Chapter 4 of 5 · 3978 words · ~20 min read

Part 4

Er was een zeer dramatisch tooneel op gevolgd, want men had den verdachte met haar geconfronteerd, en de jonge man had aanvankelijk krachtig ontkend, dat hij zijn minnares bezocht had, maar voor de smeekbeden en de tranen van de schoone, jonge vrouw was hij ten slotte bezweken, en Raffles wist dit alles zoo nauwkeurig, eenvoudig omdat hij dienzelfden avond het huis van Lord Drake bespied had, zijn echtgenoote had zien uitrijden, haar tersluiks gevolgd was, haar het sombere gebouw van Scotland Yard had zien binnengaan, en haar dit gebouw eenige uren later weder had zien verlaten in gezelschap van Robert Spencer. Raffles had even geglimlacht, en was zijns weegs gegaan. Hij begreep zeer goed wat er was voorgevallen.

HOOFDSTUK VI.

DE WISSELS.

Er was een dag voorbijgegaan sinds Robert weder in vrijheid was gesteld en de politie wierp zich met vurigen ijver op een geheel nieuw spoor, maar klaarblijkelijk zonder eenig resultaat.

Robert Spencer zat in zijn studeerkamer met het hoofd in de handen, en de ellebogen op het blad van zijn schrijftafel. Hij had zooeven een damesportret in een fraaie zilveren lijst uit een lade genomen, en het voor zich gezet en naar dat portret staarde hij nu met een blik van innige liefde in zijn bruine oogen.

—Dat zij dat voor mij gedaan heeft, dat zal ik nooit vergeten. Mijn kleine heldin, spoedig zul je vrij zijn, en dan vertrekken wij van hier, om een nieuw leven te beginnen.

Er werd op de deur geklopt en Robert greep haastig het portret, en wierp het in de opengelaten lade.

Juist toen hij haar weder had dichtgeworpen, trad Martin Clyde het vertrek binnen.

Hij zag er vroolijk en opgewekt uit, en drukte zijn vriend hartelijk de hand.

—Dat is wel een gelukwensch waard, beste Robert, riep hij uit. Lord Aberdeen heeft het dus wel bij het goede einde gehad.

Hij hield eensklaps op, als vreesde hij zijn mond te hebben voorbij gepraat.

—Lord Aberdeen? Wat is er met hem? vroeg Robert verbaasd, wat heeft hij hier mee te maken?

—Nu, waarom zou ik het ook verzwijgen—ik had mij tot hem gewend, met het verzoek om mij te helpen de onschuld van jou vast te stellen, want ik wist dat hij als amateur-detective zijns gelijke vruchteloos zocht.

—Welnu?

—Welnu, hij zeide mij bijna aanstonds dat er een vrouw in het spel geweest moest zijn, en dat daarom je lippen wel verzegeld zouden zijn.

—En wat heb jij toen geantwoord, Martin?

De jonge man boog het hoofd, en antwoordde toen aarzelend:

—Lord Aberdeen vroeg mij, of ik niemand wist, met wie je intieme betrekkingen onderhield—het ging om je vrijheid, misschien om je leven—ik heb den naam van Irma Drake genoemd.

Robert schudde afkeurend het hoofd. Dat had je niet mogen doen, Martin, je wist niets zekers.

—Dat is zoo, Robert, maar wij hebben er ook niet over gesproken als over een vaststaand feit, maar toch had Lord Aberdeen zich voorgenomen, de zaak te onderzoeken; hij is een vreemd man, hij was van oordeel dat het leven van een mensch boven den naam van een vrouw gaat, en wees nu maar blij, dat Irma Drake er blijkbaar evenzoo over gedacht heeft, het was een schoon gebaar van haar.

—Een gebaar, waardoor zij mij het leven misschien heeft gered! riep Robert hartstochtelijk uit.

Hij wilde weder iets zeggen, maar er werd opnieuw op de deur geklopt en nu kwam het hoofd van het dienstmeisje om de deur kijken, dat zeide:

—Daar is een heer om u te spreken, mijnheer!

Robert wierp een verwonderden blik op de pendule, en zeide:

—Op dit uur?

—Hij zeide, dat hij voor gewichtige zaken kwam.

—Heeft hij zijn naam niet genoemd?

—Die kwam er niet op aan, zeide hij, want u kende hem toch niet.

—Heb je hem gezegd, dat ik al bezoek had?

—Neen, mijnheer, dat wist ik zelf niet. Mevrouw heeft uw vriend binnengelaten.

Robert zuchtte, en zeide:

—Nu, laat mijnheer dan maar even hier komen.

Martin Clyde stond op, als om afscheid te nemen.

—Dan wil ik je niet langer ophouden, Bob. Wij spreken elkander vanmiddag op de club.

—Geen kwestie van, hernam Robert lachend; ik laat je niet zoo spoedig los, wacht even in mijn slaapkamer hier naast, het gesprek zal wel niet lang duren.

—Dan neem ik een paar sigaretten van je mee, Bob, en hij greep een paar sigaretten uit de doos, welke op de schrijftafel stond.

Toen verdween hij door de tusschendeur, welke Robert voor hem open liet.

Nauwelijks had hij deze weder gesloten, en voor het bureau plaats genomen, of het dienstmeisje liet den bezoeker binnen, en verdween geruischloos.

Het was een man van omstreeks veertigjarigen leeftijd, breed geschouderd, en met een donker, sluw gelaat.

Hij was goedgekleed, en scheen gewoon, zich in goed gezelschap te bewegen.

Hij keek een oogenblik om zich heen, en vestigde toen zijn zwarte oogen op het gelaat van Robert Spencer.

—Ik heb het genoegen met mijnheer Spencer te spreken? vroeg hij, terwijl hij met den hoed in de hand bij de deur bleef staan.

—Die ben ik, mijnheer, antwoordde Robert verwonderd, terwijl hij opstond om zijn bezoeker te begroeten, en een stoel voor hem aan te schuiven, mag ik weten wat u tot mij voert en hoe uw naam is?

—Het tweede is volstrekt niet noodzakelijk als gij het eerste zult hebben vernomen, mijnheer Spencer, antwoordde de bezoeker met een onaangenamen glimlach om den mond, om kort te gaan, mijn naam heeft voor u volstrekt geen waarde, en kan buiten de zaak blijven.

—Dan ben ik wel zeer benieuwd, wat ge mij te zeggen kunt hebben, gaf Robert verbaasd te kennen, en met licht gefronste wenkbrauwen. Neem plaats, wat ik u verzoeken mag, maar maak het kort, want ik heb hard te werken.

—Ik begrijp het, mijnheer Spencer, gij hebt veel verloren tijd in te halen, want gij zijt een paar kostbare dagen kwijt, welke men u in het huis van bewaring heeft laten slijten.

Robert, die was gaan zitten, verhief zich weder half van zijn stoel, en keek den ander vragend aan.

—Wat heeft dat te beteekenen? Staat uw bezoek soms in verband met de zaak in de Bishop Street, dat gij zooeven die opmerking gemaakt hebt?

—In zekeren zin, ja.

—Dan ben ik inderdaad nieuwsgierig naar wat gij mij wel te zeggen kunt hebben.

—Dat zult gij spoedig hooren, mijnheer Spencer.

De bezoeker had op zijn beurt plaats genomen, en zijn hoed op zijn knieën gelegd.

Hij keek den jongen man een oogenblik door zijn halfgesloten oogleden aan, en begon toen:

—Ik behoef u natuurlijk niet te zeggen, mijnheer, dat er zich onder de geroofde papieren in de brandkast van Stephen Ross een aantal wissels bevond, welke uw handteekening droegen?

Robert knikte, zonder het minste begrip, waartoe dit moest leiden.

Toen zeide hij langzaam:

—Ik zie niet in, waarom ik dat zou ontkennen, mijnheer? Die gestolen wissels zijn juist voor een deel de oorzaak geweest van mijn arrestatie, die voor niemand een geheim behoeft te zijn. Men weet nu, dat ik aan die zaak part noch deel heb.

—Ongetwijfeld en dat is voor u zeer gelukkig, mijnheer Spencer.

—En zoudt gij nu niet terzake willen komen? vroeg Robert eenigszins ongeduldig.

—Aanstonds, mijnheer Spencer, die wissels zijn dus gestolen, en dat moet u natuurlijk wel aangenaam zijn, want nu behoeft gij ze niet te betalen.

Met een brusk gebaar stond Robert op, en riep toornig:

—Zijt gij hier gekomen, om mij dat te zeggen? Mag ik weten, waar gij u mede bemoeid, zijt gij soms een zaakgelastigde of een compagnon van dien schurk?

—Noch het een, noch het andere, mijnheer Spencer! antwoordde de bezoeker met denzelfden onaangenamen glimlach om de lippen, en toch kom ik met u spreken over deze wissels die voor u natuurlijk van groot gewicht zijn, voor het geval zij weer eens aan den dag mochten komen, want Stephen Ross heeft erfgenamen, zijn boeken zijn allen stipt bijgehouden, en er is reeds een accountant in het kantoor, die in opdracht van de erfgenamen alles nauwkeurig naziet en de rekening opmaakt.

—Ik weet volstrekt niet wat u dit alles aangaat, zeide Robert koeltjes, maar ik wil u wel zeggen, dat ik volstrekt niet voornemens ben, mij aan mijn geldelijke verplichting te onttrekken, wanneer de erfgenamen van Ross mij zullen aanmanen. Ik hoop slechts, dat zij zich een weinig minder inhalige schurken en woekeraars zullen betoonen, dan Ross, het spijt mij dat ik op zulk een wijze moet spreken van een man die door moordenaarshand gevallen is.

—Dat alles klinkt zeer schoon, en geeft blijk van uw hoogstaand karakter, mijnheer Spencer, hernam de bezoeker. Maar er zullen misschien nog wel andere uitwegen zijn!

—Wat bedoelt gij daarmee, mijnheer?

—Wij zouden bijvoorbeeld kunnen aannemen dat die wissels in andere handen komen—dan die van de erfgenamen! Niets is immers natuurlijker nietwaar—van het oogenblik af dat zij gestolen zijn!

Er heerschte een oogenblik een gespannen stilte in het vertrek, en men hoorde niets dan het tikken van de pendule.

Robert trommelde zenuwachtig met zijn beenen vouwbeen op den rand van zijn schrijfbureau, en keek zijn bezoeker onafgebroken aan, die op zijn beurt geen oog van hem afhield.

Toen barstte hij uit:

—Ik moet het er dus voor houden dat ik hier met een chantage te maken heb? Weet gij dat ik veel lust heb om aanstonds de politie te telefoneeren?

De bezoeker haalde even de schouders op, en antwoordde:

—Dat zou verloren moeite zijn, mijn waarde heer Spencer—ik geloof niet dat ik zoo lang zou kunnen wachten, tot zij hier is. Gij moet natuurlijk wel begrijpen, dat ik op alle gebeurlijkheden ben voorbereid. Ik ben er echter zeker van dat wij elkander in der minne zullen kunnen verstaan! Veronderstel eens, dat ik op een of andere wijze in het bezit was gekomen.... van de u bekende wissels. Ik zou er dan aanstonds mede naar de erfgenamen kunnen loopen, die zeker niet zouden aarzelen, mij een goed bedrag te bieden voor de papiertjes in quaestie, welke voor hen een groot fortuin vertegenwoordigen. Maar om verschillende redenen heb ik er de voorkeur aan gegeven, er eerst mede naar den onderteekenaar te gaan, in de veronderstelling, dat hij wel niets liever zal willen, dan ze mij voor een behoorlijk bedrag af te koopen. Gij hebt dan verder niets te doen, dan ze in het vuur te werpen, en alles is afgeloopen. Ik kom er rond voor uit, dat het den personen, die deze wissels in handen wisten te krijgen, moeilijk zou vallen ze te innen, zonder dat het de politie op hun spoor zou brengen. Wel, wat zegt gij van mijn voorstel?

Robert keek zijn bezoeker eenige oogenblikken met de diepste verachting aan.

Toen zeide hij langzaam:

—Ik weet eigenlijk niet, waarom ik u heb laten uitspreken, en u niet dadelijk de deur heb gewezen—of liever, waarom ik u niet heb neergeslagen, in afwachting van de komst der politie! Want het is duidelijk, dat gij medeplichtig moet zijn aan de lage misdaad in de Bishop Street! Ja, misschien zijt gij wel een der daders! Maar dat kan ik nog doen! voegde Robert er opgewonden aan toe, terwijl hij opstond, en een paar passen op zijn bezoeker toetrad.

Maar deze was snel als de bliksem zelf opgesprongen en had een revolver getrokken, welke hij nu schietvaardig hield.

Op zijn sluw wreed gezicht, vertoonde zich nog altijd de boosaardige glimlach.

—Dacht gij soms met een kind te doen te hebben, mijnheer Spencer? vroeg hij op verachtelijken toon. Ga weder zitten, wat ik u verzoeken mag, en geef mij liever antwoord op mijn vraag. Gij zegt ja, als gij verstandig zijt! Gij zijt dan van alle zorgen bevrijd, en gij hebt de erfgenamen van een ellendigen woekeraar een kool gestoofd!

—Al was hij duizendmaal een woekeraar! riep Robert uit, terwijl zijn lippen van woede trilden. Van een schurk als gij zijt, wil ik mijn redding niet aanvaarden! Nu weet ik het—gij zijt zelf mede schuldig aan den moord op Ross!

—Daarover praten wij op het oogenblik niet, mijnheer Spencer, hernam de andere koeltjes. Ik heb de wissels en ik bied ze u tegen een niet te hoogen prijs aan, omdat wij er toch anders weinig mede kunnen doen, tenzij wij ze aan de erfgenamen aanbieden—met de risico evenwel, dat zij ons aan de politie verraden. Neemt gij ze echter niet, dan zult gij u in ieder geval in een zeer onaangename positie bevinden, want de familie van Stephen Ross krijgt ze dan ondanks alles! Gij kunt kiezen of deelen!

Robert had met bleek gelaat toegeluisterd.

Hij gevoelde, hij wist, dat hij tegenover een der moordenaars van Stephen Ross was gezeten—en hij was machteloos!

De dreigende revolver wees in zijn richting, en de schurk had den vinger aan den trekker, gereed om dien over te halen bij de minste verdachte beweging!

Maar eensklaps ging de deur van de slaapkamer langzaam open.

Martin Clyde had blijkbaar de driftige stem van zijn vriend gehoord, en eenige woorden opgevangen, welke hem verontrust hadden.

Hij kon van zijn plaats den bezoeker zien zitten—maar hij zag niet de revolver, welke deze op zijn knieën liet rusten.

Het volgend oogenblik stond hij in de kamer.

—Als je mij soms ergens voor noodig hebt, Bob, zeg het dan maar, zeide hij met zijn rustige, donkere stem.

De bezoeker was opgesprongen en met twee stappen bij de deur.

—Houdt hem vast, Martin! schreeuwde Robert opgewonden. Hij is betrokken bij den moord op Ross!

Martin sprong, zonder zich te bedenken, op den schurk toe....

Een bliksemsnelle beweging.... het scherp geluid van een schot.... een kreet, half snik, half gil.... de val van een lichaam op het vloerkleed....

De gangdeur vloog open en de bezoeker was verdwenen voor Robert iets had kunnen doen om hem tegen te houden.

Hij bukte zich over het lichaam van Martin Clyde, wentelde het lichaam om.... op de rechterborst, dicht bij den schouder, plekte een zwarte, zwak glanzende vlek.... bloed.

Robert slaakte een gil en snelde naar de electrische schel, aan zijn tafel bevestigd.

Daarop stormde hij zijn slaapkamer binnen, rukte de deur van zijn linnenkast open, greep een overhemd, en scheurde het in stukken.

Hij nam met bevende hand de lampetkan, en ging naar de kamer terug.

Met trillende vingers maakte hij het goed van den gewonde los, die met gesloten oogen, zwaar ademend, op den vloer lag uitgestrekt.

Hij maakte het linnen nat en bette er de kogelwonde mede, terwijl hij ongearticuleerde kreten liet hooren, half waanzinnig van ontzetting en smart.

Het dienstmeisje trad binnen en gaf een schreeuw van schrik, toen zij het bebloede lichaam daar zag liggen, het bleeke gelaat en de gesloten oogen zag.

—Groote God—wat is er toch gebeurd, mijnheer? jammerde zij handenwringend.

—Vraag niets, maar loop dadelijk naar dokter Bush, op den hoek, en zegt hem dat hij dadelijk moet komen, en zijn tasch met instrumenten moet medebrengen—maar haast je om Godswil! Mijnheer Clyde is zwaar gewond!

Het meisje wankelde naar de deur.

Maar zij had die nog niet bereikt, of op den drempel verscheen een nieuwe bezoeker.

Het was John Raffles.

HOOFDSTUK VII.

OP ZOEK NAAR DEN MOORDENAAR.

Hij bleef even verschrikt staan, en trad toen haastig binnen.

—Spencer—wat is hier voorgevallen? vroeg hij, terwijl hij naast het lichaam van den gewonde nederknielde, en diens hoofd een weinig ophief.

—Iets vreeselijks, Mylord! antwoordde Robert heesch. Martin was in die kamer, wachtend op het vertrek van een bezoeker die bij mij was. Die kerel was een schurk—ik zal u dat nader verklaren.... Martin kwam binnen—ik, dwaas, schreeuwde hem toen, den ellendeling vast te grijpen, vergetend, dat hij gewapend was.... de man schoot op hem.... en .... oh, als hij het niet overleeft, dan.... dan word ik waanzinnig! Want het is mijn schuld—mijn schuld alleen, verstaat gij?

Hij stond op, en Raffles geleidde de wankelende gestalte naar een sofa.

Daarop wendde hij zich tot het dienstmeisje, dat star van ontzetting op dezelfde plek was blijven staan, en vroeg:

—Had mijnheer Spencer u geroepen?

—Ja, mijnheer—ik moest naar den dokter gaan, antwoordde het meisje bevend.

—Wacht daar nog even mede, hernam Raffles vriendelijk. Ik ben zelf ook geneesheer als het moet! Breng mij maar dadelijk wat bloedstelpende watten, verbandgaas en windsels—en als die niet in huis zijn, ga ze dan dadelijk halen—er is een apotheek op den hoek.

Terwijl het meisje heensnelde, boog Raffles zich over den gewonde heen, en onderzocht de wonde zorgvuldig.

Hij richtte Martin Clyde met de grootste behoedzaamheid een weinig op, en onderzocht den rug.... daarbij viel er iets hards op den vloer—het was de revolverkogel, die het geheele lichaam doorboord had.

—Gelukkig dat de kogel niet in het lichaam is gebleven, mompelde Raffles, terwijl hij den gewonde weder zachtjes nedervlijde.

Hij stond op, wendde zich tot Robert, die radeloos voor zich uitstaarde, en zeide op bemoedigenden toon:

—Schep moed, Spencer! De wonde is ernstig, maar volstrekt niet levensgevaarlijk! De kogel heeft geen edele deelen getroffen, en gelukkig het lichaam verlaten. Met eenige weken volkomen rust is uw vriend weder genezen!

—Goddank! riep Robert uit den grond van zijn hart, terwijl hij naast den verloofde van zijn zuster nederknielde, en hem zachtjes over het blonde haar streek.

Hij keek naar Raffles op, en vroeg:

—Kan hij vervoerd worden?

—Dat zou ik afraden, als het te vermijden is. Kunt gij hem niet een week op zijn minst hier houden?

—Natuurlijk, Mylord! antwoordde de jonge man haastig. Hij kan mijn bed krijgen, ik zal hier wel op de sofa gaan slapen—en ik verzeker u dat ik geen seconde van hem zal wijken, tot alle gevaar geweken is! O, die lafhartige schurk!

—Wilt gij mij aanstonds niet eens vertellen, hoe alles zich heeft toegedragen? vroeg Raffles.

—Dat wil ik, Mylord!

Het dienstmeisje trad weder binnen, de armen vol verbandmiddelen.

Raffles had zijn jas reeds uitgetrokken en zijn mouwen opgestroopt.

Hij schreef nog snel op een stukje papier eenige dingen, welke hij noodig zou hebben, en zond het meisje naar den apotheker.

Daarop tilde hij met de hulp van Robert den gewonde voorzichtig op, en beiden droegen hem naar het bed in de slaapkamer.

Omzichtig werd de gewonde van zijn bovenkleederen ontdaan, en nu begon Raffles hem, na de wonde te hebben gedesinfecteerd, met zorg te verbinden.

Vervolgens diende hij hem een koortswerend middel toe, en gaf Robert de noodige aanwijzingen in verband met de verpleging van den gewonde.

Ten slotte nam hij hem onder den arm, en voerde hem naar de werkkamer terug.

—Gij behoeft u thans werkelijk niet meer ongerust te maken, mijn waarde Robert! zeide hij. Martin heeft een ijzer sterk gestel, en wanneer er zich geen onverwachte complicaties voordoen, is zijn herstel alleen maar een kwestie van tijd. En deel mij nu eens uitvoerig mede, wat er zoo juist was gebeurd.

De twee mannen hadden plaats genomen en nu deelde Robert mede, wat hier eigenlijk geschied was.

Raffles had aandachtig toegeluisterd en riep, toen de jonge man zijn verhaal geëindigd had:

—Maar dat moet dan die man zijn geweest, die mij juist voor de straatdeur bijna van de been liep door zijn haast, om het huis te verlaten! O, als ik het geweten had!

Hij stond op en begon met vlugge passen het vertrek op en neder te loopen.

Eensklaps wendde hij zich weder tot Robert Spencer en vroeg:

—Gij zoudt dien man natuurlijk dadelijk herkennen, als gij hem terugzaagt?

—O ja! Zonder een oogenblik te aarzelen!

—Gelooft gij, dat hij vermomd was—een pruik droeg, of een valschen baard, meen ik?

—Zijn gelaat was volkomen glad, en als hij een pruik heeft gedragen, dan moet die wel bijzonder bedriegelijk zijn nagemaakt! Neen, ik geloof niet, dat hij zich vermomd had!

—Geef mij eens een nauwkeurige beschrijving van dien man als gij wilt!

Robert dacht even na, en beschreef toen zijn bezoeker tot in de minste bijzonderheden.

En naarmate hij verder ging, aam het gelaat van Raffles een sombere uitdrukking aan.

Toen de jonge man gereed was, mompelde Raffles voor zich heen:

—Ik wil geen brandkast meer aanraken, als hij mij daar geen persoonsbeschrijving geeft van een der eerste luitenants van Dr. Fox! „Black Jim” was, geloof ik, de bijnaam van dien schurk! Zou de Meester dan nu reeds terug zijn uit Amerika? Zou hij hier de hand in hebben gehad?

Robert keek hem nieuwsgierig aan, en begreep blijkbaar niet, waaraan Raffles dacht.

Eensklaps greep Raffles zijn hoed, en riep uit:

—Wij moeten dien kerel tot iederen prijs weder in handen zien te krijgen, het staat natuurlijk als een paal boven water dat hij bij den moord op Ross betrokken is geweest! Misschien was hij wel een van de daders.

—Zoo denk ik er ook over, Mylord!

—Zoudt ge mij niet naar Scotland Yard willen vergezellen om daar de zaak uiteen te zetten?

—En Martin, Mylord?

—Voor hem zullen wij wel een verpleegster bestellen, antwoordde Raffles.

—Ik wist eigenlijk volstrekt niet dat gij geneesheer waart, zeide Robert Spencer, die zijn hoed was gaan halen.

—Ik heb er voor gestudeerd, mijn waarde Robert, ik zou als ik wilde, Dr. voor mijn naam kunnen plaatsen, en ik heb door zelfstudie mijn kennis nog wat vermeerderd. Maar laten wij ons nu haasten, want iedere minuut heeft waarde.

De beide mannen verlieten het huis, en liepen op een groote, blauw-gelakte auto toe, die voor het huis stond te wachten met den reusachtigen chauffeur achter het stuurwiel.

Het was de limousine van Lord Aberdeen.

Raffles wisselde op zachten toon een paar woorden met Henderson, zijn trouwen chauffeur, en een oogenblik later stoof de auto weg om een kwartier later stil te staan voor een hospitaal, waar een goede verpleegster werd gehuurd.

Nadat dit gedaan was, reed de auto verder naar Scotland Yard, en een half uur later stonden Raffles en Robert tegenover den hoofdinspecteur Baxter, een zwaar gebouwd man met een opgezet gelaat, een blonden baard, en zeer weinig haar.

Het geval werd hem uiteen gezet, en spoedig waren een paar detectives ter plaatse.

Een hunner was James Sullivan,—dezelfde politiebeambte, met wien John Raffles reeds herhaalde malen op een verre van aangename wijze in contact was gekomen.

Maar eerder zou de detective aan zijn eigen bestaan hebben getwijfeld, dan dat hij een oogenblik zou hebben geloofd, dat zich achter den persoon van Lord William Aberdeen zijn lang gezochte vijand John Raffles bevond.

Het geheele geval moest nogmaals verteld worden, en Sullivan luisterde aandachtig.

Toen Robert zijn verhaal beëindigd had, vroeg hij:

—Gij weet zeker niet of die man de wissels bij zich had?

—Neen, maar ik denk het haast wel!

—Ik geloof het tegendeel, mijnheer Spencer, want hij zal er toch wel niet op gerekend hebben, dat gij het bedrag, hetwelk hij er voor had willen vragen op staanden voet zou kunnen betalen.

—Zoo denk ik er ook over, als ge mijn oordeel wilt weten, zeide Raffles. Hij kon weten, dat gij zooveel geld wel niet in huis zoudt hebben. Ik denk dat hij, als gij zoudt hebben toegestemd om hem de wissels af te koopen, u een plek van samenkomst zou hebben opgegeven, waar hij het geld in ontvangst zou hebben genomen!

—Zoo denk ik er ook over Mylord, hernam Sullivan, en achteraf beschouwd, is het eigenlijk jammer, dat mijnheer Spencer niet schijnbaar op de zaak is ingegaan! Wij zouden dan den schurk netjes in de val hebben laten loopen. Gedane zaken nemen echter geen keer, en er blijft ons niets anders over dan naar dien man te zoeken!

—Mijnheer Spencer heeft u zooeven een beschrijving van den bandiet gegeven, waarde heer Sullivan, zeide Raffles, terwijl hij den detective aandachtig aankeek. Is het mogelijk, dat gij dien man uit die beschrijving herkent? Kan hij geen lid zijn van een of andere bekende dievenbende?

In stede van te antwoorden, wenkte Sullivan een agent, die bij de deur op instructies stond te wachten, en gaf hem op fluisterenden toon een bevel.

De man verwijderde zich, en keerde een oogenblik later terug met een lijvig register, hetwelk hij op een tafel bij het raam nederlegde.