Part 1
IN HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG. [1]
Naar het Fransch van Pierre Sixemonts.
I. Het oud-Fransche „Departement des Forêts”.—Een gewoon middeleeuwsch kasteel wordt de wieg van een beroemd ras van keizers en koningen.—Jan, de Blinde, snelt naar Crécy en laat zich dooden voor Frankrijk.—Het land van de wolven.—Een klein Zwitserland op een paar kilometers afstands van Longwy.—Victor Hugo te Vianden.—Het Gibraltar van het Noorden.—De fee Mélusine.—De asch van een groot vorst.—De Chouans van Oesling.—De nationale dichters zingen liederen ter eere van Luxemburgs onafhankelijkheid, terwijl Duitschland bezig is, het te germaniseeren.
Daar ligt aan de poort van Frankrijk achter de golvende vlakten van de Ardennen een merkwaardig landje, rijk aan schilderachtige landschappen, die hier en daar een grootsch karakter aannemen, waar een aantal Belgen en Duitschers hun zomerkwartieren betrekken, terwijl de meeste Franschen van tegenwoordig er nauwelijks het bestaan van vermoeden. Nu is het waar, dat de naam Luxemburg—want over dat land gaat het—bij ons, om zoo te zeggen, is doodgezwegen sinds het diplomatieke incident van 1866, dat den fatalen oorlog tusschen Frankrijk en Duitschland bijna vier jaren vroeger zou hebben doen uitbreken.
Het luxemburgsche land, waarvan de geschiedenis meer dan eens met die van Frankrijk samenviel, is de wieg geweest van machtige heeren, die dikwijls gestreden hebben in onze gelederen of aan de zijde van onze koningen. Onze nationale historie verhaalt van groote wapenfeiten van die dappere strijders, die voor Frankrijk hun leven offerden, en hun namen zijn met roem vermeld op de velden van Bouvines, Crécy en Azincourt. Tweemalen heeft Luxemburg deel uitgemaakt van het fransche grondgebied, eerst onder Lodewijk XIV na de groote veldtochten van maarschalk Créqui en daarna later weer tot 1815 onder den naam Département des Forêts. Toen de levée en masse door het Directoire was voorgeschreven, moesten de Luxemburgers tweehonderd duizend man onder de wapens brengen, een contingent van jonge, krachtige mannen, van wie velen hun bloed voor Frankrijk hebben gestort. Uit den gemeenschappelijken strijd en eenzelfde streven was groote sympathie ontstaan voor al wat Fransch was, en die voorkeur, die door een scheiding van reeds een eeuw niet is verminderd, is duidelijk aan den dag gekomen in den oorlog van 1870, toen de inwoners van Luxemburg bedreigd werden door de duitsche regeering, een bedreiging die gelukkig niet tot daden leidde.
Na Waterloo werd het vroegere fransche departement tot een onafhankelijken staat verheven. Nog niet lang geleden werd Luxemburg neutraal verklaard in geval van een oorlog tusschen Frankrijk en Duitschland. Frankrijk ziet in het groothertogdom thans niet anders dan een bufferstaatje, dat zijn noordoostgrens beschermt. Het koestert geen andere ambitie, dan den status quo te handhaven met de neutraliteit van het luxemburgsche land, al mag men wel sceptisch gestemd zijn in zake de strenge handhaving dier neutraliteit van duitschen kant in geval van oorlog.
Duitschland heeft inderdaad sinds 1870 meer dan eens pogingen gedaan, om Luxemburg in zijn sfeer te halen. Door het groothertogdom in zijn tolverbond op te nemen, heeft het de douanegrens doen vallen, die aan die zijde belemmerend was voor den handel; maar had het daarbij niet nog een andere reden dan enkel de ontwikkeling van het handelsverkeer? Hoopte Duitschland misschien niet, dat de economische betrekking tot den kleinen staat nog eens zou leiden tot de politieke vereeniging? Sedert 1872 beheert Duitschland in vredestijd de luxemburgsche spoorwegen. Zou de verzoeking niet groot zijn, ze in oorlogstijd te gebruiken?
Groothertog Adolf had tot op zekere hoogte het opdringen van den buurman weten tegen te gaan. Zijn zoon, groothertog Willem, die een wankele gezondheid heeft en die door een tweeden aanval van beroerte werd getroffen slechts eenige dagen na zijn bestijging van den troon van Luxemburg, kan ieder oogenblik sterven. Hij heeft zes dochters, die door de Salische Wet nu nog van den troon verre worden gehouden. Men moet dus denken aan een zeer gevaarlijke quaestie, namelijk die der opvolging, en het is niet onwaarschijnlijk, dat Duitschland zal willen profiteeren van die omstandigheden, om van Luxemburg een nieuwen duitschen staat te maken.
Evenals België, waarvan Luxemburg slechts is gescheiden door een aangenomen, niet door een natuurlijke grens, is het een neutraal gebied tusschen de beide naburige groote staten; maar, gelukkiger dan België, dat het voorrecht van de neutraliteit alleen kon verkrijgen na het slagveld van Europa te zijn geweest en een der grondgebieden, waar het felst om is gestreden, is het luxemburgsche land integendeel een terrein, waar de groote legers zelden zijn verschenen. Bergachtig en vroeger zeer boschrijk, doorstroomd door kronkelende rivieren, door rotsen ingesloten, was het niet uitlokkend voor veroveraars en maakte de veldtochten daar tot lastige ondernemingen. De onbepaalde grenzen, die telkens wisselden naar de fluctuaties van de algemeene politiek, de vele veranderingen in het bestuur, als het nu eens bij den eenen, dan weer bij den anderen staat werd ingelijfd, eerst aan Spanje toegewezen, daarna aan Oostenrijk, dan weer afhankelijk van Frankrijk en later weer van Nederland, maakten, dat er iets onduidelijks en verwards in onzen geest komt, als we aan het landje denken, dat even moeilijk tot klaarheid is te brengen als zijn geschiedenis zelve.
Toen in het jaar 56 de veroveraar van Gallië onder de muren van Trier kwam, dat tot een Tweede Rome worden zou, werd al het omringende land van Gallië bewoond door een klein volk, waarschijnlijk van keltischen oorsprong. Hun hoofdbron van bestaan was de veeteelt, vooral die van paarden en varkens. Het leenstelsel verschijnt eerst in Luxemburg na het uiteenvallen van het rijk van Karel den Groote. Het was eerst niet veel meer dan een heerlijkheid met tot middelpunt een kasteel, door Siegfried opgericht op de afgelegen rotsen, den Grooten en den Kleinen Bock, die thans nog bestaan, en dit kasteel zou in het vervolg de onneembare citadel worden van Luxemburg.
Siegfried werd de vader van een nageslacht, dat groote mannen voortbracht, want het heeft vijf keizers geleverd aan Duitschland, vier koningen aan Boheme en zes koningen, zonder nog te rekenen de prinsessen, wier huwelijk den luister van een aantal beroemde geslachten verhoogde. Welk kind op onze scholen heeft niet met belangstelling geluisterd naar de heldendaden van Jan van Luxemburg, beter bekend onder den naam van Jan den Blinde? De regeering van de Republiek heeft nog niet lang geleden voor dien ridderlijken koning een prachtig monument opgericht te Crécy op dezelfde plaats, waar hij, strijdend voor de glorie van onze wapens, viel onder een aanval van de engelsche boogschutters.
Toen hij door zijn huwelijk met Elisabeth van Boheme koning van dat land was geworden, had hij zijn legers tot in Polen doen doordringen, waar hij in een veldslag een oog verloor. Er gaan heel wat verhalen rond omtrent de oorzaken van en de omstandigheden, waaronder dat eerste ongeluk verergerde en eindelijk leidde tot de volslagen blindheid van koning Jan. Volgens authentieke bescheiden was zijn gezicht vanaf zijn geboorte zwak. Gedurende den tweeden veldtocht in Litouwen zouden de dichte nevels van de moerassige vlakten een ontsteking hebben veroorzaakt, die naar geen behandeling luisterde. De koning beproefde beterschap te vinden bij een geneesheer te Breslau; maar de aan hem bestede zorg verergerde slechts de kwaal. Door toorn meegesleept, liet hij den ongelukkigen stadsesculaap in een zak naaien en in de Oder verdrinken. Eenigen tijd later ging hij incognito naar Montpellier, om genezing te zoeken bij de beroemde dokters van die universiteitsstad, en de legende verhaalt, dat een joodsche dokter hem door onhandigheid het tweede oog deed verliezen. De blindheid belette hem niet, toch nog ten oorlog te gaan en Filips van Valois te helpen te Crécy, door hem versterking te leveren. „Breng mij vooraan in het gevecht,” zei hij tot zijn leenmannen, „opdat ik mijn degen kan gebruiken.” Hij had zijn paard laten vastmaken aan den teugel van een zijner dappere ruiters en reed inderdaad zoo ver in het strijdgewoel, dat hij er den dood vond.
Keizer Karel IV verhief het graafschap Luxemburg tot een hertogdom, dat tot in het jaar 1795 steeds van eigenaar verwisselde, in welk jaar de Franschen zich van de citadel meester maakten na een beleg van acht maanden. Twintig jaren later werd ons Woudendepartement tot Groothertogdom verheven en kwam bij den Duitschen Bond met den koning der Nederlanden, Willem I, tot groothertog. Na Sadowa en de ontbinding van den Duitschen Bond moest de vesting Luxemburg worden ontmanteld, en het pruisische garnizoen, dat er verblijf hield, trok zich uit het Groothertogdom terug. Het luxemburgsche leger, herleid tot een compagnie vrijwilligers, telt, als alles compleet is, honderd-vijftig man en vier officieren.
Het Groothertogdom bestaat uit twee zeer uiteenloopende gedeelten, die verschillen in geologische formatie, algemeen aanzien, klimaat, landbouw en niet minder door de zeden der bewoners. De streek grenzende aan Lotharingen en die verreweg het grootst is, is bekend onder den naam van Goedland en verschilt veel van Oesling of Eisling, het luxemburgsche Siberië, dat in het Noorden ligt. Goedland, waarin de hoofdstad is gelegen met het dal van de mooie, sierlijke Alzette, is zoo goed als overal met boomen bedekt, vruchtboomen vooral, en met wijngaarden; enkele van de daar gewonnen wijnsoorten, o.a. die van Wormeldange, worden gerekend tot de goede europeesche wijnen. De bodem, die door de waterloopen doorgroefd is, vertoont golvende heuvels, uitmuntend door vruchtbaarheid en geschikt voor allerlei culturen. Daarentegen heeft Oesling met zijn steenachtigen, scherpen en onvruchtbaren grond een grillig aspect van romantische dalen en vreemd gevormde rotsen, met veel bruggen en tunnels. Het primitieve en woeste had een diepen indruk gemaakt op de soldaten van de Republiek, die met het oog op den hardnekkigen weerstand, hun door natuurlijke hindernissen geboden, Luxemburg hadden bestempeld met de benaming van Land der Wolven.
Welnu, ondanks dien onsierlijken en afschrikkenden naam is het Wolvenland veel aantrekkelijker en rijker aan natuurschoon dan de meeste bergstreken van Europa, waarheen de mode de toeristen doet stroomen, om origineele natuur waar te nemen. Een aantal dalen liggen tusschen hooge rotsen met steile hellingen. Verscheiden kloven zijn zoo smal en diep, dat men van den eenen naar den anderen kant met elkander kan spreken, zonder dat men door den plantengroei van de hellingen het water kan zien, dat door de kloof vloeit. Op vele plaatsen schijnt het, alsof de rotsen met elkander in strijd raken in een gevecht van reuzen en tot elkander naderen, als om in hun omstrengeling de treinen te vermorzelen, die voorbij moeten gaan. Op veel punten heeft men een weg door de bergen moeten aanleggen, en de tunnels zijn talrijk, waar men bij het uitkomen vergast wordt door steeds nieuwe en mooie panorama’s.
Hier is het een landschap, dat verkwikkend is met de groene weiden, die met bloemen de rivieren omzoomen, welke er zich in alle richtingen doorheen slingeren; ginder ziet men steile bergen, waarvan de toppen een groenen mantel van wouden dragen, waar eiken en beuken elkander afwisselen. Boven een dal vol boerderijen met kleurige daken, half verborgen onder boomgroepen, ruischt tusschen de rotsblokken de rivier, die zich wat verder van verscheiden meters hoogte gaat storten en met haar beweegkracht aardige molentjes aan den gang helpt, die men telkens ziet op dit deel van den weg. Hun vroolijk tiktak zet leven bij aan het landschap en, als men ze des avonds bespeurt, nadat men zich in de bergen wat lang heeft opgehouden, schijnen de molens den stap van den wandelaar te willen verhaasten. Nog weer verder ziet men blokken van enorme grootte, zandsteenblokken van fantastischen vorm, in schijnbaar onbeholpen evenwicht gehouden. Ze zijn daar neergeworpen door een vroegere aardbeving in onbeschrijfelijke wanorde. Over die rotsmonsters glijden watervallen, die uit de bergen komen, en leggen er hun schitterend witte, lichte linten overheen. Talloos zijn de trappen, die men voor het stijgen en dalen in de rotsen heeft gehouwen. Boven van die trappen, die steil naar beneden gaan, is het uitzicht soms aangrijpend, wanneer er het oog een van de talrijke ruïnen van de ridderkasteelen kan ontdekken, die in Luxemburg getuigen van een voor altijd voorbijgegaan verleden. Vanaf de hoogten, waar ze als arendsnesten zijn gelegen, vertellen ze poëtische legenden, aan die kasteelen verbonden, waar pracht en luister heerschten, en spreken van de plotselinge instorting van al die grootheid, die meegesleurd werd door den bevrijdenden storm van de Fransche Revolutie.
Victor Hugo, die Vianden tot type heeft gekozen, het origineele stadje, waar de woelige politieke tijd hem vaak had verplaatst, heeft in heerlijk mooie woorden het landschap beschreven en de betooverende rotsen van het luxemburgsche Land. Terwijl de burgeroorlog in Parijs woelde in 1871, moest Hugo, die aan het sterfbed had gestaan van zijn zoon Charles, plotseling te Bordeaux overleden, zich naar Brussel begeven, om er enkele formaliteiten te vervullen in verband met de belangen van zijn beide kleinkinderen, die weezen waren. De belgische regeering verbande hem zonder vorm van proces, want had hij niet durven huldigen de edele denkbeelden van recht en menschelijkheid, van zedelijken en socialen vooruitgang? De dichter ging rechtstreeks naar Vianden, waar de bevolking, die in hem zoowel den mensch als den dichter lief had, hem geestdriftig ontving. Hij moest daar te meer gevoelig voor wezen in de moeilijke omstandigheden, waarin hij zich bevond. „Ik heb dit land van Vianden lief,” zei hij bij het toespreken van de menigte, die onder zijn ramen was komen aanloopen, om hem toe te juichen. „Dit stadje is een echt beeld van den vooruitgang. De natuur is begonnen met het goedgunstig te behandelen en het te schenken een gezond klimaat, een levenbrengende rivier, vruchtbaren grond, heuvels om wijn op te bouwen, en bergen, waar bosschen groeien. Maar toen hebben de feodale heeren datgene genomen, wat de natuur geschonken had. Ze hebben de bergen bezet en hebben er een gevangenis gebouwd; ze hebben de bosschen geannexeerd en lieten er struikroovers huishouden; ze hebben de rivier gebruikt en er een ketting over gespannen en den grond, waarvan ze den oogst nuttigden, zooals ze van de wijngaarden den wijn dronken. Toen is de Fransche Revolutie gekomen, want ge weet, uit Frankrijk komt het licht, uit Frankrijk is de bevrijding afkomstig. De Fransche Revolutie heeft Vianden bevrijd. Hoe? Door het kasteel te sloopen. Zoolang het kasteel bestond, was de stad dood; maar op den dag dat het kasteel verdween, werd het volk geboren. Tegenwoordig bestaat Vianden in zijn heerlijke omgeving, die eenmaal zal worden bezocht door heel Europa, uit twee dingen, beide even troostrijk en bewonderenswaardig, een sombere ruïne en een lachend volk!”
Wat de dichter toen over Vianden zei, dat is de geschiedenis van heel het luxemburgsche land. Zooals te Parijs Victor Hugo liever reed op de imperiale van een omnibus dan in een vervelende fiacre, zoo zocht hij te Vianden ook de volksmenigte en stelde belang in het werk der arbeiders, deelnemend aan hun inspanning en hun uitspanning. Bij een hevigen brand, die in het stadje was uitgebroken, zag men hem als een der eersten aanloopen, en als iedereen droeg hij de brandemmers mee aan. Een innig medegevoel verbond hem met den armen boer, die den harden grond op de heuvels van Oesling bewerkte. Hij hield vaak de boeren in het voorbijgaan staande en onderhield zich met hen; hij trad hun woningen binnen en, bij het haardvuur gezeten, liet hij zich de legenden verhalen, die door een sterke verbeelding en den smaak in het wonderbaarlijke, eigen aan de Luxemburgers, bij duizenden in het land zijn verspreid. Zoo de historie van de straf der schoone gravin van Falkenstein, die vadermoordenares was geworden uit liefde, en die men nu des nachts hoort klagen in het smartelijk gemurmel van de Our; dan de geschiedenis van twee ridders, die dobbelden in de groote kelders van het kasteel, terwijl Satan, onder de tafel gehurkt, op het oogenblik wacht, waarin hij zich op den ongelukkige zal kunnen storten, die van vermoeidheid zal bezwijken. Een besliste voorkeur dreef den dichter naar de ruïne van Falkenstein op een steilen bergtop. In een waterverfteekening, die bestemd was voor de illustratie van het gedicht Falkenfels in het „Année terrible”, heeft hij getracht, zelf den indruk van onzegbare melancholie vast te leggen, die de omgeving maakt. In den tuin van het hôtel, waar hij zijn maaltijden gebruikte, tegenover het huis waar hij woonde, had men in zijn tegenwoordigheid een den geplant, die de herinnering moest levendig houden aan den tijd van zijn verblijf. Nog heden verheft die boom zijn groene kruin boven de huizen van het stadje.
Uit het venster van zijn kleine kamer had de dichter een prachtig uitzicht op de oevers van de Our, die in grillige bochten voortkronkelt, eer ze zich waagt onder de brug tusschen de beide oevers, waar de bescheiden woning bij stond. Op een der leuningen van de brug ontdekte Hugo het beeld van den heiligen Nepomuk, den middelaar der volken, die bij den eersten slag van middernacht zich driemaal op zijn voetstuk omdraait. Hij zag naar links de kaden langs, die in de verte uitliepen op een pleintje vol gras en vruchtboomen, en rechts stuitte het oog op de verscheidenheid van groene tinten op een heuvel, waarvan de schaduw over de heldere wateren van het riviertje viel. Verderop zag hij de bergen met de statige overblijfselen van het kasteel der heeren van Vianden, den klokketoren en de roode daken van een reeks wankele huisjes, en hooger weer een rij woonhuizen, alles overstraald door leven en licht, wanneer de morgenzon de nevelen heeft verjaagd, maar diep weemoedig in den vallenden avond, als de tusschentinten worden uitgewischt en men alleen het kasteel onderscheidt, dat zich zwart en brutaal tegen de lucht afteekent.
Op de steilten aan de Our verrijzen andere beroemde ruïnen, Stolzenburg en Falkenstein bij voorbeeld, waarvan onduidelijke omtrekken zich spiegelen in de rivier. Weer verderop draait de spoorweg om een berg heen, waarop men de resten ziet van het glorieuse Burscheid. Vanaf die hoogten aanschouwt men een klein, rond dal, waardoor de aardige Sûre stroomt tusschen hooge bergen, de „romantische” Sûre, zooals ze daarginds zeggen. Stel u voor op een andere hoogte aan een rivierbocht de overblijfselen van een sprookjesslot, dat als achtergrond de grijze bergen heeft; ginder een dorpje, dat met zijn huisjes naar de ruïne opklimt. Dat is Esch, beroemd in de historie van Luxemburg. Het slot daar ziet er nog uit als een oud-adellijk kasteel, somber en fantastisch, als een patriarch, door de jaren gebogen. Mos en varens hebben de plaats ingenomen van de fiere wapenschilden der heeren van Esch. Klimop groeit op de muren, waarbinnen vroeger feesten en tournooien hebben plaats gehad, en wilde, maar zeer vreedzame planten omgeven de kanteelen en schietgaten, van waar vroeger moordende projectielen afgingen.
Victor Hugo heeft zich laten inspireeren door al die ruïnen en heeft ze beschreven in „Quatre-vingt-treize”. Zijn levendige verbeelding kon al die resten van muren weer plaatsen in hun oude voegen, herstelde de galerijen met hun zuilen en de kelders en sombere sousterrains. Zij bevolkte de kasteelen van Brandenburg, Vianden, Esch, Burscheid, Larochette en Stolzenburg, die door den tijd zooveel hadden geleden en door de verwoestingen van maarschalk de Boufflers, en het slot van de heeren van Wiltz, die recht spraken in de open lucht tegenover een hoog steenen kruis, dat nog bijna ongeschonden bestaat. Ze schonk het leven aan de trotsche baronnen, uittrekkend naar Palestina, en aan de stoeten van de fiere kasteelvrouwen onder de hooge gewelven van de ridderzalen of in de schitterende kapellen bij den luister van de kerkelijke diensten, te midden van de wierookwalmen en de trofeeën, meegebracht uit het Heilige Land.
Tusschen de beide groene dalen, die even vruchtbaar zijn, van de Roeser en de Mersch, die alle twee in voorhistorische tijden een door de Alzette gevormd meer bezaten, komt die rivier in de smalle maar diepe bedding, welke ze zich heeft uitgeslepen in den zandsteen in de buurt van de hoofdstad van het Groothertogdom. De Alzette beschrijft, voordat ze te Weimerskirch den loop volgt van het Zuiden naar het Noorden, dien ze blijft houden tot haar samenvloeiing met de Sûre, een dubbele lus in den vorm van een S. Bij de eerste uitbuiging ontvangt ze het water van de Pétrusse, een mager stroompje, dat van de Merl- en Hollerichhoogten komt en genoemd is naar den steenachtigen aard zijner bedding; maar de kloof, waar de Pétrusse doorheen vloeit, is noch minder diep, noch minder steil dan het Alzettedal. In de eerste inbuiging vindt men de voorstad Grund met de slanke spits van haar kerk Sint-Jan, een vroeger Benedictijnerklooster. Die voorstad vormt, met Clausen en Pfaffenthal, wat men de Lage Steden noemt van Luxemburg, en men komt bij de Hooge Stad langs steile hellingen, dikwijls over zigzagwegen. Verder liggen aan de Pétrusse de groote, merkwaardige Bockrotsen, waarvan de eerste met de Hooge Stad is verbonden door de prachtige brug met twee rijen bogen boven elkander, bekend onder den naam van Slotbrug, terwijl de andere langzaam naar de Alzette daalt.
Op die brug verschijnt nu en dan, naar de legende vermeldt, Mélusine, de stroomnymf van de Alzette, die ten allen tijde de trots en de glorie van het dal is geweest. Door haar gratie en schoonheid bekoord, had graaf Siegfried aan de jonge toovenares zijn kroon en zijn hart aangeboden. Ze nam die aan, maar op voorwaarde, dat ze elke week op den Zaterdag een dag zou hebben, waarop ze alleen mocht zijn, volkomen alleen, waarop de graaf zich niet met haar zou bemoeien en zelfs niet zou onderzoeken wat ze deed; de echtgenoot moest zich ervan onthouden, binnen te komen in het deel van het slot, waar zich de vertrekken van zijn vrouw bevonden, op straffe van haar te zien verdwijnen en haar voor altijd te verliezen. Siegfried beloofde en hield zijn belofte gedurende vijf-en-twintig jaren. Alles ging goed; geen wolkje, zelfs niet het kleinste, kwam hun geluk verstoren, en een talrijke kinderschaar kroonde hun vereeniging. Maar op een zekeren Zaterdag kwam de graaf op het noodlottige denkbeeld, zijn eed te breken, door de gangen van de schoone Mélusine na te gaan. Een wel late nieuwsgierigheid, die in ieder geval bedroevend was, want in een oogenblik verdween de mooie vrouw, veranderd in nymf onder het uiten van een smartelijken kreet in een afgrond, die zich opende en weer dadelijk sloot onder den sidderenden vloer van de zaal.
De voorstad Clausen, die aan den eenen kant afgesloten wordt door het plateau met het park en aan den anderen door de hoogten van het Grunewald, ligt in het breedere deel van het dal. De huizen, klein en smal en helder geverfd, worden weerkaatst door het water van de Alzette en lijken weggeloopen uit een speelgoeddoos of in het groen uitgestrooid door een grillige kinderhand. Hier en daar verrijst een klokketoren, die naar den hemel wijst. Het is een vroolijk, levendig landschap, anders, dan wat men elders ziet, en weinig hoofdsteden van Europa kunnen zulk een aanlokkelijk panorama vertoonen.
Van het station der hoofdstad tot dat van Dommeldange gaat de noorderlijn driemaal over de Alzette. Een rotsachtig schiereiland, op welks hellingen sierlijke huizen zijn gebouwd, draagt de Hooge Stad en is met het station verbonden door een brug, die nog niet lang geleden werd gebouwd en een wonder van ingenieurskunst is, met haar viaduct over het dal der Pétrusse, loopend over bogen, waarvan de middelste 42 meter hoog is. De Adolfbrug, die het gemeenschappelijke werk is van een fransch en een luxemburgsch ingenieur, is stout van uitvoering; ze is van zandsteen uit het land gemaakt en de middelboog heeft een opening van 84 meter, de langste, die men kent in den bouw van bruggen van metselwerk.
Het niveauverschil tusschen de Pétrusse en de omringende hoogten bedraagt 67 tot 70 meter. De zandsteenrotsen aan weerszijden van het stroompje zijn bijna alle steil en recht, en vormen te zamen een spleet, een natuurlijke gracht, die aan drie zijden om de stad gaat. Als men daarbij voegt, dat op het westelijke front, waar geen natuurlijke verdedigingswerken zijn, op de rechteroevers van Pétrusse en Alzette, oudtijds alle middelen ter verdediging waren aangebracht, waarover men in den loop der tijden de beschikking had gekregen, dan kan men nagaan, hoe groot het weerstandsvermogen was van die oude vesting Luxemburg, die terecht genoemd is de Onoverwinnelijke en het Gibraltar van het Noorden.