangen.
De politie doorsnuffelde onmiddellijk met grooten ijver de boeken van den burgerlijken stand en er werd speciaal op gelet, dat de in aanmerking komenden vóór alles militair waren geweest en nimmer eenige straf hadden ondergaan.
Na een uur lang hard gewerkt te hebben, hadden zij de namen bij elkaar en een half uur later verschenen de hoflakeien met de uitnoodigingsbrieven in de huizen der uitverkorenen.
Als een loopend vuurtje verspreidde zich het bericht, van den vreemden wensch des vorsten door de Residentie.
Tegen 5 uur in den namiddag begaven de uitgenoodigden zich met hoorbare hartkloppingen en het gevoel of zij ter dood gebracht moesten worden naar het slot.
De meeste van hen waren liever thuisgebleven dan zich door de genadige zonnestralen van den Vorst te laten beschijnen.
Ja, eenige hadden zelfs den moed, dicht bij het paleis met hun vrouwen, want deze waren, zooals het bevel luidde, meegegaan, terug te keeren.
Maar de voor de veiligheid zorgende politiebeambten beletten hun dit en brachten hen met zachte vermaningen op den goeden weg terug.
Toen de hofmaarschalk de groene zaal binnentrad, waar de uitgenoodigden bijeen waren, had hij het gevoel, zich tegenover een kudde schapen te bevinden.— — —
De gasten durfden nauwelijks ademhalen, toen de hofmaarschalk met zijn van goud overladen uniform voor hen trad. Zij keken schuw naar den vloer en zouden het liefst, evenals de struisvogels, hun hoofd verborgen hebben gehouden.
De hofmaarschalk nam een lijst op, waarop de namen der uitgenoodigden stonden genoteerd en begon voor te lezen, waarop iedereen met een duidelijk „hier!” moest antwoorden.
„Slotenmaker Ernst?”
„Hier!” antwoordde de diepe stem van bedoeld persoon.
„De echtgenoote van Slotenmaker Ernst?”
„Ook hier,” sprak met een hoofdbuiging en een piepstem de broodmagere schoone.
„Kleermaker Vos?”
Een stilzwijgen volgde. De man was niet verschenen.
De hofmaarschalk fronste de wenkbrauwen en vernam, dat de kleermaker ziek was.
„Noteer dit feit!” sprak hij tot den hem assisteerenden secretaris.
„Daar kan men weer zien, hoe slordig onze politie werkt! Dat hadden zij mij toch moeten meedeelen!...
„Inplaats daarvan...... Het is niet te gelooven! Wij zullen morgen een bericht— — —aan den inspecteur van politie zenden.”— —
En zoo ging het voort; eindelijk gaf hij den secretaris de lijst en sprak tot de verzamelde menigte:
„Luistert nu eens oplettend naar mij.
„Gij moet, wanneer Zijne Hoogheid, de Vorst, binnenkomt, een diepe buiging maken.
„Gij moet, als Zijne Hoogheid u aanspreekt, altijd zeer kort antwoorden. „Jawel uwe Hoogheid”, of: „neen, uwe Hoogheid!”— — —
„Gij moet meelachen, als de Vorst lacht!
„Gij moet, als hij ernstig kijkt, eveneens een ernstig gezicht zetten.
„Kort en goed—gij moet in alles den Vorst volgen, nauwkeurig volgen.
„Hebt gij dat begrepen?”
„Ja!” weerklonk het.
„Gij moet ook later, als er thee en broodjes worden rondgediend, met handschoenen iets nemen. Begrepen?”
„Jawel!” klonk het weer in koor.
Nu verliet de hofmaarschalk het gezelschap, om den Vorst te berichten, dat de uitgenoodigde gasten waren bijeengekomen.
Gedurende zijn afwezigheid kwamen de burgemeester, de wethouders en andere autoriteiten eveneens in de groene zaal en keken met opgetrokken neuzen naar de gewone burgers, die zich daar bevonden.
Terwijl zij zacht fluisterend met elkaar spraken en hun opmerkingen maakten over het vreemde gedrag van den Vorst, klonk plotseling achter de vleugeldeuren het driemaal herhaalde kloppen van den hofmaarschalk, ten teeken, dat de Vorst naderde.
Nu openden eenige bedienden de deur en Raffles, de vorst Von Plessenheim, naderde zijn onderdanen.
Als op commando bogen alle aanwezigen voor hem.— — —
Toen zij zich weer oprichtten, keken zij in zijn lachende oogen en onmiddellijk verscheen op aller gelaat eveneens een glimlach.
De burgemeester begon nu een goed ingestudeerde rede voor Raffles af te steken, waarin hij zijn vreugde te kennen gaf, den Vorst weer in zijn Residentiestad terug te zien.
Daarop begaf de hooge persoon zich naar de genoodigden en begon zich met hen te onderhouden over hun particuliere omstandigheden.
Daar hoorde hij veel, waarvan anders een Vorst weinig verneemt.
Vooral de vrouwen, die haar schroom voor den Vorst sneller overwonnen dan de mannen, begonnen over de moeilijke levensomstandigheden, de drukkende belastingen en de hooge prijzen van alle levensmiddelen te vertellen of wel zij klaagden hem vrijmoedig over het ongeluk, dat dezen of genen had getroffen.
Raffles, die door twee secretarissen was vergezeld, gaf dezen korte bevelen omtrent datgene, wat zij moesten noteeren.
Daarop begaf Raffles zich naar de roode zaal, waar lange tafels met gebak en vruchten waren gereedgezet.
Hij wachtte bij de hofdames en hooger geplaatste hovelingen en ook Charly Brand.
Naast zijn secretaris liep een mooie kleine blondine, waarover men aan het hof veel fluisterde, daar zij zich absoluut niet in de hofetikette kon schikken.
Het was de kleine barones Von Brenkenhaus.
Het hofgezelschap dacht te zullen sterven van schrik, toen zij zonder eenige plichtplegingen naar Raffles toetrad, hem de hand toestak en zei:
„Goeden dag, Uwe Hoogheid!
„Dank, dat gij eindelijk weer terug zijt! Gij hebt mij indertijd verteld, dat het hier bij u zoo vroolijk en amusant was, maar ik moet u eerlijk bekennen, dat ik mij nog nooit in mijn leven zoo heb verveeld als hier.”
„O! Dat doet mij leed!” antwoordde Raffles. „Dat spijt mij inderdaad!” en de groote onbekende lachte hartelijk over de naïeveteit van het blondje.
Op zijn lachen volgde een donderende echo.
De gasten, die vol spanning naar hun Vorst keken, begonnen volgens het bevel van den hofmaarschalk eveneens luid te lachen.
Raffles keek verbaasd om zich heen.
„Nu, nu,” sprak hij tot den dichtbij hem staanden man. „Waarom lacht ge zoo?”
„Ja,” sprak deze, „dat weet ik zelf niet, maar mijnheer de hofmaarschalk heeft bevolen dat wij moesten lachen, als Uwe Hoogheid lacht, dus......”
„Dat is ongelooflijk,” mompelde de Vorst hoofdschuddend.
„Ga als ’t u belieft rustig zitten, drink thee en eet gebak.”
Onmiddellijk namen de uitgenoodigden plaats en weer waren het de vrouwen, die het eerst haar angst overwonnen en, nadat zij het kostbare porselein en zilver hadden bewonderd, van de thee en het gebak gebruikten.