Chapter 2 of 3 · 3693 words · ~18 min read

Part 2

Goethe beschrijft in zijn dagboek over het landschap van Argonne in de volgende woorden den indruk, dien de zeer bijzondere vesting op hem maakte. „Wie Luxemburg niet heeft gezien, kan zich geen denkbeeld maken van die oorlogsgebouwen, die door en boven elkander zijn gelegen. De verbeelding heeft moeite, zich later voor te stellen, hoe het geheel in elkander zat, zoo vreemd en afwisselend is alles, en zelfs voor wie er juist passeert, blijft het een raadsel. Een riviertje, de Petrus, dat eerst alleen stroomt en dan zich met de Else of Alzette vereenigt, loopt kronkelend om de plaats heen in een bochtige rotskloof en volgt zijn natuurlijken loop, die hier en daar kunstmatig is bevestigd. Op een vlakke hoogte aan den linkeroever ligt de oude stad. Met haar verdedigingswerken naar den kant van de open vlakte lijkt ze op andere versterkte steden. Nadat ze voor haar veiligheid in het Westen heeft gezorgd, zou men denken dat ze zich ook moest versterken naar den kant, waar in de diepte de rivieren stroomen. En inderdaad heeft men de natuurlijke verdediging nog sterker gemaakt met bastions, redouten en een net van andere versterkingen, zooals de kunst der verdediging van vestingen slechts zelden te zien geeft. Niets is interessanter dan dit nauwe dal met de rivier, kronkelend tusschen die bouwwerken; de enkele vlakke terreinen zijn in tuinen veranderd, die terrassen vormen met paviljoens, van waar men naar boven en links en rechts op steile rotsen ziet en op een groepeering van reuzenmuren. Men ontmoet hier zulk een vereeniging van gratie en grootschheid, van ernst en zachtheid, dat het te wenschen was, dat Poussin zijn talent had besteed aan het weergeven van zulk een landschap.”

Nu de oude vesting ontmanteld is, zijn de meeste dezer werken verdwenen. De hand des menschen heeft de natuurlijke verdedigingwerken niet kunnen wegwerken, noch de diepe dalen dempen van Pétrusse en Alzette. De zandsteen van Luxemburg richt nog altijd ten hemel zijn bijna verticale rotsen; maar waar in eenigszins voldoende mate de aarde de oneffenheden bedekte, heeft men boomen aangeplant, en wegen zijn gebouwd in de rotsen, die met zachte hellingen omhoog gaan in slingeringen, uit de diepte van het dal naar de Hooge Stad. Wat het kunstfront van de vesting aangaat, dat is geheel omgebouwd; de grachten heeft men gedempt, de muren omvergehaald, en het terrein is geëffend; de redouten en bastions zijn met den grond gelijk gemaakt of soms in bekoorlijke woonhuizen veranderd. De wallen met de eeuwenoude boomen, lang bekend onder den naam van den Generaalstuin, en waar vroeger de toegang aan de Luxemburgers streng was verboden, vormen thans een prachtig, schaduwrijk park, waarvan de lanen en voetpaden de vreugde van de wandelaars zijn. Een ringweg loopt om de Hooge Stad over de bergen, die vroeger ontoegankelijk waren op veel punten, en bij iedere bocht heeft men weer een ander mooi uitzicht.

Gewoonlijk schrijft men aan de verwoestingen door de bombardementen, die de stad bij de herhaalde belegeringen had te doorstaan, het gemis toe aan oude gebouwen en monumenten van wezenlijk artistieke waarde. De godsdienstige bouwkunst in de stad Luxemburg biedt ook weinig interessants aan. Het Regeeringspaleis moet echter genoemd, een massief Renaissancegebouw, vroeger een abdij, behoorend bij een klooster in Trier, zooals een latijnsch opschrift in den gevel zegt. Op de plaats van het oude raadhuis, dat door een brand in 1554 verwoest werd ten gevolge van een kruitontploffing, liet de toenmalige spaansche gouverneur een nieuw gebouw oprichten in den stijl der spaansche Renaissance, een gebouw vol karakter, dat dien gouverneur, Ernst van Mansfeld, alle eer aandoet en dat later bij de troonsbestijging van groothertog Adolf groothertogelijk paleis is geworden. Onder de Republiek was het de zetel geweest van de prefectuur, en in 1804 hield Napoleon er zijn verblijf. De muren dragen fijne basreliefs en twee veelhoekige torens springen naar voren en zijn verbonden met een balkon van smeedijzer van de eerste verdieping.

De metropolitaansche kerk Notre Dame vormde oudtijds, met de groote gebouwen van het Athenaeum die erbij behooren, het Jezuïetenklooster. Men treedt er binnen door een mooie Renaissancepoort met nissen, waarin beelden staan. Meer naar binnen ziet men in halfschaduw het mausoleum, of liever wat het mausoleum is geweest, van Jan den Blinde, met de witte figuren van de heilige vrouwen aan Jezus’ graf, van Johannes, Jozef, Nicodemus en alle traditioneele figuren. Om de waarheid te zeggen, rusten hier de beenderen van koning Jan niet. Die held heeft zich er niet mee tevreden gesteld, veel te reizen bij zijn leven; hij is sedert zijn dood te Crécy een soort van wandelende Jood geworden, die veroordeeld werd tot voortdurende verplaatsing.

De geschiedenis is merkwaardig. Na vele avonturen kwamen de stoffelijke overblijfselen van koning Jan in het bezit van een pottenbakker van Metlach aan de Sarre. Hoe dat kon, is niet bekend. De kroonprins van Pruisen, die in 1839 er door trok, werd bewogen met het lot van een groot vorst na zijn dood; hij nam de beenderen mee en liet ze begraven, zoodat ze van dien tijd af rusten onder een grooten, zwarten steen in een kapel op de helling van een steile rots aan de Sarre. Dat is ten minste een waardige rustplaats, die beter passend is, dan het donkere vertrekje van de pottenbakkerij te Metlach.

De stad Luxemburg heeft ook haar catacomben, net als Rome en Parijs; maar laat ons er dadelijk bijvoegen, in veel bescheidener trant. Sedert de tiende eeuw is Sint-Quirinus een bedevaartsplaats, en al is de roep, die ervan uitging, veel minder geworden in de laatste tweehonderd jaar, er komen nog pelgrims in vrij grooten getale, om genezing te zoeken voor huidziekten. De kapel van den heilige, in de voorstad Grund aan den oever van de Pétrusse tegen den grooten viaduct, welke de stad met het station verbindt, heeft een natuurlijke grot, die zeven meter lang is en zes meter breed, en een klein heiligdom met een slanken toren, die tot de veertiende eeuw moet opklimmen. Op tien meter afstands van de kapel is in de rots de bron gelegen van den heiligen Quirinus onder een afdakje, een heldere bron met een weinig jodium in het water, waar de pelgrims gaan baden en zich de oogen wasschen, voordat ze de kapel betreden. Geleerde onderzoekingen hebben vastgesteld, dat de grot van Sint-Quirinus met de erbij behoorende bron eertijds voor den heidenschen eeredienst heeft gediend.

Evenals hun land hebben ook de Luxemburgers iets eigenaardigs, en ondanks de dagelijksche aanraking met naburige volken, vormen ze nog wel degelijk een afzonderlijke groep, verschillend van de hen omringenden, zoowel door zeden en gewoonten, waaraan ze door alle tijden trouw zijn gebleven, als door taal en karakter. Ook verschillen de menschen uit het Oesling nog van die uit Goedland. Het uiterlijk van den Luxemburger wijst op kracht en oprechtheid. Hij verdedigt zijn goed recht, maar toont den vreemdeling een open, vriendelijk gezicht. Hij heeft eenvoudige manieren en is bijzonder gastvrij. Hem leeren kennen is hem liefhebben, heeft men terecht gezegd. Rechtvaardigheid is zijn hoofdeigenschap, en zijn devies is altijd geweest: „Gelijk recht voor allen!”

Bij de Oeslingbewoners ziet men, als bij bergbewoners, iets heftigs in de uitingen van den vrijheidszin; de Franschen hebben dat ondervonden, toen het Groothertogdom door de republikeinsche troepen was bezet. Bij den oproep van priesters en sommige adellijken, die het spook van de revolutie opriepen, stonden de boeren van Ettelbrück, Vianden, Wiltz, Our, Clervaux in massa op, wapenden zich met zeisen op de manier van de Chouans en trokken tegen de Republikeinen op. Bedrogen door hun leiders, vermoedden die misleiden niet, dat de Franschen, die men hun als bandieten had voorgesteld, hen integendeel kwamen bevrijden van het juk, waaronder ze eeuwen lang hadden gezucht en hun de burgerlijke vrijheid kwamen brengen. Na woedend te hebben gevochten, gaven ze den weerstand eerst op, toen de voornaamste aanvoerders, ten getale van twintig, onthoofd waren aan den voet van de vesting op 28 Februari 1799.

De taal van den Luxemburger is een soort van Nederduitsch, waarin veel Fransche woorden voorkomen met meer of minder wijziging. Maar het Fransch, dat nog op de scholen wordt onderwezen naast het Duitsch, is de taal van de rechtbanken en van de Kamers van het Groothertogdom. Als er van landverhuizing sprake is, gaan de jonge Luxemburgers graag naar Frankrijk. Naar Parijs trekken zij, die geboren zijn op de oevers van de Sûre en de Alzette. Ze trouwen er veelal en keeren met hun spaarduitjes en de kinderen naar hun land terug, waarheen ze jeugdige Franschen brengen.

De Luxemburgers zijn dankbaar, dat ze vrij zijn gebleven tot nu toe, en vol vuur zingen ze het refrein van hun volkslied: „Mer welle bleiwe wat mer sin”, (wij willen blijven, wat we zijn).

II. Over de opvolging in Luxemburg.—De neutraliteit in geval van een strijd tusschen Frankrijk en Duitschland.—Hoe men veroveringen inleidt, zonder dat het kruit aan het woord komt.—Diedenhofen en de bronnen van de Alzette in handen van Duitschland.—Een doelmatige handleiding voor de aardrijkskunde.—Volksvereine.—Franschen en Luxemburgers, in een vriendenbond vereenigd.—Luxemburg is een bekoorlijk land.

Niet lang na zijn troonsbestijging werd de groothertog ziek, en in Frankrijk had men daarvoor niet de noodige aandacht, omdat aller belangstelling uitging naar Algeciras, waar de Conferentie plaats had, om de prikkelende quaestie van Marokko te regelen, die zoo gevaarlijk was voor den vrede in Europa. Maar het is niet tegen te spreken, dat ook de Luxemburgsche quaestie gevaren opleverde. Volgens de meening van de dokters, die naar het kasteel Hohenburg ontboden waren, waar de souverein getroffen was door een tweeden aanval van beroerte, was een fatale afloop te vreezen, waardoor plotseling een ernstige opvolgingsvraag aan de orde zou komen, de al zoo dikwijls bedreigde onafhankelijkheid der Luxemburgers misschien in gevaar zou worden gebracht, en het spook der annexatie zich weer zou doen gelden.

De bepalingen van het Weener Congres, dat na den val van Napoleon den territorialen toestand van Europa moest regelen, hadden aan Willem I, koning van Nederland, die ook de kroon van België droeg, ter vergoeding voor zijn bezittingen in Duitschland ons vroeger Wouddepartement Luxemburg toegewezen als een groothertogdom, dat onder den schepter van het huis Oranje Nassau werd gebracht. De regeering van dien vorst, die met een liberale grondwet geopend werd, scheen het begin van een voorspoedige periode; maar langzamerhand had hij de Belgen van zich vervreemd door onhandig optreden. België stond op en, met dat land, ook het grootste deel van Luxemburg. Na te vergeefs te hebben beproefd de gemoederen tot rust te brengen, moest Willem I afstand doen ten behoeve van zijn zoon. De zuidelijke provincies van het koninkrijk der Nederlanden scheidden zich af van Nederland, om het onafhankelijk koninkrijk België te vormen, en de europeesche mogendheden stemden er buitendien in toe dat Luxemburg verdeeld werd, zoodat het westelijke deel met Arlon aan België werd geschonken en het oostelijke, het tegenwoordige groothertogdom, aan Willem II kwam.

Toen in 1890 de laatste koning van Nederland stierf, en deze Willem III geen mannelijke erfgenamen naliet, kon de jeugdige koningin Wilhelmina de rechten van haar vader op het groothertogdom Luxemburg niet erven, daar in Luxemburg de Salische wet gold. De souvereiniteitsrechten op dat land gingen toen volgens een familieverdrag over op een duitschen prins van den oudsten tak van het geslacht Nassau, hertog Adolf, die in 1866 de kroon van Nassau aan Pruisen had moeten afstaan. Gedurende de eerste jaren van zijn regeering over Luxemburg viel er duidelijk in de algemeene leiding van zijn politiek waar te nemen, dat de groothertog zich bleef herinneren welk onrecht hem van de zijde van Pruisen was aangedaan; maar weldra begreep hij, dat door een stelselmatigen tegenstand tegen het voortdringen van Duitschland in de aangelegenheden van Luxemburg hij een gevaarlijk spel speelde tegenover Bismarck en degenen, die diens politiek voortzetten. Hij sloot zich ten slotte bij het Rijk aan en kwam weer in de gunst bij de duitsche regeering, die in hem den invloedrijksten steun zag voor het dienen der belangen van Pruisen in Luxemburg.

Met groothertog Willem zal de mannelijke tak ook bij deze Nassau’s uitsterven. Uit zijn huwelijk met de infante van Portugal zijn enkel meisjes geboren, en van die zes dochters is de oudste pas twaalf jaar. Het is waar, dat er neven zijn, de Merembergs, afstammelingen van een broeder van den overleden groothertog; maar die prinsen zijn uit een morganatisch huwelijk geboren. Volgens het feodale recht kunnen ze niet tot de regeering worden geroepen. Op den dag, waarop de opvolging op den troon van Luxemburg openkomt, zal mogelijk de oudste der graven van Meremberg protesteeren tegen die onbevoegdheid en het voorbeeld inroepen van den graaf van Lippe-Biesterfeld, die tot de opvolging in het vorstendom Detmold is toegelaten trots een betwiste afkomst. Of mogelijk zal de kroon, met schending der Salische wet, overgaan op de oudste dochter van Willem, prinses Marie.

Naar recht en billijkheid zou alleen aan het Luxemburgsche volk de vrijheid toekomen, om over zijn lot te beslissen in de ernstige vraag, die de vrijheid tot inzet heeft. Maar er moet rekening worden gehouden met twee groote mogendheden, de buren Frankrijk en Duitschland, die zich beide, hoewel dan op verschillende manier, met de toekomst van het groothertogdom bezighouden.

Frankrijk, land van vrijheid en vooruitgang, dat elken dag meer gehecht raakt aan den europeeschen vrede, maar een waardigen vrede, heeft geen andere eerzucht en geen ander belang, dan dat de onafhankelijkheid en de neutraliteit van Luxemburg worden geëerbiedigd, zooals die zijn vastgesteld door de Conventie van Londen van 7 Mei 1867.

Pruisen daarentegen heeft al meer dan zeventig jaren zijn best gedaan, om den invloed van Duitschland in het groothertogdom te doen toenemen. Er zijn bewijzen te over van dat langzame en gestadige voortdringen, die vreedzame indringing op alle terreinen, de politiek, het militaire terrein en de economie. De toetreding van Luxemburg tot het Zollverein van 1842; het recht om garnizoen te leggen in de stad Luxemburg, waarvan het terugtrekken, door het tractaat van Londen geëischt, voor Duitschland, zooals het Parlement zelf erkende, was „een dwang om de lijn van defensie achteruit te doen wijken en een sinds vijftig jaren duitsche stad op te geven”; het verkrijgen door de Duitschers van de strategische spoorwegen in het groothertogdom in 1871; de verplichting voor de Luxemburgers, om duitsche onderdanen te aanvaarden als controleur-generaal en directeur van de douane; het verbod aan Frankrijk, om per spoor zijn grondgebied met dat van Luxemburg te verbinden; de verspreiding door allerlei middelen van de duitsche taal onder het volk; dat zijn alle evenveel feiten die toonen, dat het bezit van Luxemburg een der vurigste begeerten van Pruisen is. Wij kunnen te dien opzichte niet den minsten twijfel koesteren. Duitschland tracht de luxemburgsche belangen te dienen, om te eeniger tijd aan het landje de noodzakelijkheid op te leggen, zich bij den grooten buur aan te sluiten.

Frederik II heeft eens gezegd, dat de politiek van overheersching tot voornaamste grondbeginsel heeft de noodzakelijkheid om vasten voet te krijgen in het land, wat de eerste, maar ook de moeilijkste stap is tot de verovering. De rest wordt beslist door de wapens, dat is door het recht van den sterkste. Die politieke regel van den koning van Pruisen past Duitschland sedert zeventig jaren toe bij de verovering van het groothertogdom, dat steeds meer onder duitschen invloed komt.

Indien tot op heden Luxemburg nog niet het tooneel is geweest van militaire operaties voor fransche en duitsche legers, met uitzondering dan van het beleg en de inneming der hoofdstad door Vauban in 1684 en door het Moezelleger in 1795, het is zeker, dat in de toekomst dit landje bestemd is een rol te spelen in een eventueel conflict tusschen Frankrijk en Duitschland.

De wijziging, die bij den vrede van Frankfort is gebracht in onze oostgrens, geeft aan het groothertogdom een militaire beteekenis, oneindig grooter dan het had vóór dat ongelukkige vredesverdrag, dat ons heeft beroofd. Vóór 1870 zou een inval in Frankrijk van een duitsch leger door Luxemburg, waarvan dan de neutraliteit zou zijn geschonden, zonder twijfel gemakkelijk zijn tegengehouden door onze vestingen in Lotharingen. Thans zijn diezelfde vestingen in de macht van Duitschland. Onze nieuwe verdedigingslinie, die zich van Verdun tot de belgische grens uitstrekt, zon stellig den vijand, die daarvan best op de hoogte is, een veel minder sterken weerstand bieden dan de defensieve stelling van Verdun tot Toul, van Toul tot Epinal en van Epinal tot de zwitsersche grens. Hoe kan men nalaten te veronderstellen, dat in die omstandigheden de Duitschers van dien staat van zaken gebruik zouden maken, door met een aanval door de opening aan de Maas den inval op luxemburgsch grondgebied te vereenigen? Ze zouden dan de werken vermijden van ons groot defensief front in Lotharingen, waartegen men niet anders zou kunnen optreden dan ten koste van groote opofferingen. De kans op zulk een krijgsplan heeft niets, dat verwonderlijk zou zijn; in de fransche militaire milieu’s is men er volkomen op voorbereid, zooals blijkt uit de geleerde en nauwgezette studie, die over dit onderwerp is geleverd door een van onze knapste officieren, den heer Gélinet, achter wiens autoriteit wij ons verschuilen voor de hier gemaakte opmerkingen. Het is trouwens geen gewaagde veronderstelling, want het is ook die van de hoogste militaire autoriteiten in België, en van generaal Brialmont in het bijzonder, die de quaestie van belgisch standpunt heeft onderzocht. Ik laat het aan het oordeel van mijn lezers over, zich voor te stellen, hoezeer de zaak nog te vereenvoudigen zou wezen voor den grooten staf te Berlijn, als Luxemburg binnen niet te langen tijd een duitsch groothertogdom kon worden!

De stad Luxemburg, die vroeger versterkt is geworden door onzen grooten ingenieur Vauban, is sedert de ontmanteling van de vesting niet meer berekend voor de eischen van de moderne verdediging en niet opgewassen tegen de nieuwe bewapening der europeesche mogendheden, zoodat ze kan worden gebombardeerd. Maar door den aard van het terrein kon men de vesting ondanks het tractaat van Londen niet ontmantelen, zoodat het altijd gemakkelijk zal zijn, er ten minste de oude verdedigingswerken weer in hun functies te herstellen. Door de talrijke spoorwegen, die er samenkomen, is de stad altijd een strategisch punt van beteekenis, en daarom alleen zou de plaats reeds verklaren, waarom Duitschland zoozeer op het groothertogdom gesteld is. Ieder weet welk een voorname rol de spoorwegen in tijd van oorlog spelen. De snelheid van troepenconcentratie is het zekerste element van succes, en de vèrdragende wapens, waarover alle mogendheden beschikken, vereischen voor de groote massa’s, waarmee in den modernen oorlog wordt gewerkt, groote bewegelijkheid, die alleen door de spoorwegen kan worden mogelijk gemaakt. „Eile bringt im Kriege Heil”, zegt een duitsch spreekwoord, en een snelle concentratie van de troepen kan soms hun numerieke minderheid goedmaken.

Heeft Luxemburg een spoorwegnet, waardoor in korten tijd in het groothertogdom aanzienlijke strijdmachten kunnen worden samengebracht? Als die vraag bevestigend moet worden beantwoord, welke van de beide naburige mogendheden, Frankrijk of Duitschland, zou dan dien machtigen factor voor een strijdvoerend leger kunnen gebruiken? Die vraag treedt natuurlijk op den voorgrond.

Laat ons een blik slaan op een kaart van het spoorwegnet der luxemburgsche spoorwegen en hun aansluitingen op aangrenzende landen. Weinig vestingen hebben de beschikking over een systeem van spoorwegen zoo uitgebreid als dat van de stad Luxemburg, die op het kruispunt is gelegen van negen groote wegen, op 40 kilometer afstand van Trier en 29 kilometer van Diedenhofen of Thionville. Men kan nagaan van hoeveel belang het voor Pruisen zou zijn, om in tijd van vrede de exploitatie in handen te hebben van al die spoorlijnen, die de stad verbinden met vestingen van de belangrijkheid als Aken, Keulen, Koblenz, Mainz, Thionville en Metz, en die het mogelijk maken, snel naar Luxemburg aanzienlijke troepenmassa’s te vervoeren en oorlogsmateriaal. Welnu, de Duitschers hebben handig zich de concessies weten te verschaffen van de regeering van het groothertogdom op het meest geschikte oogenblik, namelijk in 1871, toen wij in druk verkeerden. Onder het oog van den overwinnaar liepen de onderhandelingen omtrent die concessie vlot genoeg; het ging voor Pruisen gemakkelijk en snel, en tegelijk wist men duitsche onderdanen te benoemen als directeur en contrôleur-generaal van de douanen in het groothertogdom. Ten slotte was het resultaat, dat de vier groote buitenlijnen van Luxemburg, die dubbel spoor hebben en uit strategisch oogpunt van belang zijn, aan Duitschland behooren, evenals de zijlijnen, die op een der lijnen aansluiten naar de bedreigde fransche grens. Die lijnen daarentegen, die om de stad Luxemburg loopen en slechts een zuiver plaatselijk belang hebben, zijn in het bezit van belgische en zwitsersche maatschappijen.

Door een bepaling in het tractaat van Frankfort, die wel een weinig moet verbazen en waarvan de bedoeling nu te beter uitkomt, nu men er niets meer aan veranderen kan, heeft Frankrijk, hoewel grenzend aan het groothertogdom, zich moeten verbinden, om aan onze Oosterspoorwegmaatschappij nooit een nieuwe lijn toe te staan, die het fransche net zou doen aansluiten aan het luxemburgsche. Door die bepaling is het Duitschland gelukt, Frankrijk te isoleeren van het groothertogdom en gedurende meer dan twintig jaren kon men zich niet naar Luxemburg begeven dan over Arlon in België of over Metz, dat duitsch was geworden, wat meer dan een dag reizens vorderde!

Zoo ziet men duidelijk, wat de bedoeling van Duitschland was, en van hoe groot belang het bezit van Luxemburg voor dat land zou zijn. Het luxemburgsche land zou voor de Duitschers een operatiebasis wezen over de zuidelijke hellingen van de Ardennen, die hun vergunnen zouden, op fransch grondgebied te komen langs twee even gemakkelijke toegangswegen in de richting van Longuyon, den eenen door het hooge dal van de Chiers over Longwy, en den anderen over de bronnen van de Alzette en de opening van Tiercelet, het gat, dat altijd als zoo gevaarlijk is beschouwd voor Frankrijk, vooral vóór 1867. Toen inderdaad Luxemburg nog niet neutraal was, dreigde daar groot gevaar, maar sedert het verdrag van Londen het terugtrekken van het pruisische garnizoen heeft gelast, heeft die opening veel van haar belangrijkheid verloren.

De groote verdedigingswerken die Duitschland heeft laten aanleggen in Elzas-Lotharingen, de vele troepen, die ’t er heeft samengebracht, de groote strategische wegen, die het erop heeft doen uitloopen, toonen wel aan, dat het plan van de Duitschers niet is, hun prachtige operatiebasis van Straatsburg naar Saarburg en van Saarburg naar Diedenhofen op te geven, aan welker gebruik zich zoo nauw een inval vastknoopt door Luxemburg.