Chapter 1 of 5 · 3994 words · ~20 min read

Part 1

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 312 IN DE KLAUWEN VAN EEN WOEKERAAR.

IN DE KLAUWEN VAN EEN WOEKERAAR.

HOOFDSTUK I.

BERICHTEN VAN DR. FOX.

De kleine, warm getinte eetzaal van een fraai heerenhuis in de Regent Street was slechts verlicht door een electrische staanlamp, in een hoek van het vertak achter een schuin geplaatste sofa geplaatst.

De ronde kap, van zijde vervaardigd, hield het licht naar boven tegen, en de stralen vielen alleen op de sofa, en een gedeelte van den vloer.

De tafel, in het midden van de kamer, was zooeven afgeruimd door een ouden kamerbediende met spierwit haar en gebogen rug.

Hij had geruischloos de deur achter zich dicht getrokken, na op een kleine, ronde tafel voor de sofa een zilveren blad met likeur, koffie en sigaren te hebben neergezet.

In een hoek van het zooeven genoemde meubel zat een man in de kracht van zijn leven, met aan de slapen lichtelijk grijzend haar, scherp gesneden trekken en een gelaat, dat ontembare energie verried.

De grijze oogen, onder de fraai geteekende wenkbrauwen, soms koud en hard als staal, konden nu en dan eensklaps wonderlijk schitteren.

De neus was lang en recht, de lippen waren krachtig besneden, het voorhoofd was buitengewoon hoog.

Het lichaam van dien man, ofschoon hij gezeten was, toonde in iedere spier, in iedere beweging de voorliefde van zijn bezitter voor sport.

Die man was John Raffles, in dit fraaie huis wonende onder den naam van Lord William Aberdeen—een der meest bekende philantropen van Londen en wellicht van geheel Engeland.

Tegenover hem, in een lagen, gemakkelijken stoel, was een jonge man gezeten, die in bijna alles zijn tegendeel was.

Hij was vrij wat kleiner, zijn ledematen waren sierlijk, zijn gelaat rond en blozend, zijn oogen waren blauw, en keken vroolijk de wereld in.

Het was Charly Brand, de trouwe vriend van den Gentleman-Inbreker, die hem op bijna al zijn tochten vergezelde, maar in dit huis, en voor vreemden, niemand anders was dan de secretaris van Zijne Lordschap.

De beide mannen hadden bij uitzondering tehuis gedineerd.

Meestal gebruikten zij den maaltijd in een der groote hotels, of wel in de restauratie van de Windsor Club, waarvan Lord Aberdeen vice-president was, en welke kon bogen op het bezit van een kok, zooals men er te Londen slechts weinig aantrof.

De twee vrienden hadden reeds eenigen tijd zwijgend tegenover elkander gezeten, toen Charly Brand eindelijk zeide, na een langen haal aan zijn sigaar:

—Je moogt zeggen wat je wilt, Edward—maar dit heeft toch ook zijn aantrekkelijkheden!

—Je bedoelt, dat het zitten bij de lamp, na een goed diner, après tout minstens even goed is als een verblijf in een der cachotten aan boord van Zijne Majesteit’s „Memphis”! antwoordde Raffles met een spottend glimlachje.

—Ongetwijfeld! Het was allesbehalve aangenaam, en ik was hartelijk blijde, dat het slechts zoo kort geduurd heeft! En daarna de terechtzitting te Madras! En wie weet, wat er van ons terecht zou zijn gekomen, als niet die brave Henderson, je trouwe chauffeur, ons bijtijds te hulp was gekomen!

—Ja, het was een ontsnapping op het nippertje, dat is zeker, zeide Raffles peinzend.

—En daarom heb ik niet geheel en al ongelijk, als ik zeg, dat deze rust op zijn tijd ook niet te versmaden is!

—Ik apprecieer haar, mijn waarde! hernam Raffles. Maar onder deze voorwaarde, dat zij niet te lang duurt! Bij wijze van afwisseling kan ik haar slechts waardeeren!

Een kort klopje op de deur deed hem ophouden.

De deur ging open en Gaston, de oude kamerbediende, trad binnen, met de avondbladen.

Hij legde ze zwijgend op de kleine tafel neder, en verdween even onopvallend als hij was gekomen.

—Een voortreffelijke bediende! zeide Charly op zachten toon, toen de deur weder gesloten was.

—Ja, juist een man als Raffles er een noodig heeft! bekende Raffles glimlachend. Hij is mij tot den dood toegedaan, omdat ik hem lange jaren geleden eens een van die diensten heb kunnen bewijzen, welke een fatsoenlijk man nimmer vergeet. Hij is niet nieuwsgierig, hij weet te zwijgen, hij is matig, hij bemoeit er zich volstrekt niet mede, of ik om twaalf, dan wel om vier uur des nachts tehuis kom—kortom—hij is een automaat—maar een automaat met een hart van goud!

—Zou Gaston nooit getwijfeld hebben aan je dubbelleven? vroeg Charly fluisterend.

Raffles dacht even na, en antwoordde toen:

—Ik geloof het niet. Hij verlaat het huis bijna nooit. Spreken met den kok, die hier trouwens slechts enkele uren per dag werkzaam is, doet hij nooit. Maar zelfs als hij ooit iets zou vermoeden, dan geloof ik stellig, dat hij liever zijn tong zou afbijten, dan mij verraden! Maar ik herhaal—het komt mij hoogst onwaarschijnlijk voor, dat Gaston iets vermoedt! En laten wij nu de avondbladen maar eens inzien!

—Denk er om, dat wij hebben beloofd, om negen uur in de Windsor Club te zijn, zeide Charly, na een blik op de klok te hebben geworpen. Het bestuur vergadert.

—Ik zal het niet vergeten, mijn jongen, hernam Raffles, terwijl hij een der gebrachte avondbladen ter hand nam.

Charly volgde zijn voorbeeld, en spoedig waren beiden in de lezing van hun geliefkoosd blad verdiept—Raffles in de „Times”, Charly in de „Daily Telegraph”.

De twee vrienden hadden ternauwernood tien minuten gelezen, of zij slaakten bijna tegelijkertijd een kreet, waarin woede zoowel als teleurstelling en minachting te hooren waren.

—Ontsnapt! riep Charly.

—Voor de tweede maal! zeide Raffles.

—En thans niet uit de gevangenis, maar uit den trein, op weg naar de groote inrichting van Sing-Sing! hernam Charly woedend. En wij dachten voor goed van dien schurk af te zijn!

—Ik heb altijd wel gezegd, dat die Dr. Fox, de niet lang geleden gekozen nieuwe chef van het Genootschap van den Gouden Sleutel, niet voor zijn voorgangers, Professor Shydrift en Professor Nicholson behoefde onder te doen! liet Raffles zich hooren, terwijl hij het blad mistroostig wegwierp.

En Raffles had wel gelijk, kwaad gestemd te zijn!

Dr. Fox was zijn doodsvijand.

Maanden geleden was deze man benoemd tot aanvoerder van het Genootschap van den Gouden Sleutel, een bond van misdadigers van de ergste soort, die zijn leden over de geheele wereld telde, in Europa zoowel als in Amerika, in Azië evengoed als in Australië, en waarbij zoo goed als alle dieven- en moordenaarsbenden der aarde waren aangesloten.

Herhaaldelijk was Raffles reeds in aanraking met dezen schurk gekomen, den „Meester”, zooals zijn onderdanen hem noemden.

De strijd tusschen deze beide mannen was vreeselijk—het ging om hun leven!

Een paar malen hadden zij persoonlijk tegenover elkander gestaan, maar tot dusverre had de Meester telkens weten te ontvluchten, juist op het laatste oogenblik, als Raffles de val reeds had opgezet, en het plankje op het punt stond, achter het muisje dicht te klappen!

Dr. Fox had den Gentleman-Inbreker eenige keerer in zijn macht gehad, maar ook aan Raffles was het gelukt zich uit zijn klauwen te bevrijden.

Langen tijd had de Meester zijn identiteit voor de politie verborgen weten te houden, maar door toedoen van zijn doodsvijand was deze ten leste toch bekend geworden.

Toen was Dr. Fox zoo goed als vogelvrij verklaard, en alleen aan zijn vermommingskunst had hij het te danken, dat hij nog niet gevat was.

Daarop volgde een reeks van avonturen in Amerika, met name te New-York, waar een pas gestichte bende, die van „Het Kwade Oog”, schrik en ontsteltenis verspreidde.

Raffles, Charly Brand en de trouwe Henderson, de chauffeur van den Grooten Onbekende, hadden daar meermalen in doodsgevaar verkeerd, in hun pogingen, om de stad te bevrijden van deze vreeselijke plaag.

Dit was hun eindelijk gelukt, en Dr. Fox behoorde tot de honderden gevangenen die de politie had kunnen maken.

Den volgenden dag was hij echter ontvlucht, met de hulp van eenige medeplichtigen.

Raffles begon zijn arbeid opnieuw, en weder werd de gevaarlijke boosdoener, die uit Londen naar New-York was gekomen, om daar persoonlijk behulpzaam te zijn bij de bestrijding van den Grooten Onbekende, gearresteerd.

De beide vrienden hoopten, dat Dr. Fox nu toch wel voor goed zou zijn opgeborgen, en dat hij na zijn straf in Amerika te hebben uitgezeten wegens de daar gepleegde misdrijven, naar Londen zou worden overgebracht, waar hij onherroepelijk aan den beul zou vervallen, daar hij eigenhandig minstens drie menschen om het leven had gebracht.

En nu brachten de bladen het bericht, dat de sluwe misdadiger er in geslaagd was, geholpen door een bende soortgenooten, uit den trein te ontsnappen, die hem naar de gevangenis van Sing-Sing had moeten brengen.

Raffles en Charly zaten geruimen tijd zwijgend tegenover elkander.

Het bericht had hen meer geschokt, dan zij zich zelven wilden bekennen, want het beteekende opnieuw groot gevaar en onrust.

Dr. Fox was er de man niet naar, zijn gevangenneming ongewroken te laten, en hij zou stellig dadelijk alles in het werk stellen, om naar Londen terug te keeren, nu hij uit de bladen kon weten, dat Raffles, na een gevaarvol avontuur in den Indischen Oceaan, waarbij hij in handen der Britsch-Indische politie was gevallen, zijn vrijheid had weten te herkrijgen, en zeker weder naar de Engelsche hoofdstad zou zijn teruggekeerd.

De Meester zou zich aanstonds weder aan het hoofd zijner bende volgelingen plaatsen, en de strijd zou opnieuw ontbranden, thans feller dan ooit.

Want de beide vijanden hadden maar al te goed begrepen, dat een hunner op deze wereld te veel was.

Raffles was opgestaan, en liep langzaam het vertrek op en neder, met de handen in de zakken en het hoofd naar den grond gekeerd.

Nu wendde hij zich met een ruk tot Charly, die hem met den blik had gevolgd en zeide op vasten toon:

—Wij moeten ons voorbereiden op een strijd op leven en dood, Charly. Maar ik aarzel niet! Ik heb Shydrift en Nicholson weten te overwinnen. De eerste heeft den dood gevonden bij zijn pogingen, mij van het leven te berooven. Nicholson heeft zijn misdaden aan de galg geboet. En ook met Dr. Fox zullen wij het wel klaarspelen!

—Geloof je, dat hij naar Londen zal terugkeeren?

—Ik twijfel er niet aan. Hier wacht hem zijn taak als aanvoerder van de bende misdadigers, die onder zijn bevelen staan—en dan: de wraak is een sterke prikkel!

—Maar hij kan toch onmogelijk van een gewoon schip gebruik maken?

—Dan zou hij zich aan groot gevaar blootstellen! Neen, ik vermoed, dat hij wel gebruik zal maken van het vaartuig van een der leden van de bende van het Kwade Oog! Velen hunner zijn rijk en hebben zeewaardige jachten. Want wij moeten ons niet vleien met de verwachting, dat er nu eensklaps een einde is gekomen aan het bestaan van die bende, alleen maar, omdat er vele honderden leden onschadelijk zijn gemaakt, en men tenslotte den Moloch, den geheimzinnigen aanvoerder, heeft weten te ontmaskeren! Eens zal zij weder het hoofd opsteken!

—Nu, dan kunnen wij ons weder naar de overzijde van den „grooten haringvijver” begeven, en opnieuw beginnen, meende Charly.

—Dat neem ik mij stellig voor, zeide Raffles bedaard. Het is verreweg de netste sport, welke ik ken. Zelfs het jagen op den tijger in de Indische jungles haalt er niet bij!

—Het jagen op de New-Yorksche misdadigers is alleen maar een weinig gevaarlijker, hernam Charly glimlachend.

Hij wierp nogmaals een blik op de pendule en hernam, terwijl hij haastig opstond:

—Nu is het waarlijk tijd, Edward!

—Ik ben tot je dienst, Charly!

De beide vrienden verlieten het vertrek.

Zij waren reeds in den rok, en behoefden niets anders te doen, dan door de huistelefoon Henderson te waarschuwen, opdat hij met de groote limousine zou voorkomen.

Tien minuten later reden de beide mannen in de prachtige, blauwe auto naar het clubgebouw in de Oxford Street.

HOOFDSTUK II.

MEN ZEGT...

In de groote conversatiezaal van de Windsor Club waren een tiental heeren bijeen, die allen bij den haard zaten, waarin een groot vuur vlamde.

De avonden waren nog zeer kil, en het weder, na geruimen tijd warm te zijn geweest, was omgeslagen.

Er stond een electrische lamp op den monumentalen schoorsteen, die haar gedempt licht wierp over de groep leden, die alle in gemakkelijke, lederen leunstoelen gezeten waren.

Er werd weinig gesproken, en sommige heeren schenen zelfs in slaap gevallen te zijn.

Zij lagen languit in hun stoel, met de armen slap nederhangend langs de zijden van dit meubel.

De deur ging open en Raffles trad binnen, op den voet gevolgd door Charly Brand.

De twee mannen bleven even op den drempel van de deur staan, en wierpen een blik om zich heen.

Er zaten slechts weinig leden aan de groote leestafel, die in het midden van de groote zaal geplaatst was.

Dezen hadden zelfs niet opgekeken toen de deur open ging, maar rustig hun lectuur voortgezet.

Raffles en Charly wendden hun schreden naar den haard, waar zij met moeite nog een paar stoelen konden vinden.

Zij staken een sigaret op, en Raffles begon:

—Ik weet het niet, mijne heeren, maar ik heb het gevoel, alsof wij een gesprek storen! Behandelt gij soms een staatsgeheim?

—Dat juist niet, Mylord! antwoordde een dikke heer, de bankier Wynn, die het dichtst bij Raffles gezeten was, en op een geweldige sigaar kauwde. Als gij ons wat zwijgend aantreft, dan komt dat eenvoudig, omdat het onderwerp van ons gesprek niet van de aangenaamste soort was!

—Ah, ik begrijp het al, zeide Charly lachend. De heeren hebben over de aanstaande verkiezingen gesproken!

—Gij vergist u, mijnheer Brand, liet de sleepende stem van graaf Sanderson zich hooren, een der oudste leden van de club, die haar mede had opgericht. Het ging niet over politiek! Bovendien—de verkiezingen zijn gelukkig nog ver!

—Een paniek op de beurs? hernam Charly, zich tot den bankier wendende.

—Neen, mijn waarde! antwoordde Wynn. De beurs is all right! Wij spraken slechts over dien armen Bob Spencer!

De bankier noemde den naam van een der jongste leden der club, wiens vader kolonel Herbert Spencer, in den grooten oorlog gesneuveld was, en voordien eveneens lid van de Windsor Club was geweest.

—Wat is er met Robert Spencer? vroeg Raffles belangstellend.

—Wat er is, Mylord? Men zegt, dat de arme kerel zich hedenmorgen van het leven heeft willen berooven, en dat zijn bediende nog juist bijtijds kwam, om het hem te beletten! antwoordde Wynn.

—Wat zegt gij daar! riep Raffles ontsteld uit. Die jonge, fiksche kerel? Hoe is dat mogelijk?

—Een ongelukkige liefde misschien? waagde Charly.

—Neen, dat is het niet, zeide Wynn hoofdschuddend. Het moet een geldkwestie zijn.

—Vertel het mij eens, zeide Raffles op ernstigen toon. Als vice-president van deze club stel ik natuurlijk belang in de aangelegenheden van al onze leden en zeker als zij van zulk een groot gewicht zijn!

De dikke bankier krabde zich eens achter het oor, en begon:

—De zaak is, dat Bob Spencer in een leelijk parket zit, in finantieel opzicht! Het is u misschien bekend, Mylord, dat die jonge snuiter, toen zijn vader nog rijk was, de waarde van het geld niet al te goed kende, en maar raak verteerde! Daar kwam natuurlijk een einde aan, toen de oorlog uitbrak, en Robert als tweede luitenant naar Frankrijk trok. Maar intusschen was het kwaad geschied! En alles zou nog wel terecht zijn gekomen, als de arme kolonel niet zoo onverstandig was geweest, ondanks mijn raad, zijn geld te beleggen in Hongaarsche spoorwegen en Russische papieren! Dat was, zooals gij zult begrijpen, vóór den oorlog. Het was een val van geweld, toen de Sovjetregeering eenvoudig verklaarde, de rente van die papieren niet te zullen uitbetalen, en de Hongaarsche effecten niet veel meer waard waren dan scheurpapier.

De bankier wachtte even, om een teug van zijn wisky-soda te nemen, en vervolgde toen:

—Toen dat gebeurde was kolonel Spencer reeds gevallen. Robert had gemeend, met het kapitaal van zijn vader, als dat eenmaal zou worden uitbetaald, zijn schulden gemakkelijk zou kunnen betalen—en ik verzoek u, te gelooven, dat zij zeer hoog waren! Dat is trouwens een publiek geheim. Om aan geld te komen, had Bob—zijn brave vader hield er zeer strenge denkbeelden op na—zich tot een geldschieter gewend, die niet veel beter dan een gemeene woekeraar bleek te zijn, een schurk die zijn klanten vilde! Hij teekende, en hij teekende maar—altijd maar nieuwe wissels, die maar altijd geprolongeerd werden—tegen een ongelooflijk hooge rente, want die schavuit van een geldschieter rekende er natuurlijk vast op, dat hij zijn geld later dubbel en dwars zou terug krijgen!

Wynn deed een langen haal aan zijn sigaar, zuchtte even en besloot:

—Toen kwam die mededeeling uit Petrograd. De groote „krach”! Honderden gingen over den kop. De weduwe, de zoon en de dochter van kolonel Spencer hadden als eenig bezit nog maar een klein landhuis, waar de oude vrouw rustig haar dagen meende te kunnen slijten—tenminste dat geloofde zij! Maar dat huis was al zoo zwaar verhypothekeerd, dat eigenlijk geen steen hun nog toebehoorde! Ook het werk van dien woekeraar! Wel—en hier is de geschiedenis uit! De kerel, die nu wel ziet, dat zijn berekeningen falikant zijn uitgekomen, legt Bob de duimschroeven aan, en wil geld zien! En Bob heeft het niet! Hij rekent op de opbrengst van een onnoozele zilvermijn, ergens bij Tehunantepec, in Mexico, maar voor er uit die mijn iets gehaald wordt, kan er nog heel wat water door het Kanaal stroomen!

—En dus daarom...? vroeg Raffles zacht.

—Daarom greep hij vanmorgen naar zijn scheermes, in een aanval van krankzinnige wanhoop, en als zijn bediende niet juist bijtijds was toegesneld, dan zou hij nu niet meer leven! De brave kerel, die al jaren in dienst van den kolonel was geweest, laat den jongen nu niet meer uit het oog!

—Maar woont Bob dan nu in Londen? vroeg graaf Sanderson. Gij zeidet zooeven, Wynn, dat zijn familie een landhuis bewoont?

—Robert Spencer woont reeds weder een half jaar hier, antwoordde Wynn. Hij heeft kamers in Grosvenor Square. Wat zijn moeder en zuster betreft—die hebben juist gisteren het huis moeten verlaten—want over een week komt het onder den hamer!

—Dat zal den armen kerel tot zijn wanhoopsdaad hebben aangedreven! mompelde Raffles half voor zich heen.

Hij wierp een blik achter zich, liet zijn stem dalen en vervolgde:

—Vergis ik mij, of is de zuster van Robert Spencer verloofd met een lid van onze club? Met Martin Clyde, naar ik meen!

—Zoo is het, Mylord! antwoordde Wynn.

—Weet Clyde het? Ik meen, dat het gezin van zijn aanstaande vrouw voor een finantieel debacle staat?

—Het is op de beurs algemeen bekend, Mylord! gaf Wynn schouderophalend te kennen.

—Is Clyde rijk?

—Hij is welgesteld—meer niet.

—Hij heeft zich nog niet lang geleden gevestigd als geneesheer, liet de sleepende stem van graaf Sanderson zich hooren.

Raffles bleef een oogenblik in gedachten zitten, en hij scheen een vraag te willen stellen, maar bezon zich, stond op, en zeide op meewarigen toon:

—Een zeer treurige zaak! Ik hoop van harte, dat zich nog een uitweg moge voordoen, want die jonge man had mijn sympathie—al is hij dan zeker wel wat heel lichtzinnig omgegaan met geld, waarvan hij nog niet zeker was!

Hij gaf Charly een voor de anderen onmerkbaren wenk, en beiden drentelden langzaam door de groote zaal, gingen de biljartzaal binnen, staken ook deze over, en kwamen zoo weder op de breede gang, waaraan ook het particuliere spreekvertrek van den vice-president der club gelegen was.

Zij traden er binnen en Raffles maakte licht.

Daarop wierp hij zich in een stoel, stak de hand uit naar de doos met Russische sigaretten, welke hier altijd gereed moet staan, en rookte eenigen tijd zwijgend.

Toen richtte hij zich op, en zeide:

—Ik heb zooeven bijna naar den naam van dien woekeraar gevraagd, maar mij bezonnen. Het is niet noodig, dat de andere leden vermoeden, welk belang ik in deze zaak stel, en dat ik voornemens ben, dien bloedzuiger eens een lesje te geven! Wij zullen den man ook zoo wel uitvinden!

—Dat zal heel gemakkelijk gaan, dunkt mij, gaf Charly toe.

—Het is en blijft een zonderlinge maatschappij, welker inrichting het mogelijk maakt, dat een jonge man, in de kracht van zijn leven, den dood zoekt, om te ontkomen aan den greep van een anderen man, die reeds met één voet in het graf staat! En alleen om geld! hernam Raffles met een ironischen glimlach. Aan den anderen kant—delgt men een schuld niet uit, door de hand aan zich zelf te slaan! Ik had eigenlijk meer karakter van den jongen Spencer verwacht!

—Een oogenblik van waanzin! vergoelijkte Charly. Bedenk, dat men het huis, waar zijn geslacht misschien vele eeuwen achtereen heeft gewoond, boven het hoofd zijner moeder wil verkoopen!

—Ik erken, dat het een vreeselijke gewaarwording moet zijn—en vooral, wanneer men er voor een groot gedeelte zelf schuld aan heeft! zeide Raffles peinzend. Nu, wij zullen zien, wat hier nog aan gedaan kan worden! In ieder geval moeten wij den naam van dien woekeraar weten. Ik zou je dus willen verzoeken, Charly, spoedig een onderzoek in te stellen, maar zoo, dat mijn naam buiten spel blijft. Het is gemakkelijker voor ons, zoo lang mogelijk anoniem op te treden—want wie weet moeten wij wel tot groote middelen onze toevlucht nemen—en dat gaat voor Lord Aberdeen bezwaarlijk—voor John Raffles daarentegen zeer gemakkelijk!

—Morgen zul je den naam weten!

—Ik reken op je!

Raffles wierp een blik op zijn horloge en vervolgde:

—Kom—het is bijna tijd voor de bestuursvergadering!

HOOFDSTUK III.

HET KARAKTER VAN STEPHEN ROSS.

Een gewone huurauto stond stil vóór een smal, somber huis in de Bishop Street.

Naast de deur van dat huis was een koperen plaat bevestigd, waarop de naam „Stephen Ross, commissionair in effecten”.

De smalle ramen hadden groezelige ruiten, en steeds waren daarachter de gordijnen half neergelaten.

De chauffeur van de huurauto reikte met de linkerhand achter zich en opende het portier.

Een jong meisje, eenvoudig maar smaakvol gekleed, stapte uit, betaalde den chauffeur en zond hem weg.

Zij trad op de deur toe, en belde aan.

Nadat zij eenigen tijd had gewacht, werd de deur geopend door een ouden bediende met een smal, ingevallen gelaat en waterblauwe oogen.

Hij keek het meisje even verbaasd aan, en vroeg toen:

—Wat is er van uw dienst, miss?

—Ik wensch mijnheer Ross te spreken, antwoordde het meisje. Hij verwacht mij.

—Uw naam?

—Lucy Spencer!

—Ik zal u aandienen, hernam de bediende, steeds met dien blik van verwondering in zijn oogen met den flauwen blik.

Hij liet de bezoekster in een soort wachtkamertje binnengaan, armoedig gemeubeld met een kleine tafel en een viertal stoelen, waarvan de zittingen tot op den draad versleten waren.

Aan een der wanden hing een spiegel in een houten lijst, en daarnevens een paar afschuwelijk leelijke oliegravures.

Het meisje wierp tersluiks een blik in den spiegel, en zij scheen van haar bleekheid te schrikken.

Zij zuchtte diep en liet zich op een stoel nedervallen.

De bediende wierp haar nog een blik toe, scheen iets te willen zeggen, bedacht zich en ging hoofdschuddend heen.

Lucy Spencer bleef alleen.

Zij haalde een klein briefje uit haar wandeltasch en las het vluchtig door.

Toen frommelde zij het samen en stak het haastig weder weg.

Zij bevochtigde haar droge lippen met de tong en staarde door het beslagen venster, schijnbaar zonder iets te zien.

Vijf minuten verstreken.

Toen keerde de bediende weder terug, en verzocht haar, hem te willen volgen.

Hij geleidde haar door de smalle vestibule naar een eikenhouten wenteltrap, welke hij tot de eerste verdieping besteeg.

Daar gekomen klopte hij op een deur, waarop met half uitgewischte letters het woord „Kantoor” geschilderd stond, en deed de deur voor de jeugdige bezoekster open.

Lucy Spencer scheen op den drempel te aarzelen.

Toen scheen zij een vast besluit te nemen en trad binnen.

Geruischloos deed de knecht de deur weder achter haar dicht.

Het jonge meisje stond in een tamelijk groot vertrek, dat blijkbaar de geheele breedte van het huis besloeg.

Dicht voor de beide ramen stond een groot, ouderwetsch schrijfbureau van gepolitoerd mahoniehout.

Tegen den muur was een vrij groote brandkast geplaatst, een sterk, modern meubel.

Op den vloer lag een ordinair zeil, op sommige plekken kaal gesleten.

Een roodgloeiend gestookte potkachel verspreidde een benauwde warmte in het vertrek.