Part 3
Een inval in Frankrijk door het dal van de Alzette en de Chiers naar Sedan, is te minder moeilijk, daar wij niet op dat deel van onze woudgrens den vijand herhaaldelijk kunnen tegenhouden. De bezwaren zouden veel grooter wezen voor de Duitschers, als ze bij het bezit van Luxemburg, of althans door de neutraliteit van dat landje te schenden, niet terzelfdertijd meester waren van de bronnen der Alzette. De veronderstelling van een inval door het groothertogdom zou niet toelaatbaar zijn, wanneer de streek tusschen Thionville en Villerupt, grenzend aan Luxemburg, ons nog behoorde. Maar—en dit is waarlijk wel de moeite waard, om in de herinnering vast te houden—dit grondgebied, dat bij een eerste ontwerp van de grens, aan Frankrijk was gebleven, namelijk het terrein van de bronnen der Alzette, dat hoekje hebben de Duitschers met groot en handig overleg zich achterna weten te doen toewijzen, zonder in het minst te doen vermoeden, hoe belangrijk die „kleine verandering” in het oorspronkelijk tracé was. Door een clausule van 10 Mei 1871 in het verdrag van Frankfort heeft Pruisen precies gekregen, in ruil voor eenige kilometers in den omtrek van Belfort, de gewichtige gebieden van Redange, Russange, Andun-le-Tiche, Aumetz en Fontoy, een streek, die rijk is aan ertsen, die hoogovens bezit en metaalwerken van den eersten rang. Het bezit van die terreinen zou, dat hebben toen alleen de Duitschers ingezien, ons de gelegenheid hebben verschaft, de nadering tot Diedenhofen te beletten en onzen Ardennenspoorweg te dekken. Iedere poging van een inval door Luxemburg zou in dat geval hopeloos zijn geweest en dus hoogst onwaarschijnlijk. Door het verkrijgen van die sterke positie heeft Duitschland de handen vrij rondom Diedenhofen. Voor die plaats is het gevolg, dat zij het hoofdpunt is geworden voor een inval aan de Maas. De stad ligt in het middelpunt van alle wegen naar de Ardennen, zoowel door de dalen van Orne en Othain, als van Fensch en Crune, Sûre en Chiers. Al die bezittingen zouden een aanmerkelijke versterking krijgen, als de annexatie van Luxemburg een feit werd, waardoor men door het dal van de Chiers en dat van de Alzette met de poort van Tiercelet zou kunnen optreden, zooals wij hebben geschetst.
Wij kunnen dus niet te veel aandacht vragen voor de helderziendheid van de duitsche machthebbers, die op het denkbeeld zijn gekomen van die clausule in het vredestractaat van Frankfort, een wijziging, oogenschijnlijk zoo nietig en toch zoo ernstig in de gevolgen, waarvan de fransche onderhandelaars de strekking niet schijnen te hebben ingezien. En we kunnen natuurlijk niet anders, dan in die door de duitsche diplomatie verkregen resultaten de weloverlegde bedoeling van de duitsche regeering zien, om bij dien ruil van het grondgebied om Aumetz tegen het stukje terrein bij Belfort, op een goeden dag te voegen het heele groothertogdom, waarvan de militaire beteekenis zoo innig samenhangt met datzelfde gebied van Redange, Aumetz en Ottange.
Wij behoeven daar tegenover, als laatste hypothese, in het geheel niet te onderzoeken het geval van de schending van het luxemburgsche grondgebied door fransche troepen, want Diedenhofen bedreigt van ter zijde alle operaties, die, van Montmédy uitgaande, over Longwy, Luxemburg en Wasserbillig zich zouden richten op Trier. Een optreden in die richting zou, mocht het in het brein van iemand bij ons opkomen, een dwaasheid wezen.
In tegenstelling tot België en Zwitserland, die ook als neutraal zijn erkend, maar die het recht hebben om zich te wapenen en te versterken, heeft Luxemburg niet het recht zich in staat van verdediging te brengen. Het heeft geen troepen en dus is het voor dat land onmogelijk, den overweldiger den toegang tot het grondgebied te ontzeggen. Het verbod van zich te verdedigen in geval van schending van het grondgebied, is uitgevaardigd en werd geëischt door Duitschland. Ook daaruit bleek duidelijk wat de bedoeling was.
Ook andere omstandigheden, die even gewichtig zijn, toonen al lang vóór 1870, wat de plannen waren van Pruisen met het groothertogdom. Wij bedoelen de toetreding van Luxemburg tot het Tolverbond. Het luxemburgsche grondgebied is tegenwoordig maar over enkele kilometers lengte grenzend aan Frankrijk, ten oosten van Longwy, waardoor de fransche invloed op den geest der bevolking bijna geheel is verdwenen ten gunste van den duitschen invloed, die dagelijks grooter wordt. Dat alles is zeer natuurlijk. Sedert meer dan zestig jaar heeft Luxemburg een handelsverdrag met Duitschland, dat voordeelig is voor de industrie en den handel van het groothertogdom en vooral voor de metaalbewerking, die een hoofdbron is van bestaan in het kleine land. De toetreding tot den Zollverein was van groote waarde voor Luxemburg. Daarbij is de annexatie van Lotharingen bij Duitschland gunstig geweest voor de belangen van het groothertogdom door het feit van de opheffing der fransche douane langs de grens tusschen Frankrijk en Luxemburg. Zoo werkt alles samen, om de bewoners van Luxemburg van ons te vervreemden, om ze des te beter voor te bereiden op de beslissende bezetting door de Duitschers.
Indien wij vroeger nog eenigen twijfel mochten hebben overgehouden of eenige illusie ons mochten hebben gemaakt ten aanzien van de bedoelingen van Pruisen, zouden we dat nu wel hebben verleerd tegenover de ongeveinsde houding en de arrogantie van de Duitschers. Hun officiëele boeken over aardrijkskunde leeren, dat Luxemburg moet worden beschouwd voortaan als een dépendance van Duitschland, „omdat het groothertogdom Luxemburg ligt binnen de natuurlijke grenzen van het Duitsche Rijk en het sedert 1866 heeft behoord, niet aan den koning van Nederland, die er maar een denkbeeldig gezag uitoefende, maar bij den Duitschen Bond, waarvan het is losgemaakt enkel door de schuld van Frankrijk, en eindelijk omdat men er Duitsch spreekt.”
Nu is het waar, dat op een bevolking van 210.000 inwoners nauwelijks vier duizend uitsluitend Fransch spreken in hun gewone leven, en dat wel een derde der bevolking in het geheel die taal niet kent. Dat verschijnsel, dat zoo gunstig werkt voor Duitschland, is het resultaat van het werken der talrijke duitsche schoolvereenigingen en Volksvereine, die overal optreden waar ze maar Duitschers kunnen samenbrengen, geboren Duitschers of aan Duitschers verwant, die geholpen willen worden om Duitschers te blijven of het weer te worden, door andere invloeden ver van zich te houden. Dat is een krachtig hulpmiddel, en wij beschikken over niets dergelijks. In dat werk van germanisatie door de taal komt soms de hulp te stade van de plaatselijke geestelijkheid, zooals met name in België; er worden congressen georganiseerd, waar de hooge beschaving wordt verheerlijkt van de Duitschers en de schoonheid van de taal van Schiller en Goethe. Door zulk expansiewerk maakt het Duitsch vorderingen in Nederland, Vlaanderen, België en Zwitserland, waar scholen worden opgericht, bibliotheken, studiekringen en kranten. Van de zes of zeven kranten, die in Luxemburg verschijnen, worden er maar twee in het Fransch geredigeerd. Het Duitsch moet dus wel een voorsprong krijgen op het Fransch, en men is in staat alles, wat tegen den duitschen invloed ingaat, terug te dringen.
Vóór 1870 was men in Luxemburg zeer gunstig gestemd voor Frankrijk; de bevolking had nog de herinnering bewaard aan de duitsche bezetting, toen de betrekkingen met het pruisische garnizoen lang niet onverdeeld aangenaam waren. Als men toen de bevolking had geraadpleegd, of ze fransch of pruisisch wilde worden en een plebisciet had gehouden, zooals in Savoye in 1860, zouden allen zich te onzen gunste hebben uitgesproken. Nog in 1870 heeft hun sympathie voor ons zich geuit door de ontvangst der arme refugiés uit Metz en Thionville. Tegenwoordig vindt men slechts onder de beschaafden en ontwikkelden enkelen, die anti-duitsche gevoelens koesteren. Voor de Luxemburgers kan het geen geheim zijn, dat, als in een nieuwen oorlog Duitschland het weer van Frankrijk won, hun land de pruisische uniform weer zou zien verschijnen met de minder aangename omstandigheid erbij, dat de eigen bevolking die zou moeten dragen. Ze zouden dan aan den lijve het militaire duitsche stelsel leeren kennen. Bismarck heeft het hun wel voorgehouden wat hen wacht, toen hij verklaarde, dat de school en de militaire dienst altijd de beste middelen zullen wezen, om de gevoelens van vijandelijkheid tusschen twee volken te doen verdwijnen.
De Duitschers verhelen hun voldoening niet over den stand van zaken en prijzen de reeds verkregen resultaten. Het werken van de duitsche partij; de invloed van de duitsche taal; het prestige van den militairen roem van Pruisen; de onvastheid van het bestuur in Frankrijk tegenover het gezagsvertoon in Duitschland; de algemeen verspreide overtuiging, dat de uitkomst van een nieuwen fransch-duitschen oorlog weer noodlottig zou zijn voor Frankrijk, dat alles zijn factoren, die in Luxemburg meewerken, om den franschen invloed te verminderen en de sympathieën te doen verdwijnen, die wij er vonden vóór den oorlog van 1870.
Deze staat van zaken, die gevaarlijk is uit het oogpunt van de verdediging van ons grondgebied, gevaarlijk ook van politiek en economisch standpunt gezien, is zonder twijfel bekend bij hen, die aan het hoofd van onze regeering staan, zooals hij voor de hoofden van ons leger geen nieuws is. Wij mogen rekenen op de waakzaamheid van beide machten, om te voorkomen en zoo noodig te beletten, dat er dingen gebeuren, waarvan de gevolgen noodlottig voor ons zouden zijn en mogelijk voor langen tijd onherstelbaar. Onder de plichten van de fransche regeering is er één, die dadelijk een goede uitwerking kan hebben, namelijk het gemakkelijk maken en aanmoedigen door alle middelen, die haar ten dienste staan, van de uitwisseling der producten van handel en industrie uit Luxemburg tegen die uit Frankrijk. Wij, gewone burgers van Frankrijk, moeten dan voor het overige zorgen, en het resultaat zal goed zijn. Alles is nog niet voor ons verloren in het land van Jan den Blinde. We hebben er nog wel vrienden, die niet hebben vergeten door welke banden in het verleden onze beide volken vereenigd zijn geweest; altijd gereed om een vriendschap te vernieuwen, die in het verleden onze beide volken aaneensloot, zouden ze gaarne met ons werken aan het winnen van de harten van diegenen, die aan nieuwe gevaarlijke neigingen gaan toegeven. Ze bedroeven en verontrusten zich over onze schijnbare onverschilligheid, over onze traagheid in het optreden te midden van hen in hun schoone landje, dat ons ruime gastvrijheid wil verleenen, zoo ruim, dat er geen plaats voor anderen overblijft.
Om de waarheid te zeggen, nergens ter wereld vindt men een grootere hartelijkheid en oprechtheid dan in het groothertogdom. Men kan zich geen welwillender natie voorstellen. De reis van Parijs naar Luxemburg is zeer veel korter geworden, sedert men kan reizen over Longwy en Mont Saint-Martin van Sedan naar Luxemburg. In een paar uren zet de trein u nu af op luxemburgschen grond. Als men van Frankrijk komt, moet men het eerst de hoofdstad bezoeken.
Wil men de merkwaardigheden van de stad Luxemburg leeren kennen, dan moet men het niet zoeken bij de groote gebouwen en monumenten. Er zijn wel een paar mooie standbeelden, bij voorbeeld dat van prinses Hendrik en dat van haar koninklijken schoonvader Willem II, om slechts enkele te noemen. Maar gij, die uit een groote stad komt, ge ziet alle dagen standbeelden, en het brons trekt uw aandacht al evenmin als het marmer. Als ge niet over veel tijd beschikt, zult ge ook niet tot het opzoeken van oude gebouwen komen, die trouwens schaarsch zijn en waarvan de bouwtrant niet bijzonder merkwaardig is. Neen, het is alleen door de mooie ligging, dat het oude stadje u treffen zal, en het liefelijke beeld zal u lang bijblijven. Door wat er over is van de oude versterkingen, door het gezicht op de omgeving, door de talrijke geschiedkundige herinneringen, is de stad Luxemburg werkelijk aardig en origineel. Wilt ge iets eenig moois aanschouwen? Volg dan den Cornicheweg, die van de kazerne van den Heiligen Geest tot aan de Bockrots loopt, den statigen Bock, wiens naam alleen al zooveel herinneringen wakker roept, waar ge nog, in de rotsen uitgehold ten tijde van Maria Theresia, de beroemde kazematten kunt vinden, die een interessant overblijfsel uit oude tijden zijn. Vanaf de hoogte der Bockrotsen heeft de toerist een heerlijk kijkje over de heele stad, over alles wat men, gaande over de Corniche, heeft waargenomen, en over den weg naar Esch, prachtig gegroepeerd in een halven cirkel. Het is een grootsch panorama, dat ik niet zal trachten te beschrijven; mijn pen zou het beeld geen recht kunnen doen.
Zonder groote kosten en in zeer weinig tijd begeeft men zich naar Luxemburg en kan dan tevens Trier bezoeken, de merkwaardige stad, die, na een politiek middelpunt te zijn geweest tijdens de romeinsche overheersching, later meer dan duizend jaren lang een godsdienstige hoofdstad is geweest, en waar tegenwoordig nog gedurende de weken van de bedevaart de vreemdelingen in menigte komen, om den Heiligen Rok te zien, die volgens de legende daar gebracht is door keizerin Helena. Als de trein de breede bedding overgaat, waarin de Moezel, duitsch geworden, vol aandacht langzaam haar golfjes voortstuwt, ziet men aan weerszijden van den stroom de wijngaarden, afwisselend hier en daar met korenvelden. In de verte verrijzen dorpstorentjes te midden van boomgroepen. Achter de heuvels, die voor elkander langs schuiven, en waar men lachende villa’s en mooie kasteelen ziet liggen, verschijnt plotseling het oude Trier met zijn koepels en kerken, de oude torens, de musea en de poorten. In de musea kunt ge de geheele geschiedenis van de stad opbouwen met de vele beelden, de wapenrustingen, de medailles en munten, die men er u vertoont.
Maar wij moeten terug naar de luxemburgsche grens bij Wasserbillig, om de Sûre op te gaan vanaf haar samenvloeiing met de Moezel. De rivier is eerst vrij breed en diep genoeg, om voor de scheepvaart te kunnen dienen; maar langzamerhand wordt het dal nauwer; sierlijke molentjes verschijnen aan de oevers; watervalletjes brengen hun schuim op het zachtgroene water. Er komen hooge bergen aan de oevers, met bosschen bedekt, en ter halver hoogte rijdt de spoorweg en biedt bij elke bocht van den weg verrassende uitzichten. Hoe worden daar op eens de wegen zoo levendig en druk? Men ziet weldra een eindeloozen optocht van voertuigen van allerlei soort en elken tijd, karretjes en oudmodische wagens vol vrouwen en kinderen. In de buurt van de stations komen groepen naar voren onder het geleide van priesters, met den rozenkrans in de hand, onder het opzeggen van gebeden of het zingen van kerkelijke liederen. De stationsperrons worden door bonte menigten ingenomen en de waggons door hen bestormd. Wat gebeurt hier toch? Vanwaar die ongewone drukte, die zich voordoet vanaf de duitsche grens en die reusachtige afmetingen aanneemt, naarmate men dichter bij de beboschte heuvels komt rondom de uitgestrekte en vruchtbare vlakte van Echternach?
Het is de dag na den tweeden Paaschdag; men snelt van overal hierheen, om als deelnemer of toeschouwer tegenwoordig te wezen bij de springprocessie van Echternach, die in de smalle en steile straatjes van het stadje een onbeschrijfelijke drukte teweegbrengt onder een aanhoudende muziek van allerlei groepen muzikanten, die alle de tonen van het lied van den Heiligen Willebrordus ten beste geven. De stoet komt met drie passen slechts één schrede vooruit, omdat de pelgrims, mannen, oude vrouwen, jonge meisjes, moeders van gezinnen, die haar kinderen aan de hand meesleepen of ze op den arm dragen, al springend drie schreden vooruit doen en twee achteruit. Nu en dan houdt een groep uitgeput stil; er vallen springers en er verliezen het bewustzijn; maar het air van Willebrordus laat zich hooren, en de vermoeide lichamen strekken zich en beginnen weer te dansen en den stroom van de processie te volgen.
De eerste springprocessie van Echternach moet opklimmen tot de zestiende eeuw, want een schilderij van 1553, dat in de parochiekerk wordt bewaard, stelt al een processie voor, waaraan in 1512 keizer Maximiliaan deelnam. Als men nu ziet, hoe ieder jaar tien of twaalf duizend pelgrims van verre komen, om door deze plechtigheid de genezing te krijgen van allerlei soort van kwalen, mag men wel zeggen dat de naam van den H. Willebrord nog niet gauw uit den luxemburgschen kalender zal worden geschrapt.
Een stoomtram verbindt Luxemburg met Echternach. Onderweg ziet men Junglinster en zijn interessante kerk, waarvan het gewelf een merkwaardige fresco-schildering vertoont, werk van een leekebroeder van de abdij van Echternach. Men laat links liggen de ruïnen van Larochette op een rotsachtigen en woudrijken heuvel, en komt dan bij Consdorf in het Müllerthal, het neusje van den zalm en het schilderachtigste deel van wat men hier „Klein Zwitserland” noemt. Het is feitelijk het dal van de Zwarte Erenz, een grillig riviertje, dat nu eens door frissche weiden zich slingert, waar het een massa aardige molens in beweging brengt, de naamgevers van het dal, dan weer als onstuimige bergstroom tusschen rotsblokken voortbruist of in watervallen van hun steilten neerstort. Dichtbij Echternach voert een pad naar de Wolfsschlucht, een fantastische kloof, waar de toerist onder den indruk komt van den zonderlingen chaos van rotsen en groote steenen, een soort van Titanenfort, dat ingestort moet zijn bij een aardbeving. Aan den noordkant van Echternach stijgt een ander voetpad door een heerlijk boschje met verspreide rotsen te midden van een weelderigen plantengroei naar Beaufort, waar mooie ruïnen de prachtige overblijfselen zijn van een oud kasteel met hooge torens.
Hoewel de omstreken van Echternach zeer bekoorlijk zijn en rijk aan indrukwekkende natuurtooneelen, is Diekirch naar het algemeen gevoelen toch bij voorkeur te nemen als het middelpunt, van waar men zijn uitstapjes doet in het groothertogdom. Van daar kan de toerist in alle richtingen tochtjes maken, des morgens uitgaan en met goede aansluitingen des avonds terugkeeren. Op korten afstand schittert de Sûre als een zilveren lint, en daarachter rijzen bergen met hier en daar begroeide hellingen. Boven de huizen van Diekirch verrijst de Herrenberg met zijn top vol boomgaarden. De wandelingen beginnen al dadelijk bij de stad en wijzen den weg vanzelf.
Dank zij den werken, uitgevoerd door een regeering, die met verstand de belangen van het land behartigde, dank zij ook den ijver en de toewijding van de plaatselijke vereenigingen voor verfraaiing en vreemdelingenverkeer, waaronder de luxemburgsche Touringclub wel in de eerste plaats mag genoemd worden, vindt men overal, of men te voet, per rijtuig of per automobiel reist, uitstekende, goed onderhouden wegen, wegwijzers, posten met hulpkisten, alles in één woord, dat den toerist kan te pas komen. De godin Dido, wier altaar men nog in het Haardtgebergte vindt, dicht bij Diekirch, dat eigenlijk Didokerk is, schijnt om haar tempel al het natuurschoon in dit bekoorlijke luxemburgsche land te hebben samengevoegd.
AANTEEKENING.
[1] Deze schets, die een Franschman maakte van ’t groothertogdom Luxemburg nog voordat de tegenwoordige groothertogin den troon had beklommen, en waarin hij ’t heden en ’t verleden op onderhoudende wijze weergeeft, leek ons de opneming in dezen oorlogstijd wel waard. (Vert.).