Part 5
Op dit oogenblik kwam de directeur van het hotel binnen, om Baxter te verzoeken, het hotel te verlaten, daar het lawaai reeds de aandacht der andere gasten had getrokken.
„Mijnheer de directeur”, riep de vorst, „zeg mij als ’t u belieft, wat deze lieden willen. Ik heb het gevoel alsof ik onder een bende krankzinnigen ben terecht gekomen.”
„No, Sir”, antwoordde de directeur, „dat is niet het geval, maar dit is inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard met zijn beambten.”
„Ik dank u”, antwoordde de vorst.
„Spaar uw woorden toch!” riep Baxter den directeur toe, „die man houdt u voor den gek. Hij weet best, wie ik ben.”
„En deel mij nu mede”, vervolgde de vorst, „waarom gij mij behandelt als een gevaarlijk misdadiger.
„Misschien omdat ik tijdelijk hier woon? Ik denk toch, dat in Engeland iedereen zich mag noemen zooals hij wil.”
„Aha!” riep Baxter, „hij bekent al, dat hij onder een aangenomen naam leeft!”
„Ik heb niets te bekennen!” klonk het antwoord. „Mijn naam gaat u niets aan!
„Maar deze behandeling tegen mijn persoon zal voor u de onaangenaamste gevolgen hebben.
„Opdat gij weet, met wien gij te doen hebt, zeg ik u:
„Ik ben de vorst van Plessenheim!”
De inspecteur van politie barstte in een luiden schaterlach uit.
„Dat is een prachtige mop, die gij daar vertelt, maar men mag mij morgen ophangen, als gij de vorst van Plessenheim zijt!
„Vooruit, mannen! Pakt hem beet en brengt hem naar Scotland Yard en neemt zijn liefje maar meteen mee!”
Geen woorden of bedreigingen hielpen den vorst en op wreede wijze kwam er een eind aan zijn huwelijksreis.
Al zijn papieren had hij ter beschikking gesteld van Raffles; hij wist werkelijk niet, hoe hij zich uit dezen toestand zou redden.
Den volgenden morgen verkondigden de kranten met vette letters het volgende nieuws:
John C. Raffles eindelijk gepakt!
John C. Raffles in een hotel onder den naam Muller gearresteerd!
Zijn geliefde, een vroegere actrice, eveneens gevangen genomen!
Baxter was de held van den dag. De gezamenlijke detectives van Scotland Yard brachten hun chef als bewijs hunner vereering een lauwerkrans en Baxter was in den zevenden hemel.
Het was tegen den avond van den volgenden dag, toen John C. Raffles den Engelschen bodem betrad en de eerste couranten kocht aan de haven.
„Vervloekt?” sprak hij tot Charly Brand, toen zij in de coupé zaten, „het was hoog tijd, dat ik in Londen terug kwam.
„Hier lees ik in de krant, dat men den vorst Von Plessenheim in plaats van mijne persoon gevangen heeft genomen. Dat kan Baxter duur te staan komen.”
Nauwelijks was hij in Londen aangekomen of hij spoedde zich naar het dichtstbijgelegen telegraafkantoor en verzond het volgende telegram aan den hofmaarschalk:
„Ik ben naar Londen gereisd en hier ten gevolge van een persoonsverwisseling in hechtenis genomen.
Neem onmiddellijk per telegraaf maatregelen via Duitschen gezant en beklaag u bij de Engelsche regeering. Ik verlang algeheele satisfactie. Om het u gemakkelijker te maken, deel ik u mede, dat ik incognito in het hotel woonde onder den naam van Otto Muller.
Laat geen minuut verloren gaan, treed onmiddellijk handelend op.
Ik laat dit telegram door mijn reisgezel afgeven.
VON PLESSENHEIM.”
„Ziezoo,” sprak Raffles, „als Baxter zich er ooit leelijk heeft ingedraaid, dan is het zeker dezen keer.”
Den volgenden morgen nam Baxter zijn gevangene het eerste verhoor af.
Een geheele rij van de voornaamste juristen uit Engeland, rechters en advocaten, waren hiervoor samengekomen en zelfs de Lord-mayor was uit nieuwsgierigheid verschenen.
Om van zijn triomf ten volle te genieten, had Baxter zelfs den gehaten journalisten toegang verstrekt.
Vol belangstelling keken alle aanwezigen naar den gevangene, die bewaakt werd door zes tot de tanden gewapende agenten van politie en verwonderden zich over de trotsche, zelfbewuste houding, welke hij bleef aannemen.
„Het is jammer van den kerel,” fluisterden de journalisten tegen elkaar. „Hij ziet er uit als een geboren vorst.”
Met een verachtelijk glimlachje luisterde beklaagde naar de eindelooze acte van beschuldiging, welke Baxter voorlas.
Bijna twee uur lang duurde dit en aan het slot vroeg Baxter:
„Bekent gij, de u ten laste gelegde misdaden, te hebben gepleegd?”
„Gij zijt stapelgek!” antwoordde de gevangene. „Gij zijt zóó volslagen krankzinnig, dat ik voor u een speciale cel in mijn krankzinnigengesticht zou laten bouwen, als ik u in mijn residentie had.”
Baxters gelaat werd purperrood, terwijl de vloo zich op de lippen beet en de journalisten elkaar glimlachend aanstieten.
„Een ongehoorde brutaliteit,” mompelden echter de juristen en Baxter sprak:
„Jammer, dat bij ons de lijfstraffen zijn afgeschaft, anders zou ik deze beleediging van mijn persoon weten te wreken.”
„Prettig, als gij mij eens komt bezoeken!” lachte de vorst.
„Zwijg!” schreeuwde Baxter. „Mij kunt gij niet bedriegen! Ik kom regelrecht uit uw vorstendom.
„Ik heb een paar dagen geleden nog met den vorst van Plessenheim gesproken.”
„Dat kan wel zijn,” antwoordde de gevangene, terwijl een lachje om zijn lippen speelde.
„Maar wat gij vertelt, komt toch niet uit!”
„Wij zullen daar niet over twisten,” riep Baxter, „bekent gij nu eindelijk, dat gij John C. Raffles zijt?”
„Ik herhaal u nog eenmaal,” antwoordde de vorst, „dat gij stapelgek zijt! Ik ken uw John C. Raffles alleen uit de kranten en wil u en al dezen heeren gaarne bekennen, dat ik mij dikwijls kostelijk om hem heb geamuseerd.”
„Gij bekent dus niet,” riep Baxter tandeknarsend van woede terwijl de aderen op zijn voorhoofd als koorden waren opgezwollen.
De vorst antwoordde met een schouderophalen en keek hem vol minachting aan.
„Allright!” riep Baxter uit. „Dan lever ik u over aan den rechter? Breng den gevangene weg!”
Op dit oogenblik werd een deur der zaal geopend en verschillende hooggeplaatste Engelsche ambtenaren en een vertegenwoordiger van het Duitsche gezantschap snelden binnen.
Nauwelijks hadden de binnenkomende heeren den gevangene gezien of zij liepen haastig naar hem toe, maakten diepe buigingen en een der Engelschen, Lord Ruston, adjudant van den koning, beval op scherpen toon den verbluften politie-agenten:
„Neemt onmiddellijk Zijne Hoogheid de boeien af!”
Daarop wendde hij zich tot Baxter, die er als een steenen beeld bijstond en bulderde hem toe:
„Mijnheer, gij zijt de grootste idioot en lomperd, die er ooit in Engeland heeft geleefd. Zijt gij krankzinnig of dronken?
„Om een vorst hier in een dergelijken toestand te brengen!”
Baxter deinsde bij die woorden achteruit, alsof een granaatvuur tegen hem geopend was.
Met beide handen steunde hij zich op de schrijftafel en stamelde:
„Uwe Lordschap—Uwe Lordschap—ik begrijp niet—ik begrijp niet—ik begrijp niet—”
„Gij hebt gelijk,” vervolgde Lord Ruston, „gij begrijpt inderdaad niet.
„Gij verstaat het alleen, om de grootste verwarringen in het leven te roepen. Gij hebt ons een potje gekookt, waaraan wij allen onze vingers en lippen weleens leelijk kunnen branden. Maar de duivel hale u! Ik zal ervoor zorgen, dat gij een voorbeeldige straf krijgt!
„Het zou het beste voor u zijn, dat gij om uw zenuwen weer te kalmeeren, naar een koudwater-inrichting gingt.
„Iedere dokter in Engeland en ieder van ons zal gaarne constateeren, dat gij krankzinnig zijt!”
Baxter, voor wien de geheele kamer in het rond draaide, staarde Lord Ruston aan en stotterde:
„Ja, uw Lordschap, ik geloof werkelijk, dat ik krankzinnig ben!”
„Goed, dat gij het inziet!”
Daarop wendde de Lord zich tot den vorst, die nu ontdaan was van de boeien en begon, in naam der Engelsche regeering, de eene verontschuldiging na de andere te uiten.
De vorst, die zijn goed humeur reeds had teruggekregen, stelde den Lord gerust en noodigde hem en alle aanwezige grootwaardigheidsbekleeders uit voor een diner in zijn hotel.
Eenige minuten later waren Baxter en Marholm alleen gebleven.
De inspecteur had het hoofd in de handen geleund en staarde als een waanzinnige naar den grooten lauwerkrans boven zijn schrijftafel, waarop met gouden letters gedrukt stond:
Aan den nieuwen Sherlock Holmes, den besten detective der 20 eeuw Hun hooggeëerden inspecteur JAMES BAXTER. De beambten van Scotland Yard. Herinnering aan de arrestatie van John C. Raffles op 2 September 1909.
De vloo las eveneens dit opschrift, klopte den inspecteur op den schouder en sprak:
„De 2e September is uw Sedan geworden. Gij zijt de tweede Napoleon III en wel de Engelsche politie-Napoleon.”
Terzelfder tijd boden reeds de krantenjongens in Londen een extra-sensatienummer te koop aan en in Scotland Yard zat nog steeds Baxter naar den lauwerkrans te staren. Hij wist niet, wat hij moest doen.
Plotseling sprong hij op, greep Marholm met beide vuisten beet en schreeuwde:
„Gij zijt een gemeene hond! Wurgen zou ik u wel willen voor deze schandelijke daad!”
„Om ’s hemels wil,” sprak de vloo en snakte naar adem, „wordt geen moordenaar ook nog!”
Baxter beschikte in zijn woede over reuzenkrachten en hij zou inderdaad de arme vloo misschien om het leven hebben gebracht, als op dit oogenblik de deur niet was geopend.
Baxter staarde naar de deur en stamelde:
„Wat wenscht gij, uwe Hoogheid?”
„Ik ben nog even teruggekomen,” antwoordde de binnentredende, „om met u een paar woorden in vertrouwen te spreken:
„Ik zie in, dat gij u in deze zaak ondanks alles correct hebt gedragen en kom derhalve terug om u te verzekeren dat ik u volkomen vertrouw en u deze orde te overhandigen voor uw plichtsbetrachting.”
Baxter staarde, alsof het een hemelwonder was, haar het met briljanten bezette gouden kruis van het vorstendom Plessenheim.
Tevergeefs snakte hij naar lucht, om zijn dank te kunnen uitspreken.
Nog voordat hij een woord had kunnen zeggen, was de bezoeker als een spook verdwenen en de vloo sprak:
„Ik geloof niet, dat zooiets al ooit is voorgekomen.”
Beneden voor de deur stapte John Raffles met Charly Brand in een rijtuig en terwijl dit heenrolde, sprak Lord Lister tot zijn vriend:
„Zoo, mijn beste jongen, nu heb ik voor den laatsten keer voor den vorst Von Plessenheim gespeeld en een pleister gelegd op de wond van Baxter in den vorm van een orde.”
De vloo had het etui, dat op de schrijftafel lag, geopend.
Baxter, die nog steeds naar de orde in zijn hand staarde, werd plotseling door een luiden uitroep van Marholm in zijn verrukking gestoord.
„Alle duivels,” riep de vloo, „gij zijt niet meer alleen krankzinnig, ik ben het ook!”
„Waarom?” vroeg Baxter.
„Daarom!” antwoordde de vloo, hem een kaartje voor den neus houdend.
„Ziet gij, dit vond ik in het etui van de orde.
Hier staat geschreven:
„Mijn lieve Baxter!
Voor trouwe diensten overhandig ik u hierbij mijn ridderorde en blijf ik uw zeer toegenegen
VORST V. PLESSENHEIM.”
En daar”—de vloo keerde het kaartje om—„daar staat geschreven:
„Groeten van John C. Raffles”.
Dat is het allerdolste wat ik ooit heb beleefd! Daar begrijp ik niets van!”
„Ik ook niet!” zuchtte Baxter, „maar ik heb er een orde bij gekregen!”
IN DE WACHTKAMER.
Het was een koude Novemberavond. De wind streek ruw over de straten en huizen. Daarbij begint het zachtjes te sneeuwen.
De schildwacht voor het wachthuisje wikkelt zich dichter in zijn mantel en loopt, met het geweer in den arm, vlug heen en weer om warm te worden.
De gasvlam in haar glazen kastje schijnt het ook koud te hebben, want zij schudt telkens heen en weer en flikkert ongeduldig.
Het overdekte voorplein voor de wachtkamer, waar anders de soldaten hun pijpen rookend op de banken zitten te praten, is leeg.
Alle manschappen zijn in de wachtkamer.
Daar is het om dezen tijd veel behaaglijker, want de gegooten kachel verspreidt veel warmte.
De aflossing der wacht is voorbij.
Nieuwtjes van beteekenis, die in een wachtlokaal opgang kunnen maken, zijn er niet en ook geen enkele arrestant is er gebracht.
De soldaten zoeken hun tijd zoo goed mogelijk te verdrijven.
Bijna allen hebben plaats genomen op de warme kachel, terwijl een van hen nog bovendien voor de kacheldeur op den grond gehurkt ligt om voortdurend het vuur bij te vullen, want er mag geen hout overblijven, de volgende week komt er weer nieuw.
Het gesprek is zeer verdeeld en wordt door de verschillende partijen zoo zacht mogelijk gevoerd, want aan het venster van het kleine tafeltje zit de gestrenge korporaal iets in het wachtboek te schrijven en in deze zeer gewichtige bezigheid laat hij zich niet gaarne storen, wat hij reeds eenige keeren te verstaan heeft gegeven.
Na een klein kwartier is hij echter gelukkig klaar. Het boek wordt dichtgeklapt en met een vloek over die „beroerde schrijverij” weggeschoven.
Daarop strijkt mijnheer de korporaal behaaglijk over zijn rossigen knevel, kijkt met zijn eene oog veelbeteekenend naar een ledige bierkruik, die op het tafeltje staat en met het andere een der soldaten aan.
Deze begrijpt zijn meerdere onmiddellijk en met een sprong staat hij voor dezen, zwijgend diens bevel afwachtend.
Dit wordt eveneens zwijgend gegeven, doordat mijnheer de korporaal uit de diepte van zijn broekzak een klein leeren beursje te voorschijn haalt en daarop met voornaam gebaar een geldstuk op tafel werpt.
Hierop wijst hij met zijn vinger naar de ledige kruik en daarna in de richting waar het bierhuis zich bevindt, waarvan zijn bier gehaald moet worden.
Snel neemt de soldaat de kruik en het geldstuk, zet zijn dienstmuts op en gaat heen.
Mijnheer de korporaal echter neemt met een deftig gebaar zijn tabakspijp, die in de vensterbank staat en die hij zorgvuldig met „Porto-kazerno” vult.
Nauwelijks is dit geschied, of een ijverig krijgsman houdt een brandenden lucifer zoo lang boven de pijp van zijn superieur, tot deze, als een locomotief, dikke wolken uitblazend, met een genadige handbeweging te verstaan geeft: „Het is goed, mijn waarde!”
Op hetzelfde oogenblik wordt ook de goedgevulde bierkruik voor den dorstigen chef neergezet, op wiens gelaat zich plotseling een uitdrukking van tevredenheid vertoont, die nog verhoogd wordt door een flinken teug uit de bierkruik.
Daarna leunt mijnheer de korporaal in zijn stoel achterover, legt zijn linkerbeen over het rechter en verzinkt in aangename gedachten.
Dit is het gewichtige oogenblik, waarop de manschappen reeds lang hebben gewacht.
Het gesprek wordt steeds vrijer en levendiger. Men vertelt elkaar met luide stem allerlei geschiedenissen, lacht, speelt met de vieze kaarten en vloekt er bij.
Schnapper en Barthelmes echter, twee onrustige jongelui, amuseeren zich met iets anders, waarover de anderen eveneens pret hebben. Zij plagen elkaar wederkeerig.
„Nu, Barthelmes,” zegt Schnapper met een spotlachje, terwijl zijn breede mond zich tot aan de ooren uitrekt.
„Nu, hoe is onlangs die familie-aangelegenheid bij je thuis met dat varkensvleesch afgeloopen?”
Allen spitsten de ooren bij die woorden en zien Barthelmes aan, die rood wordt van ergernis.
„Waarom? Wat gaat het jou aan?” vraagt hij kortaf. „Jij hebt als je thuis komt, geen varkensvleesch in je zuurkool!”
„Wat is er met dat varkensvleesch gebeurd?” vragen de anderen nieuwsgierig.
„Och, wat zal er gebeurd zijn?” lacht Schnapper boosaardig. „Onlangs heeft Barthelmes bij zijn kapitein om verlof gevraagd voor een dringende familie-aangelegenheid.—Wat is dat voor een familie-aangelegenheid? vroeg de kapitein.—Mijnheer de kapitein, zei Barthelmes, mijn familie thuis slacht elk jaar een varken en dan krijg ik altijd een stuk vleesch gestuurd—Je zult verlof hebben voor je varkensvleesch, heeft de kapitein lachend geantwoord, maar kom niet te laat terug!
„Heel goed, kapitein, heeft Barthelmes geantwoord, maar hij is juist te laat teruggekomen.—Twee dagen arrest! heeft de kapitein bevolen. Hé, oudje, aan dat vleesch in je zuurkool denk je zeker nog lang?”
Een hartelijk lachen klinkt door de kamer.
Barthelmes wordt purperrood in het gelaat. Men kan aan hem zien, dat hij van plan is, met gelijke munt te betalen.
Alles is doodstil om goed te kunnen hooren, hoe nu Barthelmes Schnapper op zijn kop zal geven.
„Ja, dat is zoo,” antwoordt Barthelmes, met een kwaadaardig lachje Schnapper aankijkend, die van vreugde over zijn eigen geestigheid zijn mond spitst als een karper; „ja, dat is wel waar,” vervolgt hij glimlachend, „jij kunt je wel amuseeren ten koste van een ander, want je kwade tong is nog voor langen tijd gesmeerd door het heerlijke, welriekende brood bij luitenant Von Silberstein!”—„Houdt je grooten mond!” valt Schnapper hem in de rede, „die geschiedenis is totaal gelogen!”—„Zoo, gelogen? Ei, wat je zegt!” spot Barthelmes, die heel zeker van zijn zaak schijnt te zijn, „die boter riekt nog uit je mond en bovendien heeft Johan van den luitenant het mij verteld en die liegt nooit, dat zou zijn heer niet dulden!”—„Voor den dag met die botergeschiedenis!” riepen verscheiden ongeduldige stemmen, „vertel maar Barthelmes, Schnapper met zijn lange tong komt wel eens iets toe.”
Schnapper zegt niets meer, maar hij kijkt Barthelmes aan als een nijdige hond.
„Dus,” begint de andere, „het kan ongeveer een half jaar geleden zijn, kort voordat de luitenant verplaatst werd en Schnapper was nog een groene rekruut. Daar komt op een keer Johan van den luitenant in de kamer en zegt tegen Schnapper, die een landgenoot van hem is:
„Kom, help mij mijn meester kleeden, hij moet vanavond naar het hofbal, ik kom er alleen niet mee klaar en ik zou het niet prettig vinden als mijn heer door mijn schuld een uitbrander kreeg van den koning, omdat hij er niet correct uitziet.”
Schnapper gaat met Johan mee.
Deze geeft hem in de voorkamer een paar laarzen om te poetsen en een sabel om schoon te maken, haalt er ook een potje bier en een stuk brood bij en zegt:
„Eet smakelijk, ik ga intusschen mijn meester friseeren.”
Dat laat Schnapper zich natuurlijk geen tweemaal zeggen.
Het bier is goed, het brood een beetje droog, denkt hij en een stukje boter zou niet misplaatst zijn. Hij kijkt eens om zich heen en ziet op tafel een potje staan, dat met een papier is bedekt en als hij het openmaakt, ziet hij er iets in, dat hem voorkomt, boter te zijn. Bliksemsnel smeert hij zijn brood er dik mee in en laat het zich kostelijk smaken.
Intusschen komt Johan uit de andere kamer, zoekt iets, maar kan het niet vinden.
„Drommels, waar is het potje,” vraagt hij boos, „heb je het potje niet gezien, vriend?”
„Het potje?” vraagt hij, „wat is er met een potje? Daar is het immers!”
Johan kijkt er naar en schrikt zich halfdood, als hij ziet, dat het leeg is.
„Maar het is leeg!” zegt hij
„Natuurlijk is het leeg,” zegt Schnapper, „dacht je, dat ik mijn brood droog eet, als ik er boter op kan krijgen?”—
„O groote goedheid!” jammert Johan, „nu heeft die stommeling de pomade van mijn meester opgegeten, waarmee moet ik hem nu pomadeeren voor het hofbal?”
„Nu gaat Schnapper een licht op. „Zoo? Pomade?” zegt hij met een ellenlang gezicht, „ik dacht al, die boter heeft een eigenaardigen bijsmaak! Waarom heb je je pomadepot zoo vlak bij het bier en brood gezet?”
„Johan heeft wel erg gevloekt, maar de pomade was op en daarna heeft hij zijn landgenoot nooit meer gehaald, als hij zijn meester voor het hofbal moest kleeden.
„Nietwaar, kameraad, zoo is het geweest? En als wij weer een marsch gaan maken en ik als goed kameraad naast je loop, zal ik het pomadelied voor je zingen, waarvan ik al een couplet heb gedicht. Ik zal het je eens voorzingen.”
Bij die woorden staat Barthelmes op en zingt onder allerlei komische gebaren:
„Zoo trekt onze Schnapper welgemoed Voor ’t vaderland waagt hij goed en bloed, Gaat zelfs ervoor in den dood, Gesterkt door pomadebrood!”
Allen stemmen in met het vroolijke liedje, tot grooten schrik van den korporaal. Het gezang zwelt aan tot een waar gebrul, dat echter plotseling verstomt.
De deur, die naar de officierenwachtkamer leidt, wordt geopend en de wachthebbende luitenant verschijnt met toornig gelaat op den drempel.
„Wat is dat hier voor een duivels lawaai?” schreeuwt hij. „Slaapt gij, korporaal, of zijt gij doof?”
Met stijve bewegingen richt zich de korporaal op en gaat in de houding voor den luitenant staan, die er uitziet als de vertoornde Mars.
„Het rumoer kwam plotseling, luitenant! Die beide lummels, luitenant, Schnapper en Barthelmes, die vervloekte kerels, hebben het schandaal eigenlijk uitgelokt. Eerst hebben zij elkaar uit gekheid een beetje geplaagd, maar toen heeft Schnapper Barthelmes de waarheid gezegd. Toen is de ander ook begonnen en heeft zelfs een liedje gezongen, waarmee de anderen instemden. En toen was het of de duivel losbrak.
„Schnapper, luitenant, is de oorzaak van het lawaai, anders niemand. Want als soldaat moet Schnapper toch weten, dat men in gekheid alles mag zeggen, maar alleen de waarheid niet.”
„Zeer juist!” sprak de luitenant, eenigszins tevreden gesteld, „Schnapper zal gestraft worden wegens het op ongepaste wijze verkondigen van de waarheid en de anderen ook. Ik wil rust hebben, begrepen? Of de duivel zal— — — —Wacht in het geweer!!!!”