Part 2
Het meubilair bestond uit een paar stoelen met rood trijpen zitting, een lederen fauteuil, dicht naast de schrijftafel geschoven, en een paar kleine loketkasten.
Vóór het bureau was de man gezeten, die zich voor effectenhandelaar uitgaf, maar inderdaad een bankier van het slechtste allooi was, een woekeraar van de ergste soort—Stephen Ross.
Hij was een kleine, magere man, met een puntschedel, waarop slechts hier en daar een weinig groezelig grijs haar in plokjes bijeen stond.
Zijn zwarte oogen hadden een onzekeren blik, en telkens scheen zijn blik naar andere zaken af te dwalen als hij met een bezoeker in gesprek was.
Zijn leelijk, vaal gezicht was glad geschoren, op een dunne, rafelige snor na, die sluik onder den grooten, scherpen neus nederhing.
Hij was wat hoog in de schouders en zat daar achter zijn bureau als een groote neushoornvogel op zijn stok in een kooi.
Ross legde dadelijk de pen neder, waarmede hij een groot vel papier beschreef, en kwam handenwrijvend en met een zoetelijken glimlach om de dunne lippen van achter zijn bureau te voorschijn, teneinde zijn bezoeksters te begroeten.
—Blij, dat gij gekomen zijt, miss Spencer! zeide hij met een krakende, schelle stem. Heel verstandig van u! Het was het beste wat gij doen kondt! Neem plaats, wat ik u verzoeken mag!
Hij schoof den fauteuil wat terzijde en maakte een uitnoodigend gebaar met zijn dorre, pezige rechter hand.
Daarop wipte hij weder op zijn kantoorstoel, met een aapachtige vlugheid, die men hem niet zou aanzien, en keek het jonge meisje aandachtig aan door de glazen van een groote, in een hoornen montuur gevatte, lorgnet.
Lucy Spencer sloeg de oogen neder voor den stekenden blik der kleine, zwarte oogen en schoof onrustig op haar stoel op en neer.
Toen begon zij met haperende stem:
—Ik heb uw briefje ontvangen, mijnheer Ross, waarin gij mij hebt uitgenoodigd om hier te komen, waar gij mij een middel aan de hand zoudt kunnen doen, om mijn broeder van zijn schuld te ontlasten......
—Van een deel zijner schuld, lieve jonge dame, van een déél! viel de woekeraar haar haastig in de rede. Laat ik er aan toevoegen—van een groot deel!
—Wilt gij mij zeggen, wat gij dan voornemens zijt, mijnheer? vroeg Lucy, die met moeite haar onrust bedwong, toen zij den blik in de kleine oogen van den man tegenover haar opmerkte.
—Dat zult gij aanstonds vernemen, lief kind! antwoordde Ross zoetsappig. Laat ik echter beginnen, met u een klein inzicht te geven van de geldelijke betrekkingen tusschen mijnheer uw broeder en mij—gij zult dan des te beter kunnen oordeelen over de...... de voorstellen, welke ik u te doen heb!
Hij stond weder op, trad op de brandkast toe, opende de deur met een sleutel, die zich aan een sleutelbos in zijn zak bevond, en trok een blikken trommel naar zich toe, welke hij op het blad van zijn schrijfbureau plaatste.
Hij opende ook deze trommel met een kleinen sleutel en haalde er een aantal papieren uit.
Hij spreidde ze op het blad van de tafel uit, gaf er eenige klapjes met de vlakke hand op en zeide, zonder zijn blikken van het gelaat van zijn bezoekster af te wenden:
—Hier heb ik een pakje wissels, door uw broeder onderteekend, ten bedrage van 23.000 pond sterling. Gij schrikt? Ja, dat komt er van, als jongelui het leven wat al te luchtig opvatten, hi-hi! Waar steeds bij komt en niet afgaat...... gij begrijpt, dat loopt op!
—Maar—kunt gij nog niet wat wachten met het presenteren van deze wissels? vroeg Lucy bevend. Onze zilvermijnen......
Maar Ross maakte een verachtelijk gebaar.
—Uw zilvermijnen! herhaalde hij minachtend. Laat ons een oogenblik aannemen dat er zich werkelijk zilver in bevindt—dan is er toch een groot kapitaal benoodigd, om die mijnen te exploiteeren—en waar zoudt gij dat vandaan moeten halen?
Lucy zweeg, en haar oogen begonnen zenuwachtig te knipperen.
Zij had blijkbaar de grootste moeite, haar tranen te weerhouden.
—Ik weet zeker, dat mijn broeder u het bedrag zal teruggeven, mijnheer, zoodra hij daartoe in de gelegenheid is, zeide zij bevend.
—Neem mij niet kwalijk, maar dienaangaande moet ik met u van meening verschillen, lieve, jonge dame! hernam Ross, met een leelijken grijns om zijn breeden mond. Ik kan niet inzien, waarin die gelegenheid zou bestaan! En als ik alles had voorzien, dan zou ik zeker niet zoo onnoozel zijn geweest, mijn goede geld op die manier weg te gooien! Mijn eenige hoop is thans nog gevestigd op het landhuis, dat wellicht bij verkoop voldoende zal opbrengen, om mij schadeloos te stellen!
—Maar dat landhuis is ons eenig bezit! kreet het jonge meisje wanhopig. Mijn moeder en ik moeten daarvan leven, en Robert ook, zoolang hij zich nog niet als mijnbouwingenieur heeft kunnen vestigen!
Ross haalde de magere schouders op, terwijl zijn blikken door het vertrek dwaalden.
—Met philantropie houd ik mij niet op, zeide hij kortaf. Ik heb het geld geleend en ik moet het terug hebben!
—Maar Bob zegt, dat gij het tegen een schandelijke woekerrente geleend hebt! riep het jonge meisje op verontwaardigden toon.
De zwarte oogen van den woekeraar flikkerden een oogenblik.
Maar zijn stem had denzelfden zoetsappigen klank, toen hij hernam:
—Wat zal ik u zeggen? Daar hebt gij geen verstand van! Zaken zijn zaken! Het geld is schaarsch tegenwoordig, en ik moet voor al mijn moeite behoorlijk beloond worden!
Een oogenblik heerschte er stilte in het vertrek, en men hoorde niets dan het tikken van de houten klok, die op den smallen schoorsteenmantel stond.
Toen klonk de matte stem van Lucy Spencer:
—Gij hebt mij geschreven over een middel, mijn broeder van den ondergang te redden—noem het mij.
De woekeraar trommelde even met zijn magere vingers op het tafelblad, en schoof toen met een ruk zijn schrijftafel dichter bij den fauteuil, waarin het jonge meisje had plaats genomen.
Hij keek haar met een zonderlinge flikkering in zijn zwarte oogen aan, en zeide toen op fluisterenden toon:
—Weet gij wel, dat gij zeer schoon zijt?
Lucy week achteruit, alsof zich eensklaps een adder voor haar had opgericht.
Zij werd doodsbleek, en haar lippen vertrokken krampachtig.
In een oogwenk had zij het gansche plan van Ross doorzien.
Zij wilde iets zeggen, maar het leek haar, of de kamer met haar ronddraaide.
En als door een muur hoorde zij de stem van den geldschieter, die voortging met zijn hartstochtelijk gefluister:
—Gij zijt schoon en ik heb u lief! Gij kunt kiezen—of wel gij voegt u naar mijn wenschen, of ik treed over enkele dagen onverbiddelijk tegen uw broeder op! Bedenk, dat hij als was in mijn handen is! Ik kan hem breken, hem vernietigen, bedenk dat! Ik kan zijn geheele toekomst vernietigen! Het behoeft u echter slechts een woord te kosten, en ik werp deze wissels in het vuur! En als gij mij goed kendet, zoudt gij weten, wat dat voor mij te beteekenen heeft! Kies nu!
Lucy opende de oogen, welke zij een oogenblik gesloten had, om het leelijke gelaat als van een kwaden aap niet te zien, dat zich tot het hare had gebogen.
Haar blik was verwilderd.
Maar alle zwakte was eensklaps van haar afgegleden.
Zij sprong op, trok haar mantel dichter om zich heen, en zeide op vasten toon:
—Stephen Ross—als er een vergelding is, dan zult gij hiervoor moeten boeten! Gij laffe schurk, die misbruik durft maken van het goed vertrouwen van een man, die niet veel meer was dan een knaap, toen hij zich voor de eerste maal tot u wendde! Gij wilt een antwoord? Neen, duizendmaal neen! Al zoudt gij mij met millioenen willen overladen, al zoudt gij alle schatten der wereld aan mijn voeten leggen, ik zou u in het afschuwelijk gelaat spuwen, en u mijn verachting toeschreeuwen!
Ross liet een heesch geluid van woede en wraakzucht hooren.
Zijn kleine oogen schoten vuur.
Zijn lippen beefden, en zijn gelaat had een vaal groene kleur gekregen, met twee brandende roode vlekken op de wangen.
—Gij zult het u berouwen! kwam het als een gerochel over zijn sidderende lippen. Gij zult weten, wat het zeggen wil, Stephen Ross te tarten en te hoonen! Je wilt niet, jij trotsche juf? Nu, dan moge je broeder naar de hel gaan!
Hij had deze laatste woorden krijschend uitgeschreeuwd, met het schuim op de lippen, en hij geleek nu waarlijk een tot woede geprikkelde gorilla, zooals hij daar stond, den rug nog meer gebogen, de beide handen gekromd op het tafelblad steunend.
Daarop nam hij de wissels in een enkelen greep tusschen zijn magere vingers, hief ze in de hoogte, en vroeg:
—Weet gij het wel? Hebt gij besloten?
—Ik heb besloten, gij duivel. God weet, hoe lief ik mijn broeder heb, maar liever zag ik ons allen tot den bedelstaf gebracht, dan u ter wille te zijn, gij beest!
De woekeraar wankelde achteruit, alsof hij een slag op het hoofd had gekregen en barstte toen uit:
—Goed! Gij hebt de teerling geworpen! Het zal de dood voor uw broeder beteekenen—of weet gij soms niet, dat hij drie dagen geleden heeft gepoogd een einde aan zijn leven te maken?
Lucy Spencer werd krijtwit en hief met een onwillekeurig gebaar de beide handen gevouwen met een smeekend gebaar naar den schurk op.
—Neen, neen...... dat kan niet waar zijn, hijgde zij. Zeg, dat gij het liegt! Mijn Bob, mijn lieve broer!
—Ik zweer u, dat het zoo is, antwoordde Ross. Zijn bediende is het mij hier komen vertellen en smeekte mij, medelijden met zijn meester te hebben! Welnu, dat zal ik hebben—mits gij de mijne wordt!
Het jonge meisje scheen een vreeselijken strijd met zich zelve te voeren.
Zij was zoo bleek, dat zij een doode scheen.
Haar oogen hadden een waanzinnige uitdrukking.
Zij wreef zich eenige malen met de kleine hand over het reine voorhoofd, alsof zij een martelende gedachte wilde verjagen.
Haar stem klonk rauw, toen zij fluisterde:
—Dan...... ja, dan......
Op dat oogenblik werd er op de deur geklopt en dadelijk daarop werd deze geopend.
De oude bediende stak zijn hoofd naar binnen.
—Wat wilt gij, Jefferson? vroeg zijn meester op ruwen toon. Ik heb u niet geroepen! Pak u weg!
—Neem mij niet kwalijk, mijnheer! zeide de oude man, terwijl hij binnentrad. Ik moest dadelijk een briefje aan deze jonge dame geven!
—Een briefje? herhaalde Ross knorrig.
—Ja, het werd zooeven gebracht door een man, die zeide, dat ik het dadelijk moest overhandigen aan de dame, die bij u was!
De bediende trad op Lucy toe, en overhandigde haar een briefje, dat zij aarzelend en nog half bewusteloos aannam.
Zij draaide het om en om, en wilde het toen in haar tasch steken, maar de oude man, die geen oog van haar had afgewend, zeide:
—Die man verklaarde, dat gij het briefje onmiddellijk moest lezen, miss!
Lucy keek den bediende vragend, met een verbaasde uitdrukking op het bleeke gelaat, aan.
—Wat kan dat beduiden? mompelde zij.
Met een enkelen ruk had zij de enveloppe verbroken en het briefje ontvouwd.
De inhoud bleek slechts zeer kort te zijn, want zij liet het papier bijna dadelijk weder zakken, en een lange zucht, maar thans niet van schrik of ontzetting ontvlood haar borst.
Zij keek om zich heen, alsof zij uit een droom ontwaakte en wendde zich tot den bediende, die nog altijd in onderdanige houding stond te wachten met de vraag:
—Is die man er nog?
—Neen, miss—hij is dadelijk weder weggegaan.
—Hoe zag hij er uit?
—Als een besteller, een kruier of zoo iets.
—Ik dank je vriend! Ik heb je niet meer noodig!
De oude man keek Ross schuw en vragend aan.
—Ga maar! beval deze op norschen toon. En kom ons niet weder lastig vallen.
De oude man sloop weg als een geslagen hond, en de deur viel dicht.
—En wat is nu uw besluit, miss? vroeg Ross, terwijl hij weder op Lucy toetrad.
Lucy liet het briefje in haar zak glijden, wierp den woekeraar een kouden blik toe, en antwoordde:
—Ik blijf bij wat ik zooeven gezegd heb—ik veracht u meer dan ik u zeggen kan, en ik zou liever in de Theems springen, dan u ter wille te zijn!
Ross werd wit tot in zijn lippen, en een oogenblik scheen het, alsof hij zijn klauwachtige vingers naar het jonge meisje wilde uitsteken.
Hij beheerschte zich echter uit alle macht, greep den bundel wissels bijeen, wierp ze weder in de blikken trommel, sloot haar en riep:
—Ik zeg u nogmaals dat gij het u berouwen zult! Dacht gij, dat men Stephen Ross ongestraft kan hoonen? Dat zal ik u anders laten zien!
Maar Lucy Spencer had den schurk niet eens laten uitspreken—zij was op de deur toegetreden, zonder hem zelfs een blik waardig te keuren, en stond het volgende oogenblik weder in de gang.
Zij snelde de wenteltrap af, en trof in de smalle vestibule den ouden bediende aan, die haar een schichtigen blik toewierp, en zich haastte de deur voor haar te openen.
Hij wierp een haastigen blik achter zich en vroeg toen op fluisterenden toon:
—Ik hoop voor God, miss, dat u niets slechts is overkomen! ik ken den schurk—hij is tot alles in staat.
—Maar waarom blijft gij dan toch hier? vroeg Lucy op zachten toon.
De oude bediende haalde de schouders op, en antwoordde mistroostig:
—Ik ben oud, miss, ik moet nog dankbaar zijn dat ik een dak boven mijn hoofd heb! Lieden van mijn gebrekkigheid en ouderdom hebben niet veel te zeggen!
Hij wierp het meisje een vriendelijken blik toe, en het volgende oogenblik viel de deur achter haar dicht.
Maar nu ook kon Lucy Spencer zich niet meer goed houden, haar krachten begaven haar.
De beleediging, haar zooeven aangedaan, kwam haar weder duidelijk voor den geest—en zij barstte in tranen uit!
Wankelend deed zij eenige schreden vooruit, toen zij zich eensklaps bij den pols voelde grijpen.
Verschrikt keek zij op, met roodbekreten oogen.
Zij zag in het witte gelaat van haar broeder Robert.
De jonge man bleef zijn zuster een oogenblik strak aankijken, en vroeg toen op heeschen toon:
—Wat beteekent dit Lucy? waarom kom je uit dat huis? waarom ben je zoo doodelijk bleek en waarom ween je?
Het jonge meisje keek haar broeder verschrikt aan, en plotseling steeg een vlammend rood in haar wangen op.
Zij bevrijdde zachtjes haar pols, en zeide:
—Laat mij, Bob! je behoeft mij niet zoo aan te kijken! dacht je werkelijk dat ik je blik niet ongestraft kon verduren?
De jonge man slaakte een zucht, die veel op een snik geleek, en liet de armen van zijn zuster los.
—Ik heb mij voor dien woekeraar vernederd, ik heb hem trachten te vermurwen—het is mij niet gelukt, en dat is alles!
—Wat? je bent hierheen gegaan zonder mijn voorkennis, om dien ellendeling te smeeken, niet te vergeten dat hij mensch is? riep Robert Spencer woest uit! Dat heeft mijn zuster gedaan?
—Het was voor jou, Bob! zeide Lucy eenvoudig.
—Maar je bleeke, betraande gelaat, Lucy? je sidderde over je geheele lichaam toen je mij zoo onverwacht voor je zag? Wat is er dan toch geschied op het kantoor?
Opnieuw kleurden zich de teedere wangen van het jonge meisje vlammend rood en zij aarzelde met haar antwoord.
Toen kwam het nauwelijks hoorbaar over haar lippen:
—Hij heeft...... Hij vroeg mij......
Zij kon niet voortgaan, maar begroef het lief gelaat in de handen.
Robert Spencer was achteruit gewankeld, alsof hij een slag ontving.
Zijn jong gezicht vertrok zich krampachtig, en zijn blik kreeg een dreigende uitdrukking.
Toen barstte hij uit:
—Daar zal de schurk voor boeten! ik ruk hem het hart uit het lichaam! Hij heeft het gewaagd je oneerbare voorstellen te doen? en dat natuurlijk in ruil voor mijn wissels?
Hij wachtte niet op het antwoord, maar wilde haar voorbij stormen.
Lucy greep hem echter met beide handen bij den arm, en zeide op smeekenden toon:
—Doe het niet, Bob! Je zoudt je drift niet meester zijn—laat het om mijnentwille! Misschien kan alles nog wel goed worden, en waarom zou je met je drift alles bederven? Die ellendeling zal zijn loon wel krijgen!
—Goed worden, herhaalde de jonge man op doffen toon, daaraan geloof ik niet!
Lucy stak de hand in den zak van haar mantel en haalde er het verfrommelde briefje uit, hetwelk de oude knecht haar had gegeven, toen zij met Stephen Ross sprak in diens kantoor.
Zij reikte het haar broeder zwijgend toe.
Deze las de volgende weinige woorden:
„Geef in geen geval aan de wenschen van Stephen Ross toe. Men zal u op andere wijze helpen. Reken op den steun van een machtigen vriend.”
Robert slaakte een kreet van verbazing en riep uit:
—Dat is zeer zonderling! Hedenmorgen heb ik een briefje ontvangen, niet veel langer dan dit, en waarin ik werd aangemaand nog een paar dagen geduld te hebben, omdat dan alles geregeld zou zijn.
HOOFDSTUK IV.
DE MOORD.
Den volgenden dag stonden de bladen, die des middags uitkwamen, vol bijzonderheden omtrent den moord op Stephen Ross.
De woekeraar was door zijn ouden bediende dood voor zijn geforceerde brandkast gevonden met een vreeselijke hoofdwonde.
Blijkbaar was zijn schedel als een eierschaal verpletterd door den slag met een zwaar ijzeren voorwerp, een koevoet of iets dergelijks.
Niet zoodra had Charly, die zich in de bibliotheek van het fraaie huis in de Regent Street onledig hield met het bijhouden van zijn registers, de krantenjongens op straat den naam van Stephen Ross hooren uitschreeuwen, of hij snelde de straat op, en kocht een middageditie van de „Daily Mail”.
Daarmede gewapend, ging hij naar de slaapkamer van Raffles, die zich juist kleedde voor een wandelrit en bezig was, voor den grooten spiegel zijn das te strikken.
Hij wendde zich naar Charly om en vroeg:
—Wat is er gebeurd? Je ziet er zoo opgewonden uit.
—Dat is niet te verwonderen—Stephen Ross is vermoord!
Raffles keek Charly eenige oogenblikken strak aan, en vroeg toen zacht en als afkeerig om het antwoord te vernemen:
—De dader?
—Dien schijnt men nog niet in handen te hebben! antwoordde Charly, die het bericht reeds vluchtig had doorgelezen. Het is ook geen gewone moord, het is roofmoord!
—Een inbraak dus?
—Ja, de brandkast is opengebroken, evenals zijn schrijftafel en de loketkast.
—Lees het mij eens voor, zeide Raffles kortaf, terwijl hij zijn jacquet aanschoot en in een gemakkelijken stoel ging zitten, met zijn lange, in rijbroek en lederen kappen gestoken beenen voor zich uitgestrekt.
Charly begon met gedempte stem voor te lezen.
MOORD OP EEN EFFECTENHANDELAAR.
De politie op het spoor van den dader.
In den afgeloopen nacht is in de Bishop Street weder een zeer zwaar misdrijf gepleegd, hetwelk maar al te zeer aantoont dat het met de veiligheid van onze medeburgers zelfs in hun eigen huis nog altijd droevig gesteld is.
In zijn eigen kantoor is de commissionair in effecten Stephen Ross, op vreeselijke wijze vermoord.
Hij bewoonde een zeer oud, betrekkelijk klein huis, waar hij reeds sedert vele jaren zijn zaken deed.
Hij heeft geen ander personeel dan een jongen klerk, die tevens loopersdiensten verricht, en die om half zes het kantoor verlaat.
Het bedienden-personeel bestaat uit een ouden huisknecht en een huishoudster, die beiden in het huis slapen, op de zolderverdieping.
Gelijkvloers bevinden zich de kleine eetzaal en een soort van werkkamer, op de eerste verdieping het kantoor en een klein vertrek voor den klerk, daarboven de slaapkamer van Stephen Ross, en een ongebruikt vertrek.
Toen de oude bediende van den effectenhandelaar, Henry Jefferson, hedenmorgen, zooals gewoonlijk, om half acht zijn meester wilde gaan wekken, kreeg hij op zijn kloppen geen gehoor.
Eenigszins ongerust rammelde hij aan den knop van de deur, waarvan hij wist dat zijn meester deze des nachts steeds grendelde, en tot zijn verwondering kon hij haar gemakkelijk openen.
Hij trad binnen en zag in de halve schemering—de gordijnen waren gesloten—dat het bed beslapen was.
Maar Stephen Ross was nergens te zien.
De bediende wachtte een oogenblik, maar toen zijn meester niet terugkeerde, ging hij eens in de andere vertrekken zien.
Ten laatste stond hij voor de deur van het kantoor en nu eerst zag hij tot zijn schrik, dat deze op een kier stond.
Want deze deur werd steeds zorgvuldig door zijn meester afgesloten, voor hij zich ter ruste begaf.
Hij rukte de deur open en trad binnen, maar deinsde aanstonds met een schreeuw van ontzetting terug.
In het vertrek heerschte eene onbeschrijfelijke verwarring.
De brandkast was een weinig van haar plaats verschoven en in de deur was een groot gat in den omtrek van het sleutelgat gesmolten, waardoor het gemakkelijk viel haar te openen.
De schrijftafel was opengebroken, evenals de loketkasten, en overal lagen papieren maar in het rond gestrooid.
Dicht bij de kast, met het gelaat voorover op den grond, de armen wijduitgestrekt, lag het lichaam van Stephen Ross in een grooten bloedplas, die gedeeltelijk reeds gestold was.
De ongelukkige was in nachtgewaad gekleed.
Hij was waarschijnlijk met een blaker in de hand binnengekomen en verraderlijk overvallen door den dader, die zich achter de kast verscholen had.
Het voorwerp was hem uit de hand gevallen, toen hij werd neergeslagen en in een hoek van het vertrek gerold.
De schedel was gespleten en een dikke koek geronnen bloed bedekte het achterhoofd.
Henry Jefferson bleef een oogenblik met wijdgeopende oogen dit vreeselijk schouwspel aanzien en liep toen luid schreeuwend, ten einde de huishoudster te gaan waarschuwen, naar Miss Wilcox.
Daarop telephoneerde hij aanstonds de politie, maar hij moest dit in een naburigen sigarenwinkel doen, want het bleek dat de moordenaar den telephoondraad had doorgesneden.
Aanstonds waren een paar detectives van Scotland Yard ter plaatse, vergezeld door een inspecteur van politie.
Uit het ingestelde onderzoek bleek dat de brandkast totaal geplunderd was, die den bedrag aan contanten bevatte van omstreeks twaalf duizend pond sterling, en voorts een aantal effecten en wissels.
Ross was waarschijnlijk wakker geworden door eenig gerucht in zijn kantoor, en had een kaars en zijn revolver gegrepen, om te gaan zien of alles veilig was.
Maar voor hij van dat wapen gebruik had kunnen maken moet de moordenaar hem ruggelings met een zwaar voorwerp hebben neergeslagen, waardoor de dood bijna onmiddellijk intrad.
Wij kunnen uit den aard der zaak geen nadere bijzonderheden melden, maar wel mogen wij meedeelen dat de politie reeds op een spoor is, en dat men een opzienbarende arrestatie kan verwachten, welke wellicht reeds een feit is op het oogenblik dat ons blad ter perse gaat!
Natuurlijk zullen wij niet nalaten, onze lezers op de hoogte te houden van dezen afschuwelijken moord.
Charly liet het blad zakken en keek Raffles zwijgend aan, die met half gesloten oogen had toegeluisterd.
—Wat denk je er wel van? vroeg hij eindelijk.
Raffles haalde de schouders op en antwoordde:
—Wat valt er te denken? Waarschijnlijk een ordinaire roofmoord! Ik kan volstrekt niet inzien dat er iets geheimzinnigs aan is, wij zullen in den vooravond wel weten waar wij ons aan te houden hebben, want dan zullen de daders wel gevat zijn!
—Jij spreekt in het meervoud, maar de „Daily Mail” praat overal van den „moordenaar”.
—Dan denk ik dat zij ongelijk heeft, hernam Raffles kalm. Dat is niet het werk van een enkelen man geweest! Bij het opensmelten van een kast zijn er altijd minstens twee noodig, tenzij men volkomen ongestoord kan werken.
Raffles was opgestaan, nam zijn hoed en karwats van een kleine tafel, drukte Charly de hand en zeide:
—Ik ben over een paar uur weder terug. Je kunt mij een genoegen doen, door nog eens in de buurt van het huis van Robert Spencer rond te loeren.
—Ik ben tot je dienst, Edward!
De beide mannen namen afscheid van elkander, Raffles om zijn rijtoer te maken, Charly om de hem opgelegde taak te verrichten.
De Groote Onbekende was het eerst weder teruggekeerd en zat reeds eenigen tijd in zijn werkkamer, toen Charly opgewonden binnentrad.
Hij ging op Raffles toe en riep uit:
—Er moet iets ernstigs zijn voorgevallen, Edward!
—Wat dan?