Chapter 3 of 5 · 3902 words · ~20 min read

Part 3

—Ik stond reeds bijna anderhalf uur schuin tegenover het huis waar Robert Spencer zijn kamer heeft, zonder iets te hebben gezien. Maar toen reed er een huurauto voor, waaruit Lucy Spencer stapte, de auto bleef wachten en zij schelde aan. Ik kwam langzaam naderbij, maar ik kon natuurlijk niet hooren wat er gesproken werd. Zij praatte met het dienstmeisje, dat de voordeur geopend had en eensklaps zag ik dat zij zeer bleek werd en de hand op het hart drukte, terwijl zij zich met de andere aan den deurpost moest vasthouden. Het volgende oogenblik had zij zich omgewend en vloog naar de auto. En nu was ik dicht genoeg genaderd om te kunnen hooren hoe zij tot den chauffeur riep: „Naar Scotland Yard! Rijd zoo vlug als je kunt.” Het volgende oogenblik was de auto verdwenen!

Raffles had met de grootste aandacht geluisterd en bromde nu voor zich heen: Wat moet dat beteekenen; wat kan er gebeurd zijn?

—Dat vraag ik me ook af, Edward!

Eenige uren later zouden de beide vrienden zekerheid hebben......

Zij zaten in de prachtig gedecoreerde eetzaal van de Windsor Club en hadden hun diner bijna geëindigd, toen de bankier Wynn met bleek gelaat kwam binnenstormen, even rondkeek en toen op het tafeltje afging, waaraan Raffles en Charly gezeten waren.

Reeds op eenigen afstand riep hij:

—Hebt gij het al gehoord, Mylord?

—Wat is er, waarde Wynn, vroeg Raffles, ofschoon een voorgevoel hem zeide wat het antwoord zou zijn.

—Robert Spencer is vroeg in den middag gearresteerd, verdacht van den moord op Stephen Ross!

Charly liet een schreeuw van ongeloof en verbazing hooren, maar Raffles keek strak voor zich uit en schudde slechts eenige malen het hoofd.

—Hoe weet gij het? vroeg hij toen, zich tot den bankier wendend.

—Het staat in de zoo juist verschenen avondbladen.

—Zoudt gij niet zoo goed willen zijn een der bedienden uit de leeszaal met een blad naar mij toe te zenden; ik stel bijzonder veel belang in den jongen Spencer, dat weet gij!

—Dadelijk, Mylord! antwoordde Wynn, en hij snelde weder heen.

De beide vrienden bleven zwijgend tegenover elkander zitten, totdat een der zaalbedienden met een avondblad kwam aandragen, hetwelk hij met een buiging aan Raffles overhandigde.

Deze schoof het blad aan Charly toe en zeide op zachten toon:

—Lees het mij eens voor, dan kan ik er mij beter een oordeel over vormen!

Charly ontvouwde de courant, zocht eenigen tijd en begon toen:

„Het drama in de Bishop Street heeft, spoediger dan men had durven hopen, zijn voltooiing gevonden in de arrestatie van den dader.

Naar wij onzen lezers reeds hebben medegedeeld, vond de politie reeds aanstonds een spoor, nadat zij het vertrek grondig had onderzocht, waar zich het misdrijf heeft afgespeeld, het kantoor van den ongelukkigen effectenhandelaar Stephen Ross.

Wij kunnen nu wel mededeelen, dat men een brief had gevonden met bloed bevlekt, die van denzelfden dag gedateerd was en gericht aan Robert Spencer, die hem daar moet hebben verloren.

Wij kunnen niet nader op den inhoud van dit schrijven ingaan, maar het is zeker dat de jonge Spencer zich naar Ross heeft begeven, in den laten avond van denzelfden dag, waarop hij den brief van den effectenhandelaar ontving, ten einde dezen opheldering dienaangaande te vragen.

Dit is bevestigd door den ouden bediende van den heer Ross, Henry Jefferson, zoowel als door de huishoudster, Miss Wilcox.

Zij verklaren beiden, dat Robert Spencer omstreeks elf uur in den avond aanschelde en zonder zelfs iets aan den bediende te vragen, de trap opliep en zich naar het kantoor van Stephen Ross begaf, die zich daar nog bevond om te werken.

De bediende liep hem na en hoorde hem op opgewonden toon tot Ross spreken.

Hij bleef tien minuten wachten, maar daar hij niets bijzonders meer hoorde, verwijderde hij zich weder.

Jefferson wist, dat zijn meester in zakenrelaties stond met den jongen Spencer, en het is naderhand gebleken, dat die relaties voor den jongen man verre van aangenaam waren. Ross moet niet veel beter dan een woekeraar van de ergste soort zijn geweest, en het verwonderde den ouden bediende niet al te zeer, dat een zijner klanten kwam „opspelen”, zooals hij zich uitdrukte.

Ongeveer een kwartier nadat hij zich verwijderd had, hoorde Jefferson de straatdeur dichtslaan.

Hij meende niet anders of de bezoeker was heengegaan en had de deur woedend achter zich dichtgeslagen.

Daar hij zich altijd op een vasten tijd ter ruste begeeft en zijn meester vaak tot nog laat in den nacht blijft werken, zoo begaf hij zich naar zijn zolderkamertje, zonder verder over de zaak na te denken.

Het is nu echter wel zeker, dat Spencer niet is heengegaan, maar met opzet de deur zoo hard heeft dichtgeslagen, tot alles veilig was en hij de inbraak kon plegen.

De politie is van oordeel, dat hij aanvankelijk voornemens was, zich alleen meester te maken van de wissels, welke Ross van hem in zijn bezit had, maar dat het zien van het goud in de kast zijn hebzucht heeft opgewekt en dat hij, toen hij zich ontdekt zag, den man, die hem in het ongeluk had gestort, heeft neergeslagen met een ploertendooder, of misschien met een ander zwaar voorwerp.

Wij vernemen nog nader, dat ook de zuster van Robert Spencer in den loop van den dag een bezoek heeft gebracht aan Ross, men weet echter nog niet met welke doeleinden. Ongetwijfeld zal het jonge meisje door de politie dienaangaande ondervraagd worden.

Scotland Yard meent verband te moeten zien tusschen dit bezoek en dat van Robert Spencer, hetgeen men afleidt uit den inhoud van het schrijven aan den verdachte, dat hij zeker uit zijn zak heeft laten vallen, na het aan Ross te hebben getoond.

Zoodra de politie dit veroorlooft, zullen wij den inhoud van dit compromitteerende schrijven bekend maken.

De zaak staat op het oogenblik voor den verdachte zeer slecht.

Het staat vast, dat hij zijn huis gisteravond om ongeveer tien uur heeft verlaten en pas hedenmorgen om zes uur terugkeerde.

Dit is gezien door een broodbakkersknecht, die hem van aanzien zeer goed kent, en door eenige bedienden van een nachtcafé aan de overzijde, dat den geheelen nacht openblijft.

En Robert Spencer weigert te zeggen, waar hij den tijd tusschen tien uur ’s avonds en zes uur ’s morgens heeft doorgebracht!”

HOOFDSTUK V.

COMBINATIES EN VERMOEDENS.

Raffles bleef nog geruimen tijd voor zich uit zitten kijken, nadat Charly het blad reeds weder had opgevouwen.

Hij tikte zachtjes met het zilveren lepeltje uit zijn koffiekop tegen den tafelrand en zijn groote grijze oogen hadden een eigenaardigen glans.

Na eenigen tijd zeide Charly hoofdschuddend:

—Dat het daartoe moest komen! Het is alles de schuld van het vervloekte geld! Wij zijn met onze waarschuwingen aan die twee jonge lieden dus toch nog veel te laat gekomen, Edward!

Raffles scheen in het geheel geen acht te slaan op hetgeen Charly gezegd had.

Hij staarde in gedachte voor zich uit en de jonge man moest den zin nog eens herhalen.

Maar ook toen scheen Raffles er de beteekenis niet van te begrijpen.

—Ik zou gaarne willen weten, wat dat briefje behelsde, hetwelk de politie op den vloer van het kantoor heeft gevonden en dat Spencer moet hebben verloren, daar het aan hem geadresseerd was en van dienzelfden dag dateerde. De schurk moet het natuurlijk aanstonds na het vertrek van Lucy hebben geschreven, anders had het niet met de laatste post bezorgd kunnen zijn—en Robert moet dadelijk na de ontvangst van dat briefje het huis hebben verlaten, anders kon hij onmogelijk om elf uur in de Bishop Street zijn geweest! Wat wil dat zeggen?

—Dat het briefje iets van zeer bijzonderen aard bevatte!

—Juist! Een verzoek om hem eens te komen bezoeken, zal Ross zeer waarschijnlijk niet tot Robert Spencer hebben gericht! Het moet iets anders geweest zijn—maar wat?

—Morgen zullen de bladen, het wel mededeelen, meende Charly.

—Ja, de bladen hebben zich weder bij uitstek discreet gedragen! zeide Raffles op verachtelijken toon. Hot deert dien lieden blijkbaar niet, de reputatie van een rein, onschuldig meisje door het slijk te halen met hun half doorzichtige insinuaties, hun lasterlijke opmerkingen! Ik hoop, dat de heeren verslaggevers ditmaal een weinig meer hun tong weten in te binden, want ik heb een voorgevoel, dat dit briefje betrekking heeft op Lucy Spencer!

—Hoe zoo?

—Ik kan geen andere reden zien, waarom de jonge man, haar broeder, die haar innig liefheeft, in zulk een staat van opwinding naar het huis van Ross vloog, om dezen even te gaan zeggen hoe hij over hem dacht!

—Hij heeft dat wel wat ver doorgedreven! zeide Charly op zachten toon.

—Wat meen je? vroeg Raffles verbaasd, terwijl hij Charly strak aankeek.

—Wat ik meen? herhaalde Charly, half van zijn stoel opstaande. Wel, natuurlijk, dat de jonge man in woedenden drift en uit vrees voor ontdekking, Ross heeft neergeslagen!

Raffles haalde nauwelijks merkbaar de schouders op en zeide toen:

—Dat acht ik volkomen buitengesloten!

—Wat! En wat brengt je er toe, dit te denken?

—Alles, mijn waarde! Alles! De brandkast is opengesmolten, zeggen de bladen, en wij hebben geen redenen daaraan te twijfelen. Welnu, is het aannemelijk, dat Robert Spencer in dat huis is gekomen, beladen met alles wat er al zoo noodig is, om den stalen wand of de deur van een brandkast door te smelten?

—Ik moet zeggen.... stamelde Charly. Het klinkt wat zonderling, maar geheel onmogelijk is het toch niet, als wij aannemen, dat Robert daar gekomen is met het voornemen, zich meester te maken van de wissels, welke hij in die kast wist.

—Kom, kom—het is totaal onmogelijk! Weliswaar studeert Robert voor ingenieur maar niemand zal mij kunnen wijsmaken, dat die studie hem vertrouwd heeft gemaakt met de behandeling van het smeltapparaat, zooals de inbrekers dat gebruiken—wij zelven onder anderen, liet hij er op zachten toon op volgen.

—Dus je denkt, dat de politie op een dwaalspoor is, of liever, dat zij een onschuldige heeft opgesloten?

—Daarop zou ik honderd tegen een durven houden! antwoordde Raffles op vasten toon.

—Maar wil je mij dan eens antwoord geven op de vraag, waarom Robert Spencer geen antwoord heeft willen geven op de vraag, waar hij een groot gedeelte van den nacht heeft doorgebracht?

Raffles antwoordde niet dadelijk, maar bleef in gepeins verzonken zitten.

Toen zeide hij langzaam, op gedempten toon:

—Als hij niet wil zeggen, waar hij geweest is gedurende den nacht van den moord, dan zal hij daar wel ernstige redenen voor hebben.

—Zoo ernstig, dat zij hem beletten, zich zelf vrij te pleiten van een zoo vreeselijke misdaad?

—Zeker! Ik kan mij zulke redenen zeer goed denken.

—Maar het kan hem aan de galg helpen! riep Charly uit.

—Als er zich tenminste intusschen geen dingen voordoen, die zijn onschuld onomstootelijk vaststellen... dan zeker.

Charly wilde weder een opmerking maken, toen er een jonge man het vertrek binnentrad, even rondzag, en toen snel naar het tafeltje toekwam, waaraan Raffles en Charly gezeten waren.

Het was Martin Clyde, een der leden van de Windsor Club, nog niet lang geleden aangenomen.

De jonge man was bleek, en blijkbaar aan de grootste opwinding ten prooi.

Hij liet zich op een stoel vallen, en greep de hand van Raffles.

Een oogenblik scheen hij vruchteloos naar zijn woorden te zoeken, maar toen barstte hij uit:

—Ik vraag u verschooning, Mylord, dat ik u hier ongevraagd kom storen, maar het betreft een voor mij zeer belangrijke zaak.

—Deel mij mede, wat gij op het hart hebt, mijn waarde Clyde, zeide Raffles. Ik zal er oprecht verheugd om zijn, als ik in staat ben, u met het een of ander van dienst te kunnen zijn.

—Ik ben zeker, dat gij dat kunt, Mylord! hernam de jonge man. Reeds meermalen hebt gij blijk gegeven van een wonderbaarlijke bekwaamheid in het opsporen van de daders van een misdrijf, en dat zelfs, nadat de politie haar onmacht had moeten erkennen. Niet zonder reden is de hoofdinspecteur, Baxter, zoo op uwe medewerking gesteld.

Er verscheen een zonderling glimlachje om de dunne, krachtig geteekende lippen van den Gentleman-Inbreker, toen hij zeide:

—Wat kan er ook stimuleerender zijn, dan de politie bij te staan in haar pogingen om het kwaad te straffen? Maar ik kan mij niet goed voorstellen, mijn waarde Clyde, in welk opzicht ik u thans van dienst kan zijn?

—Ik zal het u met een paar woorden zeggen, Mylord! hernam Martin Clyde. Gij moet reeds in de avondbladen hebben gelezen, dat men Robert Spencer gearresteerd heeft op verdenking, den woekeraar Ross te hebben vermoord.

Raffles knikte bevestigend.

—Ik heb het gelezen—en ik geloof, dat de politie een ezelachtigheid heeft begaan! zeide hij kalm.

Clyde schoof zijn stoel met een ruk achteruit, en riep met schitterende oogen:

—Dus—gij denkt ook, dat hij dit onmogelijk kan hebben gedaan, Mylord. O, hoe dank ik u daarvoor. Het is immers onmogelijk, ondenkbaar. Bob was driftig en raakte spoedig opgewonden, maar nooit, nooit zou hij tot zooiets in staat zijn. Het is louter krankzinnigheid, om zoo iets ook maar een seconde te kunnen veronderstellen.

—Het eert u, dat gij er zoo over denkt, mijn waarde Clyde, hernam Raffles op ernstigen toon. Gij grondvest echter uw oordeel, dat Robert onmogelijk schuldig kan staan aan dezen moord alleen en uitsluitend op zijn karakterhoedanigheden, en daarmede houdt de politie zich gemeenlijk niet op, die velt haar oordeel slechts naar bevinding van het feitenmateriaal. Ik zeg niet, dat het aldus goed is, maar het is zoo. Ik echter ben vast overtuigd, dat ook de feiten indruischen tegen de meening, dat Robert Spencer schuldig moet zijn. Hij ontkent volstrekt niet, dat hij bij Ross geweest is, dien avond—hetgeen trouwens onmogelijk zou zijn, daar hij door minstens twee getuigen gezien is—maar toen de bediende de buitendeur in het slot hoorde werpen—toen is Robert ook inderdaad voorgoed heengegaan. Ik zeide zoo even reeds tot mijnheer Brand, dat ik het uitgesloten acht, dat Robert Spencer het huis van den woekeraar zou hebben betreden met een complete inbrekersuitrusting. Dat zou de bediende, als hij ten minste niet stekeblind is, toch hebben moeten zien.

—Iets dergelijks is mij ook door het hoofd gegaan, Mylord! riep Clyde opgewonden uit. Ik kon er alleen maar geen uitdrukking aan geven.

—En de reden van uw komst? vroeg Raffles glimlachend.

—Hebt gij die niet reeds geraden, Mylord? hernam Clyde. Ik kom u smeeken, mijn vriend te willen helpen. Het zal u wel bekend zijn, dat ik verloofd ben met zijn zuster—en mijn bloed kookt, als ik bedenk, wat de bladen hebben durven schrijven over haar bezoek aan Ross, dat haar door de edelste beweegredenen was ingegeven. Lucy is wanhopig, en bij haar eerste bezoek aan Bob heeft zij hem bezworen, toch te zeggen, waar hij dien nacht geweest is, maar hij weigert hardnekkig. Hij verklaarde, dat er geen politieautoriteit zoo onnoozel kan zijn, om langer dan een paar dagen aan zijn schuld te gelooven.

—Daarin kon hij zich wel eens vergissen, zeide Raffles hoofdschuddend. Als die heeren eenmaal een vast denkbeeld in het hoofd hebben, dan is het vaak zeer moeilijk, er dat weder uit te krijgen. Zij zijn van meening, dat alle bewijzen tegen den verdachte spreken, en daarbij zullen zij blijven, tot er iets geschiedt, waardoor twijfel niet meer mogelijk is.

—En daarom juist kwam ik bij u, Mylord! hernam Clyde haastig. Ik weet, dat gij vriendschap voor Bob koestert. Ook het lijden van zijn zuster kan u niet onverschillig laten. Als gij u met deze zaak bemoeit, dan ben ik zeker, dat het niet lang zal duren, of de waarheid komt aan het licht, ook zonder dat Bob ons zegt, wat hij dien noodlottigen nacht heeft gedaan. Het spreekt van zelf, dat ik dadelijk voor een goeden advocaat gezorgd heb, maar deze zeide mij, dat hij moeilijk iets kan doen, voor de zaak behandeld wordt, en zoo lang wil ik niet wachten.

—Dat komt mij volkomen begrijpelijk voor, hernam Raffles, want als men alles op zijn beloop laat, dan kan het nog wel maanden duren, voor het proces behandeld wordt, want de rechters zijn als het ware overstelpt met werk.

Raffles was opgestaan en stak Martin Clyde de hand toe.

—Ik beloof u, dat ik zal doen wat ik kan, zeide hij. Maar daarbij zal ook uw medewerking mij van nut kunnen zijn. Hebt gij zelf in het geheel geen vermoeden, waar Robert den nacht kan hebben doorgebracht?

Clyde keek geruimen tijd strak voor zich uit, en er verschenen rimpels in zijn voorhoofd, blijkbaar dacht hij met inspanning van alle krachten ergens over na.

Toen haalde hij met een gebaar van wanhoop de schouders op, en antwoordde:

—Ik kan het mij niet voorstellen, Mylord, hij is geen drinker, geen speler.

Raffles trad dicht op Clyde toe, nam hem bij den arm en fluisterde bijna onhoorbaar:

—Maar misschien heeft hij wel lief? Komaan, mijn waarde Clyde, gij hebt met mannen van eer te doen. Als gij maar het minste vermoeden hebt, deel het mij dan mede.

Clyde wreef zich een paar malen met de hand over het voorhoofd en zeide toen langzaam:

—Laat eens zien, mijn God, zou dat mogelijk zijn? Ik weet dat hij in den laatsten tijd veel komt ten huize van Lady Drake, ik heb hen ook wel eens samen zien paardrijden—maar wat ik u bidden mag, Mylord, leidt hieruit volstrekt niet af, dat ik eenig vermoeden koester, Lady Drake is gehuwd, en.........

—En dat zou veel verklaren, mijn waarde! vulde Raffles kalm zijn zin aan, terwijl hij den ander met zijn groote, grijze oogen recht in het gezicht keek.

—Dus, gij denkt dat Bob gisternacht bij haar...... bij Irma Drake geweest is?

—Ik denk voorloopig nog niets, maar het zou mij toch heel wat waard zijn, als wij dienaangaande zekerheid hadden.

—Dan moeten wij ons die zekerheid zien te verschaffen! riep Charly uit.

—Maar wij moeten het zoo discreet mogelijk doen, ging Raffles voort. Als wij een oogenblik veronderstellen dat wij de waarheid bij de haren gevat hebben, dan kon Robert Spencer het ons wel eens zeer kwalijk nemen als wij het uitbrachten wat hij zoo zorgvuldig verzwegen wil houden, dat hij den nacht in gezelschap van een getrouwde vrouw heeft doorgebracht—misschien wel in haar huis.

—Als ik hem goed ken, Mylord, dan zou hij zich liever laten veroordeelen, dan den naam eener vrouw in opspraak te brengen, die hem heeft vertrouwd.

—Maar veronderstel dat zij zelf sprak, dat zij het leven van haar minnaar stelde boven haar eigen eer? ging Raffles voort.

—Dat zou natuurlijk de zaak veel veranderen, Mylord, maar ik kan u daaromtrent niets zeggen, want daarvoor ken ik Lady Drake te weinig. Gelooft gij niet, dat er veel vrouwen zijn, die een zwaren strijd met zichzelf zouden moeten voeren, alvorens zoo te handelen?

—Zeer veel, mijn waarde, zeer veel, antwoordde Raffles droogjes; in ieder geval moeten wij dit spoor volgen, als de dame in kwestie, natuurlijk voorop gesteld dat wij het bij het rechte eind hadden slechts wilde spreken, dan is Robert reeds morgen op vrije voeten gesteld.

—Misschien heeft zij het al wel gedaan! riep Clyde opgewonden uit, op het oogenblik dat wij hier met elkander spreken.

—Ik benijd uw optimisme ten aanzien van het zwakke geslacht, mijn goede Clyde, dat is alles wat ik zeggen kan, liet de harde stem van Raffles zich hooren. Woont de dame, waarover wij spreken, in Londen?

—Ja, in Hampstead.

Raffles bleef een oogenblik in gedachten staan en hernam toen:

—Ik herhaal, dat ik u en Robert Spencer met mijn zwakke krachten gaarne ter zijde wil staan, maar wij kunnen niets doen als Spencer zelf hardnekkig blijft en de vrouw om wier wille hij zwijgt, niet spreken wil, wie het dan ook zijn moge.

Clyde greep de hand van Raffles en drukte haar met kracht.

—Ik dank u, Mylord, ik gevoel mij nu heel wat geruster. Ik zal het goede nieuws dadelijk aan Lucy gaan overbrengen.

—Waar bevindt uw aanstaande zich op het oogenblik?

—Bij haar moeder, Mylord.

—Gij gaat haar nu aanstonds opzoeken?

—Dadelijk.

—Gij kunt u zeker volstrekt geen denkbeeld maken van den inhoud van het briefje hetwelk Ross aan Robert geschreven heeft, en dat uw vriend in het kantoor van den woekeraar verloren heeft?

—Toch wel, Mylord. Lucy heeft mij natuurlijk op de hoogte gesteld van wat haar wedervaren is ten huize van den schurk, en wij vermoeden dat hij zich heeft willen wreken door Robert te schrijven, dat de wissels aanstonds betaald moesten worden en dat hij in dat briefje uit wraakzucht omdat Lucy slechts met verachting op zijn schandelijke voorstellen heeft geantwoord, wie weet welke afschuwelijke dingen hij van haar heeft gezegd.

—Dat zou de opgewonden haast verklaren, waarmede Robert aanstonds na het ontvangen van dien brief naar Ross is gesneld, om hem rekenschap te vragen en hem even te gaan zeggen wat hij van hem dacht, hernam Raffles nadenkend. De rechter zal natuurlijk van dat briefje gebruik maken om den verdachte te belasteren. Nu, wij zullen dadelijk aan het werk gaan, dat beloof ik u.

—Dan neem ik nu afscheid van u, Mylord, in de hoop, zeer spoedig iets van u te mogen vernemen, zeide Martin Clyde, en hij drukte Raffles nogmaals de hand, knikte Charly Brand toe, en verliet haastig de restauratiezaal.

Raffles keek hem een oogenblik na, en wendde zich toen tot Charly met de woorden:

—De zaak kan morgen tot een goed einde zijn gebracht, als slechts die vrouw wil spreken.

—Jij spreekt maar steeds van die vrouw, maar ben je er dan zoo zeker van, dat er een in het spel is? vroeg Charly.

—Dat kan niet anders, en ik had het veel eerder moeten bedenken, antwoordde Raffles en er verscheen een verachtelijk glimlachje om zijn lippen. Als een man in zulke omstandigheden zwijgt, waar het om leven of dood gaat, kun je er wel een eed op doen, dat er een vrouw mee gemoeid is.

—En als dat nu zoo is, wat ben je dan van plan te doen?

—Naar haar toe te gaan, en haar aan te manen te spreken.

—En als zij weigert?

—Haar echtgenoot op de hoogte brengen, antwoordde Raffles kalm, terwijl hij een versche sigaret opstak.

Charly keek hem met groote oogen aan.

—Staat het je wel helder voor oogen wat je daar voor een schandaal verwekt, dat je een getrouwde vrouw in opspraak brengt, en dat Robert zelf je het wel eens zeer kwalijk kon nemen.

—Dat is alles van veel minder belang, ja het heeft volstrekt niets te beteekenen, als het leven van een man op het spel staat, en niet alleen het leven van Robert, maar ook het geluk van zijn zuster, en de gemoedsrust van zijn brave oude moeder. Geloof je niet, dat die meer waard zijn, dan het fatsoen van een getrouwde vrouw, die per slot van rekening overspel heeft gepleegd? Maar in ieder geval kunnen wij nog wachten tot morgen, misschien spreekt zij wel uit zichzelve.

Raffles bleek goed te hebben gezien.

Den volgenden morgen werd Robert Spencer op vrije voeten gesteld.

Ditmaal had de politie, waarschijnlijk omdat het de naam van een hooggeplaatste dame betrof, bescheidenheid betracht, en aan de verslaggevers medegedeeld, „dat er zich omstandigheden hadden voorgedaan, waardoor het niet langer mogelijk was, de schuld van Robert Spencer aan den moord op Stephen Ross staande te houden.”

Daarmede moesten de bladen zich vergenoegen, maar Raffles, Charly en Martin Clyde wisten beter. Irma Drake had zich nog den vorigen avond laat op Scotland Yard vervoegd, en daar de verklaring afgelegd, doodsbleek maar met vaste stem, dat Robert Spencer dien nacht bij haar was geweest......